Loaf, louf, subst. brood: To look after the loaves and fishes = op

eigen belang bedacht zijn (Mark. VI. 38); Loaf-sugar, broodsuiker

(Vergel. Sugar-loaf = suikerbrood).

Loaf, louf, omloopen, rondboemelen; verboemelen (away): Loafing on

Mondays = Maandag houden; Loafer = leeglooper, luilak, landlooper.

Loam, loum, subst. leem; Loam verb. met leem bedekken; Loamy = leemig,

leem ...

Loan, loun, subst. het leenen, leening, geleend geld; Loan verb.

uitleenen (out): I begged him for a loan of five pounds = vroeg hem ter

leen; To lend the loan of = uitleenen; I put it out to loan = heb het

uitgeleend; Loan-office = leenbank, bank van leening; Loanword =

ontleend woord.

Loath, louth, ongeneigd, afkeerig, onwillig: To be loath to do a thing

= ongeneigd zijn; Nothing loath = gansch niet ongeneigd.

Loathe, loudh, walgen, verfoeien: Even hunger loathed such bad food =

ofschoon hongerlijdend walgde men van zulk slecht voedsel; Loathing,

subst. walging, afkeer = Loathingness; Loathsome, loudhs’m, walgelijk:

subst. Loathsomeness.

Lob, lob, subst. iets diks en zwaars, lobbes, lummel, domkop; geldlade;

bovenslag bij Lawn-Tennis; Lob verb. gooien, rollen, een bovenslag

maken; zich log bewegen; Lob-cock = botterik, lomperd.

Lobate, loubit, Lobed, loubd, in lobben verdeeld, uit lobben bestaande;

Lobation = lobbenvorming.

Lobby, lobi, subst. kleine voorzaal; wachtkamer, couloir (in ’t

Parlementsgebouw); foyer; Lobby verb. de lobby herhaald bezoeken om

steun te vragen van de leden; Lobby-member, Lobbyist = couloirlooper

(om invloed op de leden van het Congres (Parlement) uit te oefenen).

Lobe, loub, lob, lel (van het oor).

Loblolly, lobloli, haver (grutten)pap, soep, geneesmiddelen, lekkerbek;

adj. vertroeteld; Loblolly-boy = adsistent van den scheepsdokter.

Lobscouse, lobskcaus, gerecht bestaande uit pekelvleesch,

scheepsbeschuit, uien en aardappelen.

Lobster, lobstə, zeekreeft: He has boiled his lobster = is van

geestelijke soldaat geworden (omdat de donkere kreeft bij het koken

rood wordt, dus eene roode soldatenjas aan krijgt); Raw (Unboiled)

lobster = politieagent; Lobster-box = kazerne.

Lobular, lobjulə, gelobd; Lobule, lobjûl, kleine lob.

Local, louk’l, plaatselijk; subst. plaatselijk nieuwtje, lokaaltrein,

inwoner: Local colour = lokale kleur, waarheid en juistheid van

beschrijving; Local option = het stelsel waarbij over “vergunningen”

door stemgerechtigde inwoners wordt beslist; Local organ = plaatselijk

blad; Local time = plaatselijke tijd; Localism = eigenaardigheid van

(voorliefde voor) een plaats; Locality = ligging, localiteit (Amer.),

plaatselijkheid; Localization = localisatie; Localize = de plaats

bepalen, localiseeren.

Locate, loukeit, op eene bepaalde plaats zetten of leggen, opstellen,

naar een plaats verleggen, (doel) vinden, toewijzen; mijnen (gronden)

in bezit nemen, thuisbrengen, een plaats aanwijzen, gelegen zijn, wonen

(Amer.); zich vestigen; Location = plaats, woonplaats; veefokkerij,

boerderij (Austr.); verhuring, verpachting; aangewezen terrein;

Locative of Locative, (woord of naamval) plaats aanduidende; Locator =

iemand, die bezit neemt van een location, rechtmatig bezitter (Amer.).

Loch, lok, meer, zeearm; Lochaber, lokabə, lokâbə, district in het

graafschap Inverness: Loch-axe = strijdbijl der Hooglanders; Lochleven,

loklev’n, loklîv’n; Lochmaben, lokmeibən; Lochnagar, loknəgâ.

Lock, lok, subst. slot, haak, kluister, rem, belemmering, versperring,

omknelling (bij het kampvechten), slot (van een geweer), sluis (in een

kanaal); lok, krul, bosje, handvol; Lock verb. sluiten (met een

sleutel), omsluiten, dicht in de armen sluiten, remmen, stijf maken,

bevestigen, vastzetten (up), koppelen, stijf worden, zich (laten)

sluiten, grijpen in: He is under lock and key = achter slot en grendel;

Lock, stock and barrel = in zijn geheel; The ships were passed through

the lock = werden doorgeschut; The door was closed but not locked = de

deur was dicht maar niet op slot; Locked from without = van buiten

gesl.; Locked water = stilstaand water (eig. tusschen sluisdeuren); To

lock away = wegsluiten; To lock in = opsluiten; To lock out =

buitensluiten; gedaan geven; uitsluiten; ook subst.; To lock up =

opsluiten (milit.); vastzetten, steken in; subst. huis van bewaring;

Lock-box = partic. brievenbus aan een postkantoor; Lock-chain =

remketting; Lock-chamber = sluiskolk; Lock-dues = sluisgeld; Lock-gate

= sluisdeur; Lock-jaw = klem (in den mond); Lock-keeper = sluiswachter;

Lock-paddle = schuif (in een sluisdeur); Lock-smith = slotenmaker;

Lock-step = marcheeren in dicht gesloten gelederen; Lock-stitch =

kettingsteek; Lockage = sluiswerken; schutgeld; Locker = lade, kist;

Not a shot in the locker = geen geld in den buidel; Zie Davy Jones.

Locket, lokət, medaillon.

Lockian, lokiən, adj. van Locke, lok.

Locofoco, loukəfoukou, subst. zwavelstok, ultraradicaal; adj. zeer

radicaal (Amer.).

Locomotion, loukəmouš’n, beweging, plaatsverandering; Locomotive,

loukəmoutiv, plaatsveranderend, bewegings - -; subst. locomotief

(Amer.): Locomotive engine = locomotief; Locomotive organs =

bewegingsorganen.

Locust, loukəst, sprinkhaan; krekel, cicade (Amer.).

Locution, ləkjûš’n, spreekwijze, uitdrukking.

Lode, loud, sloot of waterafvoerkanaal; metaalader.

Lodestar, Lodestone, Zie Loadstar, etc.

Lodge, lodž, subst. portiershuis (bij een buiten), hut, optrekje, hol,

schuilplaats, loge, de leden eener loge, Indianenfamilie in één wigwam;

Lodge verb. plaatsen, leggen, tijdelijk huisvesten, herbergen, plaats

verschaffen, indienen, ingraven, zich nestelen, deponeeren, bevatten,

blijven zitten (steken), logeeren: The lodges of the beaver = holen; To

lodge a complaint (at, against, with) = een aanklacht indienen (te,

tegen, bij); To lodge information (against) = aangeven; Certificates

must be lodged with the committee = ingeleverd bij; I have lodged it in

my memory = opgenomen; Lodge-keeper = portier bij een landgoed;

Lodgeable = bewoonbaar; Lodger = bewoner (vooral van gehuurde kamers);

Lodging = logies: Lodgings = gehuurde kamer: Furnished lodgings;

Unfurnished lodgings; To live in (To stay at), To take lodgings;

Lodging-allowance = toelage voor huishuur; A lodging-bill was stuck up

in the window = verhuurbiljet; Lodging-house = huis waar men kamers

verhuurt, hotel garni; Lodgement = huisvesting, deponeering, ophooping:

The enemies secured a lodgement = kregen vasten voet.

Loft, loft, zolder, galerij of kraak, koor, verdieping, duiventil.

Loftiness, loftinəs, hoogte, verhevenheid, hoogmoed; Lofty = hoog,

verheven, voornaam, trotsch.

Log, log, subst. blok hout; log, scheepsjournaal; Log verb. in blokken

zagen (Amer.); opschrijven in het Log-book = scheepsjournaal;

schoolregister; Log-cabin = blokhuis; Log-canoe = boot van een

uitgeholden boomstam gemaakt; Log-headed = dom; Log-hut (Log-house) =

blokhuis; Log-line = loglijn; Logman = houthakker, knecht op een

zagerij; Log-reel = logrol; Log-roller = machine voor het laden van

hout op de schabels; iemand, die, in vereeniging met anderen, de

politiek tot bevordering der gemeenschappelijke belangen aanwendt;

Influential log-rollers tried to impose that nobody upon the public =

invloedrijke voorspraak trachtte het publiek dien “nul” op te dringen;

Log-rolling = wederzijdsche hulp (in de politiek), wederzijdsche

bewondering en aanprijzing (van letterkundigen en kunstenaars); Logwood

= campèche-hout; Logged = met blokken bevestigd; vol water; stilstaand

(van water); Logger = houthakker.

Logarithm, logərithm, logəridhm, logarithme; adj. Logarithmic(al),

logərithmik(’l).

Loggerhead, logəhed, domkop: They are at loggerheads = zij hebben

standjes; To come (get, fall) to loggerheads together = elkaar bij den

kop krijgen.

Loggia, lodžiə, loggia, soort vóórgalerij.

Logic, lodžik, redeneerkunde, logica; Logic-chopper = pedante

disputant; Logical = logisch; Logician = logicus.

Logography, ləgogrəfi, wijze van drukken, waarbij korte woorden of

lettergrepen uit één type (logotype) bestaan en dus niet als

afzonderlijke letters gezet worden.

Logomachist, ləgoməkist, haarkloover; Logomachy = haarklooverij.

Logos, logos, “Het Woord”, Christus.

Loin, lôin, lende(stuk): To gird up the loins = de lendenen omgorden;

Loin-cloth = lendendoek; Loin-steak = lendestuk.

Loiter, lôitə, dralen, treuzelen, talmen: To loiter about =

rondslenteren; He loitered away his time = verbeuzelde; Loiterer =

treuzelaar.

Loll, lol, lusteloos (lui, gemakkelijk) liggen, lummelen, (laten)

hangen uit (den bek): They lolled back in the carriage.

Lollard, loləd, lid eener sekte (14e eeuw); spotnaam van de volgelingen

van Wiclif; ketter.

Lollipop, lolipop, een snoeperij; lekkerbek.

Lollop, loləp, lui liggen; zich log bewegen, heen en weer geslingerd

worden.

Lombard, lombəd, lɐmbəd, Lombarde; adj. Lombardisch: It’s all Lombard

street to a China orange = tien tegen één; Lombardic = Lombardisch;

Lombardy = Lombardije.

Lomond, loumənd: Lake Lomond.

London, lɐnd’n, Londen; ook adj.: To carry to London = op handen dragen

(kinderspel); London-pride = porseleinbloempje; Londoner = Londenaar;

Londonese = Cockney dialect; Londonism = typisch Londensche

uitdrukking; Londonize = de eigenaardigheden van Londen navolgen,

Londensch maken.

Lone, loun, eenzaam, verlaten; Loneliness, subst. v. Lonely = alléén,

eenzaam, akelig, somber; Lonesome = eenzaam; subst. Lonesomeness.

Long, loŋ, adj. lang, gerekt, langdurig, vervelend: He is cleverer than

you by a long chalk = heel wat knapper; He cannot work a sum in long

division = kan geen lange deelsom maken; Long dozen = dertien; Long

figure = lang getal; Long firm = flesschentrekkersfirma; Long hand =

gewoon schrift; Long hundred = 120 stuks (haringen); I will accept long

odds against him = durf veel op hem wedden; It is long odds = het is

honderd tegen één; Long premium = hooge premie; Long price =

brutoprijs; hooge prijs; Long primer = klein romein (drukletter); You

got a long pull = meer bier dan je besteld of betaald hebt; He will

have to give it up in the long run = eindelijk, op den duur, ten lange

leste; To dress, to travel by long stages = op z’n dooie gemak; It is a

long way = een heel eind; I shan’t be long = ik blijf niet lang weg; He

is long saying what he intends = het duurt lang voor hij zegt; The

opportunity was not long in coming = liet zich niet lang wachten; To

take long = langen tijd noodig hebben; The long and short of it is,

that he went away = om kort te gaan; Long-boat = pinas; Long-bow: He

draws (pulls) the long-bow = schiet met spek; Long-breathed, loŋbretht

= lang van adem; Long-headed = vooruitziend, uitgeslapen; Longlegged =

langbeenig; Long-lived, loŋlaivd, langdurig: Ours is not a long-lived

family = onze familie wordt niet oud; Long-necked; Long-nosed;

Long-shoreman = baliekluiver; The long-shore fraternity =

baliekluivers; Long-sighted = vèrziend, sluw, slim: Long-sighted bill =

wissel op langen tijd; subst. Long-sightedness; Long-staple =

langdradig katoen; Long-suffering, subst. lankmoedigheid, geduld; adj.

lankmoedig, geduldig; Long-tail, subst. langstaart (van jachthonden);

Longs, fijne of adellijke lui; Chineezen, fazanten; adj. met ongekorten

staart; Long-tongued = praatziek, babbelachtig; Long-winded: A

long-winded speech = lange, vervelend gerekte redevoering; Longish =

wat lang: Longish bills = al lang staande rekeningen.

Long, loŋ, verlangen, hunkeren; Longing = verlangend, hunkerend; ook

subst.

Longevity, londževiti, lange levensduur, hooge ouderdom.

Longfellow, loŋfelou.

Longipennate, lonžipenit, met lange vleugels (zwemvogels).

Longirostral, lonžirostr’l, met langen snavel.

Long Island, loŋail’nd.

Longitude, lonžitjûd, geographische lengte; Longitudinal,

lonžitjûdin’l, lengte...

Loo, lû, subst. gezelschapskaartspel; Loo verb. elken trek winnen bij

dit spel: I am looed = ik heb geen enkelen trek; Loo-table =

speeltafel, elegante ronde tafel.

Looby, lûbi, lummel.

Loof, lûf, loef (van een schip).

Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; Look verb. zien, kijken,

zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten,

etc.: I don’t like the look of him = ik mag zijn oogopslag niet; He

does not belie his looks = hij is zooals hij er uit ziet; No one can

help his looks = kan het helpen, dat hij niet mooi is; Judging from his

looks = te oordeelen naar zijn uiterlijk; It looks like you = dat is

net wat voor u, ’k had niet anders van u verwacht; het lijkt sprekend;

Look alive! = vlug wat; Look at home = bemoei je met je eigen zaken; To

look one’s best = op zijn voordeeligst; He looked black as thunder =

zeer dreigend; Things looked black against her = het zag er donker voor

haar uit; You look pale = ziet er bleek uit; Look sharp = maak wat

voort; He looked daggers at me = doorboorde mij met zijne blikken; He

looked his wish = men kon op zijn gezicht lezen wat hij wou; To look

all wonder = een en al verbazing zijn; You must look about you = gij

moet goed om u heen zien, uw oogen den kost geven; Will you look after

the children = letten op, zorgen voor; I look at it in that light =

beschouw het als zoodanig; To look back = terugzien, omzien; To look

beyond = verder zien (dan), overheen zien; To look down = naar beneden

kijken, de oogen neerslaan; To look down on a person = neerzien op; He

looked me down = hij deed mij door zijn blik de oogen neerslaan; To

look downwards = achteruitgaan in prijs; To look for = wachten op,

verwachten; zoeken naar: Not looked for = onverwacht; I look forward to

a pleasant evening = ik verwacht (hoop op) een prettig avondje; To look

in at = even gaan kijken; To look in upon a person = even bezoeken,

aanloopen bij; I looked him in the face = flink onder de oogen; To have

a look-in = kans hebben; Let me look into it = eens onderzoeken; I look

on him with a kind eye = zie hem met gunstig oog aan; I merely looked

on = ik heb niets gedaan dan toekijken; To look out = uitkijken; To

look out at (of) the window; My rooms look out upon a beautiful

landscape = zien uit op; You may look out for a thorough scolding =

kunt verwachten; I have looked it out = ontdekt, gevonden, uitgezocht;

Is that your look-out = zoo! dat is jou plan? That’s your look-out =

dat moet jij weten, is jou zaak, belang; He was on the look-out = stond

op den uitkijk; On the look-out for a job = uitziende naar; He

established a sharp look-out all round the bed = met scherpen blik keek

hij om het geheele bed heen; Look out there = pas op! voorzichtig! I

will just look over it = doorloopen, nagaan; We will look over (=

overlook) your neglect = uw verzuim over het hoofd zien; My room looks

over a pretty meadow = geeft uitzicht op; He looked over my book = hij

keek bij mij in; To look round = To take a look-round; He seems to look

through things = geheel te doorzien, grondig te kennen; I look to you

for support = reken op uw steun; I look to your prudence = vertrouw op;

You should look to a rich woman = uitzien naar; I have not been able to

look it up = het niet kunnen vinden; The weather is looking up = knapt

op; Things are looking up = beginnen er beter uit te zien; I will look

you up to-morrow = ik kom morgen eens aan, ik kom eens zien waar je

woont; Eggs have looked up 3 d. per dozen = zijn in prijs gerezen; I

was a mere looker-on = slechts toeschouwer; Looking: Good-looking =

knap; Looking-glass = spiegel; nachtspiegel.

Loom, lûm, subst. weefgetouw; gedeelte van een roeiriem binnen de

dollen, handvat; roodhalzige zeeduiker, groote zeekoet; Loomery =

broedplaats van looms.

Loom, lûm, schijnen, zichtbaar worden, boven den horizon of de

oppervlakte verschijnen, opdoemen (als in een mist): It loomed upon my

mind = doemde op voor mijn geest; Looming = zichtbaar worden,

luchtspiegeling.

Loon, lûn, lummel, domkop, vent, kerel, deugniet; ijsduiker, fuut,

dodaars: He is a lazy loon = luie vlegel; As crazy as a loon, As wild

as a loon = zoo gek als eene windvaan, zoo wild als een springhaas;

Loony = dwaas, krankzinnig.

Loop, lûp, subst. lus, lis, strop, bocht, hengsel, kijkgat; Loop verb.

eene lus maken, met lussen vastmaken, opnemen, opschorten, bochten: To

form an ‘h’ without a loop; The curtains were looped back = met een

embrasse opgenomen; Loophole = kijkgat, sluipgat, uitvlucht; Loop-line

= zij- of verbindingslijn (bij spoorwegen); Loopy = vol bochten.

Loose, lûs, los, vrij, wijd, ruim, onsamenhangend, slordig, loszinnig,

dartel, loslijvig; ook subst.; Loose verb. losmaken, loslaten, ’t anker

lichten, wegzeilen, losdrukken, afgaan, enz.: Loose cash (change,

money) = kleingeld; Loose definition = onvolledige; Every loose

farthing = losse cent; Loose fish = pierewaaier; Loose gown = peignoir;

At loose ends, At a loose end = verwaarloosd, zonder regelmatige

bezigheid; To be on the loose = aan den rol; To be on the loose for a

job = werk zoeken; To break loose; To come loose = losgaan; To give a

loose to = den teugel vieren; To let loose = loslaten; He was set loose

= in vrijheid gesteld; Afternoon church was just loosing = ging juist

uit; Loose-box = stalafdeeling, waarin het paard zich vrij bewegen kan;

Loosen = losmaken, loslaten, loslijvig maken; losgaan, los worden;

Looseness = losheid, slapheid, liederlijkheid; loslijvigheid (=

Looseness of the bowels); Loosely = losjes: A loosely-hung boy of

sixteen = lange slappe lijs van een jongen; A loosish mouth = slap,

flabberig.

Loot, lût, subst. buit, roof; Loot verb. rooven, buitmaken, plunderen:

The waggon had been looted of its provisions.

Lop, lop, subst. afgesnoeide takken of hout; Lop verb. snoeien,

afsnijden, knotten; laten vallen, neerhangen, rondboemelen (about); A

lop-eared dog = met hangende ooren; Lop-sided = scheef, eenzijdig; The

lop-sidedness of such societies = de éénzijdigheid van zulke

genootschappen; Lopping-shears = snoeischaar.

Lope, loup, subst. sukkeldraf, lange stap; Lope verb. lange stappen

maken, draven.

Loquacious, ləkweišəs, babbelziek, druk; subst. Loquaciousness =

Loquacity, ləkwasiti.

Lor, lö, heerejé.

Lord, löd, heer, meester, hoogste Wezen, echtgenoot, pair van het rijk,

zoon van hertog of markies, oudste zoon van een earl, eeretitel (als in

Lord Mayor); Lord verb. met macht bekleeden; heerschen over,

bestrijken: The Lord = de Heere, Jezus Christus; The Day of the Lord =

dag des oordeels; Lord’s = Lord’s Cricket Ground in Londen; The Lord’s

Day = dag des Heeren; The Lord’s Prayer = het Onze Vader; The Lord’s

Supper = het Avondmaal; The Lord Harry = de duivel; The House of Lords

= het Hoogerhuis (der Lords) in Engeland; Lord-Advocate =

Advocaat-Generaal (Schotl.); Lord-lieutenant = Commissaris der Koningin

(des Konings), Onderkoning (Ierland); Lord Mayor = titel van sommige

burgemeesters, bijv. v. Londen, Dublin en York (de andere heeten

eenvoudig Mayor); Lord of Misrule = leider der Kerstmispret in vroegere

dagen; Lords spiritual = de geestelijke leden (aartsbisschoppen en

bisschoppen) van het House of Lords (tegenover de wereldlijke leden,

die Lords temporal heeten); Lords of (the) creation = heeren der

schepping, de mannen; First Lord of the Treasury, Lord High Treasurer =

hoofd van den Board of Treasury, bestaande uit dien First Lord

(doorgaans de premier), den Chancellor of the Exchequer en 3 Lords

Commissioners of Junior Lords; I won’t allow him to lord it over me =

om mij te commandeeren; The hill lords it over the surrounding

landscape = steekt hoog uit boven; Lordlike = Lordly; Lordliness =

hooge rang, trots, aanmatiging; Lordling = jonge lord, pseudo lord;

Lordly = voornaam, heerschzuchtig, hoogmoedig; Lordolatry =

lordvereering; Lordship = heerschappij, macht, heerschap, grondgebied

van een lord, titel: His (your) Lordship.

Lore, lö, kennis, wetenschap, leer.

Lorenzo, lərentsou.

Lorgnette, lönjet, tooneelkijker, lorgnon.

Lorica, ləraikə, pantserhemd; schild.

Lorikeet, lorikît, soort papegaai.

Loriot, loriot, wielewaal (vogel).

Lorn, lön, verlaten, ongelukkig.

Lorraine, lorein: Lorrainer = bewoner van L.

Lorrie, Lorry, lori, lorrie (dienstwagentje).

Lory, lôri, soort van papegaai.

Lose, lûz, verliezen, verbeuren, verspelen, verkwisten, doen verliezen,

achterloopen; verdwalen (oneself): I lose my debts = men betaalt mij

niet; You have lost flesh since = zijt mager geworden; You seem to have

lost your head = het hoofd verloren te hebben, schijnt de kluts kwijt

te zijn; I frequently lost heart in those days = verloor dikwijls den

moed; To lose one’s heart = verliefd worden; I lost my legs = raakte

van de been; To lose sight of = uit het oog verliezen; They had lost

their soundings = zij konden geen grond meer peilen; To lose one’s way

= verdwalen; He was lost to all sense of honour = alle eergevoel was er

uit; Good words are lost upon him = hebben geen vat op hem; Loser: You

always were a bad loser = je hebt nooit tegen verlies gekund; He shall

be no loser by it = zal er geen schade bij hebben; To come off a loser

= aan ’t kortste eindje trekken; We are fighting a losing battle,

playing a losing game = vergeefs, zonder hoop.

Loss, los, verlies, het verlorene, nadeel: He bears his loss well = kan

goed tegen; This world with its losses and crosses = moeiten en

bezwaren; I was at a loss how to do it = verlegen hoe ik het zou

aanpakken; At a loss for money = in geldverlegenheid.

Lost, lost, imperf. en part. perf. van to lose.

Lot, lot, lot, aandeel, post, partij, portie, stuk lands, bouwterrein,

hoop, boel; Lot verb. in porties of stukken verdeelen: He bought about

a hundred lots = honderd nummers (uit den catalogus); Let us cast lots

= er om opgooien of loten; I have cast (thrown) (in) my lot with yours

= heb mijn lot aan het uwe verbonden; To come quite a lot = druk komen;

They have drawn lots = geloot; It fell to my lot = mij ten deel; To

like quite a lot = een “boel” houden van; They made a lot of him = ze

haalden hem erg aan, fêteerden hem zeer; He has lots of money = een

‘schep’ geld; Let us have lots of room here = zorg, dat we hier veel

ruimte krijgen; He thinks a lot of himself = hij denkt dat hij heel wat

is; Can you walk a lot? = een heel eind?

Loth, louth. Zie Loath.

Lothario, ləthêriou, verleider (naar een rol in Rowe’s The Fair

Penitent): A gay Lothario = een Don Juan.

Lotion, louš’n, wassching, waschmiddeltje, schoonheidswatertje; sterke

drank.

Lottery, lotəri, loterij, het loten: To hold a lottery; Lottery-ticket.

Lotos, loutəs, lotus(boom), lotusvrucht, Indische waterlelie,

rolklaver; Lotos-eater = lotuseter, iemand, die zich aan droomerige

gemakzucht overgeeft.

Lotto, lotou, Lotto- of kienspel.

Loud, laud, luid, luidruchtig; sterk, onwelriekend; opvallend,

opzichtig: Those that laugh last, laugh loudest = die het laatst lacht,

lacht het best; A loud dress = opzichtige, drukke japon; She dresses

loud = opzichtig; He said it out loud = luide; Loud-voiced = met luider

stem; subst. Loudness.

Lough, lok, meer; Loughborough, lɐfbərou; Louis, lûis, St. Louis;

Louisa, luîzə; Louisiana, lûižânɐ; Louisville, lûisvil.

Lounge, launž, subst. slentergang, soort sofa; zaal of veranda in een

hotel; Lounge verb. lummelen, rondslenteren, lui liggen, lanterfanten;

Lounger.

Louse, laus, luis; Lousiness, subst. v. Lousy, lauzi, vol luizen,

gemeen.

Lout, laut, subst. lummel, pummel, kinkel; Lout verb. buigen, bukken,

(zich) vernederen; Loutish = lummelachtig, onhandig; subst.

Loutishness.

Louth, laudh, lauth; Louvain, luvein.

Louver, Louvre, lûvə, lantaren (archit.); Louvre-window = klankgat.

Lovable, beminnenswaardig; subst. Lovableness.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 73 / 152 段