rechtskundig advies; Public opinion = publieke meening; In my humble
opinion = naar mijne bescheiden meening; To be of opinion = van meening
zijn; I have no opinion of it = heb er geen hoogen dunk van; To injure
a person in another person’s opinion = een ander een slecht idee geven
van; Opinionated, əpinjəneitid, eigenzinnig, koppig = Opinionative,
əpinjənətiv; Opinionist = stijfkop.
Opium, oupj’m, opium: Opium-eater = ‘pen-name’ van Thomas De Quincey;
Opium-smoker = opiumschuiver; Opium-smoking den = opiumkit.
Opossum, əposəm, opossum.
Oppidan, opidən, uitwonend leerling (van Eton College).
Opponent, əpoun’nt, subst. tegenstander, tegenstrever; adj.
tegenstrijdend, tegenwerkend, opponeerend.
Opportune, opətjûn, gelegen, geschikt, juist van pas, tijdig: He has
proved it Opportunely = te juister tijd; subst. Opportuneness;
Opportunism, opətjûnizm, opətjunizm, opportunisme; Opportunist.
Opportunity, opətjûniti, gelegenheid, geschiktheid van tijd en
omstandigheden: Opportunity makes the thief; To embrace (improve,
seize, take) the opportunity = aangrijpen; The book is a monument of
exceptional opportunities = buitengewoon gunstige omstandigheden; He
did not rise to the height of his opportunities = heeft er niet alles
van gemaakt wat hij kon, is beneden zijn onderwerp gebleven; I will
take an early opportunity = de eerste gelegenheid aangrijpen.
Opposable, əpouzəb’l, weerlegbaar, bestrijdbaar; Oppose, əpouz,
tegenstellen, weerstaan, opponeeren, bestrijden, dwarsboomen: They
opposed a stubborn resistance = boden hardnekkig weerstand; As opposed
to = tegenover; Opposer = mededinger, opponent; Opposite, opəzit,
tegenover, tegengesteld, omgekeerd, vijandig, tegenstandig; subst. het
tegenovergestelde, tegendeel: Opposite the post-office, on the opposite
side = tegenover het postkantoor, aan de overzijde; soms verb.: He
declined either to support or to opposite the measure; subst.
Oppositeness; Opposition, opəziš’n, tegenstand, hindernis, oppositie:
To act in opposition to = handelen in strijd met, weerstreven; To make
opposition to = protesteeren; In spite of opposition = trots
tegenstand; Oppositionist = lid van de oppositie.
Oppress, əpres, (onder)drukken, zwaar liggen op; Oppression, əpreš’n,
onderdrukking, ellende, (afge)matheid, gevoel v. beklemming; Oppressive
= onderdrukkend, zwaar drukkend; subst. Oppressiveness; Oppressor =
tyran.
Opprobrious, əproubriəs, verachtelijk, schandelijk; subst.
Opprobriousness; Opprobrium, əproubriəm, schande, smaad, eerloosheid.
Oppugn, əpjûn, bestrijden, weerstaan; Oppugnancy, əpɐgn’nsi,
tegenstand, strijd.
Optative, optətiv, opteitiv, wenschend; subst. optatief; Optative mood
= de wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt.
Optic, optik, gezichts...: Optic nerves = gezichtszenuwen; Optical
delusion = gezichtsbedrog; Optician, optiš’n, gezichtkundige, optisch
instrumentmaker; Optics = optica, oogen.
Optimates, optimeitîz, de aanzienlijken; Optime, optimî, een kandidaat,
die bij de Triposes of Honours Examinations voor den B.A. graad te
Cambridge, onmiddellijk volgt op den Wrangler.
Optimism, optimizm, optimisme; Optimist, subst. optimist; adj.
optimistisch = Optimistic.
Option, opš’n, recht of vrijheid van kiezen, keus, voorkeur: At option
= naar verkiezing; To leave a thing to (in) a person’s option = aan
iemands keus laten; Optional = van de keus afhangend, vrij in de keuze,
facultatief: It is optional with you = het staat u vrij.
Opulence, opjulens, rijkdom, weelde, overvloed; adj. Opulent.
Opus, o(u)pəs (Mv. Opera, opərə), werk (muziek); Opuscule, əpɐskjul,
klein werk of geschrift.
Or, ö, eer, of: Either this or the other.
Orach(e), oratš, melde (plant).
Oracle, orək’l, subst. orakel, godsspraak: He has worked the oracle =
hij heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje listig
overlegd; Oracular, ərakjulə, orakeltaal sprekend, duister,
dubbelzinnig, gewichtig; subst. Oracularity = Oracularness.
Oral, ôr’l, mondeling, mond...: Oral examination; Orally.
Orale, əreilî, pauselijke hoofdsluier.
Oran, ərân.
Orange, orinž, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig);
Orange-blossom = oranjebloesem; Orange-man = koopman in sinaasappelen;
Orangeman = spotnaam voor Iersche protestanten (17de eeuw); Orangist,
d.i. lid van eene geheime polit. protest, vereeniging in Ierland
(1795); Orange-musk = muskaatpeer; Orange-peel = oranjeschil: Candied
orange-peel = snippers; Orange-woman; The Orange Free State = The
Orange River Sovereignty; Orangeade, orəndžeid, orangeade; Orangery,
orənž’ri, oranjerie.
Orang-outang, əraŋûtaŋ, orang-oetang.
Oration, əreišn, redevoering; Orator, orətə, redenaar; Oratoric(al) =
welsprekend, rhetorisch; Oratorio, orətôriou, oratorium (muz.);
huiskapel; Oratorize, orətəraiz, eene redevoering houden; Oratory,
orətəri, welsprekendheid; huiskapel: Priests of the Oratory = leden van
het Oratorium, een geestel. congregatie.
Orb, öb, bol, oog(appel), omloop, kringloop, rad, bol; Orb verb.
omringen, een kring vormen, zich in een kring bewegen; Orbed = rond,
cirkelvormig, volkomen = Orbicular, öbikjulə = Orbiculate, öbikjulit;
Orbit, öbit, oogkas; baan (van een hemellichaam); Orbital = tot een
baan of oogkas behoorende.
Orcades, ökədîz, Orcaden = Orkney Islands; adj. Orcadian, ökeidj’n.
Orchanet, ökənet, ossetong (plant).
Orchard, ötšəd, boomgaard; Orcharding = ooftbouw; Orchardist.
Orchestra, ökəstrə, orkest: String orchestra = strijkorkest;
Orchestral, əkestr’l, ökəstrəl: The Orchestral score = orkestpartituur;
Orchestrate, ökəstreit, arrangeeren voor orkest; Orchestration,
ökəstreiš’n, het arrangeeren v. muziek voor orkest.
Orchid, ökid, orchidee; Orchidaceous, ökideišəs, tot de orde der
orchideeën behoorende; Orchis, ökis, orchis.
Ordain, ödein, instellen, voorschrijven, beschikken, ordineeren,
bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten); Ordainer; Ordainment.
Ordeal, ödiəl, ödîl, ödîəl, godsgericht, vuurproef (fig.): Ordeal by
fire, by water = vuur-, waterproef.
Order, ödə, subst. orde, schikking, methode, toegangsbewijs, reglement,
rang, bouworde; Order verb. ordenen, regelen, inrichten, leiden,
verordenen, voorschrijven, bestellen, bevelen: Standing orders =
reglement van orde; By order = volgens verordening, op bevel; By order
of = op bevel van; In order = volgens ’t reglement van orde; In order
that = opdat; In order to = om, ten einde; Not in order = buiten de
orde = Out of order = in wanorde; Per order = volgens bestelling; To
order = op bevel, op bestelling, naar maat; Order of battle = slagorde;
Order of the day = agenda, dagorder, orde van den dag; I move to
proceed with the order of the day = stel voor tot de orde van den dag
over te gaan; Drunkenness was the order of the day = aan de orde van
den dag; Order in Council = Kon. Besl. na advies van de Privy Council;
To be in good order; In holy orders, Zie Holy; The men were in full
marching order = marschtenu; Everything was in working order = alles
was klaar (zoodat men beginnen kon); The children were kept in order =
stil gehouden; He cannot keep the boys in order = geen orde houden
(Vergelijk: To impose good order on a class); To give an order = bevel
geven; To give orders for = bestellingen; To be mentioned in general
orders = eervol vermeld; He has taken orders with a view to restore
order = hij heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen; He took
priest’s orders = hij werd gewijd als geestelijke; Take Mr. A’s order =
vraag wat mijnheer A. zal gebruiken; I won’t be ordered about like that
= laat me zoo niet commandeeren; The quack was ordered off by the
police = werd gelast heen te gaan; To order out = wegsturen; To order
up = boven laten komen; Order-book = boek voor de bestellingen,
orderboek (milit.); Order-form = bestelbriefje; Order-word = parool;
Orderer; Ordering = regeling, schikking; Orderly, subst. ordonnans
(Mounted order), hospitaalsoldaat, opzichter in eene ziekenafdeeling;
straatveger (= Streetorderly); adj. ordelijk, rustig, geregeld, kalm,
in dienst; Orderly-book = orderboek (mil.); Orderly-man = ordonnans;
Orderly-officer = ordonnansofficier; Orderly-room = bureau;
Orderly-sergeant = oudste onderofficier van eene compagnie.
Ordinal, ödin’l, rangschikkend; subst. rangsch. telwoord (= Ordinal
number); missaal = Ordinale, ödineili.
Ordinance, ödin’ns, verordening, ritus.
Ordinary, ödinəri, gewoon, gevestigd, geijkt, middelmatig, alledaagsch,
actief dienend, hof...; lijf...; buiten dienst gesteld; subst.
gaarkeuken, table d’hôte in eene ouderwetsche herberg, maaltijd;
rechter (vooral in geestelijke zaken): Ordinary debts = boekschulden;
Ordinary seaman = licht matroos; In ordinary = actief dienend, lijf...,
hof...; buiten dienst gesteld (van schepen): Ambassador, professor in
ordinary = gewoon gezant, hoogleeraar; Chaplain in ordinary to the
Queen = hofkapelaan; Physician in ordinary to the Queen = hofarts.
Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig; subst. ordinaat; Ordinate verb.
ödineit, wijden (door den Bisschop); Ordination, ödineiš’n, wijding,
bevestiging; verordening, raadsbesluit (fig.).
Ordnance, ödnəns, (groot) geschut: Piece of ordnance = stuk geschut;
(Army) Ordnance Department (tot 1855 Board of Ordnance) = departement
voor artillerie en intendance; Director-General of (the) Ordnance =
generaal-intendant; Ordnance-factory = geschutgieterij; Ordnance-map =
stafkaart; Ordnance Survey = officieele triangulatie van Groot-Brit. en
Ierland.
Ordure, ödjə, drek, vuil (ook fig.).
Ore, ö, erts; goud.
Oread, ôriəd, bergnimf.
Oregon, orəg’n; O’Reilly, əraili; O’Rell, ərel.
Organ, ög’n, orgaan, werktuig, orgel; Organ verb. op het orgel spelen:
He thinks his owls are organs = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn;
To blow the organ-bellows = orgeltrappen; To play the organ; To preside
at the organ = het kerkorgel bespelen; Organ-blower = orgeltrapper;
Organ-builder = orgelmaker; Organ-grinder = orgeldraaier; Organ-loft =
orgelkoor; Organ-pipe; Organ-point; Organ-treader.
Organic, öganik, organisch, organiek, bewerktuigd: Organic bodies =
dieren en planten; Organic chemistry; Organic disease = organisch
gebrek of ziekte; Organic remains = organische overblijfselen;
Organism, ögənizm, organisme; Organization, ögənizeiš’n, organisatie,
bewerktuiging; Organize, ögənaiz, organiseeren, van organen voorzien.
Organzine, ög’nzîn, ketting(organsijn)-zijde.
Orgasm, ögəzm, geprikkelde toestand.
Orgiastic, ödziastik, als een orgie = Orgie, ödži, Bacchusfeest,
drinkgelag, braspartij.
Orgy, ödži. Zie Orgie.
Oriana, örianə.
Oriel, ôriəl, erker, arkel (= Oriel window); oudtijds een soort
gallerij.
Orient, ôriənt, subst. Oosten; adj. opgaande, Oostersch, oostelijk,
schitterend; Orient verb. ook ôrient, de ligging bepalen, zich
orienteeren (= To orient oneself): Pearl of Orient = van het schoonste
water = Orient pearl; Oriental, örient’l, subst. Oosterling; adj.
oostelijk, weelderig, kostbaar; Orientalism = Oostersche gewoonte of
taal, kennis daarvan; Orientalist = Oosterling; kenner v. Oostersche
talen, gewoonten, enz.; Orientalize = Oostersch maken (worden);
Orientate = (zich) naar het Oosten wenden; Orientation = bepaling van
het Oosten, oostelijke ligging, orienteering.
Orifice, orifis, opening, mond, gaatje: Orifice of the stomach.
Origan, origən, marjolein.
Oriflamme, oriflam, oriflamme.
Origen, oridžen, Origenes, oridžinîz.
Origin, oridžin, begin, oorsprong, oorzaak; Original, əridžin’l,
oorspronkelijk, eerst, nieuw, erf...; subst. oer-type, eerste
exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; Original sin (=
eerste of) erfzonde; Originality = oorspronkelijkheid, etc.; Originate,
əridžineit, voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; Origination =
oorsprong, begin, wijze van voortbrenging; Originator, oridžineitə,
oorzaak, bewerker.
Orinoco, ourinoukou.
Oriole, ourioul, wielewaal.
Orion, əraiən, Orion.
Orison, oriz’n, oris’n, gebed.
Orizaba, ourithâbə.
Orkneys (The), dhiökniz, Orkadische eilanden; Orleans, öliənz, Orleans;
soort van katoen, ook ölînz.
Orlop, ölop, overloop, verdek.
Ormolu, öməlu, öməlû, goudbrons.
Ornament, önəment, subst. sieraad, versiersel; Ornament verb. önəment,
tooien, versieren; Ornamental, önəment’l, tot versiering dienend:
Ornamental art = ornementiek; Ornamental painter = decoratieschilder;
Ornamentation = versiering; Ornate, önit, öneit, versierd, sierlijk;
subst. Ornateness.
Ornithologist, önitholədžist vogelkenner; Ornithology, önitholədži,
leer der vogels; Ornithomancy, ön(a)ithəmansi, önithəmɐnsi,
vogelwichelarij.
Orographic(al), orəgrafik(’l), orographisch; Orography, ərogrəfi,
orographie.
Orphan, öf’n, wees; adj. verweesd, ouderloos: Orphan-boy; Orphan-girl;
Infant Orphan-Asylum = Orphan-hospital; Orphanage, öfənidž, de staat
van wees; weeshuis; Orphaned = ouderloos.
Orphean, öfîən, öfiən, v. Orpheus = Orpheus, öfjûs, öfiəs; Orphic,
öfik, verweesd, mystiek, v. Orpheus; mysticus.
Orphrey, öfri, een rand v. goudborduursel, ook een rijk vergulde rand
in metselwerk.
Orpiment, öpiment, operment, koningsgeel.
Orpin(e), öpin, smeerwortel, gele verfstof.
Orris, oris, Florentijnsche lisch; goud- of zilvergalon.
Ort, öt, brokje, afval; meest m.v.
Orthodox, öthədoks, rechtzinnig, Grieksch Katholiek, rechtgeaard, echt,
ouderwetsch, soliede: Orthodox arm-chairs = soliede (ouderwetsche)
leuningstoelen; An orthodox pair of lovers = geliefden van den ouden
stempel; Orthodox three-volume novels = ouderwetsche romans in 3
deelen; Orthodoxy = rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid.
Orthoepic(al), öthəepik(’l) tot de Orthoepy, (öthouəpi of öthə-ipi) of
(de leer der) juiste uitspraak behoorende; Orthoepist, öthouəpist of
öthə-ipist, uitspraakkundige.
Orthogon, öthəgon, rechthoek; adj. Orthogonal.
Orthographic(al), öthəgrafik(’l), orthographisch; Orthography,
öthogrəfi, spellingsleer, juiste spelling.
Orthopaedic(al), öthəpîdik(’l), öthəpedik(’l), orthopaedisch;
Orthopaedist, öthəpîdist, öthopidist, orthopaedisch dokter; Orthopaedy,
öthəpidi, öthopədi, orthopaedie.
Ortolan, ötələn, ortolaan, tuinmeerle.
Osage, ousidž, əseidž; Osborne, ozbən.
Oscan, osk’n, Osker (oude Ital. volksstam).
Oscillate, osileit, slingeren, weifelen; subst. Oscillation; adj.
Oscillatory.
Osculate, oskjuleit, osculeeren (mathem.); kussen; Osculation,
osculatie; kus; Osculatory, oskjulətəri, subst. Christus of
heiligenbeeltenis, die vroeger met de woorden “Vrede zij met u” te
kussen werd gegeven; adj. kussend, aanrakend: Osculatory ceremony =
ceremonie v. voet- of handkus; Oscule = kleine opening, zuigspriet.
O’Shaughnessy, əšônəsi; O’Shea, əšei.
Osier, oužə, kat-(bind)wilg; rijsje; witte kornoelje (Amer.): Osier-ait
= klein eilandje; Osier-bed (Osier-holt) = wilgenboschje; Osier-bottle
= mandflesch; Osier-twig; Osier-work = mandewerk.
Osiris, əsairis.
Osmium, ozmiəm; osmiəm, osmium.
Osmose, osmous, ozmous, osmose; adj. Osmotic.
Osmund, ozmənd, osmunda: Osmund royal = koningsvaren.
Osnaburg, oznəbɐ̂g, osnəbɐ̂g, Osnabr¸ck; grof linnen.
Osprey, ospri, vischarend; aigrette.
Ossein, osi-in, beenderenweefsel.
Osselet, osəlet, beentje, sepia; Osseous = beenachtig, been..; Ossicle
= beentje; Ossiferous, osifərɐs, beenderen bevattend; Ossification =
beenvorming; Ossify = tot been worden, versteenen: Ossified system =
verouderd, zéér oud; Ossuary = knekelhuis; urn.
Ostend, ostend.
Ostensibility, ostensibiliti, subst. v. Ostensible, ostensib’l,
schijnbaar, oogenschijnlijk, duidelijk; Ostension = uitstelling van het
allerheiligste; Ostensive = (duidelijk aantoonend; aanstellerig.
Ostent, ostent, aanblik, teeken, voorteeken; bluf; Ostentation =
(praal)vertooning, vertoon, pracht; Ostentatious, ost’nteišəs,
praalziek, ijdel, opzichtig: subst. Ostentatiousness.
Osteogenesy, ostiədženəsi, beenvorming; Osteography = beschrijving der
beenderen; Osteology = leer der beenderen.
Ostler, oslə, stalknecht.
Ostracean, ostreiš’n, oesterachtig; subst. tweeschelpig weekdier,
oester; Ostreaculture, ostriəkɐltjə, kunstmatige oesterteelt.
Ostracism, ostrəsizm, schervengerecht; verbanning, doodverklaring;
Ostracize, ostrəsaiz, verbannen, doodverklaren.
Ostrich, ostritš, struisvogel: Ostrich-feather.
Ostrogoth, ostrəgoth, Oostgoot; Oswald, ozwəld; Oswego, oswîgou;
Otaheite, outəhîti, Tahiti.
Otalgia, ətaldžiə, Otalgy, ətaldži, out’ldži, oorpijn.
Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each other, One another = elkander;
Have another cigar = neem nog eene sigaar; The other day = onlangs;
Every other day = om den anderen dag; The other morning = onlangs op
een morgen; The other side = de linkerkant; Otherwhere = ergens anders;
Otherwise = anders, op andere wijze: Much was said, both wise and
otherwise = zoowel verstandige als domme dingen; I am not otherwise
engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet bezet; Not otherwise
than most welcome; It is other(wise) with him = met hem is ’t een ander
geval: Rather than otherwise = ’t liefst: I can do no other = niet
anders; On that afternoon of all others = nog wel op dien namiddag;
Some person or other = de een of andere; Otherness = verschil, het
anders zijn.
Othman, othm’n; Otho, othou.
Otic, outik, oor...; subst. middel tegen oorpijn; Otitis, ətaitis,
oorontsteking; Otology = leer van het oor; Otoscope, outəskoup,
oorspiegel.
Ottar, otə. Zie Otto.
Ottava rima, otâvarîmə, couplet van acht regels, waarvan de zes eerste
beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen.
Otter, otə, otter; zeeotter; gele verfstof; Otter-dog.
Ottewa, otəwə.
Otto, otou, aromatische olie uit bloemen = Attar (of roses).
Ottoman, otəm’n, subst. Turk, ottomane (lage sofa); adj. Turksch: The
Ottoman empire.
Otway, otwei.
Oubliette, ûbliet, subst. kerkerhol, valdeur.
Ouch, autš, in goud gevatte edelsteen.
Oudh, aud.
Ought, ôt, subst. iets: For ought I know = voor zoover ik weet.
Ought, ôt, behooren: You ought to know that = dat moest ge weten; You
laughed at him? Then you ought not = maar dat mocht je niet.
Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en 16e van een pound
avoirdupois): An ounce of help is better than a pound of preaching = de
kleinste daad is beter dan veel gemoraliseer.
Ounce, auns, Amer. jaguar.
Our, auə, ons (bez. voorn. w.): A friend of ours = vriend van ons; He
was of ours = hij behoorde tot ons regiment; Ourself = ons, mij,
onszelf, mijzelf; Ourselves = ons, onszelven, mijzelf.
Ouse (The), dhîûz; Ousel(e)y, ûzli.
Ousel, ûz’l, meerle; beflijster.
Oust, aust, uit het bezit stooten; den voet lichten; Ouster =
uitzetting, berooving.
Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos,
buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos,
twistend, enz.; subst. afgetreden minister, partij, die niet meer aan
’t roer is; speler, die af is (meest meerv.); Out verb. uitdrijven, een
uitstapje maken, uiten: He is out and away the stronger of the two =
verreweg; An out and excellent portrait = buitengewoon, uitstekend;
Out-and-out = door en door, voortreffelijk, onbegrensd, aarts - -; An
out-and-out support of the government = steun door dik en dun;
Out-and-outer = kraan, iets buitengewoons, een opzichtig kleedingstuk;
From this out I am a reformed man = van nu af aan; He said such things
in season and out = te pas en te onpas; I am on my way out = op weg
naar Indië; We are well out to sea now = zijn nu in (volle) zee; Out
there = daar ginder, in ’t buitenland; Out-at-elbows (-heels) = met
gaten in; An Out-at-elbow place = vervallen; I am out of breath =
buiten adem; He put me out of countenance = bracht me van mijn stuk;
Out-of-date = bij zijn tijd ten achter; Out-of-door(s): Out-of-door
amusements = openluchtspel; Out of favour = uit de gunst;
Out-of-fashion = uit de mode; Out of the frying-pan into the fire = van
den wal in de sloot; He died out of hand = onmiddellijk; Out of harm’s
way = in veiligheid; buiten schot; He is out of his head = krankzinnig;
Out of heart = moedeloos; I am out of all hope = ik heb volstrekt geene
hoop meer; I never sleep out of hours = buiten de voor den slaap
bestemde uren; Out of sight, out of mind = uit het oog, uit het hart;
Since time out of mind = sedert onheugelijken tijd; I am out of money =
slecht bij kas; Out of office = buiten betrekking; Out-of-pocket
expenses (fees) = noodzakelijke uitgaven (voorschotten); The book is
out of print = uitverkocht; The rope was out of my reach = buiten mijn
bereik; Out of sorts = onwel, brommig; You are out of temper this
morning = uit uw humeur, boos, landerig; I am out of my time = heb
mijne leerjaren achter den rug; Out of trim = onordelijk, niet in den
haak; That is rather out-of-the-way = ongewoon; An out-of-the-way place
= eene afgelegen plaats; Out upon that fellow! = weg met; I am out = ik
heb niet meer; ik ben in de war, boos; The jug (wine) is out = leeg
(op); The murder, secret is out = ontdekt; Then the murder was out =
toen had je de poppen aan het dansen; The time is out = om; You are
completely out (of it) = ge hebt het glad mis; That is out of it =
haalt er niet bij; He came out in the eighties = ging naar Indië
tusschen 1880–1890; Hear me out = hoor mij ten einde toe; I paid him
out of your money = van jou geld; I will sit out the concert = ik blijf
zitten tot het concert uit is; With these words he ups and outs = na
die woorden vliegt hij op en de deur uit; I hardly ever get an outing =
ik maak haast nooit een uitstapje; It was her last outing = dat was de
laatste maal, dat zij uitging; Summer-outings = zomer-reisjes; Outboard
= buiten boord; Outbound = op de uitreis; Outbreak = uitbarsting,
oproer; Outburst = uitbarsting; Outcast = verworpeling; Outcome =
resultaat; Outcrop = het voor den dag komen of gekomene; Outcrop verb.
autkrop; Outcry = geschreeuw; Outdoor = buitendeur; Outdoors =
buiten(deur); Outfit = uitrusting; Outfitter = leverancier van outfits;
Outgrowth = spruit, resultaat; Outhouse = schuur, bijgebouw; Outlander
= vreemdeling; adj. Outlandish; Outlaw = vogelvrij verklaarde, bandiet;
Outlaw verb. vogelvrij verklaren; Outlawry; Outlay = onkosten; Outlay
verb. autlei, uitbreiden, uitgeven; Outlet = uitgang, uitweg,
afvoerkanaal, -buis; Outline = omtrek; Outline verb. schetsen,
ontwerpen, zich afteekenen; Outlook = uitkijk, uitzicht, vooruitzicht:
To be on the outlook for = uitzien naar; Out-parish = buitenparochie;
Out-patient = uitwonend patient (van hospitalen); Out-poor = bedeelde;
Out-porch = portaal; Outport = buitenhaven; Outpost = voorpost; Output
= bedrag, opbrengst, productie; Outputter = producent; Outrelief =
bedeeling; Outrider = voorrijder; Outrigger = papegaaistok, loefhouder,
buitenboord aangebrachte roeiklamp; boot daarvan voorzien; Outright =
open, zonder voorbehoud, dadelijk; Outset = begin, aanvang;
Out-settlement = buitenkolonie; Outskirt = zoom, buitenste grens;
Outspan (ook autspan) = uitspannen, kampeeren (Z. Afr.); Outspoken (ook
autspouk’n) = ronduit, oprecht; subst. Outspokenness; Outwork =
buitenwerk (mil.); Outer = buiten..; subst. Outer garment; Outer world;
Out(er)most = uiterste, buitenste; Outness = uiterlijkheid.