twee haakjes (fig.); Parentheses, pərenthəsîz, haakjes: In parenthesis,
Within marks of parenthesis = tusschen haakjes; Parenthesize;
Parenthetic(al) = tusschen haakjes geplaatst; He said it
parenthetically = bij zijn neus langs.
Parget, pâdžət, subst. ruw pleisterwerk; Parget verb. bepleisteren;
grimeeren.
Parhelion, pâhîlj’n, bijzon.
Pariah, pâriə, pêriə, paria, uitgeworpene: Pariah dog = onbeheerde
hond.
Parian, pêriən, van Paros; subst. soort van porselein.
Parietal, pəraiət’l, tot een muur (buikwand) behoorende, wandstandig;
universiteits... (Amer.); Parietary = glaskruid, muurkruid.
Paring, pêriŋ: Parings = krullen, schillen.
Paris, paris, Parijs: He knows his Paris = hij kent z’n Fransch; Paris
doll = kostuumpop; Paris garden = oude berebijt in Londen; Parisian,
pəri’ž’n, subst. Parijzenaar; adj. Parijsch.
Parish, pariš, kerspel, parochie; district (Amer.); adj. gemeente...,
parochie...: To be on (To come (up)on, To throw oneself on) the parish
= armlastig zijn (worden); Parish clerk = leider der responses in de
Anglik. kerk; Parish priest = geestelijke met eigen gemeente; Parish
register; Parish work = herderlijke werkzaamheid; Parishioner,
pərišənə, lid van eene parochie of gemeente.
Parisina, parisînə.
Parisyllabic, parisilabik, met het zelfde aantal lettergrepen.
Parity, pariti, gelijkheid, overeenkomst.
Park, pâk, subst. park, artilleriepark, de batterijen behoorende bij
een afd. artill.; oesterbank; Park verb. in een park besluiten,
samenbrengen; Park-keeper; Park-paling.
Parker, pâkə; Parkes, pâks; Parkhurst, pâkhɐ̂st; Parkinson, pâkins’n.
Parlance, pâl’ns, gesprek; Parlance verb. onderhandelen, spreken met:
In common parlance = in de taal van het dagelijksch leven.
Parley, pâli, onderhoud, onderhandeling: To beat (To sound) a parley;
To desire, To hold a parley.
Parliament, pâliment, parlement: To dissolve (To prorogue) a
parliament; To convene (To summon) a parliament; Parliamentarian.
pâlimentêriən, aanhanger van het Long Parliament (onder Karel I en
Karel II); Parliamentary, pâlimentəri, parlements...; subst. volgens
parlementsbesluit voorgeschreven trein voor de 3de klasse reizigers,
minstens eens per dag tegen hoogstens 1 penny per Eng. mijl:
Parliamentary agent = een solicitor optredend als verkiezingsagent;
Parliamentary borough = een borough, die een lid afvaardigt; A
parliamentary carriage = wagon 3de klasse.
Parlour, pâlə, huis- of woonkamer; ontvangkamer (Amer.), spreekkamer,
gelagkamer; Parlour-boarder = kostjongen, die met de familie aan tafel
zit, en als huisgenoot behandeld wordt; Parlour-maid = kamermeisje.
Parlous, pâləs, gevaarlijk, vreeselijk.
Parmesan, pâməzan, Parmezaansch: Parmesan cheese.
Parnassian, pânaš’n, van den Parnassus; Parnassus, pânasəs, Parnassus.
Parnell, pânel, pânel.
Parochial, pəroukj’l, parochiaal; bekrompen, kleingeestig: Parochial
board = armbestuur, armvoogden; Parochial relief = armenzorg;
Parochialism = bekrompenheid; Parochialize = in parochies verdeelen.
Parodist, parədist, parodieënmaker; Parody, parədi, subst. parodie;
Parody verb. parodieeren.
Parole, pəroul, eerewoord, wachtwoord: The officers were admitted to
their parole (released on parole) = werden op hun eerewoord
vrijgelaten.
Paronomasia, parənəmeisiə, parənəmeižə, woordspeling.
Paronym, parənim, gelijkluidend of verwant woord; adj. Paronymous,
pəronimɐs; subst. Paronymy, pəronimi.
Paroquet, parəket, parkiet.
Paroxysm, parəksizm, krampachtige aanval; Paroxysmal, parəksizm’l,
krampachtig.
Parquet, pâket, parketvloer; parket in een schouwburg (Am.); parket
(Jur.); Parquet verb. met paneelen inleggen; Parquetry = parketvloer.
Parr, pâ, jonge zalm (kabeljauw, haas).
Par(r)akeet, parəkît, parkiet.
Parricidal, parisaid’l, adj. v. Parricide, parisaid, vadermoord(er).
Parrot, parət, papegaai (ook fig.); Parrot verb. napraten, nadoen;
Parrot-coal = soort v. bitumineuse kool; Parrot-fish = papegaaivisch;
lipvisch; Parrotry = naäperij.
Parrott, parət: Parrott gun, een naar den uitvinder P. genoemd kanon.
Parry, pari, afweren, pareeren: Parry and thrust = pareeren en
uitvallen.
Parse, pâs, pâz, (taalkundig) ontleden.
Parsee, pâsî, pâsî, aanhanger. v. d. Oud-Perzischen godsdienst,
afstammeling der oude Perzen (in Indië); Parseeism = de leer (van
Zoroaster) der Parsees.
Parsimonious, pâsimounjəs, karig, gierig, knijperig; subst.
Parsimoniousness = Parsimony, pâsiməni.
Parsley, pâsli, peterselie.
Parsnip, pâsnip, pastinaak of witte peen: Fair (Fine) words butter no
parsnips = praatjes vullen geen gaatjes.
Parson, pâs’n, dominé, geestelijke (dikwijls in smalenden zin):
Parson’s nose = stuit van een gebraden gans; Parsonage, pâsənidž,
predikantsplaats, pastorie.
Part, pât, subst. deel, zijde, gedeelte, aflevering, aandeel, lid,
stuk, rol, partij, plicht; Part verb, verdeelen, uitdeelen, scheiden,
van de hand doen, breken, uit elkaar gaan, opgeven; adv. deels: Silence
would have been the better part = verstandiger zijn geweest; The best
part of a foot long = ruim een halve; Of the first part, of the second
part = ter eenre.. ter andere zijde; For my part = wat mij aangaat; In
part = gedeeltelijk: To make a payment in part = een deel afbetalen; On
our part = onzerzijds; Do you come on his part? No I come on my own
part = van zijnentwege;.... voor mijzelf; To do one’s part = zijn
plicht doen; To take a person’s part = iemands partij opnemen; He took
part in the conspiracy = nam deel aan; He took my remarks in good part
= nam goed of vriendelijk op; I hope you will not take it in ill part =
ongunstig of euvel opnemen; Parts = talenten; streek: A man of parts =
begaafd; I am a stranger in these parts = hier; The ten parts of speech
= de tien rededeelen; To come out in parts = afleveringen; Divided into
parts = in stukken verdeeld; To be (To have) art and part in = deel
hebben aan; To have no part nor lot in = part noch deel hebben aan; To
become part and parcel of = een wezenlijk deel worden van; He was part
and parcel of the procession = maakte een wezenlijk deel uit van; They
had better part = zij moesten liever scheiden; To part company =
scheiden, uiteengaan, zich van het eskader afzonderen; To part the hair
= een scheiding maken; I intend to part with my dog, though I feel it
will be hard to part from such a faithful friend = van de hand te doen,
schoon ik voel dat ik moeilijk van zulk een trouw vriend zal kunnen
scheiden; I parted with her at the station = verliet, nam afscheid van;
With parted mouth = met open mond; Part-music = meerstemmig; Part-owner
= mede-eigenaar (reeder); Part-payment: In part-payment = op
afbetaling; Parting = scheiding, deeling, vertrek; adj. scheidend,
afscheid - -: At parting = bij het vertrek; At the parting of the ways
= bij de scheiding; Speed the parting guests and welcome the coming =
wensch den vertrekkenden Gods zegen; Parting-cup = afscheidsdronk;
Parting-kiss; Parting-song = afscheidslied; Parting-word =
afscheidswoord; Partly = gedeeltelijk, soms ook Part.
Partake, pâteik, deelnemen, deelhebben: We partook of a nice little
dinner = gebruikten; It partakes of the nature of a crime = het heeft
iets van; Partaker.
Parterre, pâtêə, bloemperk(en); parterre.
Parthenon, pâthənon, Parthia, pâthiə, Parthië: Parthian, Parthisch;
subst. bewoner van Parthië: Parthian arrow (shot) = scherp antwoord van
den vertrekkende.
Partial, pâš’l, gedeeltelijk, partijdig, vooringenomen, eenzijdig:
Every mother is partial to her children = zal het beste van hare
kinderen denken; I am partial to such food = van zulk eten houd ik
veel; Partial board = pension zonder middageten; Partialism =
partijdigheid; Partialist; Partiality, pâšaliti, partijdigheid,
voorliefde.
Participant, pâtisip’nt, deelhebbend; subst. deelhebber: To be
participant of = deelnemen aan.
Participate, pâtisipeit, deelnemen aan, deel hebben in: I participate
in (of) your happiness = deel in uw geluk; subst. Participation;
Participator = deelnemer.
Participial, pâtisipiəl, deelwoordelijk; Participle, pâtisip’l,
deelwoord.
Particle, pâtik’l, deeltje, greintje, partikel: He has not a particle
of sound sense = geen greintje gezond verstand; I don’t care a particle
= ik geef er geen zier om.
Parti-coloured, pâtikɐləd, bont.
Particular, pâtikjulə, subst. bijzonderheid; adj. bijzonder, omstandig,
persoonlijk, merkwaardig, zorgvuldig, kieskeurig: London particular =
echt Londensche mist; bijzonder soort Madeira; In particular = in ’t
bijzonder; He did not enter into particulars = hij trad niet in
bijzonderheden; For further particulars apply to him = nadere
inlichtingen zijn bij hem te verkrijgen; Particulars to follow =
bijzonderheden volgen; Particular friend = intieme vriend; I am not
particular about it = het steekt me niet zoo nauw; I am particular in
(about) my eating and drinking = ben erg kieskeurig op; He is not
particular in this = in dit opzicht heeft hij niets bijzonders; He is
not particular to a guilder = het komt hem op een gulden niet aan;
Particularism = particularisme; Particularist = afgevaardigde die
slechts de belangen v. zijn eigen district voorstaat; aanhanger v. de
leer der Bijzondere Genade; Particularity, pâtikjulariti,
bijzonderheid, omstandigheid; Particularization, subst. v.
Particularize = in bijzonderheden treden, op kleinigheden en
bijzonderheden letten.
Partisan, pâtiz’n, subst. partijganger, partijgenoot; aanvoerder van
een korps partijgangers; partisaan; adj. partijdig; Partisanship.
Partition, pâtiš’n, subst. verdeeling, afdeeling, tusschenschot,
scheidingspunt; Partition verb, in stukken of afdeelingen verdeelen
(off); Partition-wall = scheidsmuur (ook fig.).
Partitive, pâtitiv, subst. deelend woord; adj. een deel aanwijzend.
Partner, pâtnə, compagnon, firmant, vennoot, danser(es), echtgenoot(e),
medespeler: He is a partner in this business = compagnon in deze zaak;
Acting (Active), Sleeping (Dormant) partner; Partnership =
vennootschap: To enter (go) into partnership, To contract a partnership
with.
Partridge, pâtridž, patrijs: Partridge-wood = patrijshout.
Parturient, pâtjûriənt, barend, vruchtbaar; Parturition, pâtjuriš’n,
baring.
Party, pâti, subst. partij, troep, gezelschap, “avondje”, zaak, bepaald
persoon: The parties = die “lui”; The People’s Party = Volkspartij; A
queer party = een rare kerel; I will be no party to this affair = wil
er niet mee te maken hebben; To give a party = een partij geven;
Party-coloured = v. verschillende kleuren, bont; Party-jury = jury,
deels uit Engelschen, deels uit niet-Engelschen bestaande; Party-spirit
= partijgeest; Party-wall = scheidsmuur, tusschenmuur.
Parvenu, pâvənjû, parvenu: The parvenu aristocracy.
Pas, pâ, schrede, stap, voorrang: He takes (has) the pas of dukes and
earls = gaat in rang vóór; I yielded him the pas = liet hem vóórgaan.
Pasch, pask: Pasch-egg = Paaschei; Pasch(al) flower = paarsche anemoon,
Paaschbloem; Paschal, paskəl, tot het Pascha behoorende: Paschal lamb.
Pascha(w), pašə, pâšə, pəšâ, pəšô, pacha; Paschalic, pašəlik, pəšâlik,
pâšəlik, pəšôlik = gebied of waardigheid van een Pacha.
Pasque-flower = Paschal-flower.
Pasquil, paskwil, Pasquinade, paskwineid, paskwil, schotschrift.
Pass, pâs, subst. pas, gang, enge weg, bergpas, staat van zaken,
doorgangs- of toegangsbewijs, slagen bij examen, toestand, uitval,
verlegenheid, etc.; Pass verb. gaan, overbrengen, gebeuren, verdwijnen,
langzaam veranderen, van de eene hand in de andere gaan; verloopen,
weglaten, overslaan, slapen, er door komen, uitvallen, toelaten,
vaststellen, aannemen (van eene wet), etc.: Things had come to such a
pass that a change was desirable = het was nu zoover gekomen, dat; The
world is coming to a pretty pass = het wordt eene mooie boel
tegenwoordig; I gave them passes to the theatre = ik gaf hun biljetten
voor de comedie (op zulke biljetten staat b.v.: Pass Mr. So and So to
the stalls); To make a pass at = een uitval doen; 375 candidates, 154
passes = 154 toegelaten; He may pass = kan slagen; That may pass = kan
er door; Let that pass = laten we daar niet meer over spreken = Let us
pass that; That passes belief = is ongelooflijk; To pass a bill = een
wetsontwerp aannemen; We passed the candidate = hebben toegelaten; To
pass base coin = in omloop brengen; To pass muster = den toets
doorstaan; Don’t pass remarks on your betters = maak geen aanmerkingen
op; To pass a river = oversteken; To pass sentence on a criminal = het
vonnis uitspreken over; Who brought it to pass? = wie heeft dat
veroorzaakt, gedaan; It came to pass = het gebeurde; Pass along that
hedge = ga langs; He passed peacefully away = stierf; Pass away, please
= ga daar uit den weg; His life was passed away in the country = werd
doorgebracht; What has passed between you? = is er voorgevallen; You
cannot pass this for a good coin = als goed geld uitgeven; He passes
for a clever man = gaat door voor; Pass on, please = doorloopen,
alsjeblieft; I passed that over = dat heb ik over het hoofd gezien,
overgeslagen; He was passed over in favour of another man = werd
gepasseerd; It will be passed to the credit of your account = op uw
credit worden geboekt; The property passed under the will, was very
large = bij testamentaire beschikking vermaakt; He passed up coppers to
the conductor = gaf door; This judgment was passed upon him = werd over
hem uitgesproken; Pass-bill = geleibiljet; Pass-book = bestelboekje,
kassiersboekje; Pass-check = vrijbiljet; contremarque; Pass examination
= gewoon examen, tegenover Honours exam.; Pass-holder = houder van een
vrijbiljet of abonnementskaart; Pass-key = looper, huissleutel; Passman
= geslaagde (tegenover Classman = de met grooten lof geslaagde);
Pass-paper = schriftelijke examenopgaaf; Passport = paspoort; Password
= parool, wachtwoord; Passable = gangbaar, dragelijk, begaanbaar;
Passer = die passeert; Passer-by = voorbijganger; Passing =
voorbijgang, verloop, aanneming; adj. voortreffelijk, uitstekend, in
hooge mate, voorbijgaand, terloopsch: Passing-bell = doodsklok;
Passing-note = overgangstoon (muz.); He said it in passing = in ’t
voorbijgaan; We don’t see a bit of passing = zien (hier) niemand
voorbijgaan.
Passage, pasidž, doorgang, uitgang, binnenkomst, gang, weg, reis,
passage, doorvaart, aanneming (v. een wet), stoelgang, voorval,
gebeurtenis, etc.: Had you a good passage? = hebt ge een goede
overtocht gehad; To take a passage for = biljet nemen; Birds of passage
= trekvogels; They indulged in frequent passages of words = hielden
herhaalde woordenwisselingen; Passage-money = passagiersvracht.
Passant, pas’nt, gaande: Lion passant = gaande leeuw (Herald.).
Passenger, pas’ndžə, passagier, reiziger, passagierstrein: Cabin
passenger; Deck passenger; Effects of passengers = passagiersgoed;
Through-passengers = doorgaande reizigers; Passenger-carriage =
personenwagen; Passenger-pigeon = postduif; Passenger-traffic =
personenvervoer; Passenger-train = personentrein.
Passerine, pasər(a)in, tot de musschensoort behoorende.
Passiflora, pasiflôrə, passiebloem.
Passim, pasim, hier en daar.
Passion, paš’n, het lijden (vooral het laatste lijden des Heeren),
hartstocht, liefde, toorn, smart, geestdrift, vuur: To be in a towering
passion = in hevigen toorn ontstoken; He fell (flew) into a passion =
werd woedend; Don’t give way to passion = laat u niet door drift
medesleepen; To have a passion for = voorliefde hebben; To put a person
into a passion = iemand in drift doen ontsteken; Passion-flower =
passiebloem; Passion-play = passiespel; Passion-Sunday = Zondag vóór
Paschen; Passion tide = lijdensweken; Passion week = lijdensweek;
Passionate = hartstochtelijk, driftig, oploopend; subst.
Passionateness; Passionists = een bepaalde godsdienstige orde der R.
Katholieken, die behalve de gewone 3 beloften nog een vierde afleggen,
nl. tot voortdurende overweging van het lijden Onzes Heeren (vandaar de
naam); Passionless.
Passive, pasiv, lijdend, passief, indifferent: Passive obedience =
lijdelijke gehoorzaamheid; Passive resistance; Passive verb = lijdend
werkwoord; subst. Passiveness.
Passover, pasouvə, Joodsch paaschfeest, feest ter herinnering aan de
verlossing uit Egypte; paaschlam; Passover-bread, Passover-cake =
Paaschbrood.
Past, pâst, subst. verleden; adj. voorbij(gegaan), verleden,
doorgebracht; onovertroffen; adv. en prep, over, overheen, te boven,
voorbij: She has a past = iets op haar kerfstok (een “verleden”); He is
a past-master in villainy = een aartsschelm; He came past our house =
langs; He was past that now = er nu overheen; Past comprehension (all
common sense) = alle begrip (gezond verstand) te boven gaande; The
patient is past cure = onherstelbaar, ongeneeslijk; Half past four =
half vijf; Past hope = hopeloos; I am past marrying = te oud om te
trouwen; For many years past = vele jaren geleden.
Paste, peist, subst. deeg, pasta, glasdeeg, valsche diamant; adj. uit
pasta gemaakt, onecht; Paste verb. vastplakken, beplakken; in pasta
werken; afranselen: A pair of ear-drops of glittering paste = een paar
simili oorknopjes; Pasteboard = bordpapier, visitekaartje, speelkaart,
biljet; Paste-pot = lijmpot.
Pastel, past’l, weede (plant); pastel; Pastellist = pastelteekenaar.
Pastern, pastən, koot van een paard; Pastern-joint = kootgewricht.
Pasteurize, pastɐ̂raiz, pastɐ̂raiz, pasteuriseeren.
Pastil, pastil; Pastille, pastîl, pastille.
Pastime, pâstaim, tijdverdrijf, genoegen.
Pastor, pâstə, (geestelijk) herder; Pastoral, subst. idylle, landelijk
gedicht, herdersdicht, herderlijk schrijven, pastorale (muziek); adj.
landelijk, herderlijk: Pastoral visitation = huisbezoek; Pastoralism =
herderlijke omgeving of natuur; Pastorate = herderlijk ambt =
Pastorship.
Pastorale, pastərâli, pastorale (muz.).
Pastry, peistri, gebak, pastei: Pastry-cook = pastei- of banketbakker.
Pasturable, pâstjurəb’l, voor beweiding geschikt; Pasturage,
pâstjuridž, weiden, weiland; Pasture, pâstjə, subst. weide, gras;
Pasture verb, weiden, grazen: Pasture-ground (Pasture-land);
Pastureless.
Pasty, peisti, subst. pastei(tje); adj. als deeg: A pasty-faced youth =
bleeke jonge man.
Pat, pat, verk. van Patrick; Ier.
Pat, pat, subst. tikje, klapje, opgemaakt stuk boter; adj. geschikt,
net van pas, toepasselijk; Pat verb. zachtjes tikken of kloppen: Pat to
the time = te rechter tijd; He said the words pat on = glad achter
elkaar op; He had rhymes pat about all the persons present = juist van
toepassing; It came pat to the purpose = net van pas; He patted little
children on the back, head = tikte (goedkeurend) op den rug, op het
hoofd; Patness = juistheid, gepastheid.
Patagonia, patəgounjə.
Patch, patš, subst. lap, stuk, moesje, stuk of lapje grond; Patch verb.
lappen, oplappen, samenflansen: This comedian is not a patch upon his
fellow-artist = haalt in de verte niet bij; She laid on patches and
made herself ridiculous = zij zag er belachelijk uit met hare
schoonheidsmoesjes; To put a patch on = lap opzetten; The plaster is
patching off the walls = valt bij stukken van den muur af; The dress
was patched up = in haast en slordig opgelapt; Peace was patched up
with them = een overhaaste vrede werd gesloten; Patchwork quilt =
lappendeken; Patcher = lapper, knoeier; Patchy = gelapt, saamgeflanst;
knorrig.
Patchouly, patšəli, patšûli, patchoeli plant, parfum daaruit bereid.
Pate, peit, kop: He broke his pate = kreeg een gat in zijn kop; Pated
(in samenst., zooals: Curly-pated).
Patella, pətelə, schoteltje, knieschijf; Patelliform.
Paten, pat’n, pateen, vlakke gouden of vergulde schaal waarop de H.
Hostie ligt.
Patent, peit’nt, subst. octrooi, vergunning, patent; adj. openbaar,
duidelijk, gepatenteerd, uitstekend; Patent verb. octrooi verleenen,
door een octrooi zich verzekeren: To take out a patent for = patent
nemen op; Dissensions were becoming patent to the household = hunne
geschillen werden duidelijk voor de huisgenooten; Patent-law;
Patent-leather = verlakt leder; Patent-office = bureau der octrooien;
Patent-right = patent(recht); Patent-rolls = register der ingeschreven
octrooien; Patentable = waarvoor octrooi kan worden genomen; Patentee,
peit’ntî, pat’ntî, patenthouder.
Pater, peitə, “ouwe heer”: My Pater; Pater-familias, peitəfəmiljəs,
huisvader; Paternoster, patənostə, peitənostə, het “Onze Vader”,
rozenkrans; Paternal, pətɐ̂n’l, vaderlijk, erfelijk; Paternity,
pətɐ̂niti, vaderschap: Inquiry into the paternity of an illegitimate
child = onderzoek naar het vaderschap; Paternity law = wet op het
vaderschap.
Paterson, patəs’n; Patey, peiti.
Path, pɐ̂th, subst. pad: To break (open) a path = een weg banen; To
leave the path to = iemand uit den weg gaan; Path-breakers =
baanbrekers; Pathway = voetpad; Pathless = ongebaand.
Pathetic, pəthetik, gevoelvol, aandoenlijk.
Pathogeny, pəthodžəni, leer van het ontstaan der ziekten.
Pathologic(al), pathəlodžik(’l), pathologisch; Pathologist = patholoog;
Pathology = ziektenleer.
Pathos, peithos, pathos.
Patience, peiš’ns, geduld, volharding, lijdzaamheid: I am out of
patience = mijn geduld is op; I have come to the end of my patience =
mijn geduld is ten einde; To lose one’s patience; Possess your soul in
patience = bezit je ziel in lijdzaamheid; Take patience = heb geduld;
Patient, peiš’nt, lijder, patient; adj. geduldig, lijdzaam, kalm,
toegevend, volhardend, taai: What is death to the patient is profit to
the physician = den een zijn dood is den ander zijn brood; To be
patient of = geduldig dragen.
Patina, patinə, vlakke schaal; groene roest op brons.
Patriarch, peitriâk, patriarch; Patriarchal, peitriâk’l,
aartsvaderlijk; Patriarchate = patriarchaat = Patriarchship.
Patrician, pətriš’n, patricisch; subst. patriciër.
Patrick, patrik, Patricius.
Patrimonial, patrimounj’l, tot het vaderlijk erfdeel of de nalatenschap
behoorende; Patrimony, patriməni, vaderlijk erfdeel.
Patriot, peitriət, patriət, subst. vaderlander, patriot; adj.
vaderlandslievend; Patriotic, peitriotic, patriotic =
vaderlandslievend; Patriotism, peitriətizm, patriətizm,
vaderlandsliefde.
Patrol, pətroul, subst. patrouille, ronde; Patrol verb. patrouilleeren,
de ronde doen.
Patron, peitr’n, patr’n, subst. beschermer, beschermheer,
beschermheilige, geregeld bezoeker, begunstiger; adj. beschermend,
bescherm ...; Patronage, peitrənidž, patrənidž, bescherming, patronaat,
recht van begeving; Patroness = beschermvrouw; Patronize, peitrənaiz,
patrənaiz, beschermen, begunstigen; Patronizer; Patronizing =
beschermend, nederbuigend: Patronizing air.
Patronymic, patrənimik, subst. geslachts- of familienaam; adj. v. een
voorvader verkregen (naam); Patronymical.
Patroon, pətrûn, grondbezitter aan wien, oorspronkelijk door de Ned.
W.-Ind. Comp., eenige heerlijke rechten waren toegekend.
Patten, pat’n, soort klomp, oudtijds soort stelt(schoen), patijn;
onderlaag v. een muur, voetstuk v. eene zuil.
Patter, patə, kletteren, trappelen, ratelen, klateren, snateren; subst.
gekletter, etc., tusschengevoegde en snel uitgesproken woorden in een
pattersong; They all pattered French more or less = praatten, snapten.
Pattern, patən, subst. model, patroon, voorbeeld, staal, schabloon;
Pattern verb. copieeren, bespikkelen: A French patternbonnet =
modelhoed; The streets were starred and patterned with lights.
Patty, pati, pasteitje; Patty-pan.
Patulous, patjulɐs, afstaand, uitstaand.
Paucity, pôsiti, geringheid, schaarschte, gebrek: Paucity of labour =
gebrek aan werkkrachten.
Paul, pôl, Paulus; Pauline, pôlin, Paulina; pôl(a)in, Paulinisch.