handspuit; adj. hand..., coulant: Manual alphabet (voor doofstommen);
Manual exercise = oefening in de handgrepen van het geweer; Manual sign
= handteekening.
Manufactory, manjufaktəri, fabriek: adj. Manufactural; Manufacture,
subst. fabrikaat, vervaardiging; Manufacture verb. vervaardigen,
fabriceeren; Manufacturer = fabrikant; Manufacturing = fabricatie; adj.
fabrieks...
Manumission, manjumiš’n, manumissie, het vrijlaten van een slaaf;
Manumit = slaven vrijlaten.
Manumotor, manjumoutə, wagen door den inzittende mechanisch
voortbewogen.
Manure, mənjûə, subst. mest; Manure verb. bemesten; Manure-cart;
Manure-distributor = meststrooier; Manure-fork; Manurer.
Manuscript, manjuskript, subst. handschrift, adj. met de hand
geschreven.
Manx, maŋks, van het eiland Man; subst. de taal, de bewoners; Manxman =
bewoner van Man.
Many, meni, veel, vele(n); subst. menigte, groot aantal: So many
countries, so many customs = ’s lands wijs ’s lands eer; Many men, many
minds = zooveel hoofden, zooveel zinnen; Many a man = menigeen; Many a
time and oft = herhaaldelijk; This many a day = For many a day = reeds
lang; As many again = eens zooveel; Twice as many = tweemaal zooveel;
We were packed like so many herrings = zaten opeen als haringen in een
ton; I am one too many for you = ik ben je de baas af; She made one too
many in the omnibus = was te veel; The many = de groote hoop; A good
(great) many = zeer vele; Many-headed: The many-headed monster = de
Hydra; het gepeupel; Many-sided = veelzijdig; subst. Many-sidedness.
Maori, mauri, mâəri, subst. Maori; hunne taal; adj. tot de Maoris of
hunne taal behoorend.
Map, map, subst. landkaart, hemelkaart, nauwk. voorstelling; Map verb.
teekenen, afbeelden, nauwkeurig beschrijven, ontwerpen (out); Map-maker
= landkaartmaker.
Maple, meip’l, ahorn.
Mar, mâ, beschadigen, bederven, ontsieren, verijdelen.
Marabou(t), marəbû, marəbû, marabout (veêr, zijde); Marabou-feathers.
Marabout, marəbût, marəbût, Mahomedaansch priester en toovenaar (N.
Afr.).
Maracan, marəkan, ara-papegaai (Brazilië).
Maraschino, marəskînou, marasquin.
Marasmus, mərasməs: Marasmus senilis = senile aftakeling.
Maraud, mərôd, stroopen, plunderen; Marauder.
Marble, mâb’l, subst. marmer, marmeren beeld; knikker; adj. marmeren,
als marmer geaderd; Marble verb. marmeren: Marble Arch = een der
toegangen van het Hydepark; The children were playing at marbles =
waren aan het knikkeren; Marble-edged = gemarmerd op snede;
Marble-hearted = hardvochtig; Marble-quarry = groeve; Marbled =
gemarmerd: Marbling = marmeren; het doorgroeid zijn van vleesch; Marbly
= marmerachtig, gemarmerd.
Marcescent, mâses’nt, verwelkend; verschrompelend.
March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht,
loop, geleidelijke ontwikkeling; March verb. grenzen; marcheeren, doen
marcheeren, wegvoeren (off): Order of march = marschroute; I have
gained (got, stolen) a march upon you = ben u vóór gekomen, u te slim
af geweest; To ride the marches = de grenzen omrijden (Schotl.);
(Forward) march! The general marched the army to the enemy = rukte met
het leger op tegen; We marched down upon the enemy = rukten aan op; To
march off = afmarcheeren; To march on = voortmarcheeren; oprukken
tegen; To march past = voorbijmarcheeren, defileeren; The soldiers were
marched up from the barracks = men liet hen uit de kazerne rukken;
March-chick = brutaaltje; March-land = grensland; Marchman =
grensbewoner; Marching-order = marschbevel: To be (To put) under
marching-orders; Marching-past = défilé.
Marchioness, mâšənəs, markiezin.
Marconigram, mâkounigram, draadloos telegram.
Mare, mêə, merrie: Brood mare = fokmerrie; A face as long as any mare’s
= een gezicht als een oorworm; On Shank’s mare = op Apostelpaarden; He
has found a mare’s nest (and is laughing over the eggs) = hij dacht
heel wat bijzonders gevonden te hebben, doch blijkt zich geducht te
hebben vergist; Some experience will save you from mare’s nests = zal u
voor teleurstellingen bewaren; Mare’s-tail = lange vederwolk: Waterdogs
(= regenwolkjes) and mare’s tails, Make lofty ships have low sails.
Margaret, mâgərət, mâgrət.
Margarine, mâgərin, margarine.
Margate, mâgit.
Margay, mâgei, tijgerkat.
Marge, mâdž, rand, marge.
Margin, mâdžin, subst. rand, grens, speelruimte, verschil tusschen
inkoops- en verkoopsprijs, overschot, waarborgsom; Margin verb. van een
rand voorzien, van kantteekeningen voorzien; zich dekken: In such a
work a margin of error should be allowed = kan men een zeker getal
vergissingen verwachten; A small margin of profit = een klein
voordeeltje; He is so devoted to his work, that he has not a margin for
social life = dat er geen tijd overschiet voor ’t gezellige leven; I
sold out so as to have a larger margin with which to operate = om wat
meer geld in handen te hebben; He has but a narrow margin on which to
subsist = hij kan maar even rondkomen; Eleven to four is a sufficient
margin for me = van 11 tot 4 heb ik tijd genoeg; Named in the margin =
terzijde vermeld; To operate on a margin = alléén verkoopen (b.v. van
effecten) als men erop kan winnen; Marginal: Marginal notes, glosses
(Marginalia, mâdžineiljə) kantteekeningen; Marginate(d) = met een rand,
gerand.
Margravate, mâgrəvit, Margraviate, mâgreivi-it, markgraafschap;
Margrave, mâgreiv, markgraaf; Margravine, mâgrəvin, markgravin.
Maria, məraiə: Black Maria = dievenwagen; Marian, mêriən, Maria - -;
The Mariana Islands, mêrianə ail’ndz, de Dieveneilanden; Marianne,
mêrian.
Marigold, marigould, goudsbloem; een millioen £; Marigold window =
radvenster.
Marinate, marineit, marineeren.
Marine, mərîn, adj. zee - -, scheeps - -, marine - -; subst. marine,
marinier, zeestuk: Tell that to the marines = maak dat je grootje wijs;
Marine blue: Marine drive = rijweg langs het strand; Marine insurance =
zeeassurantie; Marine law = zeerecht; Marine store dealer = soort
scheepstagrijn; Blue marines = matrozen artillerie; Red marines =
marine infanterie; Mercantile (Naval) marine = koopvaardijvloot (de
marine); Mariner, marinə, zeeman, matroos: Master mariner = kapitein.
Mariolatry, mêriolətri, Maria-vereering.
Marionette, mariənet, marionet (ook fig.).
Marish, mariš, subst. moeras; adj. drassig.
Marital, marit’l, echtgenoots - -, echtelijk: I have no sympathy with
marital wrongs = voel niets voor mannengrieven.
Maritime, marit(a)im, zee - -, marine - -, maritime - -, strand - -:
Maritime Alps = de Zee-alpen; Maritime commerce (Maritime trade) =
zeehandel; Maritime insurance = zeeassurantie; Maritime power =
zeemacht.
Marjoram, mâdžər’m, marjolein.
Marjoribanks, mâtšbaŋks; Mark, mâk, Marcus.
Mark, mâk, subst. merk, teeken, blijk, baak, striem, nerf, stempel,
spoor, doelwit, kruisje (van iemand, die niet kan schrijven), aanzien,
gewicht, handelsmerk, nummer, prijs, cijfer; Mark verb. merken,
noteeren, opschrijven, stempelen, punten geven, markeeren, maat slaan,
onderscheiden, letten op, scherp onderzoeken, uitpikken, etc.: Above,
below the mark = te hoog, te laag; You are beside the mark = gij zijt
de plank mis; Near the mark = het doel nabij; A man (names) of mark =
van beteekenis; That (He) is not up to the mark = beneden peil, kan er
niet door; Wide of the mark = geheel mis; Mark of the beast (Zie
Openbaring XIX, 19); High-(Low-)water mark = hoog (laag) waterpeil;
Load mark = lastlijn, diepgang; He left his mark on the country = de
invloed van zijne persoonlijkheid doet zich nog gevoelen; That man will
make his mark = zal van zich doen spreken; God bless (save) the mark =
God betere het (iron.); Mark my words (= Mark me) = let op mijne
woorden; To mark time = den pas markeeren; They were marked out for
destruction = ten doode opgeschreven; To mark with a hot iron =
brandmerken; One of the marked men of his age = groote mannen van zijn
tijd; It would look marked if you stayed away = het zou erg in ’t oog
vallen; Marker = aanschrijver, teller, marqueur, vleugelman, fiche;
Marking-ink = merkinkt: Marking-iron = brandijzer; Marking-list =
cijferlijst (School); Marksman = scherpschutter.
Market, mâkit, markt, marktplaats (bezoek), navraag, aftrek,
marktprijs, voordeel; Market verb. de markt bezoeken, op de markt
koopen of verkoopen: In the market = voorhanden, aanwezig; Clerk of the
market = marktmeester; There is no market for = wordt niet gevraagd; To
find (meet with) a ready market = gereeden aftrek vinden; To make
market out of = profijt trekken van; Good wares make quick markets =
goede waar is half verkocht; It was put upon the market = openbaar ten
verkoop aangeboden; They looked like devils who were marketing a corpse
= die om een lijk dobbelden; Market-bell; Market-cross = kruis op een
markt (vroeger symbool van het marktrecht); Market-day; Market-dues =
marktgelden; Market-garden = moestuin; Market-gardener = hovenier,
gaardenier; Market-hall = hal; Market-merry = licht aangeschoten na de
markt; Market-place = marktplein; Market-porter = marktbediende;
Market-price (Market-rate) = marktprijs; Market-report = marktbericht;
Market-rigging = beursmanoeuvre; Market-stall = stalletje; Market-town
= stad met het recht eene weekmarkt te houden; Marketable =
verkoopbaar; Marketing = marktbezoek, marktvoorraad.
Marl, mâl, subst. mergel; stof, aarde; Marl verb, bemesten; marlen
(scheepst.); Marl-pit = mergelgroeve; Marlaceous = mergelachtig.
Marlborough, môlbrə; mâlbərə (als plaatsn.).
Marline, mâlin, marlijn; Marline-spike of Marling-spike = marlpriem.
Marlow(e), mâlou.
Marly, mâli, mergelachtig, mergel ...
Marmalade, mâmeleid, marmelade.
Marmoratum, mâməreit’m, marmercement; Marmoreal, Marmorean, mâmôriəl,
mâmôriən, marmerachtig, marmer...
Marmot, mâmət, marmot.
Maronites, marənaits, Maronieten (godsd. sekte aan den Libanon).
Maroon, mərûn, kastanjebruin.
Maroon, məûn, weggeloopen slaaf (West-Ind.); Maroon verb. iemand op een
onbewoond eiland opzettelijk achterlaten; wegloopen, rondboemelen: A
marooning party = een gezelschap, dat een uitstapje maakt van eenige
dagen en kampeert in de open lucht.
Marplot, mâplot, spelbreker; zie Mar.
Marque, mâk: Letters of marque = kaperbrieven.
Marquee, mâkî, groote tent.
Marquet(e)ry, mâkətri, ingelegd werk.
Marquis, mâkwis, markies; Marquisate, mâkwisit, markisaat.
Marriage, maridž, huwelijk(splechtigheid): By marriage = aangetrouwd;
One marriage makes a-many = van bruiloft komt bruiloft; To ask in
marriage = ten huwelijk vragen; Marriage-articles =
huwelijksvoorwaarden; Marriage-certificate = trouwakte;
Marriage-contract = huwelijkscontract; Marriage-favours = witte
strikken of linten, bouquet witte bloemen bij een bruiloft gedragen;
Marriage-licence = huwelijksvolmacht; Marriage-lines = huwelijksbewijs;
Marriage-portion = huwelijksgift; Marriage-ring = trouwring:
Marriage-service = de liturgie bij het kerkelijk huwelijk; Marriage-vow
= huwelijksgelofte; Marriageable = huwbaar; Marriageables = huwbaren;
Married: Newly married couple = jonggehuwden; Married life (state).
Marrow, marou, merg, kern, pit: Vegetable marrow = mergpompoen; To go
by the marrow stage = te voet gaan; Marrowbone = mergpijp; Marrowbones
= knieën (Zie Cleaver): Down on your marrows = op je knieën! Marrowfat
= mergvet; Marrowfat pea = groote erwt; Marrowless; Marrowy.
Marry, mari, trouwen, huwen, uithuwen: Marry in haste, repent at
leisure = snel getrouwd, lang berouwd; He married below his station =
beneden zijn stand; Is your brother a married man? No, he is not a
marrying man = is uw broer getrouwd? Neen, dat is geen man om te
trouwen.
Marry, mari, verbastering van Mary: Marry, you are right = waarachtig
je hebt gelijk.
Mars, mâz, Mars (oorlogsgod, planeet).
Marsala, mâsâlə, Siciliaansche wijn.
Marseilles, mâseilz.
Marsh, mâš, drassig land, moeras: Marsh-fever = malaria; Marsh-fire =
dwaallicht; Marsh-gas = moerasgas; Marsh-mallow = gewone heemst;
Marsh-marigold = dotterbloem; Marsh-parsley = selderie; Marshiness,
subst. v. Marshy = drassig, dras ...
Marshal, mâšəl, subst. maarschalk; ceremoniemeester; schout, i.e. hoofd
van een Amerikaansch Judicial District, overeenkomend met een Sheriff
in Engeland; Marshal verb. rangschikken, scharen, ordenen, rangeeren
(Amer.): Earl Marshal = opperceremoniemeester aan het Eng. hof
(erfelijke waardigheid in het geslacht Norfolk); Marshalship.
Marshalsea, mâšəlsî, vroegere gevangenis voor gijzelaars in Londen
(Southwark).
Marsupial, mâsiûpiəl (Mv. Marsupialia, mâsiupieiljə), subst.
buideldier; adj. buideldragend, beursvormig; Marsupium = buidel van de
Marsupialia.
Mart, mât, subst. markt, marktplaats; Mart verb. verhandelen,
schacheren.
Martello(tower), mâtelou(tauə), gewelfde, ronde kusttoren, kustfort.
Marten, mât’n, marter(-vel).
Martial, mâš’l, krijgshaftig, krijgs....: Court Martial = krijgsraad;
Martial law was proclaimed in the country = de krijgswet werd
afgekondigd; Martial music.
Martin, mâtin, zwaluw: Bank martin = oeverzwaluw; House martin =
huiszwaluw; St. Martin’s Day = 11 Nov.; (St.) Martin’s Summer =
Martinmas summer.
Martinet, mâtinet, dienstklopper: He gives himself martinet airs; He
has a touch of the martinet = is een echte dienstdoener; Martinetism =
dienstklopperij.
Martingal, mâtiŋgal, Martingale, mâtiŋgeil, springteugel; doove Jut
(Scheepst.); voortdurende verdubbeling van den inzet: He played the
martingal on fate = bond een wanhopigen strijd aan tegen.
Martinmas, mâtinmas, St. Maarten (Nov. 11): Martinmas summer = mooie
dagen laat in den herfst.
Martyr, mâtə, subst. martelaar; Martyr verb. den marteldood doen
sterven, martelen: I’m quite a martyr to the gout = lijd
verschrikkelijk aan; Martyrdom = martelaarschap; Martyrology,
mâtirolədži, geschiedenis of lijst van martelaren.
Marvel, mâv’l, subst. wonder; Marvel verb. zich verbazen, benieuwd
zijn: It is a marvel of cheapness = wondergoedkoop; Marvel of Peru =
bonte wonderbloem; I marvel where he can be = ik wou wel eens weten
waar hij is; Marvellous = wonderbaar; subst. Marvellousness.
Mary, mêri, Marie: Mary Janes = dienstboden; A Hail Mary = Ave Maria;
Maryland, mêrilənd, merilənd; Marylebone, maribən, maribən; Marymas,
mêrimas, Maria Boodschap (25 Maart).
Mascle, mask’l, ruitvormig stuk op een geschubd pantser; open ruit
(Herald.); Mascled.
Mascot(te), maskot, mascotte.
Masculine, maskjulin, mannelijk, krachtig, flink, onvrouwelijk,
brutaal; subst. Masculineness = Masculinity.
Mash, maš, subst. mengelmoes, mengvoer, brouwsel; liefje, minnaar,
vlam; Mash verb. vermengen, fijn stampen, mout verdunnen, verliefd
worden op, het hoofd op hol maken; gek zijn op; den fat uithangen: Mary
is mashed on you = verkikkerd op je; Masher = damesgek, fat; soort
boord; Mashy = papperig.
Mashie, maši, een ijzeren kolf bij het golfspel.
Mashonaland, məšounəland.
Mask, mâsk, subst. masker, maskerade(pak), gemaskerde, dekmantel,
scherm, vossekop, voorwendsel, draai; Mask verb. (zich) maskeeren,
vermommen, bedekken: Mask(ed)-balls; Masker = gemaskerde.
Maslin, mazlin, subst. messing: Maslin kettle = ketel daarvan gemaakt.
Mason, meis’n, steenhouwer, vrijmetselaar; Mason verb. metselen,
steenhouwen; Masonic, məsonik, maçonniek: Masonic emblems, jewels =
vrijmetselaars-insignes; Masonic hall (lodge) = loge; Masonry =
metselaarswerk, vrijmetselarij.
Masque, mâsk, Masquerade, maskəreid, Zie Mask.; Masquerader.
Mass, mâs, massa, troep, hoop, gesloten formatie van cavalerie, brigade
kolonne van infanterie; Mass verb. (zich) tot een massa verzamelen: The
masses and the classes = het volk en de aristocraten; A mass of
information = groote hoeveelheid kennis; The Boers are massing in
entrenched positions; Mass-meeting = algemeene bijeenkomst; Massiness,
subst. v. Massy = omvangrijk, zwaar, in massa.
Mass, mas, mis: To attend (the) mass, To go to mass; To say mass = de
mis lezen; High (Low, Morning) mass = hoogmis (stille mis, vroegmis);
Mass-book.
Massachusetts, masətšûsəts.
Massacre, masəkə, subst. moord, bloedbad; Massacre verb. in het wilde
moorden.
Massage, masidž, masâž, massage: Massagist, masâdžist, masseur.
Masseter, masîtə, kauwspier.
Masseur, Masseuse, beide Fr. uitspr.
Massinger, masinžə.
Massive, masiv, massief; subst. Massiveness.
Mast, mâst, subst. mast; vrucht van eik of beuk, eikels, beukenoten;
Mast verb. van masten voorzien; mesten: He has served before the mast =
als gewoon matroos gediend; The flag floated at halfmast-high = woei
halfstok; Mast-beam = zeilbalk; Mast-head = subst. top van den mast;
Mast-head verb. in top hijschen; voor straf naar boven in den mast
zenden; Mast-hoop = band of hoepel om den mast; Masted: Four masted
vessel = schip met 4 masten = Four-master; Mastless = zonder masten.
Master, mâstə, subst. meester, vader (v. armhuis, etc.), heer, baas,
“vrind”, eigenaar, jongeheer, magister, kapitein of gezagvoerder; adj.
voornaamste, hoofd - -, meester - -; Master verb. vermeesteren, meester
worden, overwinnen, temmen: The master and matron of a workhouse =
vader en moeder; Under-master = ondermeester; He is a master at it =
hij is het meester; Master of the horse = stalmeester; Master of (the)
(Fox)hounds = jagermeester van een vossenjachtclub; Master-at-arms =
provoostgeweldiger; Master-builder = bouwmeester; Master-hand =
meesterhand; Master-key = looper; Master-man = opzichter, baas;
Master-mariner = gezagvoerder: Master-mason = meestersteenhouwer;
Mastermind = buitengewone geest, supérieur mensch; Masterpiece =
meesterstuk; Master-spring = hoofdveer; Master-stroke = meestertrek,
meesterstuk; Master theme = hoofdthema; Masterwork = meesterstuk;
Masterdom = heerschappij; Masterful = bazig, despotisch; Masterhood =
meesterschap; Masterless = zonder meester; Masterliness, subst. v.
Masterly = meesterlijk, meesterachtig; Mastership = meesterschap,
meerderheid; leeraarschap: The French mastership = betrekking van
leeraar in het Fransch; Mastery = heerschappij, grootere
voortreffelijkheid, meerderheid, voorrang: To gain (get, obtain) the
mastery = de overhand winnen, heerschappij verkrijgen, onderwerpen.
Mastic, mastik, mastik, mastikboom (= Mastic-tree); Mastic-cement.
Masticate, mastikeit, kauwen, fijn snijden; subst. Mastication;
Masticator = hakmachine; Masticatory = kauw - -.
Mastiff, mastif, bulhond, kettinghond.
Mastodon, mastədon, mastodont.
Mat, mat, subst. mat, grof vlechtwerk; Mat verb. met matten beleggen,
dooreen vlechten, verwarren, in de war zijn of raken: She rubbed her
boots on the mat = veegde af; His matted hair = verward haar; He was
mattedly unkempt = ongekamd, met verwarde haren; Mat-grass =
borstelgras; Matting = matten, matwerk, stof voor matten.
Mat, mat, dof, mat; subst. wit metaal, matbijtel; Mat verb. matteeren;
Mat-gold = matgoud.
Matabele, matəbîl.
Matador(e), matədö, matədö, matador.
Match, matš, subst. zwavelstok, lucifer, lont; weddenschap, wedstrijd,
partij, partuur, gelijke, paar, span; huwelijk; adj. bij elkaar
passend; Match verb. paarsgewijze vereenigen, verbinden, iets passends
uitkiezen, evenaren, opgewassen zijn tegen, zich meten, passen bij: Is
it a match? = wedden? It is a match! = top! The match will not come off
= de wedstrijd gaat niet door; I am no match for him = ben niet tegen
hem opgewassen; He is a match for them all = hij staat ze allemaal; He
is more than a match for you = je de baas; To light (strike) a match =
een lucifer aanstrijken; You two are well matched = jullie beiden hoort
net bij elkaar; This matches it nicely = komt er mooi bij; To match
pennies = pennies opgooien (dobbelen); Not to be matched (Vergel.:
Match to none) = onvergelijkelijk; To be ill-(well-)matched = slecht
(goed) bij elkaar passen; Match-box = lucifersdoosje; Match-girl =
meisje dat lucifers verkoopt; Matchlock = snaphaan; Match-maker =
lucifersfabrikant; koppelaar(ster): She is a match-making woman = zij
mag graag zoo’n beetje koppelen; Match-wood = hout voor zwavelstokken,
splinters: The carriage collapsed like match-wood = viel in elkaar als
tonder; Matchable = vergelijkbaar; Matchless = onvergelijkelijk; subst.
Matchlessness.
Mate, meit, subst. maat, kameraad, helper, echtgenoot(e), mannetje,
wijfje; Mate verb. vereenigen, trouwen, paren: Chief mate = eerste
stuurman; Cook’s mate = koksmaat; Mating-season = paartijd.
Mate, meit, mat (schaakspel); Mate verb. mat zetten.
Mater, meitə, moeder, “ouwe vrouw”.
Material, mətîriəl, subst. (bouw)stof, materiaal; adj. stoffelijk,
lichamelijk, gewichtig, belangrijk, materialistisch: He bought the
house for its materials = voor afbraak; That is material to your
welfare = van ’t hoogste belang voor uw welzijn; His health improves
materially = gaat hard vooruit; They were left materially undisturbed =
in hoofdzaak met rust gelaten; Materialism = materialisme; Materialist;
Materialistic = materialistisch; Materiality, matirialiti =
stoffelijkheid; Materialization = verstoffelijking; Materialize =
verstoffelijken, realiseeren, stoffelijk voordeel (of resultaat)
opleveren; een stoffelijken vorm aannemen: All our announcements and
posters have failed to materialize = al onze advertenties en
aanplakbiljetten hebben niets gegeven; Materialness = Materiality.
Maternal, mətɐ̂n’l, moederlijk, moeder.., van moederszijde; Maternity =
moederschap: Maternal-hospital = kraaminrichting.
Mathematic(al), mathimatik(’l), wiskundig: Mathematical master =
leeraar in de wiskunde; Mathematician, mathimətiš’n, wiskundige;
Mathematics = wiskunde: The higher mathematics.
Mather(s), madhə(z), Mathew, mathjû.
Matie, meiti, maatjesharing.
Matins, matinz, vroegdienst, metten; Matinee, matinei, matinée;
morgenjapon.
Matricidal, meitrisaid’l, matrisaid’l, moedermoord betreffend;
Matricide, meitrisaid, matrisaid, moedermoord(er).
Matriculate, mətrikjuleit, immatriculeeren, (zich laten) inschrijven in
de matricula (= naamlijst); subst. Matriculation.
Matrimonial, matrimounj’l, huwelijks...: Matrimonial agents;
Matrimonial duties = huwelijksplichten; He is matrimonially inclined
towards her = wenscht haar tot zijne vrouw; Matrimony = huwelijk,
huwelijke staat.
Matrix, meitriks, matriks, baarmoeder, matrijs, de vijf eenvoudige
kleuren bij het wolverven (zwart, wit, blauw, rood en geel).
Matron, meitr’n, matrən, matrone, deftige dame, directrice van eene
instelling of inrichting; Matronage, meitrənidž, matrənidž, de
gezamenlijke matrons, moederlijke zorg; Matronal = matroneachtig; adj.
bejaard; Matronhood = Matronage; Matronize = als oudere dame (of
moeder) eene jonge vergezellen; Matronlike = Matronal = Matronly;
Matronship.
Matter, matə, subst. stof, zelfstandigheid, onderwerp, voorwerp, zaak,
gewicht, etter, kopij (drukkerij), enz.; Matter verb. van belang zijn:
What is the matter = wat is er, scheelt er aan? There is always
something or other the matter with him = hij heeft ook altijd wat; It
is a matter of five pounds = zoo wat 60 gld.; That is a matter of
course = dàt spreekt vanzelf; Matter of fact = daadzaak: As a matter of
fact = feitelijk; He is a matter-of-fact person = door-en-door
practisch, nuchter; That is a great matter = dat is van groot gewicht;
It is not a matter of pence but principle = niet om de knikkers, maar
om ’t recht van ’t spel; I might go there for that matter, for the
matter of that = wat dat aangaat; No matter = het kan niet schelen; It
is no matter of mine = ’t gaat mij niet aan; No such matter = niets
daarvan; The subject matter = stof, inhoud; It does not matter = het
kan niet schelen; It matters to us all = is van belang voor ons allen;
It cannot greatly matter = het doet er niet veel toe; Matterful = van
gewicht, kracht of beteekenis.
Matthew, mathjû; Matthias, məthaiəs.
Mattock, matək, houweel.