Narrative, narətiv, subst. verhaal, verslag; adj. verhalend;
spraakzaam; Narrator, nəreitə, verhaler; adj. Narratory, narətəri =
Narrative.
Narrow, narou, nauw, eng, klein, bekrompen, gierig, vrekkig,
nauwkeurig, precies; subst. (meest mv.) engte, zeeëngte; Narrow verb.
vernauwen, verengen, beperken, begrenzen, minderen (bij het breien),
nauwer worden: Narrow circumstances = bekrompen; A narrow compass =
beknopte omvang, ruimte; We made (had) a narrow escape = ontkwamen
ternauwernood; A narrow majority = kleine; Narrow means = bekrompen
middelen; He has a Narrow mind, is narrow-minded = bekrompen van geest;
Narrow-brimmed = met smallen rand; Narrow-chested = met smalle borst;
Narrow-cloth = laken minder dan 80 c.M. breed; Narrow-gauge =
spoorwijdte tusschen de rails van minder dan 1,44 M. (tegenover de
vroegere algemeene Broad-gauge van 2,13 M.); Narrow-minded =
kleingeestig, bekrompen; Narrow-mindedness; To look Narrowly into =
nauwkeurig onderzoeken; Narrowness = nauwheid, etc.
Narw(h)al, nâ(h)wəl, narwal.
Nasal, neiz’l, nasaal, neus...; subst. neusklank, neusbeen; Nasalis,
nəzeilis, neusaap; Nasality, nəzaliti, neizaliti, eigenschap van door
den neus te worden gesproken; Nasalization = nasaleering; Nasalize =
tot een neusklank maken.
Nascency, nas’nsi, ontstaan, oorsprong; Nascent, nas’nt, ontstaande:
Nascent state.
Naseby, neizbi; Nasmyth, neismith.
Nasturtium, nastɐ̂šəm, O.I. kers; waterkers.
Nastiness, nâstinəs, subst. v. Nasty, nɐ̂sti, vuil, vies, akelig,
onaardig; leelijk: A nasty attack of hay-fever = een leelijke aanval
van hooikoorts.
Natal, neit’l, geboorte...: Natal day (hour); Natality =
geboortecijfer.
Natal, natâl, Natal.
Natant, neit’nt, drijvend, zwemmend; Natation = zwemkunst, het zwemmen;
Natatores, neitətôrîs, zwemvogels = Natatorial birds; Natatory =
zwem...: Natatory bladder = zwemblaas.
Natchez, natšiz; Nathan, neith’n; Nathaniel, nəthaniəl.
Natheless, neithləs, niettemin; Nathemore, neidhəmö, niet te meer.
Nation, neiš’n, subst. natie, volk, gemeenschap, hoop; adj. en adv.
(verkorting v. Damnation) kolossaal, verduiveld.
National, našən’l, nationaal: National air (anthem) = volkslied;
National debt = staatsschuld; National Ledger = Grootboek; National
school = Church of England school, uitgaande van de National Society,
opgericht in 1811 (in Ierland = volkschool); Nationalism =
vaderlandsliefde; program der Iersche nationale partij; Nationalist,
aanhanger van die partij; Nationality = volkskarakter, volkseenheid,
vaderlandsliefde; Nationalize = nationaliseeren, naturaliseeren,
onteigenen door den staat.
Native, neitiv, subst. inboorling, inlander, inheemsch(e) dier (plant);
pummel; adj. geboorte - -, aangeboren, inheemsch, natuurlijk: A native
of Germany, of Rotterdam = een geboren Duitscher, Rotterdammer;
Eminent, Famous natives = beroemde mannen in een stad of streek
geboren; He is native to the soil = daar geboren; Native is a
disparaging word for rustic; Native country (land) = vaderland; Native
forest = oerwoud; Native heat = natuurlijke warmte; Native language =
moedertaal; Native oyster = gekweekte oester; Native wit = natuurlijke
gevatheid; Nativism, neitivizm, polit. program der Nativists, die de
geboren Amerikanen boven de emigranten wenschen te begunstigen;
Nativity, nətiviti, nativiteit (ook in de Astrologie); (schilderij van
de) geboorte van Christus: He had his nativity cast = hij liet zijn
horoscoop trekken.
Natolia, nətouljə, Anatolië.
Natron, neitr’n, natr’n, natron.
Nattiness, natinəs, subst. v. Natty, nati, keurig, netjes, chique:
Everything belonging to Nancy was of delicate nattiness = alles om en
aan haar was even fijn en keurig.
Natural, natšər’l, natuurlijk, inheemsch, aangeboren, wildgroeiend,
natuurgetrouw, onecht (v. geboorte); subst. idioot; naturel (muz.): Why
was not he natural in his life-time? = waarom was hij bij zijn leven
niet als andere menschen? Natural death = natuurlijke dood; Natural
history; Natural philosophy, Natural science = natuurkunde,
natuurwetenschappen; Natural son; Natural selection = natuurlijke
teeltkeus; Naturalism = natuurstaat, naturalisme (in godsdienst en
kunst); Naturalist = natuurphilosoof, naturalist; Naturalistic =
naturalistisch, realistisch, natuurwetenschappelijk; Naturalization,
subst. v. Naturalize = natuurlijk maken, naturaliseeren, inburgeren,
acclimatiseeren, zich laten naturaliseeren, inburgeren; Naturally =
natuurlijk, van nature; Naturalness = natuurlijkheid; Nature, neitšə,
natuur, (natuurlijke) aard, karakter: By nature = van nature; From
nature = naar de natuur; In a state of nature = in den natuurtoestand,
naakt, zondig; In the nature of = krachtens; In nature’s garb = in
Adamscostuum; He has gone the way of nature, paid the debt of nature =
hij is den weg van alle vleesch gegaan; Good nature = goedigheid; Ill
nature = boosaardigheid; Nature-worship = natuuraanbidding.
Naught, nôt, subst. niets, nul: To call to naught = geducht
uitschelden; To come to naught = mislukken; To set at naught = in den
wind slaan.
Naughtiness, nôtinəs, ondeugendheid; adj. Naughty, nôti.
Nausea, nôšə, walging, misselijkheid (ook fig.): To create nausea =
misselijkheid teweeg brengen; Nauseate, nôšeit, misselijk zijn, worden
of maken, walgen; Nauseous, nôšəs, walgelijk; subst. Nauseousness.
Nautch, nôtš, Indische dans; Nautch-girl = bajadère.
Nautic(al), nôtik(’l), zee..., scheeps...: Nautical almanac =
zeemansalmanak; Nautical chart = zeekaart.
Nautilus, nôtilɐs, nautilus.
Naval, neiv’l, zee..., scheeps..., marine...: Naval affairs; Naval
architect = scheepsbouwmeester; Naval architecture; Naval battle
(combat) = zeeslag; Naval cadet = adelborst (voor hij na 4 jaar en 8
maanden tot Midshipman wordt bevorderd); Naval college = marine
instituut; Naval officers; Naval service; Naval station =
marinestation; Naval term = scheepsterm.
Nave, neiv, naaf (v. wiel); schip (v. kerk).
Navel, neiv’l, navel; Navel-string = navelstreng; Navel-wort =
waternavel.
Navicular, nəvikjulə, bootvormig: Navicular bone = scheepvormig beentje
uit den hand- of voetwortel.
Navigability, navigəbiliti, subst. v. Navigable, navigəb’l, bevaarbaar;
subst. Navigableness; Navigate, navigeit, varen, bevaren, besturen;
Navigation, navigeiš’n, het varen, scheepvaart, stuurmanskunst: Aerial
navigation = luchtscheepvaart; Inland navigation = binnenvaart;
Navigator, navigeitə, zeevaarder.
Navvy, navi; polderjongen, grondwerker.
Navy, neivi, scheepsmacht, marine, zeemacht: Navy League = de Eng.
vereeniging “Onze Vloot”, opgericht in 1895; His son is in the navy =
bij de marine; Navy-blue = marineblauw; Navy-yard = marinewerf;
arsenaal (Amer.).
Nawab, nəwôb, Ind. onderkoning, nabob.
Nay, nei, subst. weigering; adv. neen, ja, jazelfs, wat meer is: Not
only the navy, nay the army was discouraged = ja zelfs; To say nay =
ontkennen, afslaan: If you invite me, I will not say you nay = niet
bedanken; If I invite you I will have no nay = mag je niet bedanken.
Nazarenean, nazərîniən, Nazareensch; Nazarene, nazərîn, Nazarener, de
Heiland; Nazareth, nazəreth; Nazarite, nazərait, Nazarener (Num. IV).
Naze, neiz, landtong, voorgebergte.
Nead-end, nîdend, toonstuk (van eene rol goed).
Neagh, nei: Loch Neagh; Neale, nîl.
Neap, nîp, laag, vallend; ook subst. = Dead neap = doodtij; Neap-tide =
laag water; Neaped = bij eb aan den grond zittend (van schepen): The
tides are neaped = het is doodtij.
Neapolitan, nîəpolit’n, subst. en adj. Napolitaan(sch), Napelsch.
Near, nîə, adj. en adv. nabij, nauw verwant, dierbaar, letterlijk,
getrouw, kort, recht, aan de linkerhand, uiterst zuinig; nabij, dicht
aan; Near verb. naderen: Near at hand = op handen; Far and near = wijd
en zijd; Near is my coat, but nearer is my skin = het hemd is nader dan
de rok; I had a near chance of not seeing him again = ’t was er bij af,
of ik...; Near escape = hachelijke ontsnapping; The near horse = het
bijdehandsche of linksche paard; You are near the mark = gij zijt er
haast, hebt ’t bijna geraden; It was a near thing = het spande er om,
’t kon maar net; It will go near to ruin him = het zal bijna zijn
ondergang zijn; It won’t seem near so hard = niet half zoo moeielijk;
Near-sighted(ness) = bijziend(heid); Nearly = bijna, na, innig: Not
nearly (so) = op verre na niet; Nearness = nabijheid, schraapzucht,
etc.
Neat, nît, netjes, zuiver, rein, smakelijk, keurig, onvermengd, handig:
Brandy neat = klare cognac; A little neat = een kleintje cognac pur; To
put neat = opredderen; Neat-handed = handig; subst. Neatness = netheid,
etc.
Neat, nît, rund: Neat’s hide; Neat’s leather.
Neb, neb, snavel, snoet, spits, tuit.
Nebula, nebjulə, nevelvlek; vlekje op het hoornvlies; Nebular =
nevelvlek - -, troebel; Nebulosity, nebjulositi, nevelachtigheid (ook
fig.); Nebulous = nevelachtig, schemerig: subst. Nebulousness; Nebuly =
golvend; golvende lijn (Herald.).
Necessary, nesəs’ri, noodzakelijk, noodig, onvermijdelijk, gedwongen;
subst. het noodzakelijke; privaat: Necessaries of life =
levensbehoeften; Necessitate, nəsesiteit, noodzakelijk maken,
noodzaken; Necessitous, nisesitɐs, behoeftig, nooddruftig; subst.
Necessitousness; Necessity, nisesiti, noodzakelijkheid, nood,
nooddruft, noodstand: From sheer necessity = enkel uit nood; Of
necessity = noodwendig; There is no necessity for = het is niet noodig;
Necessity is the mother of invention = de nood maakt vindingrijk;
Necessity has no law = nood breekt wet; To consult with (To make a
virtue of) necessity = van den nood eene deugd maken; This will put me
under a necessity of doing it myself = mij noodzaken.
Neck, nek, hals, nek, halslengte, nauwste punt van pas of kanaal,
landengte (= Neck of land): That has broken the neck of him = dat heeft
hem vernietigd, geknakt; To break the neck of an affair = het
moeilijkste van een werk afdoen; iets verijdelen; This came in the neck
of your tidings = kwam onmiddellijk na; He narrowly escaped with his
neck = bracht er net het leven af; I have got my neck out of it = ik
ben er van af, bevrijd; He has a stiff neck = is een stijfkop; He has
laid the guilt on my neck = heeft mij de schuld op den hals geschoven;
One misfortune rides on the neck of another = een ongeluk komt zelden
alleen; To tread on the neck of a person = iemand den voet op den nek
zetten; He won by a neck = met eene halslengte; It was a neck-and-neck
race = zeer harde strijd, was kamp; The horses ran neck-and-neck =
bleven elkander prachtig bij; Neck-and-crop = volslagen, geheel: He
chucked him, neck-and-crop, out of the room = hij gooide hem vierkant
de kamer uit; He tumbled down neck-and-heels = halsoverkop; Away they
went, neck or nothing (naught) = in dolle vaart; Neck-band = hemd- of
halsboord; Neck-beef = halsstuk; Neck-chain = halsketting; Neckcloth =
halsdoek; Neckerchief = halsdoek; Necklace = halssnoer, halsband,
strop; Neck-tie = dasje, colletje; Neck-verse = aanvangswoorden van
Psalm 51, door het oplezen waarvan een misdadiger het Benefit of Clergy
deelachtig kon worden; Neck-wear = das, dasje, colletje; Necked = met
een nek (in samenst. zooals: Stiff-necked); Necklet = halssnoer.
Necrological, nekrəlodžik’l, tot eene necrologie behoorende;
Necrologist = schrijver van eene necrologie; Necrology, nekrolədži,
sterftelijst; levensbeschrijving van een overledene.
Necromancer, nekrəmansə, toovenaar; Necromancy = zwarte- of
tooverkunst; Necromantic of Necromantic = toover - -.
Necropolis, nikropəlis, doodenstad, begraafplaats; Necroscopic = de
lijkschouwing betreffend; Necroscopy = lijkschouwing.
Necrose, nekrous, nekrous, door beeneter of koudvuur aangetast worden
of zijn; Necrosis, nikrousis = beeneter, koudvuur.
Nectar, nektə, nectar; honigsap; Nectareal, Nectarean, nəktêriəl,
nəktêriən, Nectareous, nəktêriəs, nectarachtig, heerlijk als nectar;
Nectariferous = honigsaphoudend; Nectarine, nektərin, soort v.
West-Ind. pruim; Nectarous, nektərəs = Nectareous; Nectary, nektəri,
honigkelk (v. eene bloem).
Ned(dy), ned(i) = Edward.
Neddy, nedi, ezel; ploertendooder.
Need, nîd, subst. nood, behoefte, ellende, nooddruft; Need verb.
behoeven, noodig hebben, noodig zijn: At the hour of need; In time of
need; A friend in need is a friend in deed; He has need (stands in
need) of a good scolding = moet eens hebben; There is no need for
crying = ge behoeft niet; About as gay a thing as need be = als
mogelijk is; If need be = zoo het noodig is; You need not do it = gij
behoeft het niet te doen; He needed to go there = moest er noodzakelijk
naar toe; Needful = noodig, vereischt; ook subst.; We do the needful
with these bills to your credit; = wij brengen deze wissels op uw
credit; Needfulness = noodzakelijkheid; Neediness = nooddruft, ellende;
Needless(ness) = noodeloos(heid); It is Needless to discuss the point;
Needs = noodzakelijk, noodwendig, onvermijdelijk: He must needs go whom
the devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen;
Needy = behoeftig, armoedig.
Needle, nîd’l, subst. naald, magneetnaald, wijzer, spits, obelisk;
ergernis, zenuwachtigheid; Needle verb. doorboren; prikkelen, ergeren;
naaldvormige kristallen schieten: As sharp as a needle = zeer slim; zoo
scherp als een vlijm; Dip of the needle = helling van de magneetnaald;
To get, have the needle = geprikkeld, zenuwachtig worden (zijn);
Needle-book = naaldenboekje; Needle-case = naaldenkoker; Needle-furze =
kattendoorn; Needle-gun = naaldgeweer; Needle-leaved trees =
naaldboomen; Needle-point = punt, prik (fig.); Needle-woman = naaister;
Needle-work = naaldwerk, naaiwerk, handwerken, borduurwerk (Fancy
needle-work = fraaie handwerken); Needleful = een draad naaigaren.
Ne’er, nêə, verk. v. never: He is a ne’er-do-good (ne’erwell) = hij is
een onverbeterlijke deugniet.
Nefarious, nifêriəs, afschuwelijk, schandelijk: Nefarious practices,
means; subst. Nefariousness.
Negation, nigeiš’n, ontkenning; leegte; Negative, negətiv, ontkennend,
negatief; subst. ontkenning, weigering, negatief (photogr.), negatieve
pool; Negation verb. ontkennen, verwerpen, weerleggen:
Negative-electricity; He answered in the negative = ontkennend; I
negatived his arguments = ik bewees de onjuistheid van; To negative a
motion = verwerpen; Negatory = ontkennend.
Neglect, niglekt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid;
Neglect verb. verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien: I did it
in neglect = uit achteloosheid; He studied literature, to the neglect
of his other work = met veronachtzaming van; To neglect one’s duty, an
opportunity; Neglectedness = verwaarloozing; Neglectful = achteloos,
nalatig, onverschillig; subst. Neglectfulness.
Negligée, negližî, ochtendjapon, négligé; negližei, halssnoer v.
ongeslepen koralen.
Negligence, neglidžens, nalatigheid, verzuim, achteloosheid,
geringschatting; adj. Negligent.
Negotiability, nigoušəbiliti, subst. v. Negotiable, nigoušəb’l,
verhandelbaar; Negotiate, nigoušieit, handelen, verhandelen,
onderhandelen, in omloop brengen, sluiten (v. leeningen); subst.
Negotiation: To carry on (To enter into) negotiations with =
onderhandelingen voeren (treden in); Negotiator = onderhandelaar;
makelaar; Negotiatory = handelend, onderhandelend.
Negress, nîgrəs, negerin; Negrillo, nigrilou, dwergneger
(Midden-Afrika); Negrito, nigrîtou, Negrito (op de Philippijnen);
Negro, nîgrou, neger: Negro minstrels = (meest nagebootste)
negerzangers; Negro-driver = blankofficier; Negro-head = pruimtabak in
reepen geperst; Negroland = Afrika ten Z. van de Sahara; Negroid,
nîgrôid, negerachtig.
Negus, nîgəs, Negus; warme gekruide wijn.
Nehemiah, nîhimaiə, Nehemia.
Neigh, nei, hinniken; subst. gehinnik.
Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj.
aangrenzend, naast; Neighbour verb. nabij wonen, vriendschappelijk
verkeeren, aangrenzen; Neighbourhood = nabijheid, nabuurschap, omtrek:
It was somewhere in the neighbourhood of 50 dollars = het was zoowat om
en bij de 50 d. (Am.); Neighbourliness, subst. v. Neighbourly = als
goede buren, gezellig, vriendelijk.
Neill, nîl; Neilson, nîls’n.
Neither, naidhə, nîdhə, geen van beiden, noch, en ... ook niet: Neither
... nor = noch ... noch; He does not like her, neither do I = en ik ook
niet; He is not so bad neither (in plaats van either) = nog niet zoo
kwaad.
Nell(y), nel(i); Nelson, nels’n; Nemean, nimîən, nîmiən; Nemesis,
neməsis, Nemesis, ook fig.; Nenagh, neinə.
Nenuphar, nenjufâ.
Neolithic, nîəlithik, tot de latere steenperiode behoorende.
Neologian, nîəloudž’n, neologisch; neoloog; Neological = neologisch;
nieuw gevormd; Neologism, niolədžizm, nieuw woord, nieuwe beteekenis,
nieuwe leerstelling; Neologist = neoloog; Neologize = nieuwe woorden,
beteekenissen of leerstellingen invoeren; Neology = neologie, invoering
van nieuwe woorden of moderne godsdienstbegrippen.
Neophyte, nîəfait, subst. novice, nieuweling, beginner; adj. pas
toegelaten.
Neoplatonic, nîəplətonik, Nieuw-Platonisch; Neoplatonism =
Nieuw-Platonische wijsbegeerte; Neoplatonist.
Neoteric, nîəterik, nieuw, modern; ook subst.
Nepaul, nəpôl, stad: Nepaul paper = sterk ongelijmd schrijfpapier:
Nepaulese, nepôlîz, subst. en adj. (bewoner) van N.
Nepenthe, nipenthî, tooverdrank, die alle leed doet vergeten =
Nepenthes; dit ook = kannekenskruid.
Nephew, nevjû, neef (oomzegger).
Nephralgia, nifraldžə, nierpijn; Nephritic = nier - -; subst. middel
tegen nierziekte; Nephritis, nifraitis, nierontsteking; Nephrotomy,
nifrotəmi, nieroperatie.
Nepotic, nipotik, adj. van Nepotism, nepətizm, nîpətizm, nepotisme.
Neptune, neptjûn, Neptunus; Neptunian, nəptjûnj’n, tot N. of de zee
behoorende.
Nereid, nîri-id, zeenimf; borstelworm.
Nero, nîrou; adj. Neronian.
Neroli, Neroly, nerəli, nîrəli, oranjebloesemolie.
Nerve, nɐ̂v, subst. zenuw, nerf, pees, spierkracht, geestkracht, moed,
durf; Nerve verb. versterken, bemoedigen; zijn moed bijeenrapen, moed
vatten (oneself, one’s mind): He has not got the nerve to do it = durft
niet; She was nerves and nothing else = door en door zenuwachtig; To be
(to get) on one’s nerves = zenuwachtig zijn; zenuwachtig maken; He
recovered his nerve = herkreeg zijne zelfbeheersching, kracht: He
nerved himself = vatte moed, vermande zich; Nerved = met nerven;
Nerveless = zwak, zonder kracht; subst. Nervelessness; Nervine,
nɐ̂v(a)in, zenuw ..., kalmeerend middel; Nervose, nɐ̂vous, nɐ̂vous, zenuw
...; geribd, geaderd; Nervosity = zenuwachtigheid; Nervous, nɐ̂vəs,
zenuwachtig, zenuw ...; gespierd, krachtig: Nervous English = gespierd
Engelsch; Nervous fever = zenuwziekte; Nervous force = innerlijke
kracht, spierkracht; subst. Nervousness; Nervure, nâvjə, vertakking d.
nerven (in een blad), ribben in de vleugels der insecten; Nervy, nɐ̂vi,
krachtig, moedig, driest, moed vereischend.
Nescience, nešiəns, nîšiəns, onwetendheid.
Ness, nes, voorgebergte, landtong.
Nest, nest, nest, verblijf(plaats), schuilhoek, haard (pathol.), bende;
Nest verb. nestelen, een nest bouwen of uithalen, in een nest leggen,
of liggen: Nest of boxes; To build (make) a nest; He has feathered his
nest = is binnen; Nest-chicken; Nest-egg = nestei, potpenning(-geld);
Nestling = nestvogel; adj. jong.
Nestle, nes’l, zich nestelen, (zich) verschuilen, aankruipen, verborgen
liggen: The little girl nestled close to her mother = kroop dicht aan;
He nestled himself to her = vlijde zich tegen haar aan; His head
nestled itself on my shoulder = hij lei zijn hoofd op mijn schouder.
Nestor, nestə, Nestor.
Net, net, subst. net (val)strik (fig.), soort mousseline, netwerk; Net
verb, tot een net maken, haken; in een net vangen, verstrikken:
Netmaker; Net-work = netwerk; Net-work of railway-lines = spoorwegnet;
Netting = het netten maken, netwerk (op schepen, enz.); Netting-needle
= haaknaald, haakpen; Netting-pin.
Net, net, netto; Net verb. netto opbrengen: Net amount, Net gain, Net
profits, Net price, Net proceeds, Net weight.
Nether, nedhə, lager, beneden: Nether lip = onderlip; Nether millstone
(Job.); Nethermost = laagste, onderste; Netherland = Nederlandsch; The
Netherlands = Nederland(sch); Netherlander, Netherlandish.
Nettle, net’l, subst. brandnetel (= Common nettle, Stinging nettle);
Nettle verb. boos maken, prikkelen: Nettle in, dock out (In dock, out
nettle) van den hak op den tak; To be nettled at = geprikkeld,
geërgerd; Nettle-cloth = neteldoek; Nettle-rash = netelroos.
Neufchatel, nɐ̂šatel.
Neural, njûr’l, de zenuwen betreffend; Neuralgia, njuraldžə, zenuwpijn;
Neuralgic = neuralgisch; Neurasthenia, njurasthənaiə, neurastenie;
Neurasthenic = neurastenisch; neurastenicus; Neuritis, njuraitis,
zenuwontsteking; Neurology = zenuwleer; Neuropathy, Neurosis,
njurousis, zenuwlijden; Neurotic, njurotik, zenuw- -, zenuwlijdend,
zenuwsterkend; subst. zenuwlijder, zenuwmiddel.
Neuter, njûtə, adj. onzijdig, onovergankelijk; geslachtloos; subst.
onzijdig geslacht, geslachtloos dier (plant); Neutral, njûtr’l, adj.
onzijdig, onverschillig, neutraal, onpartijdig; subst. onzijdig
persoon; Neutrality = onzijdigheid; Neutralization, subst. v.
Neutralize = neutraliseeren, neutraal verklaren, onschadelijk maken: To
neutralize each other = tegen elkaar opwegen.
Nevada, nəvâdə.
Never, nevə, nooit, geenszins, nimmer, volstrekt niet, toch niet: He’s
never the one to pay = hij betaalt nooit; He is never the better for it
= hij is er daarom niet beter aan toe; Never a word = geen stom woord;
Well, I never! = heb ik ooit van mijn leven; Never so much as = niet
eens, zelfs niet; Be he never so rich = al is hij nog zoo rijk; That
problem is never so simple = vraagstuk is doodeenvoudig; Never-do-well
lad = deugniet; Never-dying = onsterfelijk; Never-failing = onfeilbaar;
Never fear = heb geen zorg; Never mind = dat doet er niet toe, dat
behoef jij niet te weten; Never say die = je moet nooit den moed
opgeven; Nevermore = nimmermeer; Nevertheless, nevədhəles, niettemin,
niettegenstaande.
Nevil(le), nevil.
New, njû, adj. nieuw, onbekend, onervaren, versch, frisch: New bread =
versch; New man = parvenu; New moon; The new woman = de geëmancipeerde,
de moderne vrouw; The New World = de Nieuwe Wereld; That’s nothing new
to me = dat is niet nieuw voor mij; He is new to the business = er nog
niet mede op de hoogte; New-birth = wedergeboorte; New-born =
pasgeboren; New-comer = pas(aan)gekomene; Newfangled, njûfaŋgld,
njûfaŋgld, nieuwerwetsch; subst. Newfangledness; New-fashioned =
nieuwmodisch; New-laid eggs = versche eieren; New(ly) married =
pasgetrouwd; New-model = nieuw modelleeren; New-painted = pas geverfd;
New-year = Nieuwjaar; New-year’s Eve = Oudejaarsdag; Newish =
eenigszins nieuw; Newly = kortgeleden, op nieuwe wijze, opnieuw:
Newness = nieuwheid, onervarenheid.
New Britain (njûbrit’n); New Brunswick; Newbury, njûbəri; New
Caledonia; Newcastle, njûkâs’l; Newcomen, njûkom’n; New England (=
Maine, New Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island,
Connecticut); Newfoundland, njûfaundland, njûfôndland, njûfôndland, het
eiland en de N. hond; Newfoundlander, bewoner, vaartuig, hond; New
France, oude naam voor Canada; New Guinea (njûgini); Newhaven,
njûheiv’n; New Hebrides (njû hebridîz); New Holland; Newmarket,
njûmâkit; New Orleans, njû öliənz, njû ölînz; New South Wales; New
York, njûjök; New Zealand.
Newel, njûəl, stijl van eene wenteltrap.
Newgate, njûgit, gevangenis in Londen: A Newgate fringe beard = baard
onder de kin.