vergrooten, verheerlijken: Magnifiering-glass = vergrootglas.
Magniloquence, magniləkwens, grootsprekerij, bombast; adj.
Magniloquent, magniləkwent.
Magnitude, magnitjûd, grootte, omvang, belangrijkheid.
Magnolia, magnouljə, magnolia.
Magnum, magn’m, dubbele flesch (± 2 L.): Magnum bonum, magn’mboun’m,
soort van groote pen, pruim of aardappel.
Magog, meigog, groote reus (1 Mos. X, 2).
Magot, magot, məgou, magot (aap, Chineesch poppetje).
Magpie, magpai, ekster, babbelkous, halfpenny, schot in den buitensten
ring.
Magus, meigəs, Magiër, Wijze uit het Oosten.
Magyar, madjâ, mədžâ, Magyaar(sch).
Mahabharata, mahâbârətə, een Indisch epos.
Maharajah, maharâdžâ, Maharadsja (titel).
Mahatma, mahatma, Boeddhistisch priester, theosoof.
Mahdi, mâdi, Madhi; Madhist, aanhanger van den Madhi; Mahdism = zijne
leer.
Mahlstick, mâlstik = Maulstick.
Mahogany, məhogəni, mahoniehout; (eet)tafel: To be under the mahogany =
onder de tafel liggen (dronken); To have one’s feet under another man’s
mahogany = aan een andermans tafel zitten, over eens anders hulpbronnen
beschikken.
Mahomet, məhomət, Mahomed; Mahometan = Mohammedan.
Mahon, məhoun, məhûn.
Mahori, mâhəri, Maori.
Mahout, məhaut, məhût, olifantdrijver (Brit. Indië).
Maid, meid, maagd, meid, meisje: Children’s maid; Housemaid = tweede
meid; Ladies’ maid = kamenier; Parlour maid = binnenmeid; Thorough maid
= flink; Maid of honour = hofdame; Maid of all work = meid alléén;
Maid-servant = dienstmeid; Maiden, subst. maagd, meisje, waschmachine;
adj. maagdelijk, rein: Maiden assizes = zittingen zonder crimineele
zaken; Maiden aunt = ongetrouwde tante; Maiden auntish: The book is
irreproachable to a maiden auntish extent = eene ongetrouwde tante kan
er zelfs niets op aanmerken; Maiden effort = eerste poging; Maiden name
= de eigen naam van eene getrouwde vrouw; Maiden speech = eerste
redevoering van een nieuw parlementslid; Maiden stakes = wedstrijd of
de prijzen voor paarden, die voor ’t eerst uitkomen; Maidenhair =
venushaar; Maidenhead = Maidenhood = maagdelijkheid; Maidenliness,
subst. v. Maidenly = jonkvrouwelijk, zedig.
Maieutic, mei-jûtik, geboorte bevorderend, ontwikkelend.
Mail, meil, subst. maliënkolder; brievenzak, brievenpost; Mail verb,
bepantseren; met de post verzenden, op de post doen (Amer.): Coat of
mail = pantserhemd; Mail-bag = brievenzak; Mail-boat = pakketboot;
Mail-cart = postkar; sportkar; Mail-clad = bepantserd; Mail-coach =
postwagen; Eng. koets, met zitplaatsen boven op en met 4 paarden
bespannen; Mail-day; Mail-horse = postpaard; Mail-line = Mail-route;
Mail-stage = postwagen (Amer.); Mail-steamer = postboot; Mail-train =
posttrein; Mail-van = postwagen; Mailable = wat per post kan worden
verzonden (Am.); Mailed = gepantserd, geschubd, met schilden, gevlekt.
Maim, meim, subst. verminking; Maim verb. verminken, schenden.
Main, mein, voornaamste; subst. geweld; voornaamste deel, hoofdbuis,
hoofdkabel, oceaan, wedstrijd tusschen hanen, (hooge) worp, inzet, het
gemiddelde der te werpen oogen: By main force = met kracht en geweld;
The main body of an army = de hoofdtroep; He has an eye to the main
chance = hij let op No. 1, hij is een egoist; In (on) the main = in
hoofdzaak; He is honest in the main = over ’t geheel genomen; With
might and main = met alle macht; Mains and service-pipes = hoofd- en
zijgeleidingen; To turn off the gas at the main = de hoofdkraan
dichtdraaien; To turn on the main = beginnen te schreien (iron.);
Main-boom = giek, zeilboom; Main-deck = opperdek; Mainland = vaste
land; Main lines and branch lines of a railway = hoofd- en zijlijnen
van een spoorweg; Mainmast = groote mast; Main-pipe = hoofdbuis;
Main-road = hoofdweg; Mainsail (meins’l) = grootzeil; Main-sheet =
groote schoot; Main-shroud = groot want; Mainspring = groote veer,
hoofdader, hoofdmotief, hoofdbron, etc.; Main-stay = groot stag;
voornaamste steun; Main-street = hoofdstraat; Main-top = groote mars;
Main-topgallant = grootbram - -; Main-topsail = grootmarszeil;
Main-yard = groote ra; Mainly = voornamelijk, krachtig.
Mainprize, meinpraiz, borgtocht, loslating onder borgtocht; het bevel
hiertoe.
Maintain, m’ntein, meintein, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen,
onderhouden, houden, beweren, volhouden; Maintainable = houdbaar;
Maintainer = behouder, verzorger, behoeder, verdediger; Maintenance,
meintən’ns, handhaving, onderhoud, verdediging: Cap of maintenance =
staatsiemuts of -baret, vóór den koning of hooge ambtenaren uitgedragen
als teeken van waardigheid.
Mainwaring, manəriŋ.
Maize, meiz, maïs; Maizena, meizînə, maïsmeel.
Majestic, mədžestik, majestueus: Majesty, madžəsti, majesteit,
grootschheid, verhevenheid: His (Your) Majesty.
Majolica, mədžolikə, majolica.
Major, meidžə, subst. majoor, meerderjarige, oudere, eerste term van
een syllogisme; adj. grooter, meerder, meerderjarig: Major-domo =
opper-hofmeester; bestuurder; oppasser; Major-general =
generaal-majoor; Major-premiss, hoofdpræmisse; Major-term = major (d.i.
de term, die het prædicaat der conclusie vormt); Majorship =
majoorsrang; Majority, mədžoriti, meerderheid, majoorschap,
meerderjarigheid: To carry the majority, To have a majority = de
meerderheid hebben; To have the majority on one’s side; The Army
Estimates were voted by a sweeping majority = de Begrooting van Oorlog
werd met eene verpletterende meerderheid aangenomen; To go (pass) over
to the great majority = sterven = To join the majority.
Majorca, mədzökə.
Majuscule, mədžɐskjûl, hoofdletter.
Make, meik, subst. vorm, gedaante, maaksel, snit; Make verb. maken,
vervaardigen, scheppen, voortbrengen, bereiden, aanleggen, benoemen,
bedragen, noodzaken, dwingen, doen, verdienen, africhten, nabijkomen,
naderen, etc.: That is painful to my natural make = doet mijne natuur
geweld aan; A heart of his make = v. zijne soort; To make no account of
= geringschatten; He will never make a good actor = worden; To make
amends = excuus maken; To make a bed = opmaken; To make one’s bread =
zijn brood verdienen; Milk makes both butter and cheese = levert; To
make a call = een visite maken; To make a contract = sluiten; Wool
makes warm clothing = vormt; That does not make the least difference =
kan niets schelen; I have made a good dinner = flink gegeten; To make
no doubt of = niet twijfelen aan; To make an end of = een eind maken
aan; To make a long (wry) face = een lang (zuur) gezicht trekken; To
make a fool of = voor den gek houden; To make a guess at = raden naar;
To make haste = zich haasten; To make headway = vooruitkomen; I will
make you a good husband = een goede man voor je zijn; To make an island
= naderen, komen in het gezicht van; To make a fair living = behoorlijk
veel geld verdienen; To make love to = het hof maken; To make a mess of
= bederven, verknoeien; To make misschief = onheil stichten,
intrigeeren; To make the ocean = in zee steken; To make peace =
sluiten; Will you make a pen for me? = vermaken; He has made his pile =
een ‘bom’ geld verdiend; To make the port = in het gezicht krijgen,
binnenloopen; To make a promise = doen; To make provisions for =
voorzorgen treffen; To make sail = bijzetten; To make a speech =
houden; To make a stand = halt houden, standhouden; I have just made
the steamer = nog net gepakt, gehaald; To make a stranger of = als een
vreemde behandelen; To make one’s toilet = maken; To make war against =
oorlog voeren; To make water = lekken; Make way there! = uit den weg
daar! I made the best of my way home = begaf mij zoo gauw mogelijk; He
made the weight 17 pounds = schatte op; I will not make any more words
about it = er geen woord meer over verliezen, niet langer over
kibbelen; I make bold to observe = ben zoo vrij; He makes free with my
wine = doet alsof het zijn wijn is; To make good = vergoeden, houden,
handhaven, rechtvaardigen, verdedigen, verantwoorden; To make good a
promise = houden; To make good one’s reputation = handhaven; I make the
sum larger than you do = houd voor grooter; To make light of a thing =
licht opvatten; We have made rather merry to-day = vrijwat pret gehad;
You make merry with me = houdt me voor ’t lapje; He made no more of the
dog than if he had been a lamb = gaf niet meer om; To make much of =
veel ophebben met; The riders made much of their horses after the
charge = liefkoosden; He makes sure of it = hij acht het zeker; I will
make sure of it = er mij van vergewissen; To make believe = doen
gelooven, doen alsof; A make-believe = voorwendsel; It made me laugh =
deed me lachen; That will make against your plan = benadeelen; They
made after the deer = vervolgden het hert; The king made away with his
enemies = ruimde uit den weg; It was made away with = verloren,
gestolen, etc.; They made away with the soup = aten de soep op; To make
down a dress = vermaken; The ship makes for the harbour = zet koers
naar; That makes for peace = leidt tot; What has he to make in the
matter? = te maken; He made the warehouse into a ball-room =
veranderde; I do not know what to make of it = kan er geen touw aan
vastmaken; I cannot make that man out = ik begrijp, “snap”, dien man
niet; He made out on me for £ 8 = trok een wissel op mij van; You can
make out the steeples here = duidelijk onderscheiden; A skilful
defender might perhaps make out a case for him = kon hem misschien
vrijpleiten; He made out the account = schreef; He made over his
property to his cousin = schonk, droeg over; A made-over black silk =
vermaakte; Make-up = grimeeren; subst. grime, verkleeding, uitdenksel;
I say, you must make it up = zeg er eens, jullie moet elkaar de hand
(der verzoening) geven; You are making up to her = tracht u aangenaam
te maken, maakt haar het hof; All your money does not make up a guilder
= bedraagt nog geen; To make up one’s books = opmaken; To make up
medicine = klaarmaken; I have made it up for you = in orde gemaakt; He
could not make up lost ground = het verlorene niet herwinnen; He made
up to me = kwam op mij toe; The actor was made up beautifully = goed
gegrimeerd; We shall have to make up for lost time = moeten inhalen; To
make up a loss = een verlies vergoeden; I have made up my mind = ik ben
besloten; The proofsheet was not made up as yet = nog niet opgemaakt; A
made-up story = gefingeerd verhaal; He made as if he consented =
veinsde; Make-peace = vredestichter; Make-shift = behulp, stoplap: A
make-shift contrivance = iets om tijdelijk mee te behelpen; Make-weight
= aanvulling, toegift, stoplap, noodhulp; Maker = maker, vervaardiger,
dichter, Schepper; Making = vervaardiging: Of your own making = je
eigen schuld (fig.); That was the making of him = dat heeft er hem
bovenop geholpen; He has the makings of an excellent teacher = er
schuilt (zit) in hem; The makings of a small sweetstuff shop =
opbrengst, verdienste. Zie ook: Made.
Malabar, maləbâ, maləbâ; Malacca, məlakə; Malachi, maləkai, Maleachi.
Malachite, maləkait, malachiet.
Maladdress, malədres, onhandigheid, gebrek aan tact.
Maladjustment, malədžɐstm’nt, slechte regeling of inrichting.
Maladministration, malədministreiš’n, wanbeheer, wanbestuur.
Maladroit, malədroit, malədrôit, onhandig; subst. Maladroitness.
Malady, malədi, (slepende) ziekte, moreel gebrek, kwaal.
Malaga, maləgə, Malaga(wijn).
Malahack, maləhak, kneuzen (Amer.).
Malapert, maləpɐ̂t, adj. onbeschaamd, brutaal; subst. wijsneus,
brutaaltje.
Malapropism, maləpropizm, verkeerde toepassing van “stadhuiswoorden”,
een verkeerd toegepast “stadhuiswoord”; Malapropos, maləprəpou, te
onpas, ongeschikt.
Malar, meilə, subst. kaak; adj. tot de kaak toebehoorende; kaak ...
Malaria, məlêriə, moeraskoorts, schadelijke moerasdamp; Malarial fever;
Malarian = Malarious = met schadelijke dampen bezwangerd, malaria
veroorzakend.
Malay, məlei, Maleier; ook Maleisch = Malayan; Malcolm, malkəm.
Malconformation, malkonfəmeiš’n, wanverhouding, misvorming.
Malcontent, malkəntent, subst. en adj. ontevreden(e); Malcontented,
malk’ntentid.
Malden, mold’n; Maldesen, môlds’n; Maldives, maldaivz, maldaivz,
Maladiven; Maldon, môld’n.
Male, meil, subst. mannetje; adj. mannelijk: Male issue = mannelijk
oir; Male rime = mannelijk of staand rijm; Male screw = vaarschroef.
Malediction, malidikš’n, vervloeking; adj. Maledictory.
Malefactor, malifaktə, malifaktə, boosdoener; Malefic = kwaadaardig,
schadelijk; Maleficence = boosaardigheid; Maleficent = boosaardig.
Malevolence, məlevəlens, kwaadwilligheid; adj. Malevolent.
Malfeasance, malfîz’ns, onwettige handeling, kwade praktijken.
Malformation, malfəmeiš’n, misvormdheid; adj. Malformed.
Malice, malis, boosaardigheid, haat, vijandigheid: He did it of malice
prepense (malice aforethought) = met voorbedachten rade; He bears no
malice = is niet haatdragend; To bear malice to = een wrok koesteren
tegen; Malicious, məlišəs, kwaadwillig, boosaardig; subst.
Maliciousness.
Malign, məlain, adj. nadeelig, kwaadaardig, onheilspellend, ongunstig;
Malign verb. benadeelen, gemeen behandelen, kwaad spreken van;
Malignance, məlign’ns = Malignancy, məlign’nsi, vijandigheid,
kwaadaardigheid; Malignant = kwaad-, boosaardig; ook subst.
kwaadwillige; Maligner, məlainə, lasteraar; Malignity = boosaardigheid,
kwaadaardigheid.
Malinger, məliŋgə, ziekte voorwenden; Malingerer = simulant.
Malkin, mô(l)kin: The kitchen malkin = keukenmeid.
Mall, môl, malie, malieklik, maliekolf, vroegere strijdhamer,
maliespel; Mall verb. maliën, in de maliebaan spelen.
Mall, mal, mel, openbare, beschaduwde wandelplaats.
Mallard, maləd, wilde eend.
Malleability, maljəbiliti, smeedbaarheid, rekbaarheid; adj. Malleable,
maljəb’l, ook fig.; subst. Malleableness; Malleation = het pletten,
hamerslag.
Mallet, malət, houten hamer; Malleus, maliəs, hamer (in het oor).
Mallow(s), malou(z), malva, kaasjeskruid.
Mallory, maləri; Malmesbury, mâmzb’ri.
Malmsey, mâmzi, malvezij.
Malodorous, maloudərɐs, stinkend; Malodo(u)r, maloudə, stank.
Malone, məloun.
Malpractice, malpraktis, kwade praktijk, overtreding; verkeerde med.
behandeling.
Malt, môlt, subst. mout, bier; ook adj.; Malt verb. mouten, tot mout
worden, bier drinken; Malt-drier = mouteest; Malt-floor = mouterij;
Malt-horse = paard van een moutmolen; suffer, domkop; Malt-house =
mouterij; Malt-kiln = (mout)eest; Malt-spirits = moutwijn; Maltster =
moutmaker; Malty = moutachtig, mout...
Malta, môltə: Knight of Malta = Johannesridder; Maltese, môltîz,
môltis, subst. Maltezer(s), hunne taal; adj. Maltezer: Maltese cross =
maltezerkruis; Maltese dog = kleine patrijshond met lang zijdeachtig
haar.
Malthus, malthəs; Malthusian, malthjûš’n, malthjûž’n, subst. en adj.
Malthusiaan(sch).
Maltreat, maltrît, ruw of slecht behandelen; subst. Maltreatment.
Malvern Hills, malvənhilz, de heuvels van M.
Malversation, malvəseiš’n, malversatie, kwade praktijk, verduistering.
Mameluke, maməl(j)ûk, Mameluk.
Mam(m)a, məmâ, mâmə (Amer.), mama: Mama’s headache = ma’s geheimzinnige
ziekte bij zekere gelegenheid.
Mammal, maməl, met borsten; subst. zoogdier; Mammalia, məmeiljə,
zoogdieren; adj. Mammalian, zoogdier...; Mammalogy = leer der
zoogdieren; Mammifer = zoogdier; Mammiferous = met tepels, zoogend.
Mammodis, mamədis, Brit.-Ind. sits; fijn lijnwaad.
Mammon, mam’n, Mammon: Mammon worship.
Mammoth, maməth, subst. mammoet; adj. reusachtig.
Mammy, mami, maatje; min (kleurlinge).
Man, man, subst. mensch, man, echtgenoot, manschap, knecht, vazal, stuk
(bij dam- of schaakspel); Man verb. bemannen, bezetten; zich vermannen
(oneself): A man ought to do his duty = men moet; The Old Man = de oude
Adam; de pipa, den “Ouwe”; I am my own man = ben mijn eigen baas; To a
man = éénparig, zonder uitzondering; The social relation of man and
wife; To become man and wife = worden; To come between man and wife; A
man or a mouse = alles of niets; He came to man’s estate = tot
mannelijken leeftijd; It is not in a man = dat kan een man niet; A man
about town = (aristocratische) losbol, “bon vivant”, iemand, die veel
uitgaat; A Man-at-arms = gewapend krijger (ruiter); Man in the moon =
het mannetje in de maan; Man in the street = de eerste de beste
persoon; A man of peace = vreedzaam mensch; He is a man of men =
voortreffelijk mensch; A man of straw = strooman; A Man-of-war =
oorlogschip; An East-India-man = Oostinjevaarder; He manned himself,
and did it = vermande zich; The sailors manned the ship, the shrouds,
the yards = paradeerden op de ra’s, in het want, op de ra’s; Man-child
= jongen; Man-eater = menscheneter; tijger, leeuw, soort haai, bijtend
paard; Man-engine = machine tot het ophalen en neerlaten van
mijnwerkers; Man-hater = menschenhater, mannenhaatster; Man-hole =
mangat; Man-milliner = handelaar in damesconfectie; Man-monster = half
menschelijk monster; Man-rope = valreep; Man-servant = bediende;
Manslaughter = manslag; Manslayer = moordenaar; Man-trap = voetangel;
gevaarlijke plaats (bijv. een open luik); weduwe (Amer.); Manful =
manhaftig; subst. Manfulness; Manhood = de menschelijke natuur,
mannelijkheid, manhaftigheid, mannelijke leeftijd; Manlike =
menschelijk, manhaftig; Manliness, subst. v. Manly = mannelijk,
manhaftig, kloek; Mannish = mannig, d.i. mannelijk in ongunstigen zin:
Mannish airs = mannelijke airs (van New Women).
Manacle, manək’l (gewoonlijk meerv.), subst. handboei; Manacle verb. de
handboeien aandoen.
Manage, manidž, besturen, behandelen, beheerschen, richten,
klaarspelen, zich redden: I hope I can manage it = dat ik het klaar
speel; He cannot manage the boys = geen orde houden; Manageable =
handelbaar, leerzaam (van dieren), goed (weêr); subst. Manageableness;
Management = bestuur, leiding, administratie, verstandig (slim)
optreden of handelen: Good management = handigheid, flinkheid; Manager
= bestuurder, leider, gérant, zetbaas, theaterdirecteur, chef van
tractie (bij de spoorwegen), curator; vr. manageress; managership;
Managing = bestuur; adj. besturend, bedrijfs - -, zuinig, overleggend,
slim: Managing clerk = procuratiehouder; Managing director =
bestuurder; Managing partner = besturend firmant; A managing woman =
flinke, zuinige.
Manakin, manəkin. Zie Man(n)i-kin.
Manby, manbi: Manby’s apparatus = vuurpijl (reddings)toestel.
Manchester, mantšəstə: Manchester School = partij van den vrijhandel;
Manchu, mɐntšû; Manchuria, mantšûriə.
Manciple, mansip’l, hofmeester, huisbestuurder.
Mandalay, mandəlei.
Mandamus, mandeiməs, bevelschrift van de Crown Side (= kamer v.
strafzaken) van de King’s Bench division of the High Court of Justice
inhoudend een bepaalde opdracht; ook verb.
Mandarine, mandərin, mandərîn, subst. Mandarijn, mandarijntje; adj.
edel, voornaam.
Mandatary, mandətəri, gevolmachtigde; Mandate = mandaat,
bevel(schrift), opdracht; Mandator = volmachtgever; Mandatory =
bevelend, voorschrijvend; subst. gevolmachtigde.
Mandible, mandib’l, (onder)kaak; Mandibular = onderkaaks...
Mandolin(e), mandəlin, mandoline.
Mandragora, mandragərə, Mandrake, mandreik, alruin, mandragora.
Mandrel, mandr’l, Mandril, mandril, spil, vormijzer, doorslag; (het
laatste woord) ook: mandril.
Manducatory, mandjukətəri = kauw...: Manducatory organs.
Mane, mein, manen: Mane of a helmet = pluim; Mane-comb = roskam;
Mane-sheet = bedekking voor het bovenste van een paardekop.
Manege, məneiž, rijschool, rijkunst.
Manequin, manəkin. Zie Manakin.
Manes, meinîz, schimmen der afgestorvenen; de onderwereld.
Manganese, maŋgənîz, maŋgənîs, maŋgənîz, maŋgənîs, mangaan.
Mange, meinž, schurft.
Mangelwurzel, maŋg’lwɐ̂z’l, mangelwortel.
Manger, meinžə, voerbak (trog); kribbe: He is a dog in the manger = hij
kan niet zien dat de zon in het water schijnt.
Manginess, meindžinəs, schurftigheid.
Mangle, maŋg’l, subst. mangel; Mangle verb. mangelen, klanderen;
verminken, havenen, verscheuren: His mother keeps a mangle = is
mangelvrouw; Mangler = mangelvrouw; hak-, schaafmachine.
Mango, maŋgou, mangoboom (vrucht).
Mangrove, mangrouv, mangliet of wortelboom.
Mangy, meindži, schurftig, schunnig.
Mania, meinjə, waanzin, manie; Maniac = waanzinnig, dol; ook subst.;
adj. Maniacal.
Manich(a)ean, manikîən, Manicheeër; Manicheism = de leer der M.;
Manichees, manikîz, Manicheeën.
Manicure, manikjûə, manicure; ook verb.
Manifest, manifest, openbaar, duidelijk; subst. manifest, vrachtlijst
(= Captain’s manifest, Ship’s manifest); Manifest verb. openbaar maken,
manifesteeren, betuigen, de vrachtlijst vertoonen: To manifest goods:
Manifestable = bewijsbaar; Manifestation = openbaring, manifestatie;
Manifestness = duidelijkheid: Manifesto, manifestou, manifesto,
publieke verklaring.
Manifold, manifould, adj. menigvuldig, talrijk, veelvuldig;
hectografische afdruk; Manifold verb. vermenigvuldigen, hectografeeren;
Manifold-writer = hectograaf; subst. Manifoldness.
Man(n)ikin, manikin, mannetje, ledepop, phantoom (Med.); adj.
dwergachtig, dwerg...
Manilla, manilə, Manilla; arm-(been-)ring: Manilla cigar, Manilla
fibre, Manilla hemp.
Maniple, manip’l, ⅓ eener cohorte (in het Rom. leger 60 man + twee
officieren en een vaandeldrager); manipel, band om den linkerarm van
een priester bij het misoffer; Manipular = tot een Romeinsch vendel
behoorend; Manipulate, mənipjuleit (met overleg, slim) behandelen;
telegrafeeren; Manipulation = manipulatie, handbeweging; Manipulative =
manipuleerend, behandelings - -; Manipulator; Manipulatory =
Manipulative.
Manitoba, manitəbâ.
Manitou, manitû, Indiaansche god, geest.
Mankind, mankaind, het menschelijk geslacht; (mankaind) alle mannen
(tegenover Womankind); de mannen (tegenover wife, bij de lagere
klassen).
Manna, manə, manna.
Manner, manə, manier, wijze, methode, gewoonte, stijl, mode: After his
sour manner = op zijn norsche manier; By no (Not by any) manner of
means = op geenerlei wijze, in geen geval; In this manner = op deze
wijze; In a (certain) manner = in zekere mate; In like manner =
evenzoo; No manner of = in ’t geheel geen; No manner of doubt = niet de
minste twijfel; Manners = gedrag, manieren, “mores”; It is not manners
to ask = past niet; I’ll teach him manners = ik zal hem manieren
leeren; Mannered = geaffecteerd; An ill-mannered young fellow = slecht
gemanierd; Some of his least mannered work = minst gemaniëreerd; There
is a mannerism about him = gemaaktheid; This writer’s mannerism =
gemaniëreerdheid; Mannerist = gemaniëreerd schrijver of persoon;
Mannerliness = welgemanierdheid: adj. Mannerly.
Mannite, manait, mannasuiker.
Manoeuver, Amer. voor Manoeuvre, mən(j)ûvə, subst. manoeuvre (ook
fig.); Manoeuver verb. manoeuvreeren, klaar spelen: He’ll manoeuver it
somehow; Manoeuverer = slimmerd.
Manometer, mənomətə, manometer; adj. Manometric(al).
Manor, manə, ambtsheerlijkheid, riddergoed: Manor-house, Manor-seat =
heerenhuis, slot; Manorial, mənôriəl, tot een riddergoed behoorende.
Mansard roof, mansədrûf, gebroken dak, waarvan het onderste gedeelte
het steilst helt.
Manse, mans, boerenwoning; pastorie (Schotl.).
Mansion, manš’n, groot heerenhuis, woning, huurkazerne: The
Mansion-house = het officieele verblijf van den Lord Mayor in Londen.
Mansuetude, manswitjûd, zachtheid, onderworpenheid.
Mantel, mant’l, mantel (Archit.); ook = Mantelpiece = schoorsteenmantel
= Mantelshelf; Overmantel = étagèrespiegel.
Mant(e)let, mant(ə)lət, manteltje; stormscherm, beweegbare borstwering;
Mantilla, mantilə, mantille.
Mantle, mant’l, subst. mantel, dekmantel, gloeikousje; Mantle verb.
bedekken, koken, gisten, schuimen, blozen, de vleugels uitspreiden (v.
valken).
Mantua, mantjûə, Mantua; wijde mantel (van ± 1850); Mantua-gown = wijde
japon; Mantua-maker = modiste; Mantuan = (inwoner) van Mantua; The
Mantuan Swan = Vergilius.