Minus, mainəs, minder dan, onder nul, met uitzondering van, waardeloos.

Minuscule, minɐskjûl, klein, gering; subst. kleine letter.

Minute, minit, subst. minuut, memorandum, concept, notulen, protocol (=

Minutes); ook adj.; Minute verb. aanteekeningen maken, do minuten of

notulen schrijven van: To keep the minutes; Minute-book = klad- of

notulenboek; Minute-glass = zandglas (van ééne minuut duur); Minute-gun

= minuutschot; Minute-hand = minuutwijzer.

Minute, minjût, zeer klein, gering, precies, omstandig; subst.

Minuteness; Minutiae, minjûšiî, kleinigheden, bijzonderheden.

Minx, miŋks, brutale meid.

Miracle, mirək’l, wonder, mirakel: To a miracle = wonderbaarlijk; To

work miracles = doen; Faith works miracles; Miracle-play =

mysteriespel; Miraculous, mirakjəlɐs, wonderdadig, wonderbaarlijk,

wonder..; subst. Miraculousness.

Mirage, mirâž, luchtspiegeling, waan.

Mire, maiə, subst. slijk, modder; Mire verb. bemodderen, in den modder

zakken of zitten, in ongelegenheid brengen: To be in the mire = in den

klem zitten; To drag into the mire = door het slijk halen (fig.);

Mire-crow = kap- of kokmeeuw; Miriness = modderigheid.

Mirror, mirə, subst. spiegel, toonbeeld; Mirror verb. terugkaatsen:

Dutch mirrors = spionnetjes; Halls of mirrors = spiegelzalen.

Mirth, mɐ̂th, vroolijkheid, opgewektheid; adj. Mirthful; subst.

Mirthfulness.

Miry, mairi, modderig.

Mirza, mɐ̂zə, Perzische eeretitel; vorst.

Misadventure, misədventjə, ongeluk, tegenspoed; adj. Misadventurous.

Misalliance, miselaiəns, huwelijk beneden iemands stand; Misallied,

misəlaid, verkeerd vereenigd.

Misanthrope, misənthroup, menschenhater; adj. Misanthropic(al),

misənthropik(’l); Misanthropist, misanthrəpist, menschenhater;

Misanthropy, misanthrəpi, menschenhaat.

Misapplication, misaplikeiš’n, subst. v. Misapply, misəplai, verkeerd

toepassen.

Misappreciate, misəprîšieit, onderschatten; subst. Misappreciation.

Misapprehend, misaprihend, misverstaan, verkeerd begrijpen; subst.

Misapprehension.

Misappropriate, misəprouprieit, zich onwettig toeëigenen; subst.

Misappropriation.

Misarrange, misəreinž, verkeerd rangschikken; subst. Misarrangement.

Misbecome, misbikɐm, ongepast zijn voor, slecht passen bij; Misbecoming

= ongepast, onvoegzaam.

Misbefitting, misbifitiŋ, onvoegzaam.

Misbegotten, misbigot’n, onecht, slecht.

Misbehave, misbiheiv, zich misdragen (oneself); Misbehaviour,

misbiheivjə, wangedrag.

Misbelief, misbilîf, ongeloof, dwaalleer; Misbelieve = dwalen, ten

onrechte gelooven; Misbeliever = ongeloovige.

Miscalculate, miskalkjuleit, misrekenen; verkeerd uitrekenen; subst.

Miscalculation.

Miscall, miskôl, verkeerdelijk noemen.

Miscarriage, miskaridž, mislukking, verloren gaan, wangedrag, miskraam:

A gross miscarriage of justice = grove rechterl. dwaling; Miscarry,

miskari, verloren gaan (v. brieven), mislukken, een miskraam krijgen:

He miscarries of puns every minute = hij zegt om den haverklap te

onrechter tijd woordspelingen.

Miscast, miskâst, subst. misrekening; Miscast verb. misrekenen,

verkeerd berekenen.

Miscegenation, misədžəneiš’n, rassenvermenging.

Miscellanea, misəleinjə, allerlei; Miscellaneous = gemengd, door

elkaar, verscheiden; subst. Miscellaneousness; Miscellanist,

misələnist, schrijver van mengelwerk; Miscellany, miseləni, mengeling,

mengelwerk.

Mischance, mistšâns, subst. ongeluk, ramp; Mischance verb. ongelukkig

gebeuren.

Mischief, mistšif, onheil, ongeluk, kwaad, ondeugendheid, onrecht,

schade, nadeel: The boys are never out of mischief = voeren altijd wat

uit; He is bent on mischief = hij voert wat in zijn schild; Out of pure

mischief = uit moedwil; To do mischief = ondeugend zijn; To get into

mischief = kattekwaad uitvoeren; To lead into mischief = verleiden tot

kwaad doen; To make mischief = onheil stichten; He means mischief =

voert wat in het schild; There will be the mischief to pay = dan heb je

de poppen aan ’t dansen; What the mischief is your little game = wat

duivel voer jij in ’t schild? Like the very mischief = als dol; He is a

mischief-maker = onheilstoker, tweedrachtstichter; A mischief-making

fellow = kwaadstichter, onheilstoker; Mischievous, mistšivɐs,

boos(aardig), schadelijk, moedwillig, noodlottig, ondeugend; subst.

Mischievousness.

Miscible, misib’l, vermengbaar.

Miscite, mis-sait, verkeerdelijk aanvoeren of aanhalen.

Miscomprehend, miskomprəhend, Misconceive, misk’nsîv, verkeerd

begrijpen of beoordeelen; Misconception = verkeerde opvatting,

wanbegrip, dwaling.

Misconduct, miskondəkt, wangedrag, verkeerde behandeling.

Misconduct, misk’ndɐkt, slecht besturen of behandelen: To misconduct

oneself = zich slecht gedragen.

Misconjecture, misk’ndžektjə, subst. valsche gissing; Misconjecture

verb. verkeerdelijk gissen of berekenen, misrekenen.

Misconstruction, misk’nstrɐkš’n, misvatting, verkeerde uitlegging;

Misconstrue, miskonstrû, verkeerd opvatten of uitleggen.

Miscount, miskaunt, subst. misrekening; Miscount verb. verkeerd tellen

of rekenen.

Miscreant, miskriənt, afschuwelijk, gemeen; subst. ellendeling, schurk.

Miscue, miskjû, subst. misstoot (bilj.); Miscue verb. misstooten.

Misdate, misdeit, subst. verkeerde dagteekening; Misdate verb. verkeerd

dateeren.

Misdeal, misdîl, subst. het verkeerd geven (van kaarten); Misdeal verb.

verkeerd geven: To make a misdeal.

Misdeed, misdîd, misdaad.

Misdeem, misdîm, verkeerd beoordeelen.

Misdemean, misdimîn: To misdemean oneself = zich slecht gedragen;

Misdemeanant = misdadiger; Misdemeanour, wangedrag, misdrijf.

Misdirect, misdirekt, verkeerd adresseeren, verkeerd leiden; subst.

Misdirection.

Misdo, misdû, misdû, verkeerd doen, een vergrijp begaan; Misdoer;

Misdoing = vergrijp, misdaad.

Misemploy, misəmplôi, verkeerdelijk toepassen, misbruiken; subst.

Misemployment.

Misenter, misentə, valschelijk boeken; Misentry = verkeerde boeking.

Miser, maizə, vrek.

Miserable, mizərəb’l, ellendig, verachtelijk, waardeloos, ongelukkig:

The miserables = katterigheid; subst. Miserableness.

Miserere, mizərîri, boetpsalm (51), miserere, weeklacht; Miserere verb.

drek braken: Miserere Day = Aschwoensdag.

Misery, mizəri, ellende, ramp, ongeluk.

Misfeasance, misfîz’ns, overtreding, misbruik van ambtelijke

bevoegdheid.

Misfit, misfit, (iets) wat slecht past; Misfit verb. niet passen: This

coat is a misfit; A misfit suit.

Misform, misföm, misvormen; subst. Misformation, misvorming.

Misfortune, misfötjən, ongeluk, ongelukje (= misstap): Misfortunes

never come singly = een ongeluk komt nooit alléén.

Misgive, misgiv, met twijfel of argwaan vervullen: My heart (mind)

misgave me = ik vreesde het ergste; Misgiving = angstig voorgevoel,

twijfel.

Misgovern, misgɐvən, slecht besturen; subst. Misgovernment = wanbeheer,

wanbestuur.

Misguidance, misgaid’ns, verkeerde leiding; Misguide, misgaid, verkeerd

leiden, op een dwaalspoor brengen.

Mishap, mishap, ongeluk, ongeval, misstap; To have a mishap.

Mishmash, mišmaš, mengelmoes, hutspot.

Mishna(h), mišnə, een afdeeling van den Talmud; Mishnic = tot de M.

behoorende.

Misinfer, misinfɐ̂, verkeerdelijk opmaken.

Misinform, misinföm, verkeerd inlichten; subst. Misinformation;

Misinformer.

Misintelligence, misintelidžens, verkeerde inlichting, valsch bericht.

Misinterpret, misintɐ̂prət, verkeerd uitleggen; subst.

Misinterpretation; Misinterpreter.

Misjoin, misdžôin, slecht of verkeerd verbinden.

Misjudge, misdžɐdž, verkeerd (be)oordeelen; subst. Misjudgement.

Mislay, mislei, verliezen, te zoek maken: She lost her temper, or,

rather, mislaid it = zij raakte uit haar humeur, tenminste eventjes;

Mislayer.

Mislead, mislîd, misleiden, verleiden; Misleader.

Mislike, mislaik, subst. afkeer, weerzin; Mislike verb. een afkeer

hebben, mishagen.

Mismanage, mismanidž, verkeerd besturen; subst. Mismanagement;

Mismanager.

Mismatch, mismatš, verkeerd samenvoegen of paren.

Mismetre, mismîtə, het metrum bederven.

Misname, misneim, verkeerd noemen.

Misnia, mizniə, Meiszen; adj. Misnian.

Misnomer, misnoumə, verkeerde benaming.

Misogamist, misogəmist, tegenstander van het huwelijk; Misogamy =

weerzin tegen het huwelijk; Misogynist, misodžinist, vrouwenhater;

Misogyny, misodžini, vrouwenhaat.

Misplace, mispleis, misplaatsen, verkeerd gebruiken; subst.

Misplacement.

Misprint, misprint, drukfout; Misprint verb. verkeerd drukken.

Misprision, mispriž’n, ambtsverzuim: Misprision of felony = verzuim de

misdaad te vervolgen; Misprision of treason = verzuim het hoogverraad

te vervolgen.

Misprize, mispraiz, onderschatten, verachten.

Mispronounce, misprənauns, verkeerd uitspreken; subst.

Mispronunciation.

Misproportion, misprəpöš’n, eene slechte verhouding of schikking maken.

Misquotation, miskwəteiš’n, onjuiste aanhaling; Misquote = onjuist

aanhalen.

Misremember, misrimembə, zich niet juist herinneren: If I misremember

not = als mijn geheugen mij niet bedriegt.

Misreport, misripöt, subst. onjuist of valsch rapport; Misreport verb.

onjuist berichten.

Misrepresent, misreprizent, onjuist of verkeerd voorstellen; subst.

Misrepresentation; Misrepresenter.

Misrule, misrûl, wanorde, wanbestuur, oproer; Misrule verb. verkeerd

besturen.

Miss, mis, (me)juffrouw (voor ongehuwde vrouwen): The misses Brown, The

miss Browns = de (jonge)dames B.; Missie = juffertje; Missish =

gemaakt, juffertjesachtig, preutsch; subst. Missishness.

Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; Miss verb. missen,

niet raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken,

ketsen, mislukken: A miss is as good as a mile = haast is nog niet

half; She feels the miss of her children = het gemis; He made a miss in

balk (a miss for safety) = hij gaf een mispunt om goedaf te spelen

(bilj.); You have missed the aim (the mark) = mis geschoten, het doel

niet geraakt; The gun missed fire = ketste; To miss a train; To miss

one’s step (footing) = uitglijden; To be (go) a-missing = weg zijn, weg

raken; The book is missing = is er niet, is weg; Several are killed or

missing = worden vermist; Missing-link = ontbrekende schakel.

Missal, mis’l, misboek.

Missel (thrush), mis’l (thrɐš), groote lijster.

Missend, misend, aan het verkeerde adres zenden.

Misshape, mis-šeip, subst. wanstaltigheid; Misshape verb. wanstaltig

maken, verkeerd vormen; Misshapen = wanstaltig, misvormd; subst.

Misshapenness.

Missile, misil, werp..; subst. werptuig, projectiel; Missile dart =

werpspies.

Mission, miš’n, subst. zending, opdracht, missie, gezantschap,

zendelingenstation; Missionary, zendelings..; subst. zendeling;

Missioner = bode, zendeling.

Missive, misiv, gezonden; subst. brief, officiëel bericht.

Missouri, misûri.

Misspell, misspel, onjuist spellen; Misspelling = verkeerde spelling.

Misspend, misspend, slecht besteden, weggooien.

Misstate, missteit, verkeerd voorstellen of uitdrukken; subst.

Misstatement.

Misstep, misstep, misstap (eigenl. en fig.); Misstep verb. mis-stappen,

struikelen.

Mist, mist, subst. nevel, motregen, sluier (fig.); Mist verb. misten,

motregenen, met nevel bedekken: I had a mist before my eyes = mijne

oogen waren beneveld = A mist was over my eyes; They were in a mist =

zij waren beneveld, de kluts kwijt; The leaden mist = grauwe; A Scotch

mist = zware, natte nevel; Mistiness, subst. v. Misty; Mistlike =

nevelachtig; Misty = mistig, duister.

Mistakable, misteikəb’l, wat gemakkelijk verkeerd wordt opgevat, of met

elkaar verward; Mistake, misteik, subst. vergissing, fout; Mistake

verb. verkeerd opvatten of verstaan, verkeerdelijk houden voor,

misverstaan, dwalen, zich bedriegen: To make a profound mistake = zich

deerlijk vergissen; He is a good fellow, and no mistake (about it) =

..., en daar kun je op aan; I mistook you for your brother = ik zag u

aan voor; You are mistaken = ge vergist u; A Mistaken notion =

dwaalbegrip; Mistakenly = bij vergissing; Mistaker.

Mister, mistə, mijnheer (vóór den naam, en dan steeds geschreven Mr.).

Misterm, mistɐ̂m, verkeerd noemen.

Mistimed, mistaimd, ontijdig, misplaatst.

Mistitle, mistait’l, een verkeerden titel geven.

Mistletoe, miz’ltou, marentak, vogellijm.

Mistranslate, mistr’nsleit, verkeerd vertalen; subst. Mistranslation.

Mistress, mistrəs, meesteres, gebiedster, huisvrouw, hoofd (van een

school), juffrouw voor de huishouding (in aanzienlijke families),

mevrouw (voor getrouwde vrouwen verkort tot Mrs., misiz), liefje,

minnares: Head mistress = directrice, hoofd.

Mistrust, mistrɐst, wantrouwen; ook verb.; adj. Mistrustful; subst.

Mistrustfulness: Mistrustfulness of oneself = gebrek aan

zelfvertrouwen.

Misunderstand, misɐndəstand, verkeerd begrijpen, misverstaan;

Misunderstanding = misverstand, onaangenaamheid, verschil.

Misusage, misjûzidž, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûs,

misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûz, misbruiken, slecht

behandelen, beetnemen.

Miswrite, misrait, onjuist schrijven.

Mite, mait, mijt; penning, ziertje, dreumes: My contributory mite =

penninkske; The widow’s mite = het penninkske der weduwe; Our Mary was

a toddling mite of two years old = een waggelend dreumesje.

Mithridate, mithridit, tegengif; Mithridates, mithrideitîz,

Mithridates.

Mitigate, mitigeit, verzachten, verlichten, matigen, lenigen; subst.

Mitigation; adj. Mitigative; Mitigator = alles wat lenigt en verzacht.

Mitral, maitrəl, als een mijter: Mitral valve = hartklep; Mitre, maitə,

subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°,

schoorsteenkap; Mitre verb. met een mijter tooien, onder een hoek van

45° samenvoegen of bijeenkomen; Mitriform, mitriföm, mijtervormig.

Mitt(en), mit(’n), handschoen (zonder vingers), want: Handle your tools

without mitts = pak flink aan; To give (get) the mitt = een blauwtje

geven (krijgen).

Mittimus, mitimɐs, bevel aan de autoriteiten tot opname in een

gevangenis; bevelschrift tot het zenden van stukken van het ééne hof

naar het andere.

Mity, maiti, vol mijten.

Mitylene, mitilîn.

Mix, miks, (ver)mengen, vereenigen, zich mengen, zich bewegen in: I

advise you never to mix your wines = wijn door elkaar te drinken; He

got mixed in his wrath = hij wist in zijn toorn niet meer wat hij

zeide; Don’t mix up my silks = maak niet in de war; Mixmax =

allegaartje, verwarde hoop; Mixed affair = dolle boel; Mixed marriage =

gemengd huwelijk; Mixed pickles = groenten in mosterdzuur; Mixtilineal,

Mixtilinear = uit rechte en kromme lijnen bestaande; Mixture, mikstjə,

mengsel.

Miz(z)en, miz’n, bezaan; adj. bezaans-: Miz(z)en mast = bezaansmast;

Miz(z)en-rigging = bezaanswant; Miz(z)en-sail = bezaan;

Miz(z)en-shrouds = bezaanswant; Miz(z)en-top = kruismars.

Mizzle, miz’l, subst. motregen; Mizzle verb. motregenen; er van

“doorgaan” (out); Mizzly = druilig, mistig.

Mizzy, mizi, poel, moeras.

Mnemonic, nimonik, geheugen..: Mnemonics = geheugenleer.

Moabite, mouəbait.

Moan, moun, subst. gekerm, gejammer; Moan verb. kermen, kreunen,

betreuren, bejammeren: To make one’s moan = zijn leed klagen.

Moat, mout, subst. gracht; Moat verb. met eene gracht omgeven.

Mob, mob, subst. Janhagel, gepeupel, gespuis, bende; muts(je) met

banden (= Mob-cap); Mob verb. samenrotten, samen aanvallen, achterna

loopen: He found himself mobbed by the hangers-on, who invariably

worship the rising sun = het werd hem lastig gemaakt door; Mob-law =

wet van het ruwe geweld (Zie Lynch-law); Mobocracy, mobokrəsi, de

tirannie van het gepeupel.

Mobile, məbîl.

Mobile, moubil, mobil, bewegelijk, levendig, vlug; subst. Mobility.

Mobilization, mobilizeiš’n, mobilisatie; Mobilize, mobilaiz, moubilaiz,

mobiliseeren.

Mobus, moubəs = motor-omnibus; Mocab, moukab = motor-cab; Mocar, moukâ

= motor-car.

Moccasin, mokəsin, Indiaansche sandaal.

Mocha, moukə, Mokka; Mocha-coffee.

Mock, mok, subst. bespotting, voorwerp van spot; adj. nagemaakt,

onecht; Mock verb. bespotten, uitlachen, tarten, negeeren, nadoen,

nabootsen: To make mock at = To make a mock of = bespotten; Mock combat

(Mockfight) = spiegelgevecht; Mock-heroic poem = komisch-heroisch vers;

Mock moon = bijmaan; Mock-nightingale = zwartkop; Mock-orange =

(boeren)jasmijn; Mock sun = bijzon; Mock-turtle = nagemaakte

schildpadsoep; Mock-velvet = katoenfluweel; Mocker; Mockery =

spotternij, bespotting, bedriegelijke nabootsing; Mocking: Mocking-bird

= spotlijster.

Modal, moud’l, modaal; Modality, mədaliti, modaliteit, wijze van zijn,

wijze van voorstellen met betrekk. tot de werkelijkh.; Mode, moud,

wijze, manier, vorm, gewoonte, gebruik, mode, schaal (muz.): All the

Mode = naar de nieuwste mode; Mode-book = modejournaal.

Model, mod’l, subst. model (ook van kunstenaars), patroon, model

arbeiderswoning, toonbeeld, evenbeeld; adj. model..; Model verb. naar

een bepaald model vormen, modelleeren: Model dwelling; Model gown; To

model oneself upon; Modeller = modelleur; Modelling: Modelling-board =

modelleerplank, schabloon; Modelling-clay = boetseerklei.

Modena, modənə, Modena; modənə, modînə, karmozijnachtige kleur.

Moderate, modərit, gematigd, zacht, middelmatig, matig, bezadigd;

subst. gematigde; Moderate verb. (modəreit), matigen, doen bedaren,

stillen; voorzitten; subst. Moderateness; Moderation, modəreiš’n,

matiging, matigheid, gematigdheid, zelfbeheersching: Moderates, verkort

tot Mods: He took a first in Mods = hij kreeg “summa cum laude” in M.

i.e. het 2de examen aan de hoogeschool te Oxford; Moderato, modərâtou,

matig snel (muz.); Moderator, modəreitə, iemand die of iets dat matigt;

voorzitter (vooral van eene vergadering der Presbyteriaansche kerk);

examinator bij het Mods-examen (Oxf.); dwarskijker bij examens (Camb.):

Moderator-lamp = moderateurlamp; Moderatorship.

Modern, modən, nieuw, modern; ook subst: Modern authors (English,

history); A poet of the modern = van onzen tijd; A modern; The moderns

= de modernen; Modernism = nieuwe uitdrukking; zucht tot het moderne;

Modernization, subst. v. Modernize = moderniseeren; Modernizer;

Modernness = nieuwheid, nieuwerwetschheid.

Modest, modəst, bescheiden, zedig, ingetogen, kuisch, fatsoenlijk;

subst. Modesty.

Modicum, modikɐm, kleinigheid, beetje.

Modification, modifikeiš’n, wijziging; Modification verb. Modify,

modifai.

Modish, moudiš, naar de mode, fatterig; subst. Modishness; Modist =

fat.

Modiste, mədîst, modiste.

Mods, modž; Zie Moderate.

Modulate, modjuleit, moduleeren (muz.); subst. Modulation.

Modwall, modwôl, bijenvreter (vogel).

Moe, mou, oude dichterl. vorm voor more.

Moesogothic, mîsəgothik, subst. en adj. Moesogothisch(e taal).

Mogul, məgɐl, Mongool: The Great (Grand) Mogul = de groote Mogol

(1526–1857).

Mohair, mouhêə, haar van de geit van Angora.

Mohammed, məhaməd, Mahomed; Mohammedan, subst. en adj. Mahomedaan(sch);

Mohammedism; Mohammedize = tot de leer van Mahomed bekeeren.

Mohawks, mouhôks, stam van Indianen; 18-eeuwsche nachtelijke

straatschenders.

Mohican, məhîk’n.

Mohocks = Mohawks.

Mohur, mouhə, Brit.-Ind. munt van 15 zilver ropijen.

Moidore, môidö, Portug. munt (ƒ 16,20).

Moiety, môiəti, helft, aandeel.

Moil, môil, subst. vlek, smet; Moil verb. bekladden, afbeulen, zwoegen:

To Moil and toil = zwoegen en sloven.

Moist, môist, vochtig, nattig; Moisten, môis’n, vochtig worden,

bevochtigen: To Moisten one’s throat = er eentje pakken; Moistness,

Moisture, môistjə, vochtigheid.

Moither, môidhə, zwoegen, sloven.

Moke, mouk, ezel (ook fig.), clown, neger.

Molar, moulə, malend; maal(tand) = Molar-tooth.

Molasses, məlasiz, melasse.

Moldavia, moldeiviə.

Moldwarp, mouldwöp, mol.

Mole, moul, moedervlek; havendam; mol, maankalf; Mole-catcher;

Mole-cricket = molkever; Mole-eyed = bijziende, blind; Mole-hill =

molshoop: To make a mountain out of a mole-hill; Mole-rat = blindmuis;

Moleskin = mollevel; soort fustein, broek hiervan gemaakt; Mole-track =

molsgang; Molewarp = mol.

Molecular, məlekjulə, moleculair; subst. Molecularity; Molecule,

moləkjûl.

Molest, məlest, lastig vallen, plagen, kwellen; subst. Molestation,

moləsteiš’n; Molester.

Molinism, moulinizm, leer van den Jezuït Molina; Molinist.

Molla(h), molə, eeretitel van Turksche priesters of geleerden,

opperrechter.

Moll, mol, meid (naam voor alle vrouwen in vulgair Londensch), Mietje.

Mollient, moliənt, verzachtend, verteederend; Mollification =

verzachting, verteedering; Mollifier = verzachter, verzachtend middel;

Mollify, molifai, verzachten, verteederen.

Mollusc, moləsk, weekdier; Mollusca, molɐskə, klassen der weekdieren;

Molluscan, molɐsk’n, tot de weekd. behoorende; weekdier.

Molly-coddle, molikod’l, Mollycuddle, molikɐd’l, verwijfd persoon;

Molly-coddle verb. verweekelijken; Molly-coddle little lads =

moederskindjes.

Moloch, moulok, Moloch.

Molten, moult’n, part. perf. van to melt.

Moluccas, molɐkəz, de Molukken.

Moly, mouli, soort look.

Moment, moum’nt, oogenblik, belang; statisch moment: Enterprises of

great moment = van groot gewicht; At a moment’s notice = in minder dan

geen tijd; In a moment = On the moment = oogenblikkelijk;

Momentariness, subst. v. Momentary = voor een oogenblik, vluchtig;

Momentous, məmentəs, gewichtig; subst. Momentousness; Momentum,

məment’m, aandrang, prikkel, moment (= product v. massa en snelheid).

Momma, momə, Amer. voor Mama.

Momus, mouməs.

Monachal, monəkal, monniks—; Monachism, monnikengeest (-staat, -stand).

Monaco, monəkou, Monaco.

Monad, monad, monade, ééncellig organisme; soort infusiediertje.

Monagasque, monəgask, van Monaco.

Monarch, monək, subst. monarch; Monarchal, = Monarchic(al),

mənâkik(’l), monarchaal; Monarchism = éénhoofdige regeering;

Monarchist; Monarchy = monarchie.

Monasterial, monəstîriəl, kloosterachtig, klooster..; Monastery

(monniken)klooster; Monastic(al) = klooster..; monnik; Monasticism =

kloosterleven, monnikenstand.

Moncrieff, monkrîf.

Monday, mɐnd(e)i, Maandag: Black Monday Zie Black.

Monetary, mɐnətəri, geld betreffend, geldelijk: Monetary difficulties;

Monətization, subst. v. Monetize, mɐnətaiz, munten, tot betaalmiddel

maken, eene standaard waarde geven.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 79 / 152 段