andere deel uitgedrukte handeling, b.v. Outact = krachtiger handelen;
Outbalance = zwaarder wegen; Outbid = hooger bieden, overtreffen; Out
brag = overtreffen (in pochen); Outbrave = overtreffen (in glans of
dapperheid); Out-classed = totaal verslagen; Outcry = overschreeuwen;
Outdare = trotseeren; Outdistance = achter zich laten; Outdo =
overtreffen; Outface = brutaliseeren, trotseeren, de oogen doen
neerslaan; Outfarm = zich bekwamer boer toonen; Outflank =
overvleugelen; Outfly = sneller vliegen dan; Outfrown = de oogen doen
neerslaan; Outgeneral = overtreffen in veldheerschap; Out-Gilfillan G.
himself = zelfs in zijn soort G. overtreffen; Outgo = overtreffen, te
buiten gaan; Outgrow = sneller groeien dan, te groot worden voor;
Out-Herod = in woestheid en wreedheid H. overtreffen; Outlast = langer
duren dan; Outleap = verder springen dan; Outlive = langer leven dan,
overleven; Outlook = de oogen doen neerslaan; Outmanoeuvre,
autmən(j)ûvə, verschalken; Out march = harder marcheeren, vóórkomen;
Outnumber = in aantal overtreffen; Outpace = voorbijstreven; Outpray =
in het smeeken overtreffen; Outrange = verder schieten, achter zich
laten; Outrank = hooger zijn in rang; Outreach = verder reiken dan,
overtreffen; Outreign = langer regeeren dan: His queen Outreigned him
by five years; Outride = harder rijden, uitrijden (zeeterm); Outroar =
luider brullen dan; Outroyal = den koning of het hof in pracht
overtreffen; Outrun = sneller loopen, ontloopen: To outrun the
constable = To outrun one’s income = te groot leven; Outsail = harder
zeilen; Outscold = harder schelden of tieren dan; Outsell = meer
verkoopen, of duurder verkoopen, dan; Outshine = in luister en glans
overtreffen; Outsleep = langer slapen dan; Outsoar = hooger stijgen,
overvleugelen; Outspeak = beter (langer) spreken dan; Outspeed = in
snelheid overtreffen; Outstand = uitsteken boven, uitstaan: Outstanding
debts = uitstaande; Outstanding fact = in ’t oog springend, belangrijk
feit; To leave outstanding = laten staan; Outstare = brutaliseeren, de
oogen doen neerslaan; Outstay = te lang blijven: He outstayed his
welcome = wij waren blij, dat hij wegging; Outstep = overschrijden;
Outstrip = voorbijloopen, overtreffen; Outswear = in het vloeken
overtreffen; Outtalk = in het praten winnen van, om verpraten: Outtop =
uitsteken boven; Outvie = overtreffen; Outvote = bij stemming winnen
van, overstemmen; Outwalk = in het wandelen overtreffen; Outwear =
langer duren dan, verslijten; Outweigh = zwaarder wegen dan, te zwaar
zijn voor; Outwing = in het vliegen de baas zijn; Outwit = verschalken,
in slimheid overtreffen; Outworth = in waarde te boven gaan.
Outrage, autreidž, gewelddaad, misdaad, vergrijp, aanranding, grove
beleediging; Outrageous = gewelddadig, afschuwelijk, overdreven; subst.
Outrageousness.
Outram, ûtrəm.
Outside, autsaid, autsaid, subst. buitenkant, uiterlijk, plaats buiten
op (een diligence), buitenpassagier, uiterste, dekblad; adj. buitenste,
van buiten, buitenop; adv. buiten(op), aan den buitenkant, buitenboord,
behalve: Twenty guilders at the (very) outside = op zijn hoogst; Four
outsides (Outside-passengers) = vier passagiers buitenop; The outside
public = het buitenstaand (fig.) publiek; Outsider = oningewijde,
iemand die er buiten staat, renpaard van onbekende herkomst, of dat
oogenschijnlijk geen kans heeft; iemand, die tegen den bookmaker wedt.
Outward, autwəd, adv. en adj. uitwendig, (van) buiten: To clear outward
= een schip uitklaren; Outward angle = buitenhoek; Outward-bound = op
de uitreis; Outward passage = heenreis; Outward trade = uitvoerhandel;
I have never been outwardly a worshipper = ben nooit een kerkganger
geweest; Outwardness = uiterlijkheid, objectiviteit, oppervlakkigheid;
Outwards = buitenwaarts.
Ouzel, ûz’l, Zie Ousel.
Oval, ouv’l, ovaal, eirond; subst. ovaal: The Oval = een bekend
cricket-veld in Kennington (London); Oval compasses.
Ovarian, əvêriən, tot den eierstok behoorende, eierstok...; Ovariotomy;
Ovary = eierstok, vruchtbeginsel.
Ovate, ouvit, eivormig; Ovate-oblong = langwerpig ovaal.
Ovation, əveiš’n, hulde, ovatie.
Oven, ɐv’n, oven, kooktoestel; Oven-fork = ovengaffel.
Over, ouvə, prep. en adv. over, boven, voorbij; subst. overschot; Over
verb. springen over: The concert is over = uit; The flowers were over =
bloeiden niet meer; The rain is over; When school is over the children
go home; Over and above what I have told you = buiten en behalve; I
told him so Over and over = herhaaldelijk; Over and over again = tot
vervelens toe; Over against = tegenover; Over there = daar ginds; I
told you so ten times over = tienmaal achter elkander; He is a
gentleman all over = een volmaakt gentleman; It is all over (up) with
me = met mij gedaan; It’s well over = goed afgeloopen; I went all over
the town = ik ben overal in de stad geweest; Over the walnuts and the
wine = aan het dessert; I live over the way = hier tegenover; He is
over head and ears in debt = tot over de ooren; He fell head over ears
into the water = hals over kop; The pot boils over = kookt over; We
discussed our affairs over a glass of wine = bij; I have given over
doing it = opgegeven, gestaakt; I lost it over a bet = bij een
weddenschap; Many advertisements must be kept over = tot een volgend
nummer uitgesteld; Published over my name = onder; What remains over =
overblijft; To sit over the fire = bij den haard; I will sleep over it
= mij er op beslapen; She will not stay over the week = blijft niet
langer dan een week; He took (showed) me over his picture-gallery =
liet mij zien; We talked over the matter = bepraatten de zaak; Over
difficult = te moeielijk; She is not over particular = zij neemt het
niet zoo nauw; Over young = wat al te jong; Overabound = buitengewoon
of al te overvloedig zijn, overvloed hebben; adj. Overabundant; Overact
= overdrijven; Overalls, ouvərôlz, dunne, waterdichte broek ter
besparing van de andere bij werken of rijden; morskiel (overjurk);
Overarch = overwelven, verwulven, omvatten; Overawe = ontzag
inboezemen, in ontzag houden; Overbalance, ouvəbal’ns, subst.
overwicht, meer dan het gewicht; Overbalans verb. (ouvəbal’ns) meer
wegen, overtreffen, het evenwicht verliezen (= To overbalans oneself);
Overbear = onderdrukken, onderwerpen; Overbearing = aanmatigend,
heerschzuchtig, uit de hoogte; Overbid = meer bieden dan; Overblow =
overwaaien, uitrazen; Overblown = verwelkt: An overblown fellow =
overdreven, dwaze; Overboard, ouvəböd, overboord; Overbold = al te
stout of vrijmoedig; Overbrim = over (den rand) loopen; Overbuild = te
veel bouwen: This part of the town is overbuilt = men heeft hier te
veel gebouwd; Overburden = overladen, te veel laden op; Overbuy = te
duur betalen, te veel koopen; Overcanopy = met een troonhemel bedekken;
Overcareful = al te zorgvuldig of sekuur; Overcarry = te ver rijden
(een passagier); Overcast, ouvəkâst, bewolkt; verb. (ouvəkâst), te hoog
schatten; bewolken, verduisteren; overnaaien: The sky is overcast = de
hemel is bewolkt; Overcharge, ouvətšâdž, subst. te hooge berekening, te
groote lading, te veel betaalde vracht; Overcharge verb. (ouvətšâdž),
overdrijven, te zwaar beladen, overvragen, al te zeer vullen; Overcloud
= bewolken; Overcoat = overjas; Overcome = overwinnen: He was very much
overcome = zenuwachtig, aangedaan; Over-credulous = al te
lichtgeloovig; Overcrowded = overvol van; Overdo = overdrijven, te gaar
koken, overwerken: We are overdone with newspapers nowadays = worden
overstelpt; I am overdone = op, heb mij overwèrkt; The meat is overdone
= al te gaar; Overdose, ouvədous, al te groote hoeveelheid of dosis;
Overdose verb. (ouvədous), een te groote dosis geven; Overdraw =
overdrijven, een wissel trekken voor meer geld dan het credit is: To
overdraw one’s account; Overdrive = te ver of te snel jagen of drijven:
I am overdriven = ik ben op, afgemat, heb mij overwèrkt; Overdue =
vervallen, te laat: The train is overdue = de trein is over zijn tijd;
Overdue letters = te laat bestelde of bezorgde brieven; Overdue rates =
die al betaald hadden moesten zijn; Overearnest = al te ernstig; subst.
Overearnestness; To overeat oneself; Overestimate = overschatten,
overschatting; Over-exposure = te lange belichting (photog.); Overfeed
= te sterk voeden, volstoppen; Overflow, ouvəflou, subst.
overstrooming, groote overvloed; Overflow verb. (ouvəflou) overvloeien,
overstroomen; Overflowing = overstrooming; Over-fond, ouvəfond, al te
teeder, dol; Overfreight, ouvəfreit, overvracht; Over-freight =
overladen; Overfull = al te vol; Over-greedy = al te gulzig; Overgrow =
met plantengroei bedekken, te groot worden; Overgrown = uit de kracht
gegroeid, lang opgeschoten, hooggaand; Overgrowth, ouvəgrouth, te
weelderige groei, overvloed; Overhand, bovenhandsch; Overhang =
overhangen, hangen over, bedreigen; Overhaul, ouvəhôl, subst. streng
onderzoek of examen, inspectie, herstelling; Overhaul verb. (ouvəhôl),
streng onderzoeken of inspecteeren, winnen op, herstellen, nazoeken,
opzoeken: We overhauled the steamer = wij haalden in; Overhead = boven,
boven het hoofd: Overhead (ouvəhed) conductor, wires = bovengrondsche
geleiding; Overhear = toevallig hooren, afluisteren; Overhours =
óveruren; Over-indulge = al te veel toegeven aan: She over-indulged her
children; Over-issue, ouvərišû, te veel in omloop brengen (van
bankbiljetten, enz.); subst. ouvərišû; Overjoy, = verrukking; He was
overjoyed, (ouvədžôid) to find me = verrukt dat hij mij vond;
Over-labour = met te veel werk plagen, al te “peuterig” uitvoeren;
Overland, ouvəland, overlánd: The overland mail; adv. ouvəland; Overlap
= overdekken, gedeeltelijk bedekken: History and geography overlap here
and there = geschiedenis en aardrijkskunde raken elkaar hier en daar;
Their lives overlap in the last years of our century = hunne levens
vallen gelijktijdig; Over-lavish = al te kwistig; Overlay, ouvəlei,
subst. stuk bedekkend papier, bekleeding; Overlay verb. (ouvəlei),
bedekken, drukken op, liggen op, doodliggen: Your performance was
overlaid by his = werd in de schaduw gesteld; Such books do not
preserve, but overlay the old-world stories = zij verknoeien ze;
Overleaf = op de andere zijde van het blad; Overleap = springen over,
overtreffen, overslaan: You overleapt yourself = gij hebt te ver of te
hoog gesprongen; Overlie = liggen op, doen stikken; Overlive =
overléven, te boven komen; Overliver; Overload = te zwaar beladen;
Overlook = overzien, het opzicht houden over, over het hoofd of door de
vingers zien: My room overlooks the Thames = ziet uit op; Overlooker,
opzichter, opziener; Overmanned = met te groote equipage; Overmantel =
étagère-spiegel; Overmasted = met te hooge of zware masten; Overmaster
= vermeesteren, overwinnen; Overmatch = de meerdere zijn, overtreffen,
overwinnen; Overmeasure = toegift (bij wegen of meten); Overmuch = te
veel; Overnight, ouvənait, den nacht (avond) te voren, van den laatsten
nacht of avond; adv. Overnight, ouvənait, gedurende den nacht, den
laatsten nacht, gisterenavond; Overpay = te veel betalen; Overpeer =
uitsteken boven; Overpitch = te ver gooien, overdrijven; Overplus,
ouvəplɐs, overschot, overmaat; Overpower = overstelpen, overweldigen;
Overpressure, al te zware druk; Over-produce = te veel produceeren;
Over-production = overproductie; Overproof = boven de normale sterkte;
sterke brandewijn; Overrake = overheen harken; spoelen over; Overrate =
overschatten; Overreach = verder reiken dan, de achterpooten te veel
vooruitslaan (van paarden), het evenwicht verliezen; beetnemen,
bedriegen, de baas worden; Override = vermoeien of afmatten (door
rijden), zich niet storen aan, ter zijde zetten: To override one’s
commission = zijne ambstbevoegdheid te buiten gaan; Overripe(n) = al te
rijp (worden); Overroast = te sterk braden; Overrule = beheerschen,
overheerschen, verwerpen, overstémmen: He was overruled = bleef in de
minderheid; Overruling = oppermachtig, alles beheerschend; Overrun =
overloopen, verspreiden over, invallen doen en teisteren, onderdrukken,
uit elkaar loopen (bij het drukken), overstroomen, voorbijrijden (van
het perron): We are overrun with mice = ’t leeft bij ons van muizen;
Oversea, ouvəsî, vreemd, van over de zee; Overseas edition = editie van
een courant voor de koloniën bestemd; Oversee. Zie Overlook; Overseer,
ouvəsîə, inspecteur, opzichter, armvoogd: Overseer of the line
(Overseer of the poor); Overseership; Oversell = meer verkoopen dan men
kan leveren: An oversold market = eene markt, waar zooveel effecten
verhandeld zijn, dat zij niet geleverd kunnen worden; Overset, ouvəset,
subst. omverwerping: An article standing in the overset = koopwaar of
artikel, dat over is; Overset verb. (ouvəset), omslaan, onderstboven
werpen; Overshadow = overschaduwen, beschutten; Overshoe = overschoen;
Overshoot = over het doel heenschieten: I have overshot myself = mijn
neus voorbijgepraat, te veel gezegd of beweerd; An overshot wheel =
waterrad, in beweging gebracht door het er overheen stroomende water;
Overshotted = al te zwaar geladen (van vuurwapens), overdreven
(uitdrukking); Overside, adv. ouvəsaid, adj. ouvəsaid, over de zijde,
over de verschansing; Oversight = opzicht, toezicht, vergissing;
Overslaugh, ouvəslô, ontslaan; passeeren bij bevordering; subst.
ouvəslô, ontslag; zandbank (Amer.); Oversleep = te lang slapen: I have
overslept myself = ik heb mij verslapen; Oversman, ouvəzman, opzichter;
scheidsrechter (Schotl.); Overspread = bedekken, verspreiden of
uitgespreid zijn; Overstate = overdrijven, te veel bewijzen: To
overstate one’s case = te veel willen beweren; subst. Overstatement;
Overstay = langer blijven dan: To overstay one’s time; Overstep = te
buiten gaan, overtréden; Overstock, ouvəstok, subst. al te groote
voorraad; Overstock verb. ouvəstok al te zeer vullen, overvoeren: Being
over-stocked with copy, we can find no room for your article = daar we
een overvloed van copie hebben; Overstrain = zich al te zeer inspannen,
te veel vergen van, zich verrekken (= To overstrain oneself): An
overstrained nervous system = overspannen zenuwgestel; Overstrung =
kruissnarig; Oversubscribe = voor een te groot bedrag inschrijven;
Overtake = inhalen, verrassen, overvallen; Overtask = met werk
overladen: I am sorely overtasked = ik heb het veel te druk; Overtax =
te zwaar belasten, overschatten; Overthrow, ouvəthrou, subst.
nederlaag, ondergang, omverwerping: To give the overthrow; Overthrow
verb. (ouvəthrou) omverwerpen, onderstboven gooien, veroveren;
Overthwart, koppig, dwars: Overthwart, ouvəthwöt, and endlong = in de
dwarste en de lengte; Overtime = overuren: To do (make, work) overtime;
Overtone = boventoon (muz.); Overtop = te boven gaan, overtreffen,
uitsteken boven; Overturn, ouvətɐ̂n, omkeering, omverwerping; Overturn
verb. ouvətɐ̂n, omverwerpen, omgooien; Overweening, subst. groote
verwaandheid; adj. aanmatigend, verwaand; Overweight = overmacht,
over(ge)wicht; Overwhelm = verpletteren, overstelpen; Overwork,
ouvəwɐ̂k, subst. óverwerk; Overwork verb. (ouvəwɐ̂k) al te veel werken,
(doen) overwérken, uitputten; Overworn, uitgeput, afgemat, afgezaagd;
Overwrought = overspannen.
Overt, ouvət, open(lijk), met uitgespreide vleugels (herald.); Overtly.
Overture, ouvətjə, subst. voorstel, aanbod, ouverture (muz.); Overture
verb. aanbiedingen doen: The overtures to intimacy should always come
from the higher to the lower = de aanbiedingen van vriendschap; It was
difficult to refuse her overtures, she was so kind and hospitable =
aanbiedingen, uitnoodigingen.
Ovid, ovid, Ovidius; Ovidian, əvidiən; Ovidius, əvidiəs.
Oviduct, ouvidɐkt, eileider; Oviform, eivormig.
Ovine, ouv(a)in, schaapachtig, schaap ...; subst. schaap.
Oviparous, əvipərɐs, eierleggend; Oviposit, ouvipozit, eieren leggen;
Oviposition, ouvipəziš’n, het eieren leggen, vooral door middel van de
legboor; Ovisac = eierzak; Ovoid = eivormig; Ovulite, ouvjulait,
fossiel ei; Ovum = ei.
Owe, ou, schuldig zijn, moeten betalen, verschuldigd zijn, te danken
hebben: To owe a person a grudge (a spite) = wrok koesteren tegen;
Money was owing to him = men was hem schuldig; To have money owing =
gelden hebben uitstaan; It was still owed to her = het kwam haar nog
toe; Owing to = tengevolge: It is all owing to your negligence = ’t
komt al door uwe onachtzaamheid.
Owl, aul, uil; Owl verb. smokkelen: As drunk as an owl = zoo dronken
als eene snip; Owlery = uilennest; uilachtige hoedanigheden; Owlet =
uiltje, ook = Owl-moth; Owlish = als een uil, dom.
Own, oun, adj. eigen; Own verb. bezitten: Every one for his own = ieder
voor zich; He has a house of his own = een eigen huis; A dear little
clock of my very own = heelemaal van mij alleen; To have a reason of
one’s own = eene bijzondere reden hebben; To hold one’s own (with) =
zijn recht handhaven, stand houden: Of one’s own accord (motion) = uit
eigen beweging; He did it on his own hook, account = op eigen houtje,
verantwoording; Name your own day = bepaal zelf den dag; To be one’s
own master = zijn eigen baas zijn; He does not know his own mind = weet
zelf niet wat hij wil; To be own niece to = een volle nicht zijn van;
He will have it all his own way = geheel zooals hij het wenscht; Owner
= eigenaar; Ownerless = onbeheerd; Ownership = eigendom(srecht).
Own, oun, erkennen, toegeven, zijn hart uitstorten: To own to a fault =
bekennen; It must be owned that = erkend worden; I own to your reproach
= ik erken dat uw verwijt verdiend is: I own to much less affection for
him than for his brother = ik erken, dat ik zijn broer veel liever mag
dan hem; Own up like a man! = beken, biecht op; Why don’t you own up
about him? = waarom ontken je niet je ongelijk jegens hem?
Ox, oks, (Meerv. Oxen, oks’n), os: Ox-bow = ossenjuk; bocht van eene
rivier (Amer.); Ox-eye = bijmees; blauwmeesje; runderoog (plant);
Ox-eyed = met groote oogen; Ox-fly = koeienhorzel; Ox-heart = soort
groote kers; Ox-hide = runderhuid; Oxlip = hoogstengelige sleutelbloem;
Ox-stall = ossenstal; Ox-tail = ossestaart: Ox-tail soup; Ox-team =
span ossen.
Oxalic, oksalik: Oxalic acid = oxaalzuur.
Oxford, oksfəd.
Oxidation, oksideiš’n, oxydatie; Oxide, oks(a)id, oxyde; Oxidizable =
oxydeerbaar; Oxidize = oxydeeren.
Oxonian, oksounj’n, student, gepromoveerde van de universiteit te
Oxford; knoopschoen; ook adj.
Oxygen, oksidžen, zuurstof; bleekpoeder; Oxygenate, oksidžəneit,
oksidženeit, met zuurstof verbinden; subst. Oxygenation; Oxygenizable =
oxydeerbaar; Oxygenize, oksidžənaiz, oksidžənaiz, oxydeeren.
Oxyhydrogen, oksihaidrədžen, knalgas.
Oxytone, oksitoun, met den klem op de laatste lettergreep.
Oyer, oujə, ôiə, verhoor.
Oyes, Oyez, oujes, oujez, hoort! Met dit woord, driemaal herhaald,
worden de openbare afkondigingen begonnen, en zittingen geopend;
proclamatie, omroeper.
Oyster, ôistə, oester: Oyster-bed = oesterbed; Oyster-culture =
oesterkultuur; Oyster-ground (= Oyster-bed); Oyster-knife; Oysterman;
Oyster-patty = oesterpasteitje; Oyster-shell = schelp; Oyster verb.
afzonderen, verbannen: He oyster-shelled himself quite out of
humanity’s reach = zonderde zich geheel af van de menschen; Oyster-wife
(Oyster-woman).
Ozone, ouzoun, əzoun, ozon; Ozonize = in ozon omzetten, met ozon
vervullen; Ozonizer = apparaat hiervoor.
P.
P, pî: He is on his P’s and Q’s = op zijn “qui vive”; Mind your P’s and
Q’s, for she is very black (= knorrig) this morning = pas op uw tellen;
P. staat verkort voor page, participle, past, pole en port; Pa =
Pennsylvania; Paint(ing); Pa(st) Part(iciple); Par(agraph);
Parl(iament); Particip(ial); Pass(ive); Pat(rick); Pathol(ogical);
P(atres) C(onscripti) = de beschreven vaderen; P(olice) C(onstable);
P(rivy) C(ouncil); P(ai)d; Penn(sylvania); Pers(onal); Percent(um) =
percent; Perf(ect); Pet(er); Pharm(acy); Ph(ilosophiae) B(accalaureus);
Ph(ilosophiae) D(octor); Phil(osophy); Phil. Trans. = Transactions of
the Philosophical Society = Handelingen van het Wijsgeerig Genootschap;
Philol(ogy); Philos(ophy); Photog(raphy); Phren(ology); Phys(ics);
Physiol(ogy); Pinx(it) = hij (zij) heeft het geschilderd; P(oet)
L(aureate); P(oor) L(aw) C(ommissioners); Plu(ral); Plup(erfect);
P(ost) M(eridiem) = na den middag; P(ost) M(aster) G(eneral); P(ost)
O(ffice); P(eninsular &) O(riental Steam Navigation) Co(mpany);
Poet(ry); Pol(ish); Polit(ical) Econ(omy); P(ost) O(ffice) M(oney)
O(rder); Pop(ulation); Port(ugal); Poss(essive); Pph = Pamphlet;
Pr(esent, Prince of Priest); Pr(esent) Par(ticiple); P(resident of the)
R(oyal) A(cademy); Pref(ix of Preface); Prep(osition); Pres(ent);
Pret(erite); Prim(ary); Print(ing); Prob(lem); Prof(essor);
Prop(osition); Pro temp(ore) = voor het oogenblik; Prov(erb); Prox(imo
= volgende maand); P(resident of the) R(oyal) S(ociety); Prus(sia); P.
S. = Postscript; P(rompter’s) S(ide) = de rechterzijde van het tooneel,
waar de souffleur staat; P(rivy) S(eal); Ps(alm); Psychol(ogy);
P(articulars) t(o) f(ollow) = nadere bijzonderheden volgen; P(lease)
T(urn) O(ver); Pub(lic); Pxt = Pinx(it).
Pa, pâ, Pa.
Pabulary, pabjuləri, voedzaam, voedsel - -; Pabulum, pabjulɐm, voedsel:
To offer literary pabulum.
Paca, pakə, peikə, gevlekt zeevarkentje (Z. Amer.).
Pace, peis, subst. stap, pas, gang, schrede, tempo, elasticiteit der
banden van een biljart (= Pace of the table): Pace verb. gaan, stappen,
afpassen; afstappen, gangmaken: Double-time pace = looppas; Ordinary
pace = marsch tempo; Quick pace = versnelde pas; To go at a great pace
= flink doorstappen; To go the pace = voortsnellen; een vroolijk
(losbandig) leven leiden; To keep pace with = met iemand in den pas
blijven, iemand bijblijven; You had better mend your pace = je deed
beter wat aan te stappen; To set the pace = het tempo aangeven; We
walked twelve miles at a pace = twaalf mijlen achtereen; The horse (He)
was put through its (his) paces = men liet het paard vóórdraven, hij
werd op de proef gesteld, moest toonen wat hij kon; To work a horse
within his pace = zich niet te veel laten inspannen; Pace-maker =
gangmaker; Thorough-paced = flink geoefend, geschoold, onvervalscht,
doortrapt; Thorough-pacer = renpaard.
Pace, peisi: Pace Mr. W. = met verlof van.
Pacha, pəšô, pacha.
Pachyderm, pakidɐ̂m, dikhuidig dier; Pachydermatous, pakidɐ̂mətɐs,
dikhuidig; ongevoelig.
Pacific, pəsifik, subst. Stille Zuidzee; adj. Pacific(al) =
vredelievend, verzoenend, rustig, vreedzaam; Pacification = verzoening,
verdrag, bevrediging; Pacificator = vredestichter; Pacifier, pasifaiə,
vredestichter; Pacify = bevredigen, stillen, tot bedaren brengen.
Pack, pak, subst. pak, last, menigte, troep, spel (kaarten), troep
(jachthonden); Pack verb. pakken, inpakken, laden, bergen, wegzenden,
de kaarten valsch leggen, eene jury zóódanig samenstellen dat ze
partijdig is; zich laten pakken, pakken, zich wegpakken; Pack-cloth =
paklinnen; Pack-horse = lastpaard; Pack-ice = pakijs; Packman =
marskramer; Pack-saddle = pakzadel; Pack-staff = stok (van een
marskramer); Packthread = pakgaren; I sent him packing = ik heb hem de
laan uitgestuurd; He was found guilty by a packed jury = een partijdige
jury; The hall was packed in every part = vol aan alle kanten; With
such people they pack their audiences = vullen zij hun gehoor; Package,
pakidž, pakje, pak, emballage, pakloon: Number of packages = getal
colli; Packer = pakker; lastdier, leider van een lastdier; Packet,
subst. pakje, pakketboot; Pack verb. inpakken, verzenden per
Packet-boat; Packet-line; Packet-ship; Packing = vulling, pakking,
pakloon; Packing-awl = paknaald; Packing-bath = natte omslagen;
Packing-case = pakkist, enz.; Packing-needle = paknaald; Packing-paper;
Packing-room = pakkamer; Packing-sheet = paklinnen, natte omslag
(laken).
Paco, pâkou, peikou, alpaca.
Pact, pakt, verbond, verdrag; Pactional = afgesproken.
Pad, pad, subst. zacht kussen, stootkussen, onderlegger, spoor
(voetindrukken); klepper, telganger (= Pad-nag); Pad verb. te voet
reizen, opvullen, watteeren: A pad of straw = een bos stroo; She wears
pads = stopt zich op; To go upon the pad = op roof uitgaan; Padding =
(op)vulsel, iets ter vulling of bladvulling: There is much padding in
the book.