of hand = baar geld, contant; Money of account = rekenpenning (niet in
werkelijkheid bestaande, zooals onze daalder van ƒ 1,50); Current money
= gangbare munt; Earnest money = godspenning; Ready money = baar geld,
contant; Small money = kleingeld; Spare money = geld dat over is; I am
out of money at present = niet bij kas; Money makes the man; Money
makes the mare (to) go = geld is de ziel v. de negotie; To convert
(turn) into money = te gelde maken, verzilveren; It is like eating
money = het verslindt geld; To fling good money after bad; To keep a
person in money = van geld voorzien; To keep a person out of his money
= laten wachten op; I laid out my money in a necklace = besteedde aan;
It looks like money = het is peperduur; To make money = geld verdienen;
He made my money spin = liet rollen; To roll in money = zich baden in;
What’s the money? = wat kost het; That’s not my money = dat is niets
voor mij; That is the man for my money = dàt is m’n man: Money-agent =
geldwisselaar; Money-bag; Money-bill = wetsontwerp tot het toestaan van
gelden: Money-box = spaarpot; Money-broker, Money-changer =
geldwisselaar; Money-dropper = kwartjesvinder; Money-grabber =
Money-grubber = geldwolf; Money-lender = geldschieter; He has a
Money-making business = verdient geld als water; Money-market =
fondsen-, geldmarkt; Money-matters = geldzaken; Money-order =
postbewijs (ook Post-office Money-order genaamd en waarbij de naam van
den geadresseerde per letter of advice afzonderlijk door het eene
postkantoor naar het andere wordt verzonden); He is money-proof = laat
zich niet omkoopen; Money-spider = geluksspinnetje; Money-spinner =
geluksspinnetje; iemand, die geld als water verdient; Money-wort =
penningkruid; Money’s-worth = volle waarde, geldswaarde: He wanted his
money’s worth = eischte waar voor zijn geld; Moneyed = rijk, vermogend;
gemunt; Moneyer = geldmunter; Moneyless.
Monger, mɐŋgə, koopman (in samenst.).
Mongolia, moŋgouliə, Mongolian, mongoulj’n, subst. en adj.
Mongool(sch).
Mongoose, moŋgûs, mɐŋgûs, Brit.-Ind. ichneumon of spoorwezel.
Mongrel, mɐŋgrəl, subst. en adj. bastaard; Mongrelize = tot een mongrəl
maken.
Monition, məniš’n, vermaning, waarschuwing, dagvaarding; Monitive =
vermanend; Monitor, monitə, vermaner, monitor of klassevoogd (oudere
leerling in scholen, die op de jongeren toeziet); monitor
(oorlogsschip); Monitorial, monitôriəl, waarschuwend, gedaan door
monitors; Monitory, monitəri, vermanend; Monitress = vrouwelijke
monitor.
Monk, mɐŋk, monnik; vlek (bij het drukken); Monk’s-hood = monnikskap;
Monk’s Latin = middeleeuwsch Latijn; Monkery = monnikenstaat; Monkhood
= monnikschap; Monkish = monnikachtig.
Monkey, mɐŋki, aap, heiblok, rumkan, som van £500 (in Amer. 500
dollar): To have (get) one’s monkey up = den duivel in krijgen, nijdig
worden; To suck the monkey = met behulp van een strootje drank opzuigen
uit een vat waarin men een gaatje heeft geboord; Monkey-bread =
apenbrood(boom); Monkey-jacket = dik jekkertje.
Monmouth, mɐnməth.
Monochord, monəköd, monochordium.
Monochromatic, monəkrəmatik, in één kleur; Monochrome, monəkroum, in
één kleur geschilderde schilderij.
Monocle, monok’l, monocle; éénoogig dier; Monocular, Monoculous =
éénoogig.
Monodrama, monədrâmə, dramatische alleenspraak; adj. Monodramatic.
Monody, monədi, éénstemmig (klaag)lied, eentonigheid.
Monogamist, mənogəmist, monogamist; Monogamous = monogamistisch;
Monogamy = monogamie.
Monogram, monəgram, naamcijfer.
Monograph, monəgraf, verhandeling over één onderwerp; Monographer,
mənogrəfə; adj. Monographic(al), monəgrafik(’l).
Monologue, monəlog, alléénspraak; Monologuize, monəlogaiz, eene
alléénspraak houden; Monologuizer.
Monomania, monəmeinjə, idée fixe, monomanie; Monomaniac = monomaan.
Monometalism, monəmetəlizm, het gebruik van den enkelen (gouden of
zilveren) standaard; Monometalist = voorstander daarvan.
Monopetalous, monəpetəlɐs, met vergroeidbladige bloemkroon.
Monophthong, monofthoŋ, monopthoŋ, monopthoŋ, monofthoŋ, éénklank; adj.
Monophthongal.
Monoplane, monəplein, ééndekker.
Monopolist, mənopəlist, hij die zich van het monopolie heeft verzekerd;
Monopolize, mənopəlaiz, monopoliseeren; Monopolizer; Monopoly =
monopolie.
Monospermal, monəspɐ̂m’l, Monospermous, monəspɐ̂məs, éénzadig.
Monosyllabic, monəsilabic, éénlettergrepig.
Monosyllable, monəsiləb’l, éénlettergrepig woord.
Monotheism, monəthîizm, monotheïsme; Monotheist; adj. Monotheistic.
Monotone, monətoun, eentonigheid; Monotonous, mənotənɐs, eentonig,
vervelend, saai; Monotony, mənotəni, eentonigheid.
Monroe doctrine, mɐnroudoktrin, de leer van Pres. James Monroe
(1758–1831) dat geen Europ. mogendheid zich met Amer. aangelegenheden
mag bemoeien.
Monsoon, monsûn, moesson.
Monster, monstə, subst. monster, gedrocht; adj. buitengewoon groot,
monsterachtig; Monster verb. monsterachtig maken; Monstrosity,
monstrositi, monster(achtigheid), wangedrocht; Monstrous =
monsterachtig, tegennatuurlijk; subst. Monstrousness.
Monstrance, monstr’ns, monstrans, toonvat, dat dient om kleine
reliquieën of het Hoogheilig Sacrament ter vereering zichtbaar uit te
stellen.
Montacute, montəkjût; Montague, montəgjû; Montana, montânə; Montano,
monteinou; Montcalm, montkâm; Montefiore, montifiö; Monteith, montîth;
Montenegrine, montənegrin; Montenegro, montəneigrou; Montgomery,
məntgɐməri; Montevideo, montəvidjou.
Month, mɐnth, maand: Lunar month = maanmaand; This day month = vandaag
over eene maand; This last month = For this month past = sedert vier
weken; At three months’ date = 3 maanden na dato; Monthly, subst.
maandelijksch tijdschrift; adj. en adv. maandelijks(ch): Monthly-nurse
= baker; Monthly-periods.
Montpellier, monpîljə; Montmorency, montmərensi; Montreal, montriôl;
Montrose, məntrouz.
Monument, monjument, monument, gedenkteeken: The Monument = zuil (200
voet) ter herinnering aan den brand in Londen (1666); Monumental,
monjument’l, tot gedenkteeken dienende, indrukwekkend, reusachtig.
Moo, mû, loeien.
Moocher, mûtšə, spijbelaar.
Mood, mûd, (gemoeds)stemming, luim, humeur; wijze, manier: To be in
one’s moods = uit zijn humeur zijn, verstrooid zijn; To be in the mood
= in de stemming zijn, lust hebben aan; Moodiness, subst. v. Moody =
gemelijk, knorrig, humeurig, ontstemd, zwaarmoedig.
Moon, mûn, subst. maan; Moon verb, doelloos rondzwerven, droomen,
droomerig rondkijken: The Moon was at the full (near her full, within
two nights of the full, in its first quarter); At (Till) the blue Moon
= met St. Jutmis; To cry for the Moon = het onmogelijke begeeren; I
wished him over the Moon = op de Mookerhei; Moon-beam = manestraal;
Moon-calf = maankalf, misgeboorte; Moon-eye = maanoog (bij paard.);
Moon-eyed = maanoogig; Moon-face = vollemaansgezicht; Moon-fish =
maanvisch; Moon-glade = maneschijn op het water; Moonlight, subst.
maanlicht; Moonlighter = bedrijver van nachtelijke wandaden tegen
landheeren, of pachters, die de hoeven van uitgezette boeren hebben
ingenomen (Ierl.); Moon-lit = door de maan beschenen; Moon-raker =
uilskuiken; Moon-shine = maneschijn; gesmokkelde drank (Amer.); onzin;
ook adj.: It is the merest moonshine; It’s all moonshine = niets dan
onzin, vertoon; Moonshiner = stille brouwer, dranksmokkelaar (Amer.);
Moonshiny = door de maan beschenen; onzinnig; Moonstricken, Moonstruck
= maanziek, sentimenteel, halfwijs; Moon-year = maanjaar; Moonless;
Moony = maan - -, (halve)maanvormig, maanziek; aangeschoten; sukkel.
Moor, mûə, Moor; Moorish, Moorsch.
Moor, mûə, vastmeeren; Moorage = ankerplaats; Mooring; Mooring-buoy =
meerboei; Mooring-ring; She is at her Moorings = ligt vastgemeerd,
vertuid; She was driven from her moorings = sloeg los.
Moor, mûə, veengrond, heide, moeras; Moor-cock = mannetje, en Moor-hen
= vrouwtje van Moor-fowl, Moor-game = Schotsche korhoenders; Moorland =
heide, veengrond; Moorish = drassig.
Moore, mö, muə; Moorfields, mûəfîldz; Moorgate, mûəgit, mögit.
Moose-(deer), mûs(dîə), eland.
Moot, mût, subst. vergadering, debat, discussie; adj. betwistbaar; Moot
verb, debatteeren, bediscussieeren; ter sprake brengen: The project was
first mooted in 1880 = voor het eerst ter sprake gebracht; Moot-case,
(Moot-point) = open vraag, geschilpunt; Moot-court = soort van
debatingclub voor juristen; Mooter = iemand, die aan een Moot-court een
geschilpunt inleidt.
Mop, mop, subst. stokdweil, bos; grimas, zuiplap; Mop verb. gezichten
trekken (To mop and mow), dweilen, afvegen: A mop of waving hair =
golvende haardos; He mopped up the ink with blotting-paper = nam op;
Mop-headed = met een ragebol (haar); Mopstick = steel van een mop.
Mope, moup, suffen, gemelijk, droomerig of moedeloos zijn; subst.
droomer: To mope away one’s time = versuffen; He is in the mopes =
knorrig, gemelijk: Mope-eyed = bijziende, dom; Moping: To sit mope =
zitten suffen; Mopish = sufferig, verdrietig; subst. Mopishness.
Moppet, mopət, lappenpop; kleine meid; soort langharig schoothondje;
Mopsey, mopsi, kleine meid.
Moquette, məket, trijpfluweel.
Moraine, mərein, moraine, gruiswal; adj. Morainic.
Moral, mor’l, subst. moraal, toepassing, bedoeling, evenbeeld,
zekerheid; adj. zedelijk, moraal..: It was what bookmakers call a moral
that I should fall in love with her = vast en zeker; She is quite the
moral of Auntie = het evenbeeld; The story points a moral = bevat eene
zedeles; Morals = zedelijk gedrag, levensgedrag, ethiek; Moral law =
zedenwet; Moral philosophy = zedenkunde; Moral sense =
zedelijkheidsgevoel; Morale, mərâl, moed en volharding in
vermoeienissen en gevaar: The enemy’s moral (morale) is much shaken =
het moreel van den vijand heeft er zeer onder geleden; Moralist = bloot
zedelijk (tegenover geloovig) mensch, zedenmeester; Morality, məraliti,
zedelijkheid, zedenleer, zedelijke eigenschappen, deugd; Spel van
“Sinne”; Moralization, subst. v. Moralize = moraliseeren; Moralizer.
Morass, məras, moeras: Morass ore = oer; adj. Morassy.
Moravia, məreivjə, Moravië; Moravian, subst. Moraviër; adj. Moravisch:
The Moravians = The Moravian Brethren = Hernhutters; Moravianism.
Morbid, möbid, ziekelijk, ziekte..: Morbid anatomy = pathologische
anatomie; Morbidity = sterfte; ziekelijkheid = Morbidness; Morbific(al)
= ziekte veroorzakend: Morbific matter = ziektestof.
Mordant, möd’nt, bijtend, sarcastisch; subst. bijtmiddel.
Mordaunt, möd’nt; More, mö.
More, mö, meer, toegevoegd, verder, bovendien, opnieuw: More and more =
steeds meer; And more than that = en wat meer zegt; He never did it any
more = nooit weer; Much more = veel meer; No more = niet meer
bestaande, dood, evenmin; Not more = evenzeer; Once more = nogmaals; So
much the more = des te meer; The more the better (merrier) = hoe meer
zieltjes hoe meer vreugde; More or less = min of meer; More to the
purpose = doelmatiger; Moreover = bovendien.
Moreen, mərîn, moiré woldamast.
Morel, mor’l, mərel, donkerkleurig; subst. zwarte nachtschade;
morielje.
Morelle, mərel, zwarte nachtschade.
Morello, mərelou, morel.
Moresque, məresk, Moorsch; subst. arabesk.
Morganatic, mögənatik, morganatisch: Morganatic marriage = huwelijk met
de linkerhand.
Morglay, möglei, slagzwaard.
Moribund, moribɐnd, zieltogend(e).
Moril, moril, morielje.
Morion, môri[en], lichte helm.
Morish, möriš: It tastes morish = smaakt naar meer.
Mormon, mömən, Mormoon; Mormonism; Mormonite, mömənait, Mormoon.
Morn, mön, morgen (dichterlijk).
Morning, möniŋ, ochtend, vóórmiddag; ook adj.: In the morning = ’s
morgens, den volgenden morgen; Of a morning = op een morgen;
Morning-coat = jacket; Morning-gown = ochtendjapon, kamerjapon;
Morning-paper, Morning-print = ochtendblad; Morning-star = morgenster.
Moroccan, mərok’n, Marokkaan; Morocco, mərokou, Marocco, marokijnleder.
Morose, mərous, gemelijk, knorrig; subst. Moroseness.
Morpheus, möfiɐs, möfjûz, Morpheus: In the arms of Morpheus = in
Morpheus armen.
Morphia, möfjə, Morphine, möfin, morphine: He is a confirmed
morphinomaniac = hij is aan de morphine verslaafd; Morphinism.
Morphologic(al), möfəlodžik(’l), adj. v. Morphology, möfolədži,
morphologie.
Morris(-dance), moris(dâns), oude (Moorsche) dans bij de Meifeesten: My
clown and his dog have morrised = zijn met de Noorderzon vertrokken.
Morrow, morou, de volgende dag: He takes no thought for the morrow = He
troubles himself about no morrows = hij is niet bezorgd voor den dag
van morgen; To-morrow = morgen; To-morrow morning = morgenochtend; On
the morrow = morgen, den volgenden dag.
Morse, mös, walrus; zeeleeuw (Herald.): Morse alphabet (Telegr.).
Morsel, mös’l, bete, stukje, beetje: To be brought to a morsel of bread
= tot den bedelstaf gebracht worden.
Mort, möt, Hallali! (jachtsignaal als het wild gedood is); menigte,
hoop; zalm in het derde jaar; vrouw, meisje.
Mortal, möt’l, sterfelijk, dood(s)..., doodelijk, menschelijk,
doodvervelend; subst. sterveling; adv. doodelijk, diep: Mortal enemy,
foe = doodvijand; Mortal fright = doodsangst; Mortal hour =
stervensuur; Four mortal hours = vier eeuwiglange uren; There is no
mortal power that can release you = geene macht ter wereld; Mortal sin
= doodzonde; You may wish any Mortal thing = al wat ge maar wilt;
Mortality, mötaliti, sterfelijkheid, sterfte, menschelijke natuur;
Mortally offended = diep beleedigd; Mortally wounded = doodelijk
gewond.
Mortar, mötə, vijzel, mortier; mortel (kalk): Mortar-apparatus for
life-saving = mortier waaruit reddingsvuurpijlen worden geschoten;
Mortar-board = platte vierhoekige barret (Iron.).
Mortgage, mögidž, subst. hypotheek; Mortgage verb. hypothekeeren,
verpanden: I gave it him in mortgage = heb het hem verpand; To
foreclose a mortgage = opzeggen; To lend on mortgages; He took up money
on mortgage; Mortgage-bank = hypotheekbank; Mortgage-bonds =
pandbrieven; Mortgage-deed = hypothecaire acte: To prepare a
mortgage-deed = opmaken; Mortgagee, mögidžî, hypotheekhouder;
Mortgager, mögidžə, hypothecair schuldenaar.
Mortification, mötifikeiš’n, bittere vernedering, verdriet,
zelfkwelling, zelfkastijding, koudvuur; Mortify, mötifai, tuchtigen,
dooden, kwellen, kastijden, vernederen; afsterven.
Mortise, mötis, subst. tapgat, vaste verbinding; Mortise verb. met pen
en gat verbinden: To hold the mortise = weerstand bieden.
Mortmain, mötmein, doode hand (Jur.).
Mortuary, mötjuəri, graf.., begrafenis.., lijk..; subst. begraafplaats,
lijkenhuis.
Mosaic, məzeiik, subst. mozaïekwerk; adj. mozaïek, Mozaïsch: Mosaic
law; Mosaism, mouzəizm, de Mozaïsche leer.
Moscovy, moskəvi, Moscow, moskou.
Moselle, məzel, Moezel(wijn); Moses, mouziz.
Mo-sleigh = Motor-sleigh.
Moslem, mozl’m, mosl’m, subst. en adj. Mohammedaan(sch); Moslemism.
Mosque, mosk, Moskee.
Mosquito, moskîtou, muskiet: Mosquito-net.
Moss, mos, mos, zachte veengrond, turf; geld: Moss-clad, Moss-grown =
met mos bedekt of begroeid; Moss-land = veenbodem, veengrond; Moss-rose
= mosroos; Moss-trooper = bereden strooper of bandiet (op de grenzen
van Engeland en Schotland); Mossiness, subst. v. Mossy = met mos
bedekt, mosachtig, donzig.
Most, moust, subst. meeste, grootste; adj. meest, grootst; adv. zeer:
At (the) most = op zijn meest, hoogstens; The Most High = de
Allerhoogste; For the most part = meerendeels; To be as good as most
people = nog zoo kwaad niet zijn; To make the most of = zooveel
mogelijk profiteeren van; I am most happy to see you = erg blij; Mostly
= hoofdzakelijk, voornamelijk, meestal, doorgaans.
Mot, mot, hallali; snol.
Mote, mout, stofje, vlekje, spikkel, kleinigheid: Dust motes dancing in
a sunbeam.
Mote, mout = may, might, must: So mote it be! = zoo zij het! (formule
bij de Free-masons).
Mote, mout = To motor.
Moth, moth, mot; vlinder; kanker (fig.); ook verb.: She is a moth = ze
hengelt, geeft zich veel moeite (voor een man); The cloth is moth-eaten
= de mot is er in; To go mothing = op de vlindervangst gaan; Mothy =
vol motten.
Mother, mɐdhə, subst. moeder, moedertje, abdis; moer, droesem; Mother
verb. de moederplaats innemen, als kind aannemen: Where will you and
the mother sit? = en moeder; Mother’s son = verwend kindje; Mother
Carey’s Chicken(s) = stormzwaluw(en); Mother Carey is plucking her
goose = het sneeuwt; Mother Shipton = eene beroemde waarzegster;
Mother-church; Mother-country = moederland, geboorteland; Mother-in-law
= schoonmoeder (stiefmoeder); Mother-earth = moederaarde;
Mother-of-pearl = parelmoer; Mother-spot = moedervlek; Mother-tongue =
moedertaal; Mother-wit = gezond verstand, natuurlijke gevatheid;
Motherhood = moederschap; Motherless; Motherliness = moederlijkheid;
Motherly = als eene moeder, zorgzaam.
Motion, mouš’n, subst. beweging, handbeweging, wenk, neiging, aandrift,
motie, voorstel; stoelgang; Motion verb. gebaren maken, door een
beweging te kennen geven: Of one’s own motion = uit eigen beweging;
Equable motion = gelijkmatige beweging; Laws of motion = de drie
bewegingswetten van Newton; The motion was agreed to unanimously = de
motie werd met algemeene stemmen aangenomen; The motion was carried by
70 votes to 20 = aangenomen met; The motion was lost = verworpen; To
make a motion to a person = iemand wenken; To put a motion = een motie
stellen; To second a motion = ondersteunen; He motioned me to a chair =
wenkte mij te gaan zitten; Motionless = onbewegelijk.
Motivate, moutiveit, motiveeren, gronden; Motive, moutiv, subst.
beweegreden, oorzaak; adj. bewegend, beweeg...; Motivate verb.
motiveeren; Motive-force = beweegkracht; Motiveless = doelloos, zonder
reden; Motivity = beweegkracht.
Motley, motli, bont; subst. narrenpak, nar, bonte mengeling.
Motor, moutə, subst. motor, beweger, beweegkracht; adj. bewegend,
motorisch; Motor verb. met een motorrijtuig rijden; Motor-(bi)cycle;
Motor-boat; Motor-cab = autotax, taxi; Motor-car = automobiel;
Motor-cycle = motorfiets; Motor-cyclist; Motor-launch = motorboot;
Motor-man = bestuurder van een electr. tram; chauffeur; Motor-omnibus;
Motor-sleigh = motorslede; He motored over to A.; Motorist =
automobilist.
Mottle, mot’l, stippelen, vlekken, schakeeren; ook subst.; Mottle-faced
= met rood gevlekt gezicht; Mottled with wrath = rood van woede.
Motto, motou, motto, zinspreuk: Motto-kisses = ulevellen met deviezen.
Mouch, mautš, rondzwerven; Moucher = vagebond.
Mould, mould, subst. aarde, teelaarde, stof, schimmel, roestvlek,
gietvorm, mal; vorm, karakter; Mould verb. met teelaarde bedekken of
ophoogen; beschimmelen, schimmelig worden; vormen, modelleeren, gieten,
kneden: To contract mould = beschimmelen; I am not fit for society at
present, I am covered with blue mould = verboerd; Moulded cheese;
Mould-board = strijkbord van een ploeg; Mould-candle = gegoten kaars;
Mould-loft, mallenzolder (scheepsb.); Mouldwarp = mol; Moulder, subst.
(metaal)gieter; Mould verb. tot stof vergaan, vermolmen, verrotten;
Mouldiness = beschimmeldheid; Moulding = vormen, enz.; lijst, fries;
Mouldy = beschimmeld, oud: Mouldy cheese.
Mouline(t), mûlin(et), haspel, draaikruis.
Moult, moult, subst. het ruien, verharen, vervellen; de tijd daarvoor;
Moult verb. ruien, verharen, vervellen; Moulter = ruiende vogel.
Moultrie, mûtri.
Mound, maund, subst. aardverhooging, wal, graf, heuvel; rijksappel;
Mound verb. een wal opwerpen: A mound of papers = een heele hoop
papieren.
Mount, maunt, berg, bolwerk, blok (bij het bestijgen van een paard),
rijpaard, fiets, karton of monteering (voor teekeningen), signaal om op
te stijgen; Mount verb. opstijgen, opklimmen, zich verheffen, oploopen,
monteeren, versieren, een paard verschaffen, voeren: Mount Aetna; The
sermon on the Mount = de Bergrede; I will go out hunting with you, if
you give me a mount = als ge een paard voor mij hebt; All the mounts
were strong and serviceable = alle “karren”; I should like to see a
little more picture, and a little less mount = en minder lijst; Mount!
= opstijgen! (een commando bij de cavalerie); He mounted the breach
first = hij was het eerst in de bres; To mount a diamond = zetten; To
mount a drawing = opplakken, omlijsten; The soldiers mounted guard =
betrokken; The ship mounts twenty guns = voert twintig stukken; To
mount a horse = bestijgen; To mount a piece = een tooneelstuk
monteeren; To mount the trenches = bezetten; The fare to X. and back
mounts up = loopt aan; Mounted police = bereden politie; To be
miserably mounted = slechte paarden hebben; Mountable = beklimbaar;
Mounting = monteering, montuur, affuit.
Mountain, mauntin, berg (ook fig.), soort Malagawijn: Mountains =
gebergte; The Mountain = de Bergpartij (Fransche Revol.); The mountain
has produced a mouse = A mountain in labour; If the mountain will not
come to Mahomet, M. must go to the mountain; To make mountains of
molehills = van eene mug een olifant maken; A mountain is raised off my
spirits = er is me een steen van ’t hart gevallen; The waves were
mountains high = bergen hoog; Mountain-ash = gewone lijsterbes;
Mountain-chain = bergketen; Mountain-crystal = bergkristal;
Mountain-dew = Schotsche whiskey; Mountain-pass = pas; Mountain-range =
keten; Mountain-soap = bergzeep; Mountaineer, mauntənîə, bergbewoner,
bergbeklimmer; Mountaineering = het beklimmen van bergen; Mountainous =
bergachtig, berg..., buitengewoon groot.
Mountebank, mountəbaŋk, subst. kwakzalver, marktschreeuwer, bluffer;
Mountebank verb. bedriegen.
Mourn, mön, rouwen, treuren, betreuren; Mourner = rouwdrager; Mournful
= treurig, droevig; subst. Mournfulness; Mourning, subst. smart,
klacht, rouw; They went into (were in, put on, took to; went out of,
left off) Mourning = gingen (waren) in; gingen uit den rouw; First
(deep), court, second Mourning = zware, hof, lichte rouw;
Mourning-brooch = gitten doekspeld; Mourning-coach = rouwkoets;
Mourning-establishment = magazijn voor rouwkleeren; Mourning-ring =
ring ter herinnering aan een afgestorvene; Mourning-suit = rouwpak.
Mouse, maus, muis: Mouse-colour; Mouse-dung = muizenkeutels;
Mouse-hole; Mouse-hunt = muizen-jacht; Mouse-trap = muizenval;
souverein (ƒ 12): Parson’s Mouse-trap = huwelijk (ironisch).
Mouse, mauz, muizen vangen, aan stukken scheuren; Our cat is a good
mouser.
M(o)ustache, məstâš, snor, knevel.
Mouth, mauth, mond, muil, opening, monding, woordvoerder, grimas,
geblaf (aanslaan): An examination by word of mouth = mondeling examen;
He was down in the mouth = neerslachtig; To lead a life from hand to
mouth = van de hand in den tand leven; To run from mouth to mouth =
rondgaan; Your success is in everybody’s mouth = ieder heeft den mond
vol van; To give mouth = aanslaan; To keep one’s mouth shut = zwijgen:
He laughed on the wrong side of his mouth: Zie Laugh; To make a mouth
(mouths) at = gezichten trekken; It makes my mouth water = het doet mij
watertanden; I will stop that mouth of his = hem den mond snoeren;
Mouth-made = onoprecht, niet van harte; Mouth-organ = mondharmonica;
Mouth-piece = sigarenpijpje, mondstuk; woordvoerder, orgaan: Tennyson
has become the mouth-piece of our century; Mouth-wash = mondspoeling;
Mouthful; Mouthless.
Mouth, maudh, met den mond grijpen, kauwen, eten; met vollen mond of
gemaakt spreken, gezichten trekken, schreeuwen: Deep-mouthed = met
zware stem, dof; Mouthy = babbelziek, gezwollen.
Movability, mûvəbiliti, subst. v. Movable, mûvəb’l, beweegbaar,
veranderlijk: Movables and immovables = roerende en onroerende
goederen; subst. Movableness.
Move, mûv, subst. zet (bij schaken, dammen, etc.), maatregel,
handeling, daad, beweging; Move verb. bewegen, opwekken, roeren,
ontroeren, zetten, aanzetten, overhalen, voorstellen, verhuizen,
trekken, vervoeren, gaan naar of naderen: Whose move is it? = wie moet
spelen? To know a move or two = To be up to a move or two, To know all
the moves on the board = uitgeslapen zijn; The train is on the move =
in beweging; The minister moved the Army Estimates = stelde voor de
behandeling der; To move into = betrekken; To move off = heengaan,
opbreken, aftrekken; Move on, Keep moving! = doorloopen! Moveable =
Movable; Moveless = bewegingloos; Movement = beweging, aandoening;
omzet; tempo; mechaniek (van uurwerken), stoelgang: Movement cure =
heilgymnastiek; Movements = maatregelen; Mover = beweger, voorsteller,
oorzaak, bron, drijfveer; Moving = roerend, treffend, aandoenlijk,
bewegend: Moving-day = verhuisdag; Moving force (spring); Movingness =
roerendheid.
Mow, mou, subst. het in de schuur opgehoopte hooi; ’t koren in
schooven; Mow verb. aan hoopen zetten, opstapelen, maaien, hooien: The
troops were mowed down by the enemy’s breechloaders = werden
weggemaaid; Mower.
Mow, mau, mou, subst. scheef of zuur gezicht; Mow verb. gezichten (een
zuur gezicht) trekken.
Mowat(t), mauət, Mowbray, moubri.
Moxa, moksə, moxa of bijvoetwol, een brandmiddel ter genezing van
jicht.
Moya, môiə, vulkaanmodder of slib (Zuid-Amer.).