News, njûz, nieuws, tijding, bericht: An item (A piece) of news =

nieuwtje; No news is good news; I had news that = ik hoorde; What’s the

news? = wat voor nieuws is er? News-agent = agent voor dagbladen, etc.;

News-boy = courantenjongen = News-man; News-monger =

nieuwtjesverspreider; News-paper = courant: Some of these essays are

too obviously newspaperish = dragen al te zeer den stempel

couranten-artikelen te zijn: News-room = tijdingzaal, leeszaal:

News-vender, News-vendor = courantenverkooper; News-walk = buurt of

wijk van een News-boy.

Newt, njût, watersalamander.

Newton, njût’n, Newton: Newtonian, njûtounj’n, subst. en adj.

(volgeling) van N.

Next, nekst, naastbij, naast, volgende op, daarna: Wear flannel next

your skin = op je bloote lijf; This next Thursday = den eerstvolgenden;

Next time = de volgende keer: Next after you = dadelijk na u; I am the

next in blood, next of kin = ik volg in graad van bloedverwantschap; He

has next to nothing = zoo goed als niets; Next-door to poverty = de

armoede nabij; He is next-door to an idiot = driekwart idioot; He lives

next-door = hiernaast; Next eldest to = in leeftijd volgende op; Next

M. in age = volgt op M.: What next? = wat zullen we nu nog hebben? dat

is àl te gek; Nog iets?

Nexus, neksəs, band, verbinding.

Niagara, naiagərə: Falls of Niagara.

Nib, nib, snavel, mand, spits, punt, pen, koffieboon, cacaoboon; Nib

verb. van een nib voorzien, spitsen: A soft nib = zachte pen; Hard

nibbed = met harde punt.

Nibble, nib’l, Nibble verb. knabbelen, bijten, visschen, vitten,

gappen; ook subst.: A glorious day for a nibble = prachtige dag om te

hengelen; To nibble bare = kaal vreten; To nibble off; Nibbler =

vitter.

Niblick, niblik, een zware ijzeren kolf met kleinen voet, gebruikt

wanneer de bal in wagensporen, struiken, etc. ligt (Golfspel).

Nicaea, naisîə: Nicaean councils; Nicaragua, nîkarâguə, nikərâguə;

Nice, nîs, Nizza; nais, Nicea.

Nice, nais, stipt, nauwkeurig, keurig, zedig, kieskeurig, preutsch,

teer, lastig, lekker, aangenaam, lief: That’s rather a nice question =

lastige vraag; You must not be nice about accepting it = u niet

geneeren om het aan te nemen; Niceish, naisiš, lief, aardig: A niceish

girl; Niceness = liefheid, keurigheid, aangenaamheid, enz.; Nicety =

fijnheid (van waarneming), nauwkeurigheid, kieschheid, kieskeurigheid;

lekkernij: The coat fits to a nicety = zit keurig; One must not stand

upon niceties = men moet de dingen niet al te nauw nemen; I can’t weigh

niceties = rekening houden met zulke bagatellen; Niceties of words =

spitsvondigheden.

Niche, nitš, nis, plaats, schuilhoek; Niche verb. in een nis plaatsen,

verbergen.

Nicholas, nikəlas: The Festival of St. Nicholas: Nichol(l)s, nikəlz.

Nick, nik, kabouter, demon; kerf, kerfstok, rekening; juist oogenblik,

hooge worp (bij het dobbelen), centstuk (Amer.); Nick verb. kerven,

eene inkerving maken; op het juiste oogenblik treffen, overeenstemmen,

passen: gappen, zich vlug bewegen: Old Nick = de duivel; Speak of the

Old Nick and you’ll get an odour of brimstone = als je van den duivel

spreekt, trap je hem op zijn staart; In the very nick, just in the nick

of time = te juister tijd; That is out of all nick = gaat buiten de

schreef.

Nickel, nik’l, nikkel, 5 centstuk (Amer.): They spun a nickel = gooiden

op; Nickel-plated = vernikkeld; Nickel-silver; Nickelic, nikəlik,

nikelik = nikkelachtig, nikkel... = Nickeliferous = nikkelhoudend.

Nicker, nikə, hinniken (N. E. en Schot.).

Nick-nack, niknak = knick-knack.

Nickname, nikneim, subst. bijnaam, scheldnaam: Nickname verb. een

bijnaam geven.

Nicobar, nikəbâ: Nicobar Islands; Nicodemus, nikədîməs.

Nicotin(e), nikətin, nikətîn, nicotine; Nicotinism =

nicotinevergiftiging.

Niddle-noddle, nid’lnod’l, knikkend; Niddle-noddle verb. knikkebollen,

op en neer gaan; The plumes niddle-noddled on the horses’ heads.

Nidification, nidifikeiš’n, het maken van nesten: Nidify, nesten

bouwen.

Nidnod, nidnod, knikkebollen; Nidnody = sukkel.

Nidus, naidəs, nest, broedplaats; infectiehaard.

Niece, nîs, nicht (oom- of tantezegster).

Niemen, nîm’n.

Nifty, nifti, goed, voldoende (Amer.).

Niger, naidžə.

Niggard, nigəd, subst. vrek; adj. vrekkig, gierig; Niggardliness =

vrekkigheid; adj. Niggardly.

Nigger, nigə, nikker: He works like a nigger = als een ezel.

Niggle, nig’l, beuzelen, beknibbelen, kleingeestige aan- of opmerkingen

maken over (about), peuterig uit- of afwerken; ook subst.; Niggling =

peuterig, krenterig.

Nigh, nai, nabij, nauw verwant, bijna (poët.): Well nigh = bijna; To be

nigh at hand = nabij zijn; To draw nigh = naderen; subst. Nighness.

Night, nait, nacht, avond, duisternis, onwetendheid, dood, tijd van

rouw en smart: At (By) night = ’s nachts = In the night; At dead of

night = in ’t holst van; Last night = gisteravond; (Late) at night =

(laat) in den avond (nacht); To-night = van avond; Taking night = avond

waarop de jongens een kermisvrijster kozen; A first night(er) = eerste

opvoering; To bid (wish) good night; We have made a night of it = wij

hebben den geheelen nacht doorgezwierd; To pass (spend) the night, To

stay all night = overnachten; Night-bell = nachtbel; Night-brawler =

(nacht)rustverstoorder; Night-cap = slaapmuts, slaapmutsje(fig.);

Night-cart = kar van den reinigingsdienst; Night-clothes (Night-dress)

= nachtgoed; Nightfall = het vallen van den avond; Night-fly =

avondvlinder, mot; Night-gear = nachtgoed; Night-gown = nachtjapon:

Night-gown case = nachtzak; Night-jar = geitenmelker (= Night-hawk);

Night-light; Night-man = nachtwerker, man van den reinigingsdienst;

Nightmare = nachtmerrie; Night-pan = ondersteek; Night-piece =

nachtstuk; Night-porter = nachtportier; Night-school = avondschool;

Nightshade = nachtschade (plant); Nightshirt = nachthemd; Night-soil =

fæcaliën; Night-stand = nachtkastje; Night-stool = stilletje;

Night-train; Night-walker = slaapwandelaar, nachtelijk vagebond,

prostituée; Night-watch = nachtwacht; wekker; Night-watchman; Nightly =

nachtelijk, elken nacht; Nighty = nachtpon.

Nightingale, naitingeil, nachtegaal.

Nigritia, nigrišə; adj. Nigritian, ook subst. neger.

Nihilism, naihilizm, nihilisme; Nihilist = nihilist; adj. Nihilistic.

Nil, nil, niets, leeg: Nil desperandum! = ende désespereert niet!

Nile, nail, de Nijl; Nilgiri, nilgîrî: Nilgiri Hills.

Nilly-willy, niliwili, goed- of kwaadschiks.

Nimble, nimb’l, vlug, lenig: The nimble-fingered gentry = de heeren met

lange vingers (dieven); Nimble-footed = vlug ter been, rap v. voet;

subst. Nimbleness.

Nimbus, nimbəs, stralenkrans.

Nimeguen, nimeig’n, Nijmegen.

Niminy-piminy, niminipimini, geaffecteerd, gekunsteld; ook subst.

Nincompoop, niŋk’mpûp, stommerik, sul = Nincom.

Nine, nain, negen: The (sacred) nine = de muzen; Dressed up to the

nines = keurig, netjes, piekfijn gekleed; That’s a nine days’ wonder =

verbaast de wereld eene week lang; Nine corns = een pijp vol; Nine

winks = knippertje (dutje); Ninepin = kegel: They were playing at

ninepins = zij waren aan het kegelen; Ninefold = negenvoudig; Nineteen

= negentien; She would chatter nineteen to the dozen = praatte honderd

uit; Nineteenth = negentiende; Ninetieth, naintiəth, negentigste;

Ninety = negentig; Ninth, nainth, negende; Ninely = ten negende,

Ninny, nini, sukkel.

Niobe, naiəbî, Niobe.

Nip, nip, verb. nijpen, knijpen, omsluiten, afknijpen, door vorst

beschadigen of vernielen, snijden (van koude), prikken, kwellen,

pijnigen, ergeren; subst. kneep(je), beschadiging (door vorst en

koude), slag, wippertje (borrel): Nipped in the bud = in den knop

gedood; in de kiem gesmoord; Nipped by the ice = ingesloten door; I’ll

first take my nip and then my nap = eerst mijn wippertje en dan mijn

knippertje; He takes two nips a-day = hij gebruikt zijne twee borrels

per dag; There was an exhilarating nip in the air = de vorstige lucht

had iets opwekkends; Nipper = knijper, voortand van een paard, schaar

(van een kreeft), vorstige dag, peuter, jongmaatje; Nippers = (kleine)

nijptang, schaar, knijper(s), soort handboeien; Nipping = knijpend,

scherp, snijdend, sarcastisch, stekelig; geaffecteerd (Amer.); Nippy =

krachtig; scherp, bijtend: You had to look very nippy to see him =

scherp en vlug kijken.

Nipple, nip’l, tepel.

Nirvana, nirvâna, Nirwana; Nisan, naisan, nîsân.

Nisi Prius, naisai praiəs, (= unless previously), bevelschrift den

Sheriff gelastend voor een Jury te zorgen aan het Court of Westminster,

tenzij de Judges of Assize eerder naar zijn County komen; bevoegdheid

aan deze writ ontleend; behandeling van een zaak krachtens dit bevel;

civiele zaken door de Judges of Assize behandeld.

Nit, nit, neet (van ongedierte).

Nitre, naitə, salpeter; Nitric: Nitric acid; Nitrification =

salpetervorming; Nitrify = tot salpeter vormen (worden); Nitrogen,

stikstof; Nitro-glycerine; Nitrous: Nitrous acid = salpeterig zuur;

Nitry = salpeter...

Nix(ie), niks(i), watergeest.

Nizam, nizâm, nizam, titel van den vorst van Hyderabad.

No, nou, neen, niet; geen; subst. ontkenning, weigering, tegenstemmer,

stem tegen: No cards = algemeene kennisgeving; No such matter =

geenszins; It is no matter = het kan niets schelen; By no means = in

geen geval; Of no use = nutteloos; No! (als uitroep) = och kom! wat je

zegt! There is no avoiding it = dat is niet te vermijden; The noes have

it = het voorstel is verworpen; Twenty noes and five ayes = twintig

stemmen tegen en vijf vóór; The everlasting no = ontkenning van het

bovenzinnelijke, de sceptische geest.

Noah, nouə, Noach.

Nob, nob, knop, kop, hoofd; hooge (oome): Old Nobs = de oude heer;

Nobby = prachtig, piekfijn.

Nobble, nob’l, beetnemen, bepraten, gappen: To nobble the favourite =

de favourite door eenig gift ongeschikt maken om mee te loopen; Nobbler

= slag op het hoofd; diefjesmaat.

Nobiliary, nəbiljəri, adellijk, adel...; subst. adelboek.

Nobility, nəbiliti, adel tot en met de Barons; grootheid: Nobility of

soul; Noble, noub’l, edel, grootmoedig, doorluchtig, adellijk,

prachtig, statig; subst. edelman; rozenobel (oude munt van 6s.8p.):

Nobleman (Noblewoman) = adellijke (man, vrouw); Noble metals = edele

metalen; Noble-minded; subst. Noble-mindedness; Nobleness = edelheid,

adel (fig.), grootschheid; Nobly-born = van adellijke geboorte.

Nobody, noubədi, niemand, nul, proleet: He is a nobody = een nul; They

are nobody particular = zij zijn van gewone “kom-af”.

Nocake, noukeik, geroosterd maïpoeder.

Noctilionid, noktiljənid, Z.-Amer. vleermuis; Noctule, noktjul,

spekmuis of rosse vledermuis.

Noctograph, noktəgraf, schrijfraam voor blinden; contrôle-instrument

voor nachtwachten.

Nocturnal, noktɐ̂n’l, nachtelijk; Nocturne, noktɐ̂n, noktɐ̂n, nocturne

(muz.).

Nocuous, nokjuəs, schadelijk, giftig.

Nod, nod, knikken, knikkebollen, slapen, droomen, suffen, toeknikken;

subst. knik, wenk: A nod is as good as a wink to a blind horse = een

goed verstaander heeft maar een half woord noodig; To give one a nod =

toeknikken; He was a man to nod to, not to speak with = hij was iemand

om op een afstand te kennen en te houden; He nodded approbation, an

affirmative, his assent = hij knikte goedkeurend, toestemmend; I had a

nodding acquaintance with him = kende hem eenigszins; Noddy = wankel.

Noddy, nodi, domkop; ijseend; soort van zeezwaluw; zie Nod.

Noddle, nod’l, subst. kop: Cracked in the noddle = niet recht snik.

Nodal, noud’l, knoop...; Nodated, nouditid, geknoopt; Node, noud,

knoop, knoest, knobbel, spierverharding; verwikkeling, intrigue;

Nodose, nədous, noudous, met knoopen of knoesten; Nodosity, nədositi,

knoestigheid, knoop; Nodular, nodjulə, knoestig; Nodule, nodjûl,

klompje, knoestje, knobbeltje.

Nog, nog, houten nagel; Nog verb. met nagels bevestigen.

Noggin, nogin, kroes, maat (¼ pint), kop.

Nogoism, nougouizm, onmogelijkheid, wat niet gaat.

Nohow, nouhau, in geen geval: To look nohow = er verloopen, slordig

uitzien; Nohowish = onlekker.

Noise, nôiz, subst. geraas, getier, leven; Noise verb. tieren;

verspreiden, uitbazuinen: There is a noise abroad = er loopt een

gerucht; Noise in the ear = oorsuizen; Hold your noise = schei uit met

je lawaai; He made a great noise in his time = deed veel van zich

spreken; It was noised about = rondgebazuind; Noiseless = stil, zonder

geraas of geluid; subst. Noiselessness; Noisiness, subst. v. Noisy =

druk, lawaaiig, luidruchtig.

Noisome, nôisəm, nadeelig, ongezond, walgelijk, stinkend; subst.

Noisomeness.

Noli me tangere, noulaimîtanžərə, kruidje-roermeniet, gewoon

springzaad, ezelskomkommer; een bepaalde huidziekte.

Noll, nol.

Nomad, nomad, noumad, subst. nomade; adj. nomadisch = Nomadic; Nomadism

= zwervend leven; Nomadize = een zwervend leven leiden.

Nombril, nombril, navel (Herald.).

Nomenclature, noum’nkleitjə, nomenclatuur, naamlijst.

Nominal, nomin’l, nominaal: Nominal price; Nominal rank = titulaire

rang; To pay a nominal rent = een zeer geringe huur; Nominalism = de

leer, dat aan onze begrippen geene werkelijkheid beantwoordt, en zij

slechts als namen bestaan; Nominalist = aanhanger van deze leer;

Nominate, nomineit, benoemen, candidaat stellen, op de voordracht

zetten; Nomination = benoeming, candidaatstelling: To be in nomination

for = voorgedragen worden; Nominative, nominətiv, subst. eerste naamval

= Nominative case; adj. daarop betrekkelijk; Nominator = noemer,

benoemer; Nominee, nominî, benoemde.

Non, non (in samenst.) niet, b.v. Non-ability = onbekwaamheid;

Non-acceptance = non-acceptatie; Non-appearance = niet verschijning;

Non-arrival = uitblijven (van een trein b.v.); Non-attendance = niet

verschijning; Noncom = non compos mentis, non-commissioned officer; A

non-commissioned officer (zie Warrant-officer); A non-committal answer

= antwoord, waarbij men zich tot niets verbindt, zich niet bloot geeft;

Noncon, verkort voor Nonconformist = Dissenter, of voor Non-content (=

tegenstemmer of stem tegen in het Huis der Lords); Non-conformist =

afgescheidene; Non-conformity = afgescheidenheid van de Anglikaansche

kerk; Non-delivery = niet bestelling, onbestelbaarheid; Nondescript =

abnormaal, onmogelijk, vreemd, zonderling; ook subst.; Nonentity = nul;

Nonintoxicants = niet alcoholische dranken; Nonjuring, nondžûriŋ, tot

de Nonjurors behoorende; Nonjuror, nondžûrə, Jacobite, die bij de

revolutie van 1688 niet trouw wilde zweren aan de nieuwe regeering;

Non-pareil, nonpərel, nonpərel, weergaloos; subst. iets weergaloos;

nonpareille drukletter; soort zijden lint, soort appel; Non-payment =

niet betaling; That is a non sequitur (sekwitə) = eene onjuiste

gevolgtrekking; Non-sexual = geslachtloos; Non-stop = doorgaand;

Nonsuit, nonsiût, subst. het opgeven of royeeren v. eene aanklacht

wegens een gepleegd verzuim; Nonsuit verb. aanleiding geven tot het

opgeven of royeeren.

Nonage, noneidž, minderjarigheid; Nonaged.

Nonagenarian, nonədžənêriən, 90-jarig(e).

Nonagon, nonəgon, negenhoek.

Nonce, nons, alléén in: For the nonce = voor dezen keer; Nonce-word =

gelegenheidswoord.

None, nɐn, subst. en pron. niemand, niets; adj. geen: None of your

cheek here = hou je brutalen mond thuis; None the less = niettemin; He

is none so young either = ook zoo jong niet meer; None too soon = geen

oogenblik te vroeg; I am none the wiser = geen haar wijzer.

Nones, nounz, negende dag vóór de Ides.

Nonplus, nonplɐs, subst. verlegenheid; moeilijkheid; Nonplus verb.

overbluffen, verlegen maken: To be at a nonplus; To catch on the

nonplus = verrassen.

Nonsense, nons’ns, onzin, dwaasheid: I will stand no nonsense =

oppassen asjeblieft! Nonsensical(ness) = ongerijmd(heid),

onzinnig(heid).

Non(e)such, nɐnsɐtš, subst. weergaloos persoon of zaak; soort van

appel.

Noodle, nûd’l, uilskuiken, dwaas; Noodles = deeg van tarwemeel, dun

gerold en aan reepen gesneden (Amer.).

Nook, nuk, hoek, gezellig plekje.

Noon, nûn, subst. middag, toppunt; adj. middag..: Noonday = middag;

Noonhouse = herberg; Noontide = middag; hoogtepunt; middag..; Nooning =

namiddagslaapje, -rust, -maal.

Noose, nûs, nûz, subst. lus, strik, schuifknoop; Noose verb. knoopen,

in een strik vangen, verstrikken: To run oneself into a noose = in de

val loopen.

Nopal, noup’l, vijgendistel.

Nor, nö, noch, en ook niet: Nor I either = en ik ook niet; Nor is this

all = en dat is nog niet alles; Much better nor I = dan ik (plat).

Nora(h), norə; The Nore, dhə nö; Norfolk, nöfək.

Norm, nöm, norm; Normal, nöm’l, naar den regel, normaal, loodrecht;

subst. loodlijn: Normal school = normaalschool; Normality, nömaliti =

normaliteit, etc.; Normalize, normaliseeren.

Norman, nöm’n, Normandiër: Norman architecture; Normandy = Normandië.

Norn(a), nön(ə), Norne, Noorsche schikgodin.

Norse, nös, subst. en adj. (Oud-)Noorsch(e taal); Norseman = Noorman.

North, Nöth, subst. Noorden; adj. noordelijk; North-east = noordoosten,

noordoostelijk; North-eastern = noordoostelijk; North by East = noord

ten oosten; North America; North Pole; North-star = noord(pool)ster;

North-west = noordwesten, noordwestelijk; North-western =

noordwestelijk, noordwestelijke wind; Norther, nödhə, harde, ijzige

noordenwind; Northerly, nödhəli, noordelijk; Northern, nödhən,

noordelijk, uit het noorden: Northern-lights = Noorderlicht;

Northerner, nödhənə, bewoner van het noorden, van de Noord. Staten van

Amer.; Northernmost, nödhənmoust, het meest noordelijk gelegen;

Northing, nöthiŋ, noordelijke declinatie, afstand naar het noorden;

Northman = Noorman; Northward = naar het noorden: To the Northward =

benoorden.

Northampton, nöthamt’n; Northumberland, nöthɐmbəland; Norway, nöwei,

Noorwegen; Norwegian, nöwîdž’n, Noorsch; subst. (bewoner of taal) van

Noorwegen; Norwich, noridž.

Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; Nose verb. ruiken, in den neus

krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of

the nose; Nose of wax = meegaand persoon; You had best follow your nose

= rechtuit te gaan; As plain as the nose on one’s face = zoo klaar als

een klontje; To cut the nose off one’s own face = zijn aangezicht

schenden (fig.); All my life my nose was kept to the grindstone = heb

ik hard moeten werken; You can lead them by the nose = blindelings

leiden of doen volgen; To pay through the nose = duur betalen, duur te

staan komen; That has put his nose out of joint = hem den voet gelicht;

When the baby came the little boy’s nose was put out of joint = was de

kleine jongen “Benjamin-af”; To snap a person’s nose off = afsnauwen;

He speaks in the nose = spreekt door den neus; He thrusts (puts,

shoves) his nose into everything = steekt zijn neus in alles, bemoeit

zich met alles; He turned up his nose at it = hij trok er zijn neus

voor op; He put his thumb to his nose = bracht ... aan (ook als teeken

van minachting); He did it under my very nose = hij deed het waar ik

bij was; Nose-bag = voederzak (van een paard); in kellner’s slang:

bezoeker die zijn eigen mondvoorraad meebrengt: The British Museum

reading-room is made a nose-bag of by many = velen gaan naar de

leeszaal van het B. M. om warm onder dak te zijn; Nose-band = neusriem;

Nose-bleed = gemeen duizendblad; Nose-gay = ruiker; Nosehole = neusgat;

Nose-piece = neusriem; mondstuk; objectief uiteinde van een microsc.;

Nose-ring = ring door den neus; Nosed: Flat nosed = met een platten

neus; Noseless = zonder neus; Nosing = vooruitstekende rand van

lijstwerk.

Nostalgia, nostaldžə, heimwee (naar = for); Nostalgic = heimwee

hebbend.

Nostril, nostril, neusgat.

Nostrum, nostr’m, kwakzalversmiddel.

Nosy, nouzi, met grooten neus.

Not, not, niet: Not at all = geenszins, integendeel; Not by a very long

way = geenszins; Not in the least = in het minst niet; Not if I know it

= ik denk er niet aan, het komt niet bij mij op; Will they do it? Not

they = ’t mocht wat, dat kun je begrijpen.

Notabene, nouta bînî.

Notability, noutəbiliti, merkwaardigheid, gewichtigheid; notabele;

Notable, noutəb’l, merkwaardig, aanzienlijk, groot, uitstekend, bekend,

berucht, flink (v. huisvr. = notable); subst. kopstuk, notabele:

Assembly of Notables = afgevaardigden van Frankrijk (1787); subst.

Notableness.

Notalgia, nətaldžə, pijn in den rug.

Notarial, nətêriəl, notariëel; Notary, noutəri, notaris = Notary public

= Public notary.

Notation, nouteiš’n, aanteekening, opschrijving, notatie.

Notch, notš, subst. kerf, inkeping, keep, gergel; bergpas (Amer.);

Notch verb. kerven, inkepen, opschrijven: The stick was notched across

at regular distances = over den stok waren op gelijken afstand

inkepingen gemaakt; Notch-board = wang van een trap.

Note, nout, subst. opmerking, bekendheid, beteekenis, belang,

(verklarende) aanteekening, uitlegging, briefje, mededeeling, nota,

rekening, orderbriefje, promesse (ook: Note of hand), toon, noot; Note

verb. aanteekenen, letten op, nota of notitie nemen van, aanteekeningen

maken, laten protesteeren: Note of charges = onkosten-nota; Note of

exclamation (interrogation); A thing worthy of note = merkwaardig iets;

He is a man of note = man van aanzien en gewicht; As per note = volgens

nota; We compared notes together = wij vergeleken onze bevindingen; To

make a note of = aanteekenen; To take notes = aanteekeningen maken; To

take no note (of it) = geen nota nemen van, niet letten op; Note-book =

aanteekenboek; Note-paper = klein formaat schrijfpapier; Note-shaver =

iemand, die tegen buitensporige rente wissels disconteert, enz.; maker

van valsche bankbiljetten; Noteworthiness, subst. v. Noteworthy,

noutwɐ̂dhi, merkwaardig; He is a noted general = vermaard; Notedness =

vermaardheid.

Nothing, nɐthiŋ, subst. niets, kleinigheid, nul, prul: For nothing = te

vergeefs; Next to nothing = zoo goed als niets; Nothing at all = in ’t

geheel niets; The piece was nothing like so witty as I expected = het

leek er niet op, dat; There was nothing for it but to get out = er zat

niets anders op dan; To have nothing on = niets aan hebben; That’s

nothing to me = dat kan mij niet schelen; He is nothing to us = we

hebben niets met hem te maken; There’s nothing in it = dat beteekent

niets, is van geen belang; I will have nothing to say to you = niets

met u te maken hebben; It is nothing to be inquired into = het is de

moeite niet waard, er onderzoek naar te doen; Things have come to

nothing = er is niets van gekomen; I can make nothing of it = kan er

niet uit wijs worden; Nothing venture, nothing have = wie niet waagt,

die niet wint; Nothingness = waardeloosheid.

Notice, noutis, subst. opmerking, aandacht, acht, hoede, kennisgeving,

waarschuwing, aankondiging, recensie; Notice verb. opmerken, waarnemen,

notitie nemen van, vermelden, bespreken, recenseeren, eerbied bewijzen:

To escape notice = onbekend (onopgemerkt) blijven; He gave me notice

(to leave, to quit) = hij heeft me de huur (den dienst) opgezegd; Have

you given notice as yet? = hebt ge u al (voor ’t examen) aangegeven;

The child takes notice in a wonderful way = krijgt al merkwaardig veel

“weet”; At a moment’s notice = onmiddellijk; At (a) short notice = op

korten termijn; We noticed the work in last week’s issue = hebben in

ons nummer van de vorige week besproken; Do not notice me = doe maar

alsof ik er niet ben, let niet op mij; I had no opportunity of noticing

this to you = u hierop opmerkzaam te maken; Notice-board = aanplakbord;

Notice-paper = agenda; Noticeable = opvallend, opmerkenswaard:

Actresses generally go about with noticeable dress = zijn nogal

dikwijls opzichtig gekleed.

Notification, noutifikeiš’n, kennisgeving, verwittiging, mededeeling,

het beteekenen (van een vonnis); Notify, noutifai, bekend maken,

verwittigen, kond doen.

Notion, nouš’n, begrip, denkbeeld, neiging (Notions = kleinigheden,

snuisterijen) (Amer.): He hasn’t a notion of doing it = denkt er niet

aan; I had no notion of it = ik had er geen flauw idee van; Notional =

denkbeeldig, droomerig, begrips...: Notional words = begripsnamen.

Notoriety, noutəraiiti, algemeene bekendheid, beruchtheid,

onloochenbare zekerheid; bekende persoonlijkheid; Notorious, nətôriəs,

bekend, berucht: A notorious burglar = berucht inbreker; subst.

Notoriousness.

Notturno, notɐ̂nou, nocturne (muz.).

Notus, noutəs, Zuiden (of Z. W.) wind.

Not-wheat, notwît, ongebaarde tarwe.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 83 / 152 段