Maturate, matjureit, rijp worden; subst. Maturation; Maturative =
rijpend, ettering bevorderend (middel).
Mature, mətjûə, adj. rijp, gerijpt, geheel ontwikkeld, voorbereid,
vervallen (van wissels): A matured plan = wel overlegd, goed doordacht;
Matured wine = belegen wijn; Matureness = Maturity = rijpheid,
vervaltijd (van wissels): At (On) maturity = op den vervaldag.
Matutinal, matjutain’l, mətjûtin’l, vroeg, morgen...: Matutinal bath;
Matutinal habits = gewoonte vroeg op te staan.
Maud, môd, Maud; wollen plaid (Schotl.).
Maudlin, môdlin, sentimenteel, schreierig als een dronken mensch;
subst. Maudlinism.
Maugre, môgə, niettegenstaande.
Maul, môl, subst. groote houten hamer, moker; Maul verb. ranselen,
verpletteren, beschadigen, mishandelen: They were severely mauled =
leelijk toegetakeld, scherp gecritiseerd.
Maulstick, môlstik, schildersstok.
Maunder, môndə, mândə, op huilerigen toon spreken, mompelen, bazelen;
subst. gebazel; Maunderer = brompot.
Maundy-Thursday, môndi-thɐ̂zdi, Witte Donderdag, waarop; Maundy money
wordt uitgedeeld door den Royal Almoner in Whitehall (gewoonlijk een
penny voor elk levensjaar van den vorst).
Maurice, môris, moris; Mauritania, môriteinjə; Mauritius, môrišəs.
Mausoleum, môsəlîəm, praalgraf.
Mauve, mouv, subst. purperkleur; adj. purperkleurig.
Mavis, meivis, zanglijster.
Maw, mô, pens, krop, maag; bek: Hold your maw; Maw-seed = papaverzaad;
Maw-worm = spoelworm; huichelaar.
Mawkish, môkiš, walgelijk; overgevoelig, kieskeurig; subst.
Mawkishness.
Maxilla, maksilə, kaakbeen, bovenkaak; Maxillary, maksiləri, maksiləri,
tot de kaak behoorende, kaak....
Maxim, maksim, grondstelling, leerspreuk.
Maxim, maksim: Maxim gun = soort van repeteerkanon.
Maximal, maksim’l, maximaal.
Maximilian, maksimilj’n.
Maximum, maksimɐm, subst. maximum; adj. grootst.
May, mei, Mei, lente, meidoorn, Meifeest; May verb. het Meifeest
vieren; May-bloom = meidoorn; May-bug, May-chafer = meikever; May-day =
eerste Mei; May-duke = meikers; May-flower = meidoorn, dotterbloem,
pinksterbloem, koekoeksbloem; May-fly = soort watervlieg (Sialis
lutaria); May-lady, May-queen = meikoningin; May-lily = lelietje v.
dalen; May-meeting = Mei-bijeenkomst (van godsdienstige sekten en
staatkundige partijen); May-pole = meiboom, boonestaak (fig.), “kip op
hooge pooten”; To go a-maying = naar het Meifeest gaan; Mayer = iemand,
die aan het Meifeest deelneemt.
May, mei, mogen, kunnen, misschien kunnen: Be this as it may = laat dit
zijn zoo het wil; As one may say = om zoo te zeggen; He that will not
when he may, When he will he shall have nay = Wie niet wil wanneer hij
mag, Krijgt een “neen” op later dag; Come what come may = laat er
gebeuren wat er wil; It may be fine to-morrow = het is morgen misschien
wel mooi weer; Maybe = kan zijn, misschien; Mayhap = misschien,
toevallig.
Mayence, Fr. uitspr. Mainz; Mayfair, meifêə; Mayhew, meihjû; Maynooth,
meinûth, meinûth; Mainwaring, manəriŋ.
Mayor, meijə, mêə, burgemeester (in Engeland); adj. Mayoral; Mayoralty
= burgemeestersambt; Mayoress = burgemeestersvrouw; Mayorship.
Mazard, mazəd, schedel, kop; soort kers.
Maze, meiz, subst. doolhof; verlegenheid; Maze verb. verbijsteren, in
verlegenheid brengen; subst. Mazement = Maziness.
Maz(o)urka, məzɐ̂kə, məzûəkə, mazurka.
Mazy, meizi, verward, verlegen.
Me, mî, mij: That’s me = dat ben ik.
Mead, mîd, mee (drank); weide (dichterl.).
Meadow, medou, weide, weiland: Meadow-land = weiland; Meadow-mouse =
veldmuis; Meadowsweet = moeras-spiraea; theeboompje (Amer.); Meadowy =
uit weiden bestaande.
Meager, Meagre, mîgə, adj. mager, schraal, onvruchtbaar: A meagre
correspondent = die weinig schrijft; subst. Meagreness.
Meal, mîl, maal, maaltijd; meel; maismeel (Amer.); Meal verb. tot meel
of poeder wrijven, met meel bestrooien: You shall be paid in meal or
malt = in elk geval, hoe dan ook; He made a meal of it = at er zijn
bekomst van; Meal-brimstone = fijne zwavel; Meal-man = meelhandelaar;
Meal-meat = meelspijs; Meal-time = etenstijd; Meal-worm; Mealies,
mîliz, maïs (Z.-Afr.); Mealiness = meligheid; Mealy = melig, droog, als
met meel bestoven; Mealy-mouthed = schuchter, zoetsappig.
Mean, mîn, laag, gering, armelijk, gemeen, onbeteekenend, slaafsch,
krenterig: No mean foe = een tegenstander, dien men niet moet
onderschatten; There was nothing mean about the party = het was eene
royale partij; He has a mean look about him = de krenterigheid ziet hem
de oogen uit; You are too mean for anything = je bent al heel min;
Mean-born = van lage geboorte; Mean-spirited = kruiperig; subst.
Mean-spiritedness; To think Meanly of = geringschatten; Meanness =
nederige stand, gemeenheid, krenterigheid.
Mean, mîn, middelmatig, gemiddeld; subst. middelweg, middelmaat,
middenterm, middel: Mean distance = gemiddelde; The mean Englishman =
gewone; A golden mean = middelweg; To adopt a happy mean = middelweg
kiezen; In the meantime = ondertusschen; In the meanwhile =
middelerwijl; Means = middel, middelen, inkomsten, oorzaak: He lives
beyond his means = boven zijn vermogen; By means of = door middel van;
You must go there by all means (= vooral); You must try to do it by any
means = hoe dan ook; By no means = vooral niet; By no manner of means =
in geen geval.
Mean, mîn, meenen, bedoelen, beteekenen, van plan zijn, voornemens
zijn: He meant no harm = bedoelde het goed; To mean mischief = wat in
het schild voeren; I do not mean to say = ik wil niet zeggen; You meant
(it) well = hebt het goed bedoeld; Meaning = beteekenis, meening;
Meaningless = zonder zin.
Meander, miandə, subst. kronkeling, doolhof; Meander verb. kronkelen,
zich slingeren, drentelen: You tell him my very words, and no
meandering of your own = zonder verdraaiing.
Meandrina, mîəndrainə, hersenkoraal.
Meandrous, miandrəs, kronkelend.
Meant, ment, imp. en p.p. van to mean.
Mease, mîz, mîs: Mease of herrings = ± 500 haringen.
Measles, mîz’lz, mazelen, puisten (bij varkens): To have measles;
Measly, mîzli, aan de mazelen lijdend; puisterig, gevlekt, vuil,
jammerlijk, armzalig: I will break every bone in your measly skin = ik
zal je fijn wrijven, vuile kerel!
Measurable, mežurəb’l meetbaar; subst. Measurableness; Measure, mežə,
subst. maat, maatstaf, verhouding, aandeel, versmaat, (tijd)maat,
maatregel, gematigdheid, statige dans; Measure verb. meten, afmeten,
toemeten, opmeten, afleggen: Lineal, Square measure = lengtemaat,
vlaktemaat; Measure of capacity = inhoudsmaat; Beyond (Out of) all
measure = buitenmate; In a (In some) measure = in zekere mate; In a
great measure = grootendeels; Made to measure = naar maat; Measure for
measure = leer om leer; I had soon taken his measure = begrepen wat hij
waard was; To take measures = maatregelen nemen; To measure one’s
length = languit vallen; Before daybreak we measured twenty miles =
legden wij twintig mijlen af; To measure one’s words = wikken en wegen;
To measure swords = de degens kruisen; He measured me for a coat = nam
mij de maat voor eene jas; As you measure so it will be measured unto
you = met de mate waarmede gij meet, met die mate zal u gemeten worden;
Measured = gelijkmatig, rhythmisch, gematigd, afgemeten; Measureless =
mateloos; subst. Measurelessness; Measurement = meting, maat,
tonneninhoud: I have taken your measurements and laid down the chart of
your genius = ik heb u gewogen en uitgemaakt wat ge waard zijt;
Measurement-goods = goederen waarvoor vracht wordt betaald naar maat of
grootte; Measurer = (land)meter, meetinstrument; Measuring-chain
(Measuring-cord, Measuring-tape) = maatstok, etc.
Meat, mît, voedsel, kost, spijs, vleesch: Spoonmeat = lepelkost;
Sweetmeat = bonbons; I am as full of business as an egg is full of meat
= ik ben naar alle kanten bezet; One man’s meat is another man’s poison
= den een zijn dood is den ander zijn brood; je kunt niet alle menschen
over den zelfden kam scheren; The meat is done = goed gaar, op; Meat
and drink: That is meat and drink to me = dat is een kolfje naar mijne
hand; Meatball = balletje; Meat-biscuit = vleeschbeschuitje;
Meat-extract; Meat-hook = vleeschhaak; spuuglok; Meat-jack = spit;
Meat-offering = Joodsch spijsoffer; Meat-safe = vliegenkast;
Meat-salesman = groothandelaar in vleesch; Meat-tea = thee met vleesch
(visch, etc.); Meatiness, subst. v. Meaty = vleezig, stevig.
Mebbe, mebi, verk. van maybe = misschien.
Mechanic, mikanik, subst. mechaniker, handwerksman; adj. = Mechanical,
werktuigelijk, machinaal (ook fig.), handwerks.., werktuigkundig:
Mechanical drawing = lijnteekenen; Mechanical engineer =
werktuigkundige; Mechanical powers = werktuigelijke krachten;
Mechanical science = werktuigkunde; Mechanicality = Mechanicalness =
werktuigelijkheid; Mechanician, mekəniš’n, werktuigkundige; Mechanics =
werktuigkunde; Mechanism, mekənizm, mechaniek, machinerie, mechanismus,
techniek; Mechanist, mekənist = technicus, machinist.
Mechlin, meklin, Mechelen, Mechelsche kant = Mechlin lace.
Meconium, mikouniəm, kinderpek; papaversap.
Medal, med’l, medaille; Medal verb. een medaille verleenen; Medallic,
mədalik, medaille..; Medallion, mədalj’n, penning, medaillon; Medallist
= penningkundige, met eene medaille bekroonde, stempelsnijder.
Meddle, med’l, zich bemoeien: Do not meddle with my affairs = steek je
neus niet in; Do not meddle with him = bemoei je niet met hem; I will
neither meddle nor make with it = ik wil er niets mee te maken hebben;
Meddler = bemoeial; Meddlesome = bemoeiziek; subst. Meddlesomeness =
Meddling, ook subst.
Mede, mîd, Mediër; Medea, midîə; Media, mîdjə, Medië.
Medieaeval, mediîv’l, mîdiîv’l, middeleeuwsch, ouderwetsch;
Medieaevalism = de geest der middeleeuwen in kunst en godsd.;
Medieaevalist = kenner, vereerder der middeleeuwen; Medieaevalize =
middeleeuwsch maken.
Medial, mîdj’l, gemiddeld, middel..: An initial, medial, final
consonant = begin-, tusschen- en eindmedeklinker.
Median, mîdj’n, midden-, mediaan; van Medië, Mediër.
Mediate, mîdi-it, adj. in het midden liggend, bemiddelend; Mediate
verb. (mîdieit) bemiddelen, als bemiddelaar optreden: Mediated water =
suikerwater; Mediation = bemiddeling, voorspraak.
Mediatization, mîdiətizeiš’n, subst. v. Mediatize, mîdiətaiz, aan de
staatsoverheid onderwerpen.
Mediator, mîdieitə, bemiddelaar; adj. Mediatorial; Mediatorship;
Mediatory = bemiddelend; Mediatrix of Mediatrix.
Medical, medik’l, geneeskundig, medisch: Medical man = medicus; Medical
Officer and Public Vaccinator for a district = districts armendokter;
Medical profession = beroep van geneesheer; Medical student;
Medicament, mədikəment, medikəment, geneesmiddel; Medicamental =
geneeskrachtig, heilzaam; Medicaster, medikastə, kwakzalver; Medicate,
medikeit, geneeskundig bereiden of behandelen: Medicated coffee =
geneeskrachtige koffie; Medication = geneeskundige behandeling of
bereiding; Medicinal = genezend; Medicine, medsin of medisin,
geneesmiddel, geneeskunde: Medicine-bag = amulet; Medicine-chest =
medicijnkist; Medicine-man = dokter en bezweerder bij de indianen;
Medico, medikou, subst. esculaap (schertsend voor geneesheer); adj. tot
de geneeskunde behoorende: Medico-legal = tot de gerechtelijke
geneeskunde behoorende; Medicus.
Medina, midînə, Medina; midainə, rivier op Wight, stad in Amerika.
Mediocre, mîdioukə, middelmatig: Mediocrity, mîdiokriti,
middelmatigheid; middelmatig persoon.
Meditate, mediteit, peinzen, overdenken, voornemens zijn; subst.
Meditation; Meditative = peinzend, zinnend; subst. Meditativeness;
Meditator.
Mediterranean, meditəreinj’n, subst. Middellandsche Zee; adj.
middellandsch.
Medium, mîdj’m, subst. midden, middensoort, middenterm, middenstof,
middel, hulpmiddel, Engl. mediaanpapier (18 × 28 inches), medium; adj.
middelmatig, gemiddeld, doorsnee - -: Through the medium of = door
bemiddeling (middel) van; At a medium; Of (Less than, Over the) medium
height; Medium-sized.
Medlar, medlə, mispel(boom): Medlar-tree.
Medley, medli, verwarde massa, potpourri; ook adj.
Medulla, midɐlə, merg; Medullary, midɐləri, medələri = mergachtig,
merg..; Medullin = mergstof (Chem.).
Medusa, mədjûsə, Medusa; kwal; mv. Medusae, mədjûsî.
Meed, mîd, belooning, prijs, gift.
Meek, mîk, zachtzinnig, gedwee, nederig: Meek-eyed; Meek-spirited =
deemoedig; subst. Meekness.
Meerschaum, mîəšôm, mîəšəm, meerschuim(en pijp): Meerschaum pipe.
Meet, mît, subst. bijeenkomst (van sportlui); rendez-vous voor
sportlui, de gezamenlijke sportlui; adj. geschikt, gepast; Meet verb.
ontmoeten, tegenkomen, tegemoet komen, bijeenkomen, nakomen, voldoen
aan, bevredigen, enz.: A meet of the Coaching Club = het samenkomen van
de leden dier club, die coaches bezitten en zelf rijden; It is not meet
that he should go there = gepast; Mere inquiry will not meet the case =
is in dit geval niet voldoende; More is meant than meets the ear (the
eyes) = daar schuilt meer achter dan men hoort (ziet); That meets the
needs of the people = voorziet in; To meet due protection = behoorlijk
gehonoreerd worden; I will meet you on equal terms = durf je staan
onder gelijke voorwaarden; The carriage is to meet the 10,5 train =
moet zijn aan; To meet a person halfway = tegemoet komen (fig.); Have I
met you? = Is dit wat u verlangt, is dit voldoende? I met with a kind
reception = vond eene vriendelijke ontvangst; I met with an accident, a
bad fall, a loss = mij trof, ik kreeg; He is met with = heeft zijn man
gevonden; He tried to meet all my wants = te voorzien in; I cannot make
both ends meet = ik kan niet rondkomen; I sent to meet them at the 10,5
train = liet ze afhalen; It was Greek meet Greek, diamond cut diamond =
twee Joden weten wat een bril kost; Meeting = ontmoeting, bijeenkomst,
vergadering, zitting, dag van een wedren, samenvloeiing: The meeting
was called for half-past seven = bijeengeroepen tegen; Meeting-house =
bedehuis; Meeting-place = plaats van samenkomst; Meetly = gepast,
geschikt; Meetness = gepast-, geschiktheid.
Meg(a), in samenst.: groot, reusachtig; Megaphone, megəfoun, soort
roeper; Megascope, megəskoup, megascoop.
Megass(e), məgas, uitgeperst suikerriet.
Megrim, mîgrim, schele hoofdpijn, gril, luim: Megrims =
zwaarmoedigheid; koliek bij paarden.
Melancholia, mel’nkouljə, zwaarmoedigheid; Melancholiac =
melancholicus; Melancholy, mel’nkoli, subst. zwaarmoedigheid,
droefgeestigheid; ook adj.: He is in a melancholy mood = in eene
sombere stemming.
Melanesia, melənîsiə; Melanesian, adj. en bewoner van M.
Melanite, melənait, melaniet.
Mêlée, Fr. uitspr. handgemeen.
Melib(o)ean, melibîən: Melib(o)ean song = beurtzang.
Melilot, melilot, honigklaver.
Melinite, melinait, meliniet.
Meliorate, mîljəreit, verbeteren, beter worden; subst. Melioration;
Meliorism, mîljərizm, de leer dat verbetering mogelijk is; het streven
hiernaar.
Meliphagous, məlifəgɐs, honigetend; Melliferous = honig voortbrengend;
Mellifluence, məlifluens, zoetvloeiendheid; Mellifluent, Mellifluous =
zoetvloeiend; Mellite, melait, honigsteen.
Mellay, melei = Mêlée.
Mellow, melou, adj. overrijp, beursch, zacht, aangenaam, vol, gerijpt,
lichtelijk aangeschoten; Mellow verb, rijp of zacht worden (maken),
rijpen, benevelen; subst. Mellowness; Mellowy = zacht, zoet.
Melodious, miloudiəs, welluidend; subst. Melodiousness; Melodist =
componist of zanger v. melodiën; verzameling van melodiën; Melody,
melədi, melodie, zangwijze.
Melodrama, melədrâmə, melədrâmə, melodrama; Melodramatic, melədrəmatik,
melodramatisch; Melodramatist, melədramətist, schrijver van melodramas.
Melon, mel’n, meloen: Melon-juice.
Melpomene, melpominî; Melrose, melrouz.
Melt, melt, smelten, wegsmelten, week worden, verteederen, roeren; ook
subst.: All the spoons were melted down = gesmolten; To melt into
tears; Melter = metaalsmelter, smeltoven; Melting heat = zwoele hitte;
Melting sorrow = zielsroerende smart; Melting-furnace; Melting-point;
Melting-pot = smeltkroes; Meltingness = weekheid (fig.).
Member, membə, lid, deel, lidmaat, afgevaardigde: Member of Parliament
(= M. P.) = lid van het House of Commons; Membered = geleed; Membership
= lidmaatschap, ledental.
Membrane, membrein, vlies, perkament: Mucous membrane = slijmvlies;
Membranous, membrənɐs, vliezig.
Memento, mimentou, herinnering, gedenkteeken: Memento mori (môrai) =
gedenk te sterven.
Memoir, memwö, gedenkschrift, verhandeling: Memoirs = Memorabilia.
Memorability, memərəbiliti, subst. v. Memorable, memərəb’l,
merkwaardig, gedenkwaardig; subst. Memorableness.
Memorandum, memərand’m, memorandum, aanteekening, memorie;
Memorandum-book = memoriaal.
Memorial, məmôriəl, gedenk..., gedachtenis...; subst. nota, memorie,
necrologie, gedenkteeken (-feest): Memorial Day = gedenkdag ter eere
der in den burgeroorlog (1861–65) gevallen strijders (Amer.);
Memorialist = schrijver van mémoires, indiener van een nota;
Memorialize, məmôriəlaiz, een memorie indienen; herdenken: The
municipalities memorialized to the queen = dienden een verzoekschrift
in bij.
Memorize, meməraiz, in het geheugen bewaren, uit het hoofd leeren;
Memory, meməri, geheugen, gedachtenis, gedenkteeken: Her memory fails
her a bit now and then = laat haar wat in den steek; In memory of = ter
gedachtenis aan; Within the memory of man = Within living memory =
sedert menschenheugenis; To call to memory = zich herinneren; To quote
from memory.
Memphis, memfis; Memphian: Memphian darkness = Egyptische duisternis.
Men, men, mv. v. Man: Men-folk = manvolk; Men-pleaser = oogendienaar.
Menace, menis, subst. bedreiging; Menace verb. (be)dreigen; Menacer.
Menad, mînad, Bacchante.
Menagerie, Menagery, mənadžəri, beestenspel.
Mend, mend, subst. verbetering, reparatie; Mend verb. beter worden,
verbeteren, repareeren, verhoogen, vermeerderen: On the mend = aan de
beterhand; To mend one’s efforts = verdubbelen; To mend the fire = wat
bij het vuur doen; To mend one’s life (ways) = zich beteren; To mend
one’s pace = aanstappen; To mend stockings = kousen stoppen; The prices
have mended = zijn omhoog gegaan; Mender; Mending: A card of mending =
kaart stopgaren; A lapful of mending = verstelwerk; Mending-basket; My
boots want mending = moeten gerepareerd worden.
Mendacious, mendeišəs, leugenachtig, valsch; Mendacity, mendasiti,
leugen, leugenachtigheid.
Mendicancy, mendik’nsi, bedelarij, armoede; Mendicant = bedelend, bedel
- -; bedelaar; bedelmonnik = Mendicant friar; Mendicity = armoede,
bedelarij, bedelstaf.
Menial, mînj’l, dienst - -, huis - -, slaafsch, vuil, gemeen; subst.
huisbediende, asschepoester.
Meningitis, menindžaitis, hersenvlies ontsteking.
Mennonist, menənist, Mennonite, menənait, Doopsgezinde.
Menses, mensîz, menstruatie; Menstrual = maandelijksch: Menses flow,
Menses flux; Menstruate = menstrueeren; subst. Menstruation.
Mensurability, mensiurəbiliti, meetbaarheid; adj. Mensurable; subst.
Mensurableness; Mensuration = meting.
Mental, ment’l, ziels..., geestes...: Mental arithmetic = hoofdrekenen;
Mental defectives = achterlijken; Mental deficiency = achterlijkheid;
Mental faculties = geestesgaven; Mental power = geestvermogen; Mental
reservation = heimelijk voorbehoud.
Menteith, mentîth.
Menthol, menthol, menthol: Menthol cone (Menthol pencil) =
migrainestift.
Mention, menš’n, subst. (ver)melding; Mention verb. vermelden, noemen,
gewagen: At a mention of = bij vermelding van; To make (no) mention of
= (geen) melding maken van; “Don’t mention it” = It is not worth
mentioning = “’t Is de moeite niet”; Not to mention = om niet te
spreken van; To be mentioned in dispatches = eervol vermeld worden
(mil.); Just mention some = noem er eens een paar; Mentionable: It is
hardly mentionable = het is haast niet noemenswaard.
Mentor, mentə, mentor, adj. Mentorial.
Mentz, ments, Mainz.
Menu, mənû, spijslijst.
Mephistophelean, mefistəfəlîən, adj. v. Mephistopheles, mefistofilîz,
Mephistopheles.
Mephitic, mifitik, stinkend, verpestend; Mephitis, mifaitis, Mephitism,
mifaitizm, mefətizm, verpestende uitwasemingen of dampen.
Mercantile, mɐ̂k’nt(a)il, handels..., handeldrijvend; baatzuchtig:
Mercantile code = wetboek van koophandel; The mercantile marine =
handelsvloot; Mercantile and trade schools = handels-, en vakscholen;
Mercantile town = handelsstad.
Mercator’s Chart, mɐ̂keitəztšât, zeekaart volgens de projectie van
Mercator.
Mercenariness, mɐ̂sənərinəs, veilheid; Mercenary, mɐ̂sənəri, loon - -,
baatzuchtig, inhalig, veil; subst. huurling: Mercenary marriage =
huwelijk om geld; Mercenary troops = huurtroepen.
Mercer, mɐ̂sə, zijdekoopman, manufacturier; Mercery = manufactuurzaak,
(handel in) manufacturen of zijde.
Merchandise, mɐ̂tš’ndaiz, koopwaar.
Merchant, mɐ̂tš’nt, subst. koopman, groothandelaar; adj. handels - -,
koopmans - -: Merchant-fleet = koopvaardijvloot; Merchantman =
koopvaardijschip; Merchant-service = handelsvloot, zeehandel;
Merchant-tailor = marchandtailleur; Merchantable = gangbaar, willig.
Merciful, mɐ̂siful, genadig; barmhartig; subst. Mercifulness; Merciless
= meedoogenloos; subst. Mercilessness.
Mercurial, məkjûriəl, Mercurius - -; vluchtig, levendig, wispelturig,
kwikzilverachtig; subst. Mercuriality; Mercury, mɐ̂kjəri, Mercurius,
kwikzilver.
Mercy, mɐ̂si, genade, barmhartigheid, vergeving: To be at the mercy of =
overgeleverd aan de genade van; It was a mercy, he did not prosecute
him = hij mocht van geluk spreken, dat..; Vergel. Lord, have mercy upon
us = Heer, wees ons genadig; To beg (cry) for mercy = om genade
smeeken; To throw oneself on the mercy of = zich op genade of ongenade
aan iemand overgeven; We are thankful for small mercies = voor gering
gunstbetoon; Mercy-seat = troon der genade; verzoendeksel.
Mere, mîə, subst. grens, grenssteen; meertje.
Mere, mîə, louter, bloot: He is your mere tool = slechts uw werktuig;
Merely = enkel, alléén.
Meredith, merədith.
Meretricious, meritrišəs, ontuchtig; verlokkend, bedriegelijk:
Meretricious courage = voorgewende moed; subst. Meretriciousness.
Merganser, məgansə, duikergans.
Merge, mɐ̂dž, verb. indompelen, verzinken, opgaan in (into): To be
merged in = geheel opgaan in; Merger = het opgaan van eene bezitting of
een recht in een ander, van eene zaak in een andere.
Meridian, məridj’n, subst. middag, hoogste punt, meridiaan; adj.
middag..., hoogte..., hoogste: Meridian altitude = middaghoogte;
Meridian of the globe = koperen meridiaan; Meridional = meridiaan...,
middag, zuidelijk: Meridional distance = lengteverschil; Meridionality
= zuidelijke of zuidwaartsche ligging of richting.
Merino, mərînou, subst. merinoswol, merinos, merinosschaap (= Merino
sheep); adj. merinos...
Merit, merit, subst. uitstekendheid, waarde, voortreffelijkheid,
verdienste (meest meervoud) (Merits = hoofdzaken (Jur.)); Merit verb.
verdienen, aanspraak hebben op, zich verdienstelijk maken: To make a
merit of necessity = van den nood een deugd maken; The matter must rest
(stand) on its own merits = moet op zich zelf worden beschouwd; You
have Merited well of the country = u verdienstelijk gemaakt jegens;
Meritorious, meritôriəs, verdienstelijk; subst. Meritoriousness.
Merivale, meriveil.
Merkin, mɐ̂kin, pruik, toer; haarverf (Amer.); pompstok (van een kanon).
Merle, mɐ̂l, meerle.
Merlin, mɐ̂lin, steenvalk.
Mermaid(en), mɐ̂meid(’n), (zee)meermin; Merman, mɐ̂m’n, triton.
Merovingian, merəvindžən, Merovingisch; subst. Merovinger; Merrimac =
merimak.