Odd, od, oneven, overblijvend, ongeveer, waaraan de (het) tweede

ontbreekt, eenzaam, afgelegen, vreemd, raar: Odd boy = jongmaatje; The

Independent Order of Odd-fellows = een genootschap tot aankweeking van

onderlinge vriendschap en het verschaffen v. onderlinge hulp, opgericht

in de 18de eeuw; Odd gloves = linker en rechter handschoen, die geen

paar vormen; Odd hand = los werkman; Odd job = (los) karweitje; An odd

lot = rommeltje, zootje; Odd man = los werkman, invaller; An odd kind

of man = vreemde snuiter; The odd man of the family = de eenige

ongetrouwde; At odd times = zoo nu en dan eens; The odd trick (bij het

whistspel) = trek boven de zes; I have an odd volume of Chambers’

Cyclopaedia = ik heb een enkel deel (v. het geheele werk); A fortnight

and odd days = een dikke veertien dagen; Fifty odd guilders = zoowat

vijftig gulden; Odd or even = even of oneven; Odds = ongelijkheid,

verschil, ongelijke weddenschap of partij, voorgift,

waarschijnlijkheid, voordeel, meerdere bekwaamheid, twist, strijd: Odds

and ends = afval, lappen, stukken en brokken; What is the odds? = wat

zou het? It’s no odds = het heeft niets te beduiden; They are at odds =

zij zijn het niet eens, hebben standjes; It is within the odds = er is

kans op; The odds are that he will come = er bestaat veel kans; The

odds are on his side (for him, in his favour) = het voordeel is aan

zijn kant; It was long odds in point of strength = de krachten stonden

lang niet gelijk; To face fearful odds = het hoofd bieden aan een

groote overmacht; To give a person odds = iemand iets voorgeven; I have

the odds of you = ik ben je de baas; They had all the odds of number

and time on their side = alle voordeel van getal en tijd; To lay the

long odds = een ongelijke weddenschap aangaan; To set at odds = tegen

elkaar opstoken; To take the odds = de ongelijke weddenschap aannemen;

Odd-conceited = grillig, fantastisch; Odd-looking = zonderling

uitziend; Oddity = zonderlingheid, grappigheid, vreemde sijs; Oddments

= overgebleven stukken en brokken; Oddness = zonderlingheid.

Ode, oud, ode.

Odeon, Odeum, ədîon, ədîəm, Odeon, schouwburg-, of concertzaal.

Odious, oudjəs, hatelijk, afschuwelijk, leelijk; subst. Odiousness;

Odium, oudj’m, haat, blaam, verdenking.

Odoacer, odəeisə.

Odometer, ədomətə, afstandsmeter (aan een rijtuig).

O’Donoghue, ədonəgjû.

Odontalgia, oudontaldžiə, tandpijn; Odontalgic = tandpijn - -;

tandpijnmiddel; Odontic = tand...; tandmiddel; Odontology,

oudontolədži, tandkunde.

Odoriferous, oudərifərɐs, geurig, welriekend; subst. Odoriferousness;

Odorous, oudərɐs, geurig; subst. Odorousness; Odour, oudə, geur, reuk,

roep, naam: In bad odour = te slechter naam bekend; Odourless.

Odysseus, ədisiəs, ədisiûz; Odyssey, odisî, Odyssee; Oedipus, îdipɐs,

edipɐs.

O’er, Zie Over.

Oesophageal, îsəfadžiəl, slokdarm...; Oesophagus, isofəgɐs, slokdarm.

Of, ov, van: He is of age = meerderjarig; Ten years of age = tien jaar

oud; Of an afternoon = op zekeren namiddag; Be of good cheer = wees

vroolijk en hoopvol; He worked at this paper within a fortnight of his

death = nog veertien dagen voor zijn dood; He went of himself = ging

uit zich zelf; I have not seen much of you of late = je den laatsten

tijd niet veel ontmoet; A time of all others = bovenal een tijd; He

went there of a Sunday = op een Zondag; I like it of all things = ben

er dol op; A man of ten thousand = uit duizenden; Blind of an eye =

blind aan ’t ééne oog; Beware of the dog = wacht u voor; All of a heap

= alles te zamen, op één hoop.

Off, of, adj., adv. en prep. weg, vandaan, ver, rechtsch; Off verb. er

uit snijden: Hands off! = afblijven! Off with your hat! = je hoed af!

Off his bedroom = naast; Off Dover = op de hoogte van; Off duty = vrij

van dienst; Off the latch = niet in de klink; Off the road = van den

weg af; Off the stage = achter de coulissen; How far is it off? = hoe

ver is het? Off-and-on = af en aan, op en neer; Neither off nor on =

besluiteloos; I am off, gentlemen = Heeren, ik ga weg; To be badly

(well) off = het slecht (goed) hebben; To be off one’s head =

krankzinnig zijn; To be off one’s legs = vermoeid, slecht ter been

zijn, van de been zijn; He came off with a slight wound = ontkwam met;

When will the concert come off? = plaatshebben; To dine off the joint =

een eenvoudig maal gebruiken met een stuk vleesch waar men zelf

afsnijdt; To go off = weggaan, zich in beweging zetten, verdwijnen,

sterven: My ball went in off the red = verliep op (Bilj.); He would not

let me off sixpence = geen schelling minder geven; I’ll let you off if

it’s Van Houten’s Cocoa = je krijgt geen straf als het is; To put off =

uitstellen, uittrekken, afzetten; To take off = wegnemen, afzetten

(amputeeren), uittrekken (van kleeren): You have taken off his features

admirably = merkwaardig goed uitgedrukt; He has a talent for taking off

a person’s peculiarities = iemands eigenaardigheden na te bootsen; He

took himself off = ging er vandoor; Off with you! = maak dat je weg

komt; We have a day off, an off-day to-morrow = een vrijen dag; The

governor allowed me four days off = vrije dagen; Off-chance = kans,

uitzicht; Off-colour = verbleekt, niet in orde: The diamonds were a

little yellow, off-coloured as they say at Kimberley = met gele tint; I

do not like his off-hand manner = korte, hooghartige manier; An

off-hand shot = een schot uit de vrije hand; To sell off-hand = uit de

hand; I killed the animal off-hand = op slag; He recited the poem

off-hand = voor de vuist weg; Off-handed = Off-hand; Off-horse =

vandehandsche paard; Off-licence = “vergunning”, mits de drank niet in

het lokaal gedronken wordt; Off-load = afladen; Off-print = overdrukje;

Off-reckoning = op het traktement (van militairen) gekort geld; We

journeyed for several hours without off-saddling = zonder uit den zadel

te komen; Off-scouring = afschraapsel, uitvaagsel; Off-scum = schuim of

uitvaagsel, droesem; London in the off-Season = als het Season over is

(Zie Season); Off-set, subst. tegenrekening; uitlooper (van bergen),

spruit (uit den wortel); Off-set verb. met een tegenrekening voldoen,

voorzien in, opwegen tegen: The decrease was off-set by such means;

Off-shoot = tak (uit den stam); Off-spring = kroost, kinderen, spruit,

voortbrengsel; Off-street = zijstraat; Off-time = vrije tijd; Off-white

= met gelige tint; Offing = deel der zee meer dan halfweg van kust tot

horizon; We gained (took) the offing = wij kwamen in (kozen) volle zee;

The steamer stood to the offing = hield zeewaarts aan; Offish = op een

afstand (fig.): On and offish = nu eens wat beter, dan weer minder;

Offward = van de kust afhoudend.

Offal, ofəl, afval, uitschot; adj. waardeloos.

Offence, əfens, beleediging, ergernis, aanval, overtreding: No offence

= neem me niet kwalijk; You gave offence last night = gij gaaft

aanstoot, waart beleedigend; To take offence at = aanstoot nemen,

kwalijk nemen; He takes offence very easily = is zeer licht geraakt;

Offend, əfend, beleedigen, aanstoot geven, overtreden, schenden,

zondigen: He has offenceed against the laws of the country = heeft

geschonden; He was offenceed at it = hij was er over geraakt; Offenceer

= beleediger, overtreder, zondaar; Offensive, əfensiv, aanvallend,

beleedigend, aanstootelijk, onaangenaam, walgelijk: Offensive and

defensive alliance = offensief en defensief verbond; An offensive smell

= walgelijke lucht; He stood on the offensive = ging aanvallend te

werk; subst. Offensiveness.

Offer, ofə, subst. aanbod, aanbieding, voorstel, bod, poging; Offer

verb. aanbieden, offeren, opofferen, bieden, bereid zijn, toevoegen,

aandoen, opperen, beproeven, trachten: On offer = verkrijgbaar; He made

no offer to break prison = deed geene poging om uit te breken; To offer

a stubborn resistance to = hardnekkig weerstand bieden; To offer

violence = aanvallen; I’ll offer to do it if you go me halves = ik ben

bereid het te doen als gij half meebetaalt; He never offered to pay =

maakte volstrekt geen aanstalten, mine; He did not offer to run away

from us = trachtte niet; Many of the prisoners were offered up by the

savages = als offers gedood; Offerer; Offering = aanbieding,

offer(ande); Offertory, ofətəri, offertorium (deel der Mis); offerbus =

Offer-box (Offer-plate).

Office, ofis, subst. ambt, dienst, bezigheid, functie, plicht,

eeredienst, kantoor, bureau, dienstbodenkamer; Offices = bijgebouwen;

liefdediensten, voorgeschreven gebeden; To be in office = aan het

bestuur zijn; To come (get) into an office = een ambt aanvaarden; He

gave (tipped) me the office = gaf me een heimelijken wenk, gaf me een

tip (sport); To fulfil (perform) the last mournful office = den

laatsten droevigen plicht; To leave (retire from) office = aftreden; To

take office = een portefeuille, een hoog staatsambt aanvaarden; The

Colonial Office = het Min. van Koloniën; Holy Office = Inquisitie; The

Home Office = Min. van Binnenl. Zaken; Office-badge = insigne;

Office-bearer = bedienaar van een ambt; Office-boy = loopjongen;

Office-clerk = bediende; Office-hour = kantooruur; Office-hunter =

baantjesjager = Office-seeker.

Officer, ofisə, subst. officier (= Military officer); dienaar,

ambtenaar, beambte, politieagent; Officer verb. van officieren

voorzien, aanvoeren: The officers of the court = griffier en klerken;

Custom-house officers = kommiezen; A commissioned officer = officier

door den koning by Commission (= officierspatent) aangesteld;

Non-Commissioned officer = onderofficier; Superior officer =

vlagofficier; Warrant officer = uit het korps onderofficieren by

Warrant aangestelde officier, als kapelmeester, etc. ongeveer

overeenkomend met onze Indische onderluitenants; The army was well

officered = werd goed aangevoerd.

Official, əfiš’l, subst. ambtenaar; adj. ambtelijk, officiëel,

ambts...; Official duties = ambtsbezigheden; Official Gazette =

staatscourant; Official receiver = curator in een faillissement; The

officials = beambten; officiëele berichten; Officialdom = bureaucratie:

The Language of officialdom; Officiate, əfišeit, een ambt bekleeden; de

godsdienstoefening leiden, officiëeren; Officious, əfišəs, officieus;

gedienstig, Úvergedienstig, bemoeiziek; subst.; Officiousness.

Officinal, əfisin’l, ofisain’l: Officinal plants = geneeskrachtige

planten.

Oft, oft, dikwijls: Many a time and oft = herhaaldelijk; Often, of’n,

vaak, oftən, dikwijls; Oftness = herhaaldelijkheid; Ofttimes = dikwijls

= Ofttimes.

Ogee, ədžî, ojief.

Ogilvie, oug’lvi.

Ogive, oudžaiv, ədžaiv, oudživ, spitsboog.

Ogle, oug’l, subst. wenk, lonk; Ogle verb. toelonken; Ogler.

Ogre, ougə, weerwolf, boeman; Ogr(e)ish, oug(ə)riš, boemanachtig; vr.

Ogress, ougrəs.

Oh, ou, Och! Ach!

Ohio, əhaiou; Ohioan = (bewoner) van O.

Ohm, oum, Ohm (electr.).

Oil, ôil, subst. olie; Oil verb. olieën, smeren, olieachtig worden:

Boiled oil = lijnolie; Salad (Table) oil; Sweet oil = olijfolie; Oil of

roses; To burn the midnight oil = tot laat in den nacht studeeren; To

go to oil = smelten; To pour oil on troubled waters = olie op de golven

gieten (fig.); To strike oil = eene petroleumbron ontdekken; een

gelukje hebben; That is like throwing oil into the fire = dat is olie

in het vuur (fig.); Oil-bag = vetklier; Oil-cake = lijnkoek, raapkoek;

Oil-cloth = wasdoek; zeil; Oil-colour = olieverf (dikwijls Oil-colours

of Oils: A good portrait in oils = een goed portret in olieverf);

Oil-cooking (Oil-heating) stove = petroleumstel (kachel); Oil-crusher =

olieslager; Oil-lamp; He is in the oil and colour line = hij doet in

olieën en verfwaren; Oilman = oliehandelaar = Oil-merchant; Oil-mill =

oliemolen; Oil-painting = het schilderen (of eene schilderij) in

olieverf; Oil-press; Oil-seed; Oil shale = laag; Oil-skin = gewaste

taf; oliejas; Oilstone = oliesteen; Oil-well = olie- of petroleumbron;

To oil (the hand of) a person = de handen smeren (fig.); She has a well

oiled tongue = een gladde tong; Oiler = smeerder, oliekan; oliejas;

Oiliness, subst. v. Oily = als olie, goed gesmeerd, zalvend, glad.

Oillet(te), ôilət, oog (plantk.); schietgat.

Ointment, ôintm’nt, zalf.

O.K., oukei, in orde, klaar, flink: He is O.K. and you had better give

him no sauce = een flinke vent (verkorting van Ol Krekt, verbasterd uit

all correct), en je moet maar niet brutaal tegen hem wezen.

Okapi, oukâpi, okapi.

Old, ould, oud, vroeger, gewoon, glad, slim: From old = van ouds; From

old time = van oudsher; As in days of old = als in vroeger dagen; We

have had a gay old time of it = ouderwets plezier gehad; Let’s talk

over Boniface and old times = de dagen van weleer; Old age = oude dag,

hooge leeftijd; The Old Country = Engeland; Old file = gierigaard; Old

gentleman (Old gooseberry, Old Harry, Old Nick) = de duivel; He is an

Old hand = slimme rot; ex-boef; Old maid = oude vrijster; Old man =

ouwe heer, oude jongen, oudje; “den Ouwe” = kapitein; Old rye =

whiskey; Old salt = bevaren matroos; Old Tom = sterke jenever;

Old-beaten = beproefd; Old-clothes-man = oudskleer; Old-established =

oud; Old-fangled, Old-fashioned = ouderwetsch; subst.

Old-fashionedness; Old-maid = maagdepalm; His Old-world ideas = zijne

ouderwetsche denkbeelden; Olden, adj. voormalig; Olden verb.

verouderen, oud maken; In olden time = in vroeger dagen; Oldish =

oudachtig; Oldness = oudheid; Oldster = bejaard heer, ouder lid,

midshipman van ’t vierde jaar.

Oldham, ould’m; Oldys, ouldis, ouldz.

Oleaginous, ouliadžinɐs, olieachtig; zalvend.

Oleander, ouliandə, oleander.

Oleograph, ouliəgraf, oleographie.

Oleomargarine, ouliəmâgərîn, kunstboter.

Oleraceous, oləreišəs: Oleraceous plants = groenten.

Olfactory, olfaktəri, reuk...: Olfactory nerves = reukzenuwen;

Olfactories = reukorganen, neus.

Oligarch, oligâk, lid van eene oligarchie; Oligarchic(al),

oligâkik(’l), oligarchisch; Oligarchy = oligarchie.

Olio, ouliou, ouljou, mengelmoes, potpourri, soort haché.

Oliphant, olif’nt.

Olivaceous, oliveišəs, olijfkleurig; Olivary, oliv’ri, olijfvormig;

Olive, oliv, subst. olijf, olijfgroen; adj. olijf...: The Mount of

Olives = De Olijfberg; Olive-branch = olijftak (ook fig.), kind (Ps.

CXXVIII, 3); Olive-oil = olijfolie; Olive-tree; Olive-yard = olijfberg.

Oliver, olivə: To give a Ro(w)land for an Oliver = met gelijke munt

betalen; Olivia, əlivjə.

Olivet, olivət, oliviënkorrel.

Olla, olə, aarden kruik, poreuze kruik: Olla podrida, pədrîdə,

Spaansche schotel (fijn gehakt vleesch in groenten gestoofd). Zie Olio.

Olmsted, omstəd, ɐmstəd.

Olympia, əlimpiə; Olympiad = Olympiade; Olympian = Olympisch, hemelsch;

Olympiër; Olympic = Olympisch: Olympic games = O. spelen = Olympics.

Omasum, əmeis’m, boekpens, bladmaag.

Omber, Ombre, ombə, omberspel.

Ombrometer, ombromətə, regenmeter.

Omega, əmegə, əmîgə, ouməgə, omega, einde.

Omelet(te), oməlet, eierstruif: One cannot make omelets without

breaking eggs = zonder moeite (opoffering) heeft men niets.

Omen, oum’n, subst. voorteeken; Omen verb. vóórbeteekenen, aankondigen;

Ominous, ominɐs, onheilspellend; subst. Ominousness.

Omissible, əmisib’l, weglaatbaar; Omission, əmiš’n, weglating, verzuim:

This is a fault of omission rather than of commission = de fout bestaat

meer in de weglating dan in een bepaalde onjuistheid; Omissive =

verzuimend, weglatend; Omit = nalaten, weglaten, verzuimen; Omittance:

Omittance is no quittance = uitstel is geen afstel.

Omnibus, omnibɐs, omnibus; hulpkellner; Omnibus-bill = wetsvoorstel

omtrent allerlei verschillende zaken (Am.); Omnibus-box = loge

avant-scène; Omnibus-conductor; Omnibus-driver.

Omnipotence, omnipətens, almacht; adj. Omnipotent.

Omniprescence, omniprez’ns, alomtegenwoordigheid; adj. Omnipresent.

Omniscience, omnišəns; alwetendheid; adj. Omniscient.

Omnium-gatherum, omniəmgadhərɐm, allegaartje.

Omnivorous, omnivərɐs, allesetend, alverslindend.

Omoplate, ouməpleit, oməpleit, schouderblad.

Omphalocele, omfələsîl, navelbreuk.

On, on, op, van, naar, tot, te: To be on = in behandeling (rechtszaak)

zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get on =

aantrekken; To go on one’s way = voortgaan, zijns weegs gaan; To have

on = aanhebben; We left cards on them = gaven onze kaartjes af; The

policeman’s “Move on, please” = “doorloopen asjeblieft”; To place on

one side = links laten liggen; On account of = wegens; On an average =

gemiddeld; On condition = onder voorwaarde; On the contrary =

integendeel; On fire = in brand; On foot = te voet; On the one hand,

the other hand = eenerzijds, anderzijds; On all hands = van alle

kanten; On high = omhoog; On horseback = te paard; On pain of death =

op straffe des doods; On purpose = opzettelijk; On the quiet (On the

sly) = in stilte, (stiekum); On this side = aan dezen kant; On a sudden

= plotseling; Swallows on the wing = vliegende zwaluwen; And so on =

enzoovoort; On-come = aanval; On-comer = naderend persoon; On-coming,

onkɐmiŋ, naderend, aanstaand; subst. nadering; On-going, on-gouiŋ,

voortgang; On-goings = Goings-on; On-looker = toeschouwer.

Onager, onəgə, onədžə, wilde ezel.

Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.

Once, wɐns, eenmaal, eens: When the war is once over = goed en wel over

is; Do it at once = dadelijk; He was at once my friend and colleague =

tegelijk; Once again = nog eenmaal; Once and again = nu en dan

(zelden); Once for all = eens en voor al; Once more = nog eens; Once in

a while = nu en dan, zelden; Once upon a time there was = er was er

eens; For this once = voor dezen enkelen keer; For once (in a way) =

bij uitzondering, wel eens enkel; Never once = niet eenmaal; That once

= voor dien keer; (When) once = zoodra, toen eenmaal; Once a freemason,

always a freemason = eens maçon altijd maçon; Once is no custom =

eenmaal is geenmaal.

One, wɐn, subst. zeker iemand, éénheid; adj. een, enkel, ongedeeld,

men, zekere: One and none is all one = eenmaal is geenmaal; One day =

op zekeren dag; One Williams = een zekere W.; One more = nog een; He is

the one person who hates it = juist de man; One with another = door

elkaar genomen; One way and another = alles te zamen genomen, wel

beschouwd; One in a hundred = uit; I for one = ik voor mij; One and all

= allen te zamen; All in one = uit één stuk; It’s all one to me = ’t is

mij hetzelfde; To be at one = verzoend zijn; To be at one (with) = het

eens zijn; I was within one of missing the scene = het was er “an toe”,

of ik had het tooneel gemist, niet gezien; To be one and one = één

zijn; We shall have to place this on one side = ter zijde moeten

zetten, links moeten laten liggen; My little one(s) = kleintje

(kindertjes); The great ones of this world = de grooten; The duck and

her young ones = de eend en hare jongen; One-armed = éénarmig;

One-eyed; That is a one-horse affair (show) = dat is een onbeteekend

zaakje, armoedig spulletje; One-legged; Your one-sided views =

eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; One-sidedness =

eenzijdigheid; One-storied = van één verdieping; Oner = een echte, je

ware, een kraan; shilling; Oneness = éénheid, identiteit.

O’Neary, ənîri; Oneida, ənaidə.

Onerous, onərɐs, zwaar drukkend.

Onion, ɐnj’n, ui; kop; Onion verb. inwrijven met een ui: To weep with

an onion = krokodillentranen schreien; Onion-peel, Onion-sauce; adj.

Oniony.

Only, ounli, alleen, éénig, enkel, behalve: Only bill = solawissel;

Only for = zonder; Only see = kijk eens; Only think = denk eens aan;

Only yesterday = gister nog, pas (eerst) gisteren.

Onomatopoeia, onomətəpîjə, onəmatəpîjə, klanknabootsend woord,

klanknabootsing door woorden; Onomatopoeic(al); Onomatopoetic(al) =

klanknabootsend.

Onrush, onrɐš, hevige aanval.

Onset, onset, aanval, storm: To give (make) the onset = aangrijpen,

aanvallen.

Onslaught, onslôt, woedende aanval.

Onslow, onzlou; Ontario, ontêriou: Lake Ontario.

Ontology, ontolədži, ontologie, leer van de algemeene eigenschappen der

dingen.

Onus, ounəs, bewijslast = Onus probandi, ounəs prəbandai.

Onward, onwəd, vooruit, naar voren; voorwaartsch = Onwards.

Onyx, oniks, ouniks, onyx.

Oof, ûf, geld, “duiten” of centen = Ooftish.

Ooze, ûz, subst. zachte modder, slijk; Ooze verb. (uit)sijpelen, zacht

vloeien, (uit)lekken (out); Oozy = modderig: To be oozy with = druipen

van.

Opacity, əpasiti, ondoorschijnendheid, onduidelijkheid, domheid;

ondoorschijnend iets.

Opal, oup’l opaal; Opalesce, oupəles, kleuren spelen of verspreiden

(als een opaal); Opalescence = schittering van kleuren; adj.

Opalescent; Opaline, oupəl(a)in, opaalachtig.

Opaque, əpeik, ondoorzichtig, onduidelijk, dom.

Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet,

duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; Open subst.

open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee; Open verb. openen,

openslaan, uitspreiden, bekend maken, ontdekken, uitleggen,

ontvankelijk maken, bevrijden, opengaan, uitkomen op, open staan,

beginnen, aanslaan (van jachthonden) op het zien of ruiken van wild: It

is open to criticism = onderhevig; He is open to entreaties =

toegankelijk voor; It is open to him = staat hem vrij; An open

carriage; Open field = vrij; Open place = niet versterkte; Open river =

ijsvrije; Open sea; To cut open = opensnijden; To lay open =

openleggen, blootleggen; To lie open = blootgesteld zijn; To set

(throw) open; To sleep in the open = onder den blooten hemel; To open

the ball = het bal openen, beginnen, voorop zijn, den strijd beginnen;

To open a battle; To open a business, a house = eene zaak oprichten;

They opened their fire upon the town; To open one’s mind (oneself) to =

zich uitstorten voor; To Open a railway = in exploitatie brengen; To

open an umbrella over a person; The door opens into a passage = komt

uit op; The street opens out of Regent Circus = gaat uit van R. C.;

Open-air meetings; Open-eyed = waakzaam; Open-handed = royaal; subst.

Open-handedness; Open-hearted; subst. Open-heartedness; Open-mouthed =

met open mond (ook fig.); vraatzuchtig, schreeuwerig; Open-work =

opengewerkt iets; Opener; Opening = opening, begin, kans, gelegenheid;

ook adj.: Men become Tories or Whigs, partly by principle, partly as

openings come = afhankelijk van de voordeelen of kansen, die zich

aanbieden; Mr. M. has an opening for an apprentice = kan plaatsen;

Opening ceremony = openingsplechtigheid; Openly = openlijk; Openness =

het open zijn, openhartigheid, mildheid.

Opera, opərə, opera: Opera-bouffe = opera comique; Opera-cloak =

sortie; Opera-dancer = balletdanser(es) = Opera-girl; Opera-glass =

tooneelkijker; Opera-hat = klak; Opera-house = opera(gebouw);

Opera-singer; Operatic = tot eene opera behoorende, opera...

Operate, opereit, bewerken, teweegbrengen, uitwerken, opereeren,

drijven, uitvoeren, exploiteeren: To operate upon = bewerken,

opereeren; Operating: Operating expenses = bedrijfskosten;

Operating-room = operatiezaal; Operating-table = operatietafel;

Operation, opəreiš’n, werking, uitwerking, handeling, operatie (in de

verschillende beteekenissen), reeks v. militaire bewegingen (mv.): To

perform an operation = een operatie doen; Line of operations =

operatielinie; First year’s operations = resultaten; Operative,

opərətiv, subst. werkman, handwerker; adj. werkdadig, werkend, in

exploitatie, operatief; Operator, opəreitə, werker, operateur,

tandarts, telegrafist, beursspeculant.

Operculum, əpɐ̂kjəl’m, deksel.

Operetta, opəreta, operette.

Operose, opərous, bedrijvig, vermoeiend, zwaar: subst. Operoseness.

Ophelia, əfîljə.

Ophidian, əfidiən, slangachtig; subst. slang; Ophidium, əfidj’m,

slangevisch; Ophites, ofaits, slangendienaars, een godsd. secte.

Ophthalmia, of-thalmiə, oogontsteking; Ophthalmic, oog...; subst.

oogmiddel: Ophthalmic hospital, Ophthalmic infirmary; Ophthalmology =

oogheelkunde; Ophthalmoscope, of-thalməskoup, oogspiegel;

Ophthalmoscopy, of-thəlmoskəpi, of-thalməskoupi = onderzoek met den

oogspiegel.

Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend, pijnstillend, verdoovend

(middel); Opiate verb. (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen.

Opine, əpain, denken, onderstellen.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 85 / 152 段