Phossy, fosi: Phossy jaw = ontsteking aan de kaakbeenderen van

werklieden bij phosphorfabricatie.

Photo, foutou, photographie: To have one’s photo taken = To sit for

one’s photo; Photo-engraving = photogravure; Photograph = Photo;

Photograph verb. photographeeren: He photographs well, as the phrase

goes = is goed te treffen; Photographer, Photographist, fətogrəfə,

fətogrəfist, photograaf; Photographic = photografisch; Photographic

album; Photography, fətogrəfi, photografie; Photogravure, foutəgrəvjûə;

Photolithograph; Photolithography, foutəlithogrəfi,

lichtsteendrukkunst; Photometer, fətomətə, photometer; adj.

Photometric(al); Photometry, fətomətri, meting der lichtsterkte;

Photophobia, foutəfoubjə, lichtschuwheid; Photosphere, foutəsfîə,

lichtkring om de zon, photosfeer.

Phrase, freiz, subst. zindeel, woordverbinding, spreekwijze; Phrase

verb. noemen, in woorden uitdrukken: I was afraid to phrase my notion =

mijn denkheeld onder woorden te brengen; Phrase-book = boek met

idiomatische uitdrukkingen; Phraseologic(al), freiziəlodžik(’l), uit

zindeelen en uitdrukkingen bestaande; Phraseology, freiziolədži, wijze

van uitdrukking, woordenkeus, boek met idiomen.

Phrenetic, frənetik, krankzinnig, dol, fanatiek; ook subst.; Phrenitis,

frənaitis, hersenontsteking, waanzin; Phrenologist, frənolədžist,

phrenoloog; Phrenology, frənolədži, schedelleer.

Phrygia, fridžiə, Phrygië; Phrygian = Phrygisch: Phrygian cap =

vrijheidsmuts; Phryne, fraini.

Phthisic, tizik, teringachtig; subst. tering, teringlijder; Phthisical

= teringachtig; Phthisis, thaisis, taisis, fthisis, longtering.

Phylactery, filaktəri, talisman, amulet; gedenkcedel der Israëlieten;

reliquieënkastje.

Phyllis, filis.

Phylloxera, filoksîrə, druifluis(ziekte).

Physic, fizik, subst. geneeskunde; geneesmiddel; purgeermiddel;

geneesheer (Physics = natuurkunde); Physic verb. geneesmiddelen

toedienen, purgeeren, genezen: To take (use) physic = medicineeren;

Physical = natuurkundig, zinnelijk waarneembaar; geneeskundig;

heilzaam: Physical education = lichamelijke opvoeding; Physical science

= natuurkunde; Physician, fiziš’n, geneesheer: Family physician =

huisdokter; Physicist, fizisist, natuurkundige.

Physiognomic(al), fiziognomik(’l), tot het gelaat of de gelaatkunde

behoorende; Physiognomist, fizio(g)nəmist, gelaatkundige; Physiognomy,

fizio(g)nəmi, gelaatkunde, gelaat, voorkomen.

Physiologic(al), fiziəlodžik(’l), physiologisch; Physiologist =

physioloog; Physiology = physiologie.

Physique, fizîk, lichaamsbouw, -gestel.

Phytogenesis, f(a)itədženəsis, leer van het ontstaan der planten;

Phytography, f(a)itogrəfi, plantenbeschrijving; Phytophagan =

Phytophagous = plantenetend; Phytonomy, f(a)itonəmi, planten-anatomie.

Pianino, pîənînou, pianino; Pianist, pîənist, pjanist, pianist.

Piano, pjanou, piano; adj. zacht (pjânou): Cottage (Oblique) piano =

pianino; Grand piano = concertvleugel; Square piano = klavier; Upright

(Cottage) piano = pianino; Piano-stool; Piano-teacher; Piano-tuner =

pianostemmer; Pianola, pianələ, pianola.

Piastre, piastə, piaster: Spanish piastre = ƒ 2,60; Turkish piastre = ±

ƒ 1,07.

Piazza, piazə, plein; zuilengang; veranda (Amer.).

Pibroch, pîbrok, Schotsche doedelzak.

Pica, paikə, soort van drukletter; eetlust voor onmogelijke dingen

(zand, etc.); ekster.

Picador, pikədö, ruiter, bereden stierenbevechter.

Picardy, pikədi, Picardië.

Picaroon, pikərûn, avonturier, (zee)roover, kaperschip; Picaroon verb.

rooven.

Piccalilly, pikəlili, augurkjes, etc. in sterk gekruide saus.

Piccaninny, pikənini, hummeltje (van kinderen), negerkind.

Piccolo, pikəlou, kleine fluit.

Pick, pik, subst. soort houweel, keur, het beste; Pick verb. met iets

puntigs naar iets slaan, openen (met een puntig werktuig), schoonmaken,

plukken, afknagen, kiezen, uitkiezen, oprapen, prikken, stelen (To pick

and steal), met de vingers spelen op een snaarinstrument: The pick of

the basket = het neusje van den zalm; You can take your pick =

uitzoeken; To pick a person’s brains = iemand naschrijven of napraten;

I have a bone to pick with you = een appeltje met je te schillen; I do

not want to pick holes in your coat = geene aanmerkingen te maken; To

pick a lock = een slot opensteken; To pick pockets = zakkenrollen; To

pick a quarrel = ruzie maken; To pick a salad = schoonmaken; Here you

cannot walk without picking your steps = zonder voorzichtig te zijn; I

wish you would pick your words = voorzichtiger uitdrukken; She might

pick and choose between (had the picking and choosing from) two

husbands; An army of picked men = van uitgelezen troepen; Our officers

are picked off by the Boers = er uitgepikt; I have picked you out of

the gutter = uit de goot opgeraapt; I cannot pick out the meaning of

this = de beteekenis hiervan niet snappen; The black velvet was picked

out with bright blue = afgezet met; A mouth, picked out with large

teeth = voorzien van; To pick to pieces = scherp critiseeren; You are

picking up straws = je bent aan het stroo dorschen (fig.); I must try

to pick up a livelihood somewhere = ik moet zien dat ik ergens aan den

kost kom; We have picked (up) acquaintance with each other = kennis

gemaakt; He picked up with a pretty American = maakte kennis met; Where

did you pick up your English? = waar heb je opgedaan; To pick (oneself)

up = To pick up one’s crumbs = To pick up one’s strength = opknappen,

weer op krachten komen; Pick-a-back: To carry a person (a) pick-a-back

= op de schouders: Pick-axe = houweel; Pick-axe team = één paard

tusschen de boomen en twee daar vóór (Austral.); Picklock = looper;

dief; Pick-me-up = versterkend middel, hartsterking; Pickpocket =

zakkenroller; Pickings and stealings = oneerlijk verkregen inkomsten,

knoeierijen; Good pickings = vette bijverdiensten.

Pickaninny, Zie Piccaninny.

Pickeer, pikîə, schermutselen, verkennen, toelonken.

Pickerel, pikər’l, soort snoek; snoekbaars.

Pickersgill, pikəzgil.

Picket, pikət, subst. paal, staak, piket, posten (van stakers); Picket

verb. met palen omheinen of beschermen, aan een paal binden,

stationneeren (als een piket), posten: The horses broke their pickets =

braken los van de piketpalen.

Pickle, pik’l, subst. pekel, zuur; lastig geval, lastpost (van een

kind); Pickle verb. pekelen, inleggen: I have a rod in pickle for you =

er staat een potje te vuur voor je; To be in a fine (nice, sad) pickle

= leelijk in de klem zitten: They are great pickles = hachjes;

Pickle(d) herring = pekelharing.

Pickwick, pikwik, Pickwick; stinkstok (sigaar); adj. Pickwickian:

Pickwickian sense = technische beteekenis van een woord.

Picnic, piknik, subst. buitenpartijtje, waarbij de deelnemers provisie

meenemen; Picnic verb. een picnic houden; Picnicker.

Picotee, pikətî, soort van anjelier: The picotee differs from the

carnation in being fringed.

Picric. p(a)ikrik: Picric acid = pikrinezuur.

Pict, pikt, Pict; Pictish.

Pictorial, piktôriəl, schilder - -, geïllustreerd: Pictorial art =

schilderkunst; Pictorial list = geïllustr. prijscourant; Pictorial

postcards = prentbriefkaarten; Pictorial Scotland = Schotland in beeld

gebracht.

Picture, piktšə, subst. schilderij, beeltenis, levendige beschrijving;

Picture verb. afbeelden, schilderen, levendig beschrijven: A picture of

health; I will have my picture drawn, taken = ik wil mijn portret laten

maken; I got him to sit for his picture = ik heb hem overgehaald om

voor mij te zitten; He is handsome, quite a picture = net een beeld; He

was altogether out of the picture = paste heelemaal niet bij de

omgeving; Picture-book = prentenboek; Picture-card = pop (kaartspel);

Picture-gallery = museum van schilderijen; Picture-postcard =

prentbriefkaart; Picturesque, piktjəresk, schilderachtig; subst.

Picturesqueness.

Piddle, pid’l, beuzelen, peuteren; piemelen, regenen; Piddler =

peuteraar.

Pidgin, pidžin, Chineesche verbastering van Business; Pidgin-English =

het jargon in Chineesche havenplaatsen.

Pie, pai, pastei (ook in de beteek. v. door elkander gevallen zetsel);

ekster, babbelaar; gebedenboek: To eat humble pie = zoete broodjes

bakken; To fall into pie = in pastei vallen (ook fig.); You made pie of

the learned man’s valuable notes = hebt totaal verknoeid, overhoop

geworpen; He has a finger in every man’s pie = heeft overal de hand in;

By cock and pie = bij kris en kras; To be in for a pie-jaw = een

standje krijgen; Pied = gevlekt, bont; subst. Piedness.

Piebald, paibôld, bont, gevlekt.

Piece, pîs, stuk, comediestuk, deel, munt, kanon, geweer, rol; Piece

verb. lappen, verstellen, samenvoegen: Five guilders a piece = per

stuk, elk; This paper costs seven and six the piece = de rol; A piece

of advice = raad; A piece of bread and butter = boterham; A piece of

cheek = brutaliteit; A piece of etiquette = beleefdheidsgebruik; To

give a person a piece of one’s mind = hem zeggen waar ’t op staat; A

piece of news = nieuwtje; A piece of nonsense, wit = een onzinnige,

geestige zet; In a piece = uit een stuk; Of a piece = van hetzelfde

soort, aan elkaar gewaagd; All to pieces = bankroet, in slechte

conditie; It was broken (fell, tumbled, went) to pieces = het brak

(viel) stuk; To take to pieces = uit elkaar nemen; To tear to pieces;

You will have to piece it out = vergrooten (door er stukken bij te

voegen); Thus must I piece it out = zóó moet ik dat begrijpen, lezen,

aanvullen; Piece-goods = goederen die bij het stuk verkocht worden;

Piece-work = stukwerk; Pieceless = uit één stuk bestaand; Piecemeal =

bij stukken en brokken; Piecer = lapper, versteller.

Piedmont, pîdmont, Piedmont; Piedmontese, pîdmontîz, pîdmontîs,

Piedmontees(ch).

Pier, pîə, havenhoofd, havendam, landingsplaats, pijler; Pier-glass =

dam- of penantspiegel; Pier-guard = beambte op een pier; Pier-table =

penanttafeltje; Pierage, pîridž, liggeld.

Pierce, pîəs, doordringen, doorsteken, doorboren, onderzoeken;

Pierceable = doorboorbaar, etc.; Piercer = priem, angel, legboor;

Piercing, scherp, snijdend: Piercing cries = doordringende kreten;

Piercing words; subst. Piercingness.

Pierian, paiîriən, paieriən, Muzen - -.

Pierpont, pîəpont; Piers, pîəs; Pierson, pîəs’n.

Pietism, paiitizm, Pietisme; kwezelarij; Pietist = Duitsche Pietist;

vrome kwezelaar; Pietistic(al), paiətistik(’l), pietistisch; Piety,

paiiti, vroomheid: Filial piety = kinderliefde.

Piffle, pif’l, leuteren; subst. leuterpraat.

Pig, pig, big, varken(svleesch), zwijn, klomp ruw metaal; Pig verb.

biggen werpen, als biggen samengepakt zijn of samenhokken: You have

bought a pig in a poke = ge hebt eene kat in den zak gekocht; She meant

to be a pig = wou onaangenaam zijn; Pig’s wash = draf; Pig’s whisper =

zacht gefluister: In a pig’s whisper = in een vloek en een zucht;

Guinea pig = iemand die gepoederd haar bleef dragen niettegenstaande

Pitt’s belasting daarop van een guinea (1795); Zie Guinea; Pig and

whistle = engeltje met trompet (naam v. herberg); (To go to pigs and

whistles = verkwist worden); Pig and tinderbox = elephant and castle

(naam v. herberg); Pig-eyed = met kleine oogen; Pig-headed = met groot

hoofd; koppig, eigenwijs; Pig-iron = ruw ijzer; Pig-nut = aardkastanje;

Pigskin = varkenshuid; zadel; Pig-sticking = wilde zwijnenjacht met

lansen; Pigsty = varkenshok (ook fig.); Pigtail = varkensstaart, korte

losse vlecht haar, Chinees, tabak in lange rollen; Piggery = zwijnestal

(ook fig.), zwijnerij; Piggish = vuil; subst. Piggishness = zwijnerij.

Pigeon, pidž’n, subst. duif; domoor, sul, stakkerd; lood; Pigeon verb.

bedriegen, villen, alles afhalen: To milk (pluck) the pigeon =

afzetten; Zie Milk; Pigeon-breast(ed) = (met een) kippeborst;

Pigeon-English = Pidgin English; Pigeon-fancier =

duivenhouder(-koopman); Pigeon-hole, subst. poortje (van een

duivenslag), loket; Pigeon verb. in een vakje of eene afdeeling leggen,

opbergen; opzettelijk verwaarloozen (fig.): They were very kind to me,

but I was pigeon-holed = ik werd met een kluitje in het riet gestuurd;

Pigeon-livered = beschroomd, zachtaardig; Pigeon-pair = tweelingen van

tweeërlei geslacht; Pigeon-shooting (sport); Pigeon-toed, met naar

binnen gekeerde teenen; Pigeon-wing = soort pruik; kruissprong: To cut

a pigeon-wing; Pigeonry = duivenhok.

Piggin, pigin, half vaatje met één langere duig als handvat.

Pigment, pigm’nt, pigment, kleur, verf (stof); adj. Pigmental.

Pigmy, pigmi = Pygmy.

Pigot(t), pigət.

Pigwidgeon, pigwidž’n, subst. dwerg, fee, sul; iets zeer kleins;

dwergachtig.

Pike, paik, piek, spies, tolboom; snoek; (Zie ook Turnpike); Pikeman =

piekenier; Pikestaff = schacht van eene piek: As plain as a pikestaff =

zoo klaar als een klontje; I call a pikestaff a pikestaff = het kind

bij z’n naam; Piked = gepunt, puntig.

Pikelet, paiklət, Pikelin, paiklin, gebakje.

Pilaster, pilastə, pilaster.

Pilate, pailit, Pilatus.

Pilau, pilau, pilô, rijst met gehakt schapenvleesch.

Pilchard, piltšəd, een soort sardijn.

Pile, pail, subst. hoop, massa, brandstapel, heipaal, beharing, nop

(van laken), groot gebouw, opeenhooping, fortuin; Pile verb.

opeenhoopen, stapelen, heien, noppen: He goes the whole pile = zet

alles op één worp; He went to America and made his (a) pile = en maakte

fortuin (Amer.); Piles = aambeien; Galvanic pile = zuil van Volta; To

pile arms = de geweren aan rotten zetten; To pile up (on) the agony =

zoo sensationeel mogelijk voorstellen; Pile-driver = heiblok;

Pile-engine = heimachine; Pile-worm = paalworm; Pile-wort = speenkruid.

Pileate, p(a)ili-it, hoedvormig.

Pilfer, pilfə, ontfutselen, ontstelen (bij kleine hoeveelheden);

Pilferer.

Pilgarlick, pilgâlik, arme drommel.

Pilgrim, pilgrim, pelgrim; nieuweling; Pilgrimage = bedevaart;

levensreis: Pilgrimage of woe = vervelende tijd.

Piliferous, pailifərɐs, behaard; Piliform, p(a)iliföm = haarvormig.

Pill, pil, subst. pil, mil. dokter, bittere pil; vlegel; Pill verb.

pillen voorschrijven; deballoteeren: To be a bitter pill for = een

bittere pil zijn; Blue pill = kwikpil; blauwe boon (fig.); A

long-haired pill was making a speech to a crowd of ruffians = een

vlegel met lang haar; We shall have to gild the pill = de pil moeten

vergulden; I know what it is to be pilled = te worden gedéballoteerd;

Pill-monger = pillendraaier.

Pillage, pilidž, subst. roof, plundering, buit; Pillage verb. rooven,

plunderen, vernielen; Pillager.

Pillar, pilə, pilaar, zuil: I was sent from pillar to post, and back

again from post to pillar = ze zonden me van Pontius naar Pilatus; The

pillars of society = de steunpilaren der maatschappij; Pillar-box =

(straat)brievenbus; Pillar-saint = Pillarist = zuilheilige.

Pil(l)au, Pillaw. Zie Pilau.

Pillion, pilj’n, zacht laag zadel, kussen voor eene vrouw om achter

iemand op het paard te zitten.

Pillory, piləri, subst. kaak; Pillory verb. op de kaak stellen, te

pronk staan, aan de algemeene verachting prijsgeven: He was put into

the pillory = op de kaak gesteld.

Pillow, pilou, subst. peluw, kussen; Pillow verb. op een peluw of

kussen ter ruste leggen; met een kussen steunen: To advise (take

counsel, consult) with one’s pillow = zich erop beslapen; Pillow-case =

kussensloop = Pillow-sham = Pillow-slip.

Pilose, pailous, pailouz, behaard, harig.

Pilot, pailət, subst. loods, gids; Pilot verb. loodsen (in, out): He

piloted the ship into port = loodste binnen; Pilot-boat = loodsboot;

Pilot-bread = scheepsbeschuit; Pilot-cloth = donkere blauwe stof voor

zeelui; Pilot-engine = voorspan-, of hulplocomotief; Pilot-fish =

loodsmannetje; Pilot-jack = loodsvlag; Pilot-jacket = pijjekker;

Pilotage, pailətidž, loodsgeld (inwards, outwards), leiding of

bekwaamheid van een loods.

Pilule, piljul, kleine pil; Pilulous, piljulɐs, pilvormig, nietig.

Pilularia, piljulêriə, pilvaren.

Piment, paimənt, wijn met honig en nagels.

Pimento, pimentou, piment, nagelbollen.

Piminy, pimini, gemaakt, gekunsteld.

Pimp, pimp, subst. koppelaar; Pimp verb. koppelen.

Pimpernel, pimpənel: Field (Male, Red, Scarlet) pimpernel =

guichelheil; Water pimpernel = beekpunge, watereereprijs, waterpunge;

Wood (Yellow) pimpernel = boschwederik.

Pimple, pimp’l, puist(je).

Pin, pin, subst. speld, pin, kegel, bout, kleinigheid, stemming; Pin

verb. met eene speld, pin of een bout vastmaken, vasthouden, spelden,

insluiten: There is not a pin to choose between them = er is geen zier

verschil tusschen beiden, ze zijn aan elkaar gewaagd; I have pins and

needles in my leg = mijn been slaapt; To be on pins and needles = op

heete kolen zitten; To be in (on, upon) a merry pin = vroolijk gestemd;

You might have heard a pin drop; I don’t care a pin = het kan mij geen

lor schelen; A company playing at ninepins = dat aan het kegelen was;

To be put to the pin of one’s collar = bijna den laatsten cent

uitgegeven hebben; To stick pins into = speldeprikken geven (ook fig.);

The web and the pin = een vlek op het hoornvlies van het oog

(verouderd); I pin my faith on him (on his sleeve) = ik vertrouw hem

volkomen; I am pinned to it = eraan gebonden, zit eraan vast; He pinned

the government to that declaration = bond; Pinafore = voorspelder,

kinderboezelaar; Pin-case = speldenkokertje; Pincushion =

speldenkussen; Pincushiony = mollig, dik (Amer.); Pin-feather =

uitkomende veer; Pin-fire cartridge = patroon met randontsteking

(tegenover Central-fire cartridge); Pinfold = schutstal; Pin-head =

knop; Pin-hole = speldeprik (= Pinprick ook fig.); Pin-money =

speldengeld; Pin-tail = pijlstaart; Pinner = boezelaar met voorspelder;

de houder van een schutstal.

Pinaster, p(a)inastə, zeepijn.

Pincers, pinsəz, groote knijptang, schaar.

Pinch, pinš, subst. kneep, steek, prise, nood, verlegenheid, angst;

Pinch verb. knijpen, knellen, in verlegenheid brengen, gappen,

toehappen, beperken, knijperig of gierig zijn, zich bekrimpen: At a

pinch = als het knijpt (desnoods); If ever it comes to a pinch = in

geval van nood; als het tot het uiterste komt; He pinched me black and

blue = kneep; That’s where the shoe pinches = daar wringt de schoen; He

pinched himself (of everything) = hij ontzeide zich alle genoegens; She

pinched her waist in = reeg zich sterk; To be pinched with cold = erg

van de koude lijden; Pinch-belly = gierigaard; Pinch-spotted = met

blauwe plekken van het knijpen; Pincher = knijper, gierigaard; Pinchers

(Zie Pincers).

Pinchbeck, pinšbek, subst. pinsbek, een koperlegeering; adj. onecht,

valsch.

Pindar, pində, Pindarus; Pindaric, pindarik, subst. Pindarische ode;

adj. Pindarisch. Pindarus.

Pinder, pində, houder van een schutstal.

Pine, pain, subst. (grove) den; pijnappel; Pine-apple = ananas;

Pine-barren = dennenaanplanting (Amer.); Pine-clad = met pijnboomen

bezet; Pine-cone = dennenappel; Pine-needle = dennennaald; Pinery =

broeikas voor het kweeken van ananassen; dennenaanplanting = Pinetum,

painît’m; het laatste ook = verhandeling over naaldhout.

Pine, pain, van kommer, honger omkomen, wegkwijnen (away), smachten

naar (after, for).

Ping-pong, piŋpoŋ, subst. tafeltennis; Ping-pong verb. tafeltennis

spelen.

Pinic, painik: Pinic-acid = dennenzuur.

Pinion, pinj’n, subst. vleugel, wiek, vleugelpunt; handboei; Pinion

verb. kortwieken, omklemmen, vastklemmen, boeien: He was seized and

pinioned = gegrepen en weerloos gemaakt.

Pink, piŋk, subst. rose anjelier, lichtroode kleurstof; uitstekendheid,

hoogte, puikje; pink (schip); Pink adj. rosekleurig, lichtrood;

uitstekend (Am.): The champion-rider was in the pink of condition = was

in uitstekende “conditie”; He is the pink of fashion = hij is de

spiegel (het toonbeeld) der mode; Napoleon dreaded the pink of that

society more than Russia itself = die allerhoogste kringen; The Pink’un

= een sportblad (Vergel. De “Groene”); To change to pink = een rooden

jagersrok aantrekken; Pink-eyed = met kleine glinsterende oogen;

Pink-sterned = met smallen achtersteven; Pinky = rose, vleeschkleurig;

subst. pink (Amer.).

Pink, piŋk, doorboren, doorsteken; verfraaien, verbloemen (Amer.).

Pinkster, piŋkstə, Pinksteren (Amer.).

Pinnace, pinis, pinas, 6 of 8 riemssloep van een oorlogsschip.

Pinnacle, pinək’l, subst. tinne, toppunt; Pinnacle verb. van eene tinne

of een top voorzien, kronen: The pinnacle of fame = toppunt van

beroemdheid.

Pinnate, pinit, gevederd.

Pinniped, piniped, vinpootig (dier).

Pinnock, pinək, meesje.

Pint, paint, subst. pint (⅛ gallon = ± 0,568 L.); Pint-pot = klein

huisje (Am.); kan die een pint inhoudt.

Pintle, pint’l, pen, bout, roerhaak.

Piny, paini, vol pijnboomen, pijnboomachtig.

Pioneer, paiənîə, subst. pionier, baanbreker, wegbereider; Pioneer

verb. den weg bereiden.

Piony, paiəni, pioen.

Pious, paiəs, vroom, godvruchtig, teeder; Pious-minded = met vroom

gemoed.

Pip, pip, subst. pip (vogelziekte), pit (v. eene vrucht), oog (op eene

kaart); verk. v. Philip: Pip verb. piepen, sjilpen: Count your pips =

tel, hoeveel oogen gij hebt.

Pipe, paip, pijp, buis, fluit(je), luchtpijp, stem; maat v. twee

okshoofden of 126 gallons; Pipe verb. op de fluit spelen, een

fluitsignaal geven, van pijpen voorzien, huilen, zingen: In a feeble

pipe = met zwakke stem; All the children were on full pipe, on the full

howl = waren om het hardst aan het janken en gillen; To charge (fill) a

pipe = stoppen; I’ll clear my pipe first = mijne keel schrapen; To hit

the pipe = opium schuiven; I’ll put your pipe out = ik zàl je wel; Put

that in your pipe and smoke it = steek dat in je zak; His pipe was

stopped, went out = was verstopt, ging uit; He began to pipe down = een

toontje lager te zingen; He dances as she pipes = hij danst naar haar

pijpen; Pipe-bowl = kop; Pipe-clay = pijpaarde; Pipe-clay verb.

pijpaarden; Pipe-cleaner (Pipe-cleanser); Pipe-laying = het leggen van

pijpen; politieke intrigues (Amer.); Pipe-light = fidibus; Pipe-picker

= pijpuitpluizer; Pipe-rack = pijpenstander; Pipe-stem = steel;

Pipe-tree = sering; Piper: Who is to pay the piper? = “Wie zal dat

betalen, zoete, lieve Gerritje”? Piping = schril, schel, zwak, kokend

heet (= Piping hot): The piping days of yore = de goede oude tijd.

Piperic, paiperik: Piperic acid = piperinezuur.

Pipkin, pipkin, aarden pot, tobbetje.

Pippin, pipin, kleine zure appel, pippeling.

Pipul, pipul, de heilige vijgenboom (Brit. Ind.).

Piquancy, pîk’nsi, pik’nsi, scherpheid, stekeligheid; Piquant = pikant,

scherp, doordringend; Pique, pîk, subst. pik of piek, wrok,

spijtigheid, gevoeligheid; Pique verb. boos maken, beleedigen,

prikkelen: In a moment of pique she accepted him = in een spijtig

oogenblik schonk ze hem hare hand; She piqued herself on her ladylike

tastes = liet zich heel wat voorstaan op.

Piquet, piket, pikət, piket, piketspel.

Piracy, pairisi, zeerooverij, nadruk = Book piracy; Pirate, pairit,

subst. zeeroover(sschip), letterdief; Pirate verb. zeeroof plegen,

onbevoegd nadrukken; Piratical, pairatik’l, zeerooverij of

letterkundigen diefstal plegend: Piratical printer.

Piraeus, pairîəs; Pirie, piri.

Pirn, pɐ̂n, (garen)klos, spoel.

Pirogue, piroug, uitgeholde boomstam (als kano); smalle boot.

Pirouette, piruet, subst. pirouette: To turn a pirouette = To

pirouette.

Pisa, pîzə; Pisanio, piseiniou.

Piscary, piskəri, vischrecht, ook: Common of piscary; Piscatorial,

piskətôriəl, Piscatory, piskətəri, visschers..., tot het visschen

behoorende; Pisces, pisîz, de Visschen (dierenriem); Pisciculture,

pisikɐltjə, vischteelt; Piscine, pis(a)in, tot de visschen behoorende;

Piscivorous, pisivərɐs, vischetend.

Pisé, pîzei, ineengestampte aarde.

Pish, piš, interj. foei! bah! Pish verb. verachting uitdrukken: To cry

pish at = To pish at.

Piss, pis, subst. urine; Piss verb. urineeren.

Pistachio, pisteišiou, pistatšou: Pistachio nut = groene amandel.

Pistareen, pistərîn, peseta (munt); adj. gering.

Pistil, pistil, stamper (v. bloemen); Pistillaceous pistileišəs, tot

den stamper behoorend, stamper...; Pistillate = met een stamper.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 92 / 152 段