luidruchtig, prettig, gunstig, aangeschoten: A merry Christmas to you =
ik wensch u een prettig kerstfeest; He was rather merry = lichtelijk
aangeschoten; They live there as merry as the day is long = leven ...
als vroolijk Fransje; To make merry = pretmaken; To make merry with a
person = in ’t ootje nemen; Merry-andrew = grappenmaker, Jan Klaassen,
hansworst; Merry-dancers = het Noorderlicht (Schotl.); Merry-go-round =
mallemolen; Merry-making = subst. pret, vermaken; adj. vroolijk;
Merry-meeting = pret, fuif; Merrythought = borstbeen (van eene kip).
Mersey, mɐ̂si, mɐ̂zi.
Mesenteric, mesənterik, tot het darmscheel behoorende; Mesenteritis,
mesəntəraitis, darmscheelontsteking; Mesentery, mesəntəri, mezəntəri,
darmscheel.
Mesh, meš, subst. maas; Meshes = netwerk, net (fig.), strik; Mesh verb.
verstrikken, verstrikt raken; Mesh-work = netwerk; adj. Meshy.
Mesjid, mezdžid, moskee.
Mesmerism, mezmərizm, mesmerisme; Mesmerist = magnetiseur; Mesmerize =
magnetiseeren; Mesmerizer.
Mesne, mîn, tusschenkomend: Mesne process = nevenproces; Mesne profits
= de winsten van een landgoed, in den tijd dat den rechtmatigen
eigenaar onwettig het bezit daarvan is onthouden.
Mesopotamia, mesəpəteimjə.
Mess, mes, subst. gerecht, spijs, voer, viertal, gemeenschappelijke
tafel, bak (van militairen en matrozen); wanorde, verwarring, vuile
boel; Mess verb. gezamenlijk eten, voeren; dooreenwarren, bevuilen,
bevlekken: A mess of pottage = linzenschotel: To sell for a mess of
pottage = voor een linzenkooksel (Genesis XXV, 29); Captain of a mess =
bakmeester; We are four of a mess = we eten met ons vieren; To be in a
pretty mess = er mooi uit zien (iron.); mooi in de klem zitten; He got
himself into a mess with the suds = maakte zich vuil met het zeepsop;
To get into messes with feminines = intriguetjes hebben met; To make a
mess of = morsen, vuil maken, in wanorde brengen; I don’t like to be
messed about = dat er zooveel drukte om me (mijne ziekte) gemaakt
wordt; To mess about after other women = scharrelen met; Mess-beef =
pekelvleesch; Mess-kit = eetgerei (mil.); Mess-mate = tafelgenoot,
bakgast; Mess-room = kajuit voor gezamenlijke maaltijden; Mess-table;
Messy = vuil, verward: A messy toy = speelgoed, dat aanleiding geeft
tot vuil maken van kleeren of tafel.
Message, mesidž, boodschap: To bear (carry, deliver) a message =
overbrengen; To go on a message = een boodschap doen; To go messages
for; Messenger, mes’ndžə, boodschapper, courier, bode, voorbode;
kabelaring (scheepst.).
Messiah, məsaiə; Messias, məsaiəs; Messianic, mesianik, Messiaansch.
Messidor, mesidö, tiende maand van het republikeinsche jaar.
Messieurs, mešɐ̂z, Heeren = Messrs.
Mestee, mestî, kind van blanke en quadrone.
Mestino, mestînou, Mestizo, mestîzou, mesties, kind van Spanjaard (of
Creool) en Indiaansche vrouw.
Met, met, imperf. en part. perf. van to meet.
Metal, met’l, subst. metaal, brons, compositie, spoorstaaf, grint of
steengruis (voor wegen), gesmolten glas; aantal, kaliber (v. kanonnen);
Metal verb. een weg met metal bedekken: The train went off the metals =
derailleerde; Metallic, mətalik, metalen: Metallic pen = stalen pen;
Metallic vein = metaalader; Metalliferous = metaal bevattend;
Metalliform, məteliföm, metaalachtig; Metalline, metəl(a)in: Metaline
water = mineraalwater; Metallist = metaalwerker: Gold metallist =
voorstander van den gouden standaard; Metallography = wetenschap en
beschrijving der metalen; Metalloid, metəlôid, metalloïde; Metallurgy,
metəlɐ̂dži, metallurgie.
Metamorphic, metəmöfik, metamorphisch; subst. Metamorphism;
Metamorphose verb. Metamorphize = Metamorphose, metəmöfous, metəmöfouz,
metamorphoseeren; Metamorphosis = gedaanteverwisseling.
Metaphor, metəfö, metaphoor; Metaphoric(al), metəforik(’l),
overdrachtelijk, figuurlijk.
Metaphysical, metəfizik’l, metaphysisch; Metaphysician, Metaphysicist =
bespiegelend wijsgeer; Metaphysics, metəfiziks, bespiegelende
wijsbegeerte.
Metathesis, mətathəsis, metathesis.
Metayer, məteiə, landbouwer die de helft der opbrengst als pacht
betaalt.
Mete, mît, subst. maat; grens (= Metes); Mete verb. meten, toemeten:
Full justice was meted out to him = hij kreeg geheel wat hem toekwam;
The treatment, meted out to him = hem ten deel gevallen; To apply the
vulgar mete-yard to = een nuchteren maatstaf aanleggen.
Metempsychosis, mətempsikousis, zielsverhuizing.
Meteor, mîtjə, verheveling, meteoor; Meteoric, mîtiorik, meteoor...:
Meteoric shower = groote menigte vallende sterren; Meteoric stone =
Meteorite, mîtiərait = Meteorolite, mîtiərəlait; Meteorologic(al),
mîtiərəlodžik(’l), meteorologisch; Meteorologist = weerkundige;
Meteorology = weerkunde.
Meter, mîtə, meter: Dry meter, Wet meter = drooge, natte meter; To
examine the meter = gasmeter opnemen; Meterage, mîtəridž, meting,
meetloon.
Metheglin, mətheglin, mede (drank).
Methinks, mithiŋks, mij dunkt.
Method, methəd, methode, stelsel, proces; Methodical, məthodik’l,
methodisch; Methodics, məthodiks, methodiek; Methodism = de leer der
Methodists = aanhangers van de door John Wesley in Oxford gestichte
secte (1729): Methodistic(al), methodistisch; streng methodisch;
Methodize = stelselmatig behandelen, methodisch rangschikken;
Methodizer; Methodology = (verhandeling over) methodiek.
Methought, mithôt, mij docht.
Methuen, məth(j)ûən, methuən; Methuselah, məthjûzələ.
Methyl, methil, methyl.
Meticulous, mətîkjuləs, bang, vreesachtig.
Metonic-Cycle, mitoniksailk’l, maancirkel (19 jaar).
Metonymic(al), metənimik(’l), metonymisch; Metonymy, mətonimi,
metonymia.
Metre, mîtə, dichtmaat, versregel; meter (= 39.37 inches); Metric,
metrik, metriek; metrisch = Metrical, metrik’l.
Metrograph, metrəgraf, instrument aan een locomotief, dat de snelheid
van den trein, met den duur en het aantal malen “stoppen” aanwijst.
Metronome, metrənoum, metronoom; Metronomy = het meten der maat (muz.).
Metropolis, mətropəlis, zetel van een aartsbisschop, hoofdstad; Londen;
Metropolitan, metrəpolit’n, subst. aartsbisschop; adj.
aartsbisschoppelijk, tot een metropolis (tot Londen) behoorend:
Metropolis Board of Works = Londensche bouwraad.
Mettle, met’l, (grond)stof, wezen, natuur, geest, vuur, ijver, moed: A
man of mettle = voortvarend, van stavast; A horse of much mettle =
vurig paard; Mettle of youth = jeugdig vuur; To put a person on (to)
his mettle = iemand aanzetten (aanleiding geven) al zijne krachten in
te spannen; To try a person’s mettle = alles vergen van iemands
krachten; Mettled = Mettlesome = vurig; subst. Mettlesomeness.
Meuse, mjûz, Maas.
Mew, mjû, subst. zeemeeuw; ruikooi (vooral voor valken); schuilplaats;
gemiauw: Mews = stal(len); nauwe straat achter groote huizen waarop de
stallen uitkomen; Mew verb. opsluiten; ruien, verharen; vernieuwen;
miauwen: To mew the feathers.
Mewl, mjûl, schreeuwen, drenzen (van kinderen); Mewler =
schreeuwleelijk.
Mexican, meksik’n, subst. en adj. Mexicaan(sch); Mexico, meksikou.
Mezzo, medzə; Mezzo soprano = tweede sopraan; Mezzotint(o) = mezzotint.
Mho, mou, Ohm (electr.).
Miaow, miau, miaauw!
Miasm(a), maiazm(a), (Meerv. Miasmata), miasma; Miasmatic(al) = miasmen
bevattend: Miasmatic fever = malaria.
Miaul, miôl, miaul, miauwen.
Mica, maikə, mica; Micaceous, maikeišəs, van of als mica, mica...
Micah, maika; Micawber, mikôbə.
Mice, mais, meervoud van mouse.
Michael, maik’l; Michaelmas, mik’lmas, St. Michiel (29 Sept.); herfst:
Michael-term = zittingstermijn (vroeger van 2–25 Nov.; thans van 24
Oct.–21 Dec. = Michael Sittings); cursus van 1 Oct.–16 Dec. (Cambr.);
10 Oct.–17 Dec. (Oxf.).
Mich(e), mitš, zich verbergen, rondsluipen, de school verzuimen;
Micher.
Michigan, mišigən.
Mickle, mik’l, veel, groot; ook subst.: Many a little makes a mickle =
veel kleintjes maken een groote.
Microbe, maikroub, microbe; adj. Microbic.
Microcosm, maikrəkozm, de wereld in ’t klein, de mensch; adj.
Microcosmic(al), maikrəkozmik(’l).
Micrometer, maikromətə, micrometer; adj. Micrometric(al); subst.
Micrometry.
Micron, maikron, micron.
Micronesia, maikrənîziə, Micronesië.
Microphone, maikrəfoun, microphoon.
Microscope, maikrəskoup, microscoop; adj. Microscopic(al);
Microscopist, maikrəskoupist, maikroskəpist = iemand, die met den
microscoop werkt; Microscopy, maikrəskoupi, maikroskəpi = microscopie.
Mid, mid, subst. midden...; en verk. v. midshipman: Mid-air = tusschen
hemel en aarde; Midday = middag, subst. en adj.; Midland = (in het)
binnenland: The Midlands = midden Engeland; The Midland railway = de
centraalspoor; Mid Lent = het midden van de vasten; Midmost =
middelste; Midnight, subst. middernacht(elijk): He burns the midnight
oil = werkt tot diep in den nacht; Midriff = middenrif; Midshipman of
Midshipmite (schertsend) = adelborst (v. het oudste jaar); Mid-ships =
midscheeps; Midstream = midden van de stroom; Midsummer = hartje v. d.
zomer (21 Juni): Midsummer-day = St. Jan (24 Juni); Midsummer-eve = 23
Juni; Midway, subst. middenweg; adj. midden op den weg, halverwege;
Midwinter = het hartje van den winter (21 December); Middy =
Midshipman; Midst = midden: In the midst of.
Midden, mid’n, mesthoop.
Middle, mid’l, subst. het midden, middel (van het lichaam),
tusschentijd, tijdschriftartikel; adj. midden, middelst, tusschen
beiden, middelmatig: A clever middle for an evening paper; Middle Ages
= Middeleeuwen; Middle course = middenweg; Middle English = ’t Engelsch
van ± 1150–1500; Middle finger; Above, Under (the) middle height;
Middle life = middenstand; Middle term = middenterm; Barely in
middle-age = van middelbaren leeftijd; Middle-aged people = menschen
van middelbaren leeftijd; Middle-class = burgerklasse; Upper
middle-classes = deftige burgerstand; Middle-class school =
Burgerschool; Middleman = agent, tusschenpersoon; Middlemost =
middenste; Middle-sized.
Middleburgh, mid’lbɐ̂g.
Middling, midliŋ, middelmatig, redelijk; Middlings = met zemelen
vermengd meel (veevoeder).
Midge, midž, mug; dwerg = Midget.
Midwife, midwaif, subst. vroedvrouw; Midwife verb. verlosk. bijstand
verleenen; Midwifery, midw(a)ifri, verloskunde: Professor of midwifery.
Mien, mîn, uitzicht, gelaat, voorkomen, houding.
Miff, mif, verdrietig, droevig; Miff verb. verdrietig zijn.
Might, mait, imperf. van may: As best he might = zoo goed en zoo kwaad
hij kon; He wept and well he might = en daar had hij wel reden voor.
Might, mait, macht, kracht: With might and main = uit alle macht; Might
is above right (Might overcomes right) = macht gaat boven recht;
Mightiness = grootheid, vermogen; hoogheid: Their High Mightinesses =
Hunne Hoogmogenden; Mighty = machtig, groot, sterk: A mighty swell =
een groote banjer.
Mignonette, minjənet, reseda.
Migrant, maigr’nt, subst. zwerver, trekvogel; adj. trekkend,
verhuizend, nomadisch = Migratory: Migratory birds = trekvogels;
Migratory life; Migrate, maigreit, verhuizen of trekken naar een ander
land; subst. Migration.
Mikado, mikâdou, keizer van Japan.
Mike, maik.
Milan, milən, milan, Milaan; Milanese, milənîz, milənîs, Milanees,
Milaneesch.
Milch, milš, melkgevend: Milch cow = melkkoe (ook fig.); Milchy =
melkgevend.
Mild, maild, zacht, zachtaardig, vriendelijk; licht: Mild ale = licht
bier; A mild answer = vriendelijk antwoord; Mild and strong cigars;
With mild pique = eenigszins gepiqueerd; A mild pun = flauwe; The dog
is as mild as milk = doodgoed; Mild-spirited (Mild-tempered) =
zachtaardig; Mild-spoken = vriendelijk; To put it mildly = om het zacht
te zeggen; subst. Mildness.
Mildew, mildjû, subst. meeldauw, schimmel; Mildew verb. beschimmelen,
met meeldauw bedekt worden; Mildewy = bedorven, beschimmeld.
Mile, mail, mijl (1609 meter); Mile-mark (Mile-post) = mijlpaal;
Milestone = mijlsteen: I have passed some black milestones = heb het
vaak hard te verduren gehad; Mileage, mailidž, afstand in miles;
uitgaven per mijl; reiskosten per mijl; A ten miler = een marsch van 10
mijl.
Miles, mailz; Milesian, m(a)ilîž’n, inwoner van Milete; Ier; adj. van
Milete, Iersch.
Milfoil, milfôil, gemeen duizendblad.
Miliary, miliəri, gierst, gierstvormig, korrelig.
Militancy, milit’nsi, oorlog(stoestand); Militant = vechtend,
strijdlustig: The Church militant.
Militarism, militərizm, oorlogsgeest, oorlogspolitiek, militairisme.
Military, militəri, adj. krijgs ..., krijgshaftig; subst. mv.
militairen: Military Academy; Military chest = oorlogskas; Military
code; He is a military man = militair; I am not a military man =
anti-militair; Military officer = officier van de landmacht; Military
school; Military service; Military stores = krijgsvoorraad.
Militate, militeit, (met against, from) = vijandig staan tegenover,
strijden tegen.
Militia, milišə, militie, die zonder eigen toestemming niet
buitenslands diende (nu vervangen door de “Special Reserve”): The land
and the marine militia; To serve in the militia; Militiaman.
Milk, milk, subst. melk, zog, sap; Milk verb. melken, melk geven:
There’s no help for (It’s no use crying over) spilt milk = gedane zaken
nemen geen keer; To take in with the mother’s milk; To milk the pigeon
= monnikenwerk doen; To milk the wires = onrechtmatig vreemde
telegrammen aflezen; zich een deel van een electr. stroom toeeigenen;
Milk-and-water(y) = melk en water ..., flauw, sentimenteel; Milk-can;
Milk-cure; Milk-farm; Milk-fever = zogkoorts; Milk-gauge =
galactometer; Milk-glass = melkglas; Milk-jug; Milk-livered = laf;
Milkmaid; Milkman = melkboer; Milk-pail; Milk-punch = rum met melk,
suiker en muskaat; Milk-sop = in melk geweekt brood; verwijfd
persoontje; Milk Standard Act = wet tegen melkvervalsching;
Milk-strainer = zeef; Milk-sugar; Milk-tooth = melktand; Milk-walk =
wijk van één melkboer; Milk-woman; Milker = melker; melkkoe =
Milking-cow; Milking-time; Milky = melkachtig: The Milky Way = melkweg.
Mill, mil, molen, fabriek, spinnerij, tredmolen; vuistgevecht,
rekenpenning (1⁄10 v. een Am. cent); Mill verb. malen, kartelen,
vollen, walken, pletten, afranselen, doen schuimen: That brings grist
to your mill = dat zet zoden aan den dijk, geeft je voordeel; To go
through the mill = door ervaring leeren; He has been through the mill =
hij weet er alles van; Oil mill; Saw mill; St. Stephen’s mill = het
Parlement; Wind mill; Mill-brook = molenbeek; Mill-clack, Mill-clapper
= molenklapper; Mill-cog = tand (molenrad); Mill-dam = molendam;
Mill-hand = molenaarsknecht; fabrieksarbeider; Mill-head = water vóór
den molen; Mill-owner = fabrikant; Mill-pond = molenvijver: As quiet as
a mill-pond; Mill-race = molentocht; Mill-sail = molenzeil; Mill-stone
= molensteen; To get between the upper and the nether mill-stone =
tusschen hamer en aambeeld geraken; He can see through (into) a
mill-stone = hij is scherpzinnig; Mill-tail = waterstroom uit een
molen; Millwright = molenmaker; Miller = molenaar: There are many cases
of drowning the miller in our annotated editions of standard authors =
herhaaldelijk vinden we gevallen van te veel commentaar in de
verklarende uitgaven van onze classieken; Miller’s fee (toll) =
maalgeld; Milling = het malen, kartelen (van muntranden).
Millenarian, milənêriən, duizendjarig, wat tot het duizendjarig rijk
behoort; subst. geloover in de komst van het duizendjarig rijk;
Millenarianism = de leer der Millenarians; Millenary, milənəri,
duizendjarig; subst. millennium: The millenarian of King Alfred = de
duizendste jaardag; Millennial, milenj’l, duizendjarig; Millennium,
milenj’m, het duizendjarig rijk, de tijd van den Wereldvrede.
Milleped, miliped, Millipede, milipîd, duizendpoot, pissebed (oproller,
varkentje).
Millerism, milərizm, leer v. William Miller (1782–1849); Millerist,
Millerite, milərait, volgeling van Miller, die de onmiddellijke komst
en heerschappij van Jezus verwachtte.
Millesimal, milesiməl, duizendste deel.
Millet, milət, gierst.
Milliard, miljəd, duizend millioen.
Milligram(me), miligram; Millimetre, Millimeter, milimîtə, milimitə.
Milliner, milinə, modemaakster, dameskleermaker; Millinery = (zaak in)
modeartikelen; kostuumnaaien.
Million, milj’n, millioen: Two thousand millions of money; The million
= de groote hoop, het groote publiek; Millionaire, milj’nêə,
millionair; Millionary = uit millioenen bestaande; Millionth =
millioenste.
Millocrats, miləkrats, rijke fabrikanten.
Milnes, milz; Milo, mailou.
Milreis, milrîs, Portug. munt (± ƒ 2,70).
Milsey, milsi, melkzeef.
Milt, milt, subst. milt, horn (van visschen); Milt verb. bevruchten,
kuit schieten; Milter = hommer.
Miltiades, miltaiədîz; Milwaukee, milwôki.
Mime, maim, subst. mime, gebarenspel (bij Grieken en Romeinen),
gebarenspeler; Mime verb. spelen; We cannot bedeck our inner selves,
and make them mime as the occasion pleases = kunnen ons innerlijk niet
optooien, en het, al naar de gelegenheid het verlangt, eene rol doen
spelen; Mimetic(al), m(a)imetik(’l), nabootsend; Mimic, mimik,
nabootsend, nagebootst; subst. nabootser, mime; Mimic verb. nabootsen:
Mimic warfare = spiegelgevecht, manoeuvres; Mimicker = nabootser;
Mimicry = grappige nabootsing, aanpassing aan de omgeving ter eigen
beveiliging (van dieren).
Mimosa, m(a)imousə, mimosa.
Mimsey, mimzi, maatje.
Minaret, minəret, minaret.
Minatory, minətəri, dreigend.
Mince, mins, fijn hakken, bewimpelen, gemaakt spreken of loopen (met
kleine pasjes): He doesn’t mince matters = neemt geen blaadje voor zijn
mond; She minces her words = spreekt erg gemaakt; To mince one’s steps
= trippelen; Mince-meat = fijngehakt, met rozijnen, appelmoes,
citroensap, vet, rum, etc., dooreengemengd vleesch voor pasteitjes: To
cut into mince (To make mince of) = in de pan hakken (milit.);
Mince-pie = eene met Mince-meat gevulde pastei; Mincer = hakmachine;
geaffecteerd persoon; Mincingly = geaffecteerd, vergoelijkend.
Mind, maind, subst. gemoed, geest, ziel, neiging, herinnering, zorg,
meening; Mind verb. letten op, behartigen, bezwaren hebben, bedenken,
van zins zijn: Absence of mind = verstrooidheid; Presence of mind =
tegenwoordigheid van geest; To be in one’s right mind = bij zijn volle
verstand zijn; To be of one mind = eenstemmig zijn; To be in two
(several) minds = weifelen; To be out of one’s mind (of unsettled mind)
= niet recht bij zijn verstand zijn; To bear in mind = bedenken; To
bring (call) to mind = te binnen roepen, zich herinneren; It came into
my mind = de gedachte kwam bij mij op; To cross (enter) one’s mind = te
binnen schieten; To feel in half a mind = half van plan (geneigd) zijn;
To have a great mind = veel lust hebben; To have no mind = geen lust
hebben; To have all the mind in the world = allemachtig veel trek
hebben; To keep in mind of = herinneren aan; He does not know his own
mind = weet zelf niet wat hij wil; To make up one’s mind = besluiten;
Make up your mind for it = bereid er je op voor; I will put you in mind
of it = je er aan herinneren; He has set his mind upon it = zijn zinnen
er opgezet; Speak your mind = zeg wat je op het hart ligt, spreek
ronduit; Out of sight, out of mind = uit het oog, uit het hart; The
house has stood there time out of mind = sedert onheugelijke tijden; To
my mind = naar mijn meening; So many men so many minds = zooveel
hoofden, zooveel zinnen; Mind you! = denk er om! Never mind = het kan
niet schelen; Mind your own business = bemoei je met je eigen zaken; To
mind a child = passen op; To mind the door = om de deur denken, op het
huis passen; Mind your head-ache = denk om je hoofdpijn; I should not
mind going there now = zou er nu wel heen willen; Mind your P’s and Q’s
= pas op je tellen; Mind-reading = gedachtenlezen; Mind-wandering =
ijlen; Minded = geneigd, gezind: He was minded to end the matter = van
plan; If you are (so) minded = als ge er zin in hebt; Mindful =
opmerkzaam, voorzichtig, gedachtig: Be Mindful of your health = denk
om; subst. Mindfulness; Mindless of everything = op (om) niets lettende
(denkende).
Mine, main, van mij: This book is mine; A friend of mine = een mijner
vrienden; Mine host = de waard.
Mine, main, subst. mijn, rijke bron; Mine verb. ondermijnen (ook fig.);
uitgraven, graven naar: A gold mine; Mine-captain = mijnopzichter;
Miner = mijnwerker, mineur.
Mineral, minər’l, subst. delfstof; adj. delfstoffelijk, mineraal:
Mineral kingdom = delfstoffenrijk; Mineral oil; Mineral salt =
mineraalzout; Mineral spring; Mineral waters = minerale bronnen of
wateren; Mineralization, subst. v. Mineralize = versteenen,
mineraliseeren; Mineralogic, minərəlodžik; mineralogisch; Mineralogist,
minəralədžist, delfstofkundige; Mineralogy, minəralədži, mineralogie.
Minerva, minɐ̂və, Minerva: Minerva press = een vroegere drukkerij in
Londen; de sentimenteele romans daar gedrukt.
Minever, Miniver, minivə, Siberisch eekhorentje, het bont daarvan.
Mingle, miŋg’l, vermengen, zich vermengen (onder), versmelten.
Miniature, minitj(u)ə, subst. miniatuur(portret); adj. verkleind, op
kleine schaal: Miniature painter.
Minibus, minibɐs, een soort wagen voor 4 personen.
Minify, minifai, verkleinen; geringschatten.
Minikin, minikin, zeer klein, geaffecteerd; subst. kleine speld;
lieveling.
Minim, minim, zeer klein; subst. dwerg, kort gedicht; ± 65 m.Gram;
halve noot; Minims = de strenge orde der Miniemen; Minimal, minimaal;
Minimization, subst. v. Minimize = verkleinen, verbloemen: Let us not
minimize the danger of our situation; Minimum = minimum.
Mining, mainiŋ, subst. mijnbouw; adj. mijn ...: Mining-academy;
Mining-shares (Mining-stocks) = mijn waarden.
Minion, minj’n, subst. slaafsch volgeling, gunsteling, lichtekooi:
Minions of the moon = roovers, dieven.
Minister, ministə, subst. (staats)dienaar, minister, gezant; werktuig
(fig.); predikant (bij de dissenters); Minister verb. voorzien van,
verschaffen, toedienen, besturen, ministreeren, oppassen, behulpzaam
zijn, geneesmiddelen geven: Minister of the Colonies; Minister of
Finance; Minister of Foreign Affairs; Minister of the Interior = M. van
Binn. Zaken; Minister of War; Prime Minister = minister-president; He
ministered to me in those days = verzorgde mij; Ministerial,
ministîriəl, dienend, gehoorzamend; ministerieel; Ministerialist =
regeeringsgezinde; Ministrant, dienend; subst. dienaar; Ministration =
dienstverrichting, bestuur, geestelijke bijstand of ambt: The prisoner
was offered his ministrant = den gevangene bood men geestelijken
bijstand aan; Ministry = ministerie, dienst, geestelijke functiën.
Minium, minj’m, roode menie.
Mink, miŋk, vison, soort v. Amer. wezel; pels daarvan.
Minnow, minou, soort witvisch, voorntje, stekelbaarsje.
Minor, mainə, kleiner, geringer, jonger, klein, gering; subst.
minderjarige, mineur, minor, (term van een syllogisme): Minor key =
mineur (muz.); Minor poets; Minor premiss, deze bevat den Minor term =
het subject v. de conclusie; Minor third = kleine terts; Asia Minor =
Klein-Azië; Minorite, mainərait, Franciskaner; Minority, m(a)inoriti,
minderheid, minderjarigheid.
Minorca, minökə; Minos, mainəs; Minotaur, minətö.
Minster, minstə, hoofdkerk, kloosterkerk.
Minstrel, minstr’l, minstreel; negerzanger (= Negro minstrel);
Minstrelsy = de kunst v. d. minstreel, balladenverzameling.
Mint, mint, munt, groote hoeveelheid; munt (plant); Mint verb. munten,
slaan, smeden: Master of the mint = muntmeester; A mint of money = een
“bom” duiten; The mint and cummin of literature = de nietige dingen of
kleinigheden in de letteren (Zie Matth. XXIII, 23); Mint-drops =
pepermuntjes; Mint-julep = Amer. drank van suiker, spiritualiën en
kruizemunt in gestampt ijs; Mint-sauce = kruizemuntsaus; Mintage,
mintidž, het gemunte, muntrecht.
Minuend, minjuənd, aftrektal.
Minuet, minjuət, menuet: To step (walk) a minuet = een menuet dansen.