Paddle, pad’l, subst. pagaai, blad (van een roeiriem), schoep (van een

scheprad), zwemvoet; Paddle verb. in het water plassen, pagaaien;

waggelen; uitsnijden; streelen; afranselen (Amer.): He paddles his own

canoe = hij redt zichzelf; Paddle-board = schoep; Paddle-boat =

raderboot; Paddle-box = raderkast; Paddle-wheel = scheprad.

Paddock, padək, besloten perk of veld naast een stal (of op een

renbaan); stoeterij; padde: As cold as a paddock = ijskoud;

Paddock-stool = paddestoel.

Paddy, padi, (verk. v. Patrick) bijnaam voor een Ier; rijst in de aar.

Padella, pədelə, Padelle, pədel, illumineerschaaltje.

Padisha(h), pâdîšâ, pâdišâ, padišô, Groote Heer, titel van den sultan

of shah.

Padlock, padlok, subst. hangslot, slot (fig.): Padlock verb. met een

hangslot vastmaken.

Padra, pâdra, soort van zwarte thee.

Padua, padjuə; Paduan = Paduaansch; bewoner v. P.; Paduasoy, padjuəsôi,

padjuəsôi, Paduazijde, kleed daarvan vervaardigd.

Paean, pîən, triomfzang, danklied.

Paedobaptism, pîdəbaptizm, kinderdoop.

Paeony, pîəni, pioen.

Pagan, peig’n, subst. heiden; adj. heidensch = Paganish; Paganism =

heidendom; Paganize = heidensch maken, als heidenen doen.

Page, peidš, subst. page, livreijongen, bode; bladzijde, geschrift,

episode; Page verb. als page dienen; pagineeren; Pagehood = pageschap.

Pageant, padž’nt, peidž’nt, vertooning, praal, pracht, optocht;

Pageantry = praalvertooning.

Paget, padžət.

Paginal, padžin’l, uit bladz. bestaande; subst. Pagination.

Pagoda, pəgoudə, afgodentempel; vroegere gouden (soms zilveren) munt

van ± 7 s. (Br. Ind.): To shake the pagoda-tree = spoedig fortuin maken

in Indië.

Pah, pâ, subst. versterkt kamp bij de Maori’s; interj. bah!

Paid, peid, imperf. en part. perf. van to pay.

Pail, peil, emmer; Pailful: By pailfuls = met emmers.

Pain, pein, pijn, zorg, kommer, straf; (Pains = moeite, inspanning;

weeën); Pain verb. pijnigen, kwellen, smarten, bedroeven, beangstigen:

To be in pain; To have much pain; To give oain = pijn doen; On pain of

death, pain of a fine = op straffe des doods, van boete; It pains me to

see = doet me leed; We are pained at the death of a friend; No gains

without pains = zonder moeite heeft men niets; I have been at the

(infinite) pains to help him = heb (veel) moeite gedaan; He has spared

no pains, has taken many pains = heeft geene moeite ontzien, veel

moeite gedaan; Painstaker; Painstaking = onverdroten; nauwgezet; ook

subst.; Painful = pijnlijk, subst. Painfulness; Painless = pijnloos;

licht; subst. Painlessness.

Painim, peinim, heiden; adj. heidensch = Paynim.

Paint, peint, subst. verf, blanketsel, tinctuur; Paint verb.

schilderen, blanketten, verven, tinten, afbeelden, beschrijven: Wet

paint! = pas geverfd! She paints = blanket zich; Her letters paint in

her autobiography = vullen aan; To paint the city red = de blommetjes

buiten zetten; Painted of a deep red = donkerrood gekleurd; Painted in

oils = olieverf; Paint flirtation = groote behaagzucht (door

blanketten); Paint-box = kleurdoos, verfdoos, schildersdoos; (House)

painter = (huis)schilder, vuist: To let go the painter = er op los

slaan; Painter’s colic = loodvergiftiging; Painting = schilderkunst,

schilderij, blanketsel: Painting-room = atelier; Paintress =

schilderes; Painty = met verf bevuild.

Painter, peintə, vanglijn: To cut a person’s painter = iemand

wegzenden; hem verhinderen kwaad te doen; To cut the painter =

uitsnijden.

Pair, pêə, subst. paar; Pair verb. in paren vereenigd zijn of

vereenigen, bij elkaar passen, paren: Pair and pair = paarsgewijze; A

carriage and pair = een rijtuig met 2 paarden; There’s a pair of them =

zij zijn aan elkaar gewaagd, een paar besten; That’s (quite) another

pair of boots = dat is andere thee (fig.); Two pair of spectacles =

twee brillen; A pair of steps = huistrap; He rang the twopair-bell = de

bel van twee hoog; A twopair-front = voorkamer twee hoog; He struck up

a pair with another member, Vergel. To pair off; To pair off = in paren

heengaan of komen: In the House of Commons they have adopted the system

of pairing off, by which an equal number of members of opposite parties

have agreed not to partake of the division, so that the chances remain

equal by their non-appearance = in het Huis der Gemeenten bestaat het

stelsel van samen wegblijven, waarbij een gelijk aantal leden van

tegenovergestelde partijen zijn overeengekomen niet aan de stemming

deel te nemen, zoodat de kansen dezelfde blijven bij hunne

nietverschijning; Pairing-season (Pair-time) = paartijd.

Paixshansgun, peiks’nzgɐn, soort houwitser.

Pal, pal, kameraad (Slang): To Pal on = maatjes worden.

Palace, palis, paleis: The Palace = het kristallen paleis; Palace-car =

salonwagen (Amer.); Palace-Court = een in 1849 opgeheven gerechtshof;

Palace-yard = slotplein.

Paladin, palədin, (dolende) ridder, paladijn.

Palaeontology, peiləontolədži, paləontolədži, palaeontologie.

Palaeography, peiləogrəfi, palaeographie.

Palampore, paləmpö, sprei van gebloemd sits.

Palankeen, Palankin, Palanquin, palənkîn, draagkoets.

Palatability, palətəbiliti, smakelijkheid; Palatable = smakelijk,

aangenaam; subst. Palatableness; Palatal, subst. verhemeltebeen;

verhemelteletter; adj. verhemelte...; Palatalize = in een palatal

veranderen; Palate, palit, verhemelte, smaak.

Palatial, pəleiš’l, paleis..; vorstelijk.

Palatinate, pəlatinit, palətinit, paltsgraafschap: The Palatinate = de

Palts; Palatine, palət(a)in, tot het keizerlijk hof of paleis

behoorend, paltsgrafelijk; subst. palantijn, bewoner van een County

Palatine, of de Palts; een soort pelskraag (= Palatine tippet): Count

Palatine = paltsgraaf, titel van de oudtijds met bijzondere privilegiën

begiftigde stedehouders van Chester, Durham en Lancaster; County

Palatine = paltsgraafschap.

Palaver, pəlâvə, pəlavə, subst. discussie, samenspreking, gewauwel;

Palaver verb. bepraten, wauwelen; Palaverer.

Pale, peil, subst. paal, spietspaal, omsloten ruimte, district, gebied,

grenzen: Within the pale of the law = binnen de perken...; The English

Pale = deel v. Ierland, waarin het Engelsche gezag werd erkend

(1172–1602); Pale verb. met palen omsluiten.

Pale, peil, bleek, mat, flauw, dof; Pale verb. bleek worden,

verbleeken: A pale smile = flauwe; She alternately paled and flushed

with anger = werd beurtelings bleek en rood; Paleface = bleek gezicht;

Pale-faced = met een bleek gelaat; Pale-hearted = moedeloos; Paleness =

bleekheid.

Palestine, paləstain, Palestina; adj. Palestinian, Palestinean.

Paletot, palətou, paletot.

Palette, palət, palet: To set the palette = kleuren op het palet

brengen; Palette-knife = = tempermes.

Paley, peili.

Palfrey, pôlfri, damesrijpaard, telganger.

Palgrave, pôlgreiv, palgreiv.

Pali, pâli, Pali, taal der Zuidelijke Boeddhisten.

Palimpsest, palimpsest, palimpsest, perkamentrol, die na afkrabbing van

het oorspronkelijk geschrevene, opnieuw beschreven is; ook adj. en

verb.

Palindrome, palindroum, woord of zin, evengoed naar voren als naar

achteren te lezen, b.v. lepel, madam.

Paling, peiliŋ, paalwerk, staketsel.

Palingenesis, palindženəsis, wedergeboorte; palingenesie.

Palisade, paliseid, subst. palissade, paalwerk, staketsel; Palisade

verb. ompalen, palissadeeren.

Palisander, palisandə, palisanderhout.

Palish, peiliš, eenigszins bleek.

Pall, pôl, subst. mantel; doodskleed (over de lijkkist) = Funeral pall;

Pall verb. met een lijkkleed bedekken; Pall-bearer = iemand, die (de

slippen van) het lijkkleed draagt.

Pall, pôl, verschalen, kracht of aantrekkelijkheid verliezen, vervelen,

tegenstaan: It palls upon the reader = begint den lezer te vervelen;

Beauty alone soon palls upon the sense.

Palladium, pəleidj’m, beeld van Pallas Athene in Troje, dat de

onneembaarheid der stad waarborgde, palladium, schild, heiligst

kleinood.

Pallet, palət, palet, in verschillende beteekenissen; stroozak,

veldbed.

Palliasse, paljas, stroomatras.

Palliate, palieit, verzachten, verlichten, bemantelen; subst.

Palliation; Palliative, subst. en adj. verzachtend(middel); Palliator.

Pallid, palid, bleek; subst. Pallidity = Pallidness.

Pallium, paliəm, opperkleed der oude Grieken; schoudermantel van een

aartsbisschop; mantel (weekdieren).

Pallmall, pelmel, maliespel; straat van dien naam in Londen, het daarin

gelegen Ministerie van Oorlog.

Pallor, palə, bleekheid, ongezonde kleur.

Palm, pâm, palm (van de hand), lengtemaat, blad van een roer, klauw van

een anker, tak van een gewei, palmtak, palmboom, zegepalm; Palm verb.

betasten, streelen, in de palm der hand verbergen, aansmeren,

bedriegen: He bears (wins) the palm = draagt den palm weg; That carries

the palm = spant de kroon; To yield the palm = het veld ruimen; He

palmed himself off as an artist = deed zich voor als; He would palm off

his butterine on me as best dairy-fresh = mij zijne kunstboter als

beste natuurboter aansmeren; Palm-butter = palmboter; Palm-greasing =

omkooperij; Palm-house = palmenhuis; Palm-leaf = palmblad (waaier,

hoed); Palm-oil = palmolie; steekpenning; Palm-Sunday = Palmzondag;

Palm-tree; Palmar, palmə, tot de hand behoorende, van eene handbreed;

Palmarian, palmêriən, uitstekend = Palmary: His palmarian emendation of

that passage = schitterende tekstverbetering; Palmate, palmit,

handvormig; met zwemvliezen; Palmer, pâmə, pelgrim, die als bewijsstuk

een palmtak uit het Heilige Land meebracht; soort kunstvlieg

(hengelsport); Palmer-worm = soort harige rups; Palmist(er),

palmist(ə), pâmist(ə), handkijker; Palmistry = voorspelling uit de palm

van de hand; Palmy, pâmi, vol palmen, zegevierend, bloeiend, gelukkig.

Palmerston, pâməst’n.

Palmetto, palmetou, buks, dwergpalm.

Palmiped, palmiped, adj. met zwemvliezen; subst. zwemvogel.

Palp, palp, voelhoren; Palpi, palpai = voelhorens; Palpiform, palpiföm,

in den vorm van voelhorens; Palpigerous, palpidžərɐs, voelhorens

dragende.

Palpability, palpəbiliti, subst. v. Palpable, palpəb’l, voelbaar,

tastbaar, duidelijk; subst. Palpableness; Palpation, palpeiš’n,

onderzoek door voelen.

Palpitate, palpiteit, snel kloppen (van het hart); Palpitation of the

heart = hartklopping.

Palsgrave, pôlsgreiv, palzgreiv, paltsgraaf; Palsgravine, pôlzgrəvîn,

paltsgravin.

Palsied, pôlzid, door verlamming of beroerte getroffen; Palsy, pôlzi,

verlamming, beroerte: Writer’s palsy = schrijfkramp.

Palter, pôltə, uitvluchten zoeken, niet oprecht handelen, spelen met;

Palterer = bedrieger, knoeier.

Paltriness, pôltrinəs, subst. v. Paltry, pôltri, onbeteekenend,

treurig, klein, laag, verachtelijk.

Paludal, pəl(j)ûd’l, paljədəl, Paludinous, pəl(j)ûdinəs, moerassig,

moeras....

Paly, peili, bleek; gepaald, door evenwijdige verticale lijnen in

gelijke deelen verdeeld (Herald.).

Pamela, pəmîla, pamila.

Pampas, pampəs, pampa’s (Z.-Amerika); Pampero, pampêrou, koude

(Zuid)westen wind in de Pampas.

Pamper, pampə, dikvoeren, volproppen, overvoeren, vertroetelen:

Prosperity pampered his recklessness into cruelty = verergerde tot;

Pampered from a darling into a despot = door te verwennen veranderd van

... tot.

Pamphlet, pamflət, pamflet; Pamphleteer, pamflətîə, subst. pamflettist;

Pamphlet verb. vlugschriften schrijven.

Pan, pan, subst. pan, holte, ondergrond, plas, hoofd, kop, de god Pan;

Pan verb. To pan out = goudwasschen; toestaan; zich meester maken van;

goud vertoonen, uitvallen, uitpakken: Panned out = bankroet; Pan-ice =

los kustijs.

Panacea, panəsîə, panacee, algemeen middel.

Panache, pənaš, vederbos.

Panada, pəneidə, pənâdə, broodsoep.

Panama, panəmâ, pânamâ.

Pancake, pankeik, pannekoek.

Panch, panš, stootmat (scheepst.).

Pancreas, paŋkrias, alvleeschklier; Pancreatic: Pancreas juice =

alvleeschsap.

Pandarus, pandərɐs; Pandean, pandîən: Pandean pipes = fluit van Pan =

Pan-pipes.

Pandects, pandekts, pandecten, verzameling van wetten betreffende het

Oud-Romeinsche recht (wetten van Justinianus).

Pandemonium, pandimounj’m, pandemonium, hel, oproerige vergadering;

helsch lawaai.

Pander, pandə, subst. koppelaar; likker (fig.); Pander verb. koppelen,

iemands lage lusten terwille zijn, begunstigen: He pandered to all

their desires; Panderage, pandəridž, koppelarij; Panderism = het

koppelen.

Pandit, pandit. Zie Pundit.

Pandoor, pandûə. Zie Pandour.

Pandora, pandôrə, Pandora; Pandora’s-box = doos van P.

Pandour, pandûə, pandoer.

Pandy, pandi, scheldnaam voor de Sepoys.

Pandy, pandi, klap op de vlakke hand; ook verb.

Pane, pein, glasruit = Pane of glass; Paneless = zonder ruiten.

Panegyric, panədžirik, lofrede; adj. = Panegyrical = lovend;

Panegyrist, Panegyrist = lofredenaar; Panegyrize, panədžiraiz,

hoogelijk prijzen, eene lofrede houden.

Panel, pan’l, subst. paneel(vormig), zadelkussen, (naamrol der) jury;

Panel verb. met paneelen maken; Panel-gardening = mozaïekwerk (in

tuinen); Panel-picture = paneeltje.

Pang, paŋ, subst. plotselinge folterende pijn, steek, angst,

doodsbenauwdheid: Pangs of death = doodsangst.

Panic, panik, subst. paniek; vingergras (= Panic grass); adj. panisch:

Panic fear (Panic fright); Panic-struck (Panic-stricken) = door

plotselinge vrees bevangen.

Panicum, panik’m, vingergras.

Panjandrum, pandžandrəm, Groot-Mogol (iron.).

Pannade, pəneid, korte boogsprong (paard).

Pannage, panidž, belasting op het laten loopen van varkens in

eikenbosschen; eikelvoer.

Pannel, pan’l, soort v. zadel. Z. Panel.

Pannier, panjə, draagmand; soort rok (wijduitstaand in ’t midden).

Pannikin, panikin, pannetje, schaaltje.

Panoply, panəpli, volledige wapenrusting; wapentrophee.

Panopticon, panoptikon, een gevangenis zoodanig gebouwd dat de

bewaarders steeds, zonder zelf gezien te worden, alle gevangenen kunnen

zien; tentoonstellingsgebouw voor allerlei nieuwigheden, etc.

Panorama, panərâmə, panəramə, panəreimə, panorama; adj. Panoramic.

Panslavic, pansleivik, Panslavisch; Panslavism, panslâvizm, panslavizm,

Panslavisme.

Pansy, panzi, driekleurig viooltje.

Pant, pant, pânt, hijgen, snuiven, snakken, verlangen, snakken naar

(Pant for); ook subst. Pants = pantaloons; To pant for breath.

Pantalet(te)s, pantəlets, vrouwen- of kinderbroek met strooken.

Pantaloon, pantəlûn, subst. hansworst, de “pantalon” in eene pantomime;

Pantaloons = nauwsluitende (onder)broek.

Pantechnicon, panteknikon, magazijn van alle soorten v. artikelen;

bewaarplaats voor huisraad; verhuiswagen = Pantechnicon van.

Pantheism, panthiizm, pantheïsme; Pantheist = pantheïst; adj.

Pantheistic(al).

Pantheon, panthiən, panthîən, Pantheon.

Panther, panthə, panter; Pantheress.

Pantile, pantail, dakpan van S-vorm; hooge hoed of “kachelpijp”;

scheepsbeschuit.

Pantisocracy, pantisokrəsi, pantisocratie.

Pantograph, pantəgraf, pantograaf, teekenaap; Pantəgraphic(al).

Pantomime, pantəmaim, pantomime; ook adj. en verb.; Pantomimic,

pantəmimik, pantomimisch; Pantomimist, pantəmaimist, pantomimist.

Pantry, pantri, provisiekast of -kamer.

Pants, pants, Zie Pant.

Pap, pap, pap, vruchtvleesch, pulp; bijverdiensten; tepel: As easy as

pap = doodmakkelijk; Pappiness, subst. v. Pappy = papachtig, zacht,

sappig.

Papa, pəpâ; (Amer.), pâpə, popə, vader; Papaship.

Papacy, peipəsi, pauselijke waardigheid en macht, de pausen

gezamenlijk, R.K. kerk; Papal, peip’l, pauselijk: The Dogma of Papal

Infallibility.

Papaver, pəpeivə, papaver: adj. Papaverous.

Papaw, pəpô, pôpô, meloenboom (of vrucht).

Paper, peipə, subst. papier, blad, zak(je), verhandeling, opstel,

document, courant, geldswaardig papier, papillottenpapier,

behangselpapier, (personen met) vrijbiljetten; ook adj.; Paper verb.

met papier bedekken, in papier wikkelen, behangen, met vrijbiljetten

vullen: To commit to (Put on) paper = op papier zetten; It will get

into the papers = couranten; To perform to houses filled with paper =

voor theaters vol van personen met vrijbiljetten; Reflect, before you

put pen to paper = vóór gij schrijft; To read a paper on Folk Lore =

een lezing houden; To send in one’s papers = stukken; To set a paper in

English grammar = een gram. oefening opgeven; A paper of cigars =

zakje; Paper of direction = adreskaart; A paper of needles = brief

naalden; Paper of patterns = staalkaart; He is three down the paper =

staat No. 3 op lijst of voordracht; On paper = op papier;

Blotting-paper and letter-paper = vloei- en postpapier; It is nothing

but waste paper = het is louter scheurpapier; I will have this room

papered = zal laten behangen; Paper-bag = zak; Paper-chase =

snipperjacht; Paper-collar = papieren boord; Paper-cornet =

peperhuisje; Paper-cover = omslag; Paper-credit = wisselcrediet;

Paper-cutter = papiersnijder, vouwbeen; Paper-fastener = klemmer;

Paper-folder = vouwbeen; Paper-hanger = behanger; Paper-hangings =

behangsel; Paper-knife = papiersnijder; Paper-mill = papiermolen;

Paper-money = papiergeld, bankbiljetten; Paper-shop =

courantenrondbrengerswinkel; Paper-stainer = fabrikant van

behangselpapieren; Paper-weight = “presse-papier”; Papery = als papîer.

Paphian, peifiən, van Paphos, tot Venus of haar dienst behoorende,

ontuchtig: subst. boeleerster; Paphos, peifos, stad in Cyprus met

Venustempel.

Papilio, pəpiliou, koninginnepage (kapel); Papilionaceous,

pəpiljəneišəs, vlindervormig; kapelachtig.

Papilla, pəpilə, papil, tepel; Papillary, papələri, pəpiləri;

Papillate, papilit, pəpilit, tepelvormig, met wratjes bedekt.

Papillote, papilout, papillot.

Papist, peipist, Roomsch-Katholieke; adj. Papistic(al); Papistry = R.

Katholicisme.

Papoose, pəpûz, pəpûs, jong kind (Indianen).

Pappose, papous, van zaadpluis voorzien; Pappus = zaadpluis, fijne

haarbedekking.

Papua, papuə, pâpuə; adj. Papuan, papuən, papjuən, ook = Papoea.

Papula, papjulə, puistje.

Papyrus, pəpairəs, papyrusplant (rol).

Par, pâ, pari(koers), gelijkheid, normaalstand; verkorting voor

Paragraph: Above, below par = boven, beneden pari: They are on a par

(with) = staan op gelijke lijn, op gelijke hoogte (als); There is a par

about him in to-day’s paper = er staat wat over hem in de courant.

Parable, parəb’l, parabel: He took up his parable = begon te spreken

(hief zijn spreuk op).

Parabola, pərabələ, parabool, kegelsnede; Parabole, pərabəlî,

vergelijking, parabool; Parabolic(al) = parabolisch; bij wijze van

gelijkenis of vergelijking.

Paracelsian, parəselš’n, van Paracelsus = Paracelsus.

Parachute, parəšût, subst. valscherm, parachute; Parachute verb. zich

met eene parachute laten vallen; Parachutist = iemand, die zich van een

valscherm bedient.

Paraclete, parəklît, voorspraak, Trooster (H. Geest).

Para-coat, pârəkout, gummi-overjas.

Parade, pəreid, subst. parade, vertoon, optocht, paradeplein,

exercitieplaats (= Parade-ground), openbare wandelplaats; Parade verb.

vertoon maken, pronken, pralen, (laten) paradeeren: At three o’clock

the troops were paraded = liet men de troepen parade maken.

Paradigm, parəd(a)im, paradigma, voorbeeld; adj. Paradigmatic.

Paradisaic(al), parədiseiik(’l), paradijsachtig; Paradise, parədais,

paradijs, schellinkje (Theater): Bird of paradise = paradijsvogel;

Paradisiac(al), parədisiək(’l), parədisaiək(’l), paradijsachtig.

Paradox, parədoks, paradox; Paradoxer = maker van paradoxen;

Paradoxical, parədoksik’l: A paradoxical cynic or a cynical paradoxer =

een van paradoxen houdend cynicus of een cynisch paradoxenmaker.

Paraffin(e), parəfin, paraffine, petroleum; Paraffin-oil, parəfinôil,

gezuiverde petroleum; paraffine olie.

Paragoge, parəgoudž, paragoge.

Paragon, parəgon, subst. toonbeeld van volmaaktheid; Paragon verb.

evenaren, vergelijken.

Paragraph, parəgraf, paragraaf, beknopt artikel; Paragraph verb.

paragrafeeren, een artikeltje schrijven; Paragrapher = Paragraphist =

reporter.

Paraguay, parəgwei, parəgwai, parəgwai, parəgwei.

Parakeet, parəkît, parkiet.

Parallax, parəlaks, parallax (Astron.).

Parallel, parəlel, parallel, evenwijdig; subst. parallel,

breedtecirkel, loopgraaf evenwijdig aan de vuurlinie; Parallel verb.

evenwijdig maken (loopen), gelijkstellen, evenaren, overeenkomen met:

To draw a parallel between; To find one’s parallel = zijn gelijke; To

put oneself on a parallel (with) = zich vergelijken; Parallels of

latitude = breedtecirkels; Such passages can be easily paralleled from

the best authors = zulke overeenkomende passages vindt men bij;

Parallel motion = evenwijdige beweging (van zuigers, enz. bij

stoommachines); Parallel ruler = parallelograaf; Parallelism =

evenwijdige toestand of ligging, overeenkomst; Parallelogram,

parəleləgram, parallelogram; Parallelopiped, parəleləp(a)ipəd,

parallelopipedum.

Paralogism, pəralədžizm, drogreden.

Paralysis, pəralisis, verlamming; Paralytic, parəlitik, subst. lamme;

adj. aan verlamming lijdende, met aanleg voor verlamming, verlamd;

Paralyse = Paralyze, parəlaiz, verlammen.

Paramo, pərâmou, Paramo, hoogvlakte (Andes).

Paramount, parəmaunt, hoogst, voornaamst, onbeperkt, souverein; subst.

hoogste; Paramountcy = eerste plaats, enz.

Paramour, parəmûə, minnaar, minnares (steeds in slechten zin).

Parapet, parəpet, borstwering, verhoogde rand of muurtje, trottoir;

Parapeted.

Paraph, parəf, paraaf; Paraph verb. parafeeren.

Paraphernalia, parəfəneiljə, eigendom der bruid buiten den bruidschat,

zooals lijfgoederen, sieradiën, etc.; toebehooren, uitrusting,

versiering: Warlike paraphernalia = uitrusting.

Paraphrase, parəfreiz, subst. paraphrase; Paraphrase verb.

paraphraseeren; adj. Paraphrastic(al).

Parasite, parəsait, parasiet; Parasitic(al), parəsitik(’l), woekerend;

Parasitism, parəsaitizm, woekering; Parasitize = woekeren.

Parasol, parəsol, parəsol, parasol; Parasolette, parəsəlet, kleine

parasol.

Parboil, pâbôil, ten deele koken, opkoken, warmtepuistjes veroorzaken.

Parbuckle, pâbɐk’l, subst. schrooitouw; Parbuckle verb. met een

schrooitouw hijschen.

Parcae, pâsî, de schikgodinnen.

Parcel, pâs’l, subst. deel, stuk, pakje, pakket, hoeveelheid; adj.

gedeeltelijk, half; Parcel verb. verdeelen; smarten (zeeterm): Bill of

parcels = factuur; By parcels = bij gedeelten; That is part and parcel

of our contract = dat is een voornaam deel van ons contract; It was

parcelled out to us = toebedeeld; Parcel-express = pakketpost;

Parcel-office = bestelkantoor, goederenbureau; A parcels-delivery man

(Parcelvan) = besteller (wagen van den besteldienst); Parcel(’s)-post =

pakketpost; Parcels-service = bestelgoederendienst.

Parcenary, pâsənəri, mede-erfgenaamschap; Parcener, pâsənə,

mede-erfgenaam.

Parch, pâtš, opdrogen, verdorren, verzengen, schroeien, roosteren: I am

parched with thirst = versmacht van.

Parchment, pâtšm’nt, subst. perkament; perkament(en): The parchment of

a drum; Parchment-paper = Vegetable parchment = perkamentpapier;

Parchmentize = in perkament veranderen.

Pard, pâd, panter, luipaard; ook = Partner, (Amer.).

Pardie, pâdî, Zie Pardy.

Pardon, pâd’n, subst. vergiffenis, aflaat, amnestie; Pardon verb.

vergeven, vergiffenis schenken: (I beg your) pardon! = neem me niet

kwalijk; (I) beg your pardon? = wat blieft u? Pardonable = vergeeflijk;

subst. Pardonableness; Pardoner = verkooper van aflaten.

Pardy, pâdî, par Dieu, waarachtig.

Pare, pêə, afsnijden, schillen, besnijden, besnoeien (ook fig.): He

pared his nails to the quick = hij sneed zijne nagels tot op het

vleesch af; Parer = schilmachine, enz.

Paregoric, parəgorik, subst. en adj. pijnstillend (middel),

opiumtinctuur.

Parenchyma, pəreŋkimə, celweefsel, parenchiem; adj. Parenchymatous.

Parent, pêr’nt, vader of moeder, oorzaak, bron; Parents = ouders: You

are not a parent = hebt geen kinderen; Parentage, pêr’ntidž, geboorte,

afkomst, ouders, oorzaak; Parental, pərent’l, ouderlijk; Parenthood =

ouderschap; Parentless = ouderloos.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 88 / 152 段