belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te
verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbeduidend, gering, zwak,
gemakkelijk, luchthartig, duizelig, vluchtig, lichtzinnig; Light verb.
aansteken, verlichten, bijlichten, licht zijn of worden, schitteren,
ontvlammen; opheffen, oplichten; aantreffen, toevallig vinden,
neerstrijken (on): He’s no great light = geen groot licht; The lights
of our days = de groote mannen; He was honest according to his lights,
so far as his lights extended = voor zoover zijn inzicht ging; Lights =
longen; Between the lights = in de schemering; Lights out = taptoe; The
Northern Light(s) = het Noorderlicht; Light of the countenance (Bijb.)
Light het lichten of de vriendelijkheid van het aanschijn; The deed was
brought to light = werd aan ’t licht gebracht; To come to light = aan
’t licht komen; To lay on lights = licht en schaduw aanbrengen (in een
schilderij); He let in light upon his business = gaf eenig licht
omtrent; To see the light = het licht zien; He stood in his own light =
hij stond zichzelf in het licht, in den weg; He stood to me in the
light of a father = was voor mij een vader; His eyes lighted pleasantly
= schitterden; May no harm light on you = u treffen; To light out = er
uit snijden (Amer.); To light (up) = aansteken; Lighting-up time for
cyclists = tijd waarop de fietslantaarn opgestoken moet worden;
Light-ball = lichtkogel; Light-bearer = fakkeldrager; Light-dues =
rechten geheven ten behoeve der kustverlichting; Light-house =
vuurtoren; Light-(house-)keeper = vuurtorenwachter; Light-ship =
vuurschip; Light in hand = gemakkelijk te regeeren; He made light of my
warnings = sloeg in den wind; He sets light by this circumstance =
onderschat, veracht; Lightly said, lightly answered = zoo vraag, zoo
antwoord; Lightly come, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen;
Light-armed; Light blue = lichtblauw, kleur van de Stud. v. Cambridge
in de boat-race; jenever; Light-bob = lichte infanterist; Light
cavalry, (Light horse) = lichte cavalerie; Light-fingered = met vlugge
en lange vingers; The light-fingered gentry (folk) = de heeren
gauwdieven, zakkenrollers, etc.; Light-footed = vlug van voet; I am
rather light-handed at present = ik heb gebrek aan werkvolk;
Light-headed = luchthartig; Light-hearted = luchthartig; Light horsemen
= lichte cavalerie; bestelers van op stroom liggende schepen; Light
infantry = licht voetvolk; A light-legged person = rap van voet;
Light-minded = vluchtig, onbezonnen; subst. Light-mindedness;
Light-spirited fellow = opgewekte; Light-timbered = zwak gebouwd,
ziekelijk; Light-weight = bokser met weinig gewicht of jockey (niet
meer dan 69,85 K.G.); paard voor zoo’n jockey, onbeduidend mensch;
Light-winged = met snelle wieken, vluchtig; Lighten en Lighter, Zie
afzond. artik.; Lightless = donker; subst. Lightlessness; Lightness =
helderheid; lichtheid, luchtigheid, vlugheid; Lightsome = helder,
klaar; onbezorgd; subst. Lightsomeness.
Lighten, lait’n, verlichten, verhelderen, opklaren, weerlichten,
flikkeren; in gewicht afnemen, verlichten, opbeuren, lichten: To
lighten the ship; A light(e)ning sense of relief = verlicht gevoel.
Lighter, laitə, verlichter, opsteker; lichter (boot of schuit):
Lighterage, laitəridž, het overladen in lichters, lichtergeld; The
heavier part of the cargo was lightered over the sand = met lichters
gebracht; Lighterman = schuitenvoerder.
Lightning, laitniŋ, bliksem: ook adj. bliksemsnel: A flash of lightning
= bliksemschicht, -straal; Lightning cartoon = teekening met een paar
krassen of streken; Lightning-conductor = bliksemafleider;
Lightning-proof = beveiligd tegen: Lightning-rod = bliksemafleider;
subst. Lightning-swiftness; Lightning-train = bliksemtrein.
Ligneous, ligniəs, van hout, houtachtig;
Lignite, lignait, bruinkool; Lignitiferous = bruinkoolhoudend;
bruinkool...; Lignum vitae, lign’mvaitî = guajakboom; pokhout.
Ligulate(d), ligjulit, ligjuleitid, band of riemvormig.
Liguria, ligjûriə, Ligurië; Ligurian = Ligurisch.
Like, laik, subst. gelijke, wedergade; voorliefde; adj. en adv.
gelijksoortig, geneigd, waarschijnlijk, bijna; verb. houden van,
behagen scheppen in, gaarne willen: Every like is not the same = er is
meer gelijk dan eigen; Like may, indeed, draw to like = soort zoekt
soort; Like produces like = gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen;
The elder son was his father’s favourite and like = evenbeeld; It is
good enough for the likes of them = voor lui van hun slag; I never saw
the like = zoo iets; Likes and dislikes = sympathieën en antipathieën;
And the like = en dergelijke: Do it like a good boy = dan ben je een
beste jongen; Like master, like man = zoo heer zoo knecht; Those evils
are nothing like as injurious in other cases = het lijkt er niet op,
dat de nadeelen zoo schadelijk zijn in andere gevallen; He did not feel
like seeing any friends that day = hij was niet gestemd om, had geen
lust; What is it like? = hoe ziet het er uit; Of a like character =
denzelfden aard; That photo is like you = dat portret lijkt goed: That
action is like you = die daad kon men van u verwachten; How like a man
to make such a fuss = net wat voor een man; He had like to have lost
the wager = had bijna verloren; As like(ly) as not =
hoogstwaarschijnlijk; It is like enough = het is heel waarschijnlijk;
He was swearing away like blazes = vloekte dat het een aard had; He
seemed disappointed like = eenigszins, wel wat; Just as you like my
dear = zoo je verkiest, lieve; The sort that likes him = hem past,
lijkt; Likeable = aangenaam, beminnenswaardig; subst. Likeableness;
Likelihood, Likeliness = waarschijnlijkheid; Likely = waarschijnlijk:
He is not likely to go there = gaat er waarschijnlijk niet heen; A
likely man = knap van uiterlijk; A likely customer = goed, aardig;
Liken = vergelijken: To whom shall we liken him? Likeness = gelijkenis:
To take a person’s likeness = afbeelden, photographeeren; I had my
likeness taken; Likewise = eveneens, evenzoo; Liking, welgevallen,
lust: She has no liking for him = geen zin in hem; It is not to my
liking = niet naar mijn zin; To take a liking to = lust krijgen in,
ingenomen zijn met.
Lilac, lailək, subst. sering; adj. lila.
Liliaceous, lilieišəs, tot de leliën behoorende.
Lilliput, lilipɐt, Lilliput; Lilliputian, lilipjûš’n, Lilliputter; adj.
lilliputachtig, klein.
Lille, lîl, Rijssel.
Lilt, lilt, subst. vroolijk wijsje of dans; rhythmische beweging; Lilt
verb. lustig zingen; huppelen: A lilting tune = een vlug wijsje.
Lily, lilî, lelie: Lily of the valley = lelietje van dalen;
Lily-livered = laf; Lily-pad = blad van de waterroos (Amer.).
Lima, lîmə, Lima, vijl (schelp); Lima-wood = fernambuk-hout.
Limaceous, laimeišəs, slakachtig.
Limb, lim, lid, been, tak, arm, uitlooper; rand, graadboog: Limb of the
devil (of Satan) = satanskind; Limb of the law = advokaat (iron.);
Limbless = zonder ledematen.
Limber, limbə, buigzaam, meegaand; Limber verb. buigzaam maken; subst.
Limberness.
Limber, limbə, dissel- of affuitboom; voorwagen; Limber verb. voorwagen
en affuit verbinden; Limber-axle = affuitboom; Limber-chest =
affuitkist.
Limbo, limbou, vagevuur, hel, gevangenis = Limbus = Limbus fatuorum =
het gekkenparadijs.
Lime, laim, subst. vogellijm; kalk; lindeboom (Lime-tree);
citroen(boom); Lime verb. met vogellijm bestrijken, lijmen, beetnemen;
met kalk mesten of verbinden: Quick lime = ongebluschte kalk; Slaked
lime = gebluschte; Lime-burner = kalkbrander; Lime-flower =
lindebloesem: Lime-juice = citroensap; Lime-kiln = kalkoven; Limelight
= kalklicht; Lime-pit = kalkput; Lime-slaking = blusschen; Limestone =
kalksteen; Lime-twig = lijmstang, lijmtak, lijmroede; Lime-wash =
witkalk; Lime-wash verb. witten; Lime-water = kalkwater.
Limerick, limərik, Limerick; rijmelarijtje; een prijsrijmpje voor
reclame doeleinden, waarvan 4 regels zijn gegeven en waaraan een vijfde
moet worden toegevoegd. De inzender, die hierin ’t best slaagt,
ontvangt een prijs van uitgever of firma.
Limit, limit, subst. grens, uiterste punt, beperking; Limit verb.
begrenzen, vaststellen: There is a limit to everything = alles heeft
zijn grenzen; To (Within) the limit of = hoogstens tot; To give more
limit = meer speelruimte; To set a limit to = een grens bepalen;
Limitable = begrensbaar, beperkbaar; Limitarian = begrenzend,
beperkend; Limitary = grens..; Limitation = beperking, begrenzing,
verjaring(stermijn); Limited = begrensd, beperkt: London Omnibus
Company, lim. = Londensche Omnibus Maatschappij met limited liability;
Limited train = sneltrein met beperkt aantal wagons (Amer.);
Limitedness = begrensdheid; beperktheid; Limiter = beperker, grens;
Limitless = grenzenloos, onbegrensd.
Limmer, limə, bastaardhond; deugniet; lichtekooi, brutale meid; oud
wijf.
Limn, lim, schilderen, teekenen, illustreeren, afschilderen; Limner,
limnə, schilder, artiest (veroud.).
Limoges, limouž, stad: Limoges enamel = Limoges porcelain-ware =
geemailleerd aardewerk van Limoges.
Limp, limp, slap, buigzaam; subst. Limpness.
Limp, limp, kreupel loopen; ook subst.: He has a limp in his walk = hij
loopt kreupel; Limper = kreupele; Limping = kreupel, mank (ook fig.).
Limpet, limpət, napslak: He stuck on like a limpet = hij hing aan als
een klis (klit).
Limpid, limpid, helder, klaar, doorschijnend; subst. Limpidity =
Limpidness.
Limpsy, lim(p)si, slap, onbeduidend (Am.).
Limy, laimi, kleverig, kalkachtig, kalk - -.
Lin, lin, bron, plas, waterval, afgrond.
Linch-pin, linšpin, lunspen.
Lincoln, link’n, stad en graafschap; Lincoln-green = groen laken,
vroeger vooral door boogschutters gedragen; Lincolnshire = Lincs.
Linden, lind’n, linde.
Line, lain, subst. lijn, snoer, richtsnoer, spoorlijn, linie, tak,
geslacht, stuurreep, streep, rij, reeks, regel, vak, briefje of
lettertje, waren of goederen, streep = 1⁄12 van een inch; Line verb.
linieeren, door lijnen verdeelen, doorhalen, teekenen, schetsen, in een
lijn opstellen, loopen langs, grenzen aan; voeren, bekleeden,
beschieten, vullen, spekken: Ascending (Descending line) = opgaande
(neergaande) linie; Collateral (Female, Male) line = zijdelingsche
(vrouwelijke, mannelijke) linie; Line of battle = slagorde; Line of
business = branche; Line of conduct = gedragslijn; Line of kings =
dynastie; Line of mountains = bergketen; Line of print = regel druks;
All along the line = langs de geheele linie; He was irreconcilable all
along the line = onverzoenlijk op alle punten, in alle opzichten; Ships
of the line = linieschepen; The picture was on the line = hing ter
hoogte van het oog; On this line = op deze wijze, volgens dit beginsel;
You will be the biggest line in the whole show = gij zult op de
tentoonstelling het grootste succes zijn; A shop in the general line =
waar van alles te krijgen is, koomenijswinkel; My friend is in the
railway line = bij het spoor; White line = regel wit, enz.; To bring a
person (a thing) into line = iemand (iets) weer laten meedoen, naast de
anderen plaatsen; The country was brought into line with the other
countries = kreeg hetzelfde stelsel; To cross the line = de linie
passeeren; To draw the line = een grens trekken; The line must be drawn
somewhere = alles heeft zijn grenzen; To drop a line = een lettertje
schrijven; He follows the line his father initiated = treedt in de
voetstappen; It is rather hard lines on them = nog al hard voor hen; To
read between the lines = tusschen de regels lezen; To stand in line =
queue maken; To stick to the old lines = blijven bij het oude;
Marlborough turned the celebrated lines of Villars = brak door de
liniën; A soft lined face = met zachte trekken; The street was lined
with bayonets = afgezet (in de lengte); His purse was well lined with
money = was goed gespekt; The room was lined with books = langs alle
wanden stonden boeken; Line-about dialogue = tweegesprek, waarbij om de
andere regel de andere persoon spreekt; Liner = linieschip, stoomboot
(van eene bepaalde lijn), linieerder, broodschrijver; pakking: A
Transatlantic liner = stoomschip; His picture got a place among the
liners = kreeg eene plaats onder de aangenomen werken op de
tentoonstelling.
Lineage, liniidž, geslacht, afstamming, stamboom.
Lineal, liniəl, lijnrecht, direct; lengte...: Lineal measure; My lineal
race = direkte afstammelingen.
Lineament, liniəment, gelaatstrek; Lineaments = uiterlijk.
Linear, liniə, lengte..., draadvormig, lijnrecht: Linear perspective =
lijnperspektief; Lineate = gelijnd, overlangs geribd; Lineation =
linieering.
Linen, linən, subst. linnen, ondergoed; ook adj.: To change one’s linen
= zich verschoonen; Soiled linen should be washed at home (fig.);
Linen-draper = koopman in witte goederen; Linen-drapery; Linen-merchant
= groothandelaar in linnen; Linen-press = linnenkast; Linen-weaver =
linnenwever.
Ling, liŋ, leng; struikheide, Chineesche waterkastanje; Lingy = met
heidekruid begroeid.
Linger, liŋgə, talmen, dralen, toeven, weifelen, voortkwijnen;
Lingerer; Lingering = langzaam, wijdloopig, sleepend; ook subst.
Linget, liŋgət. Zie Ingot.
Lin(g)hay, liŋhei, linhei, afdak, open schuur.
Lingo, liŋgou, bargoensch.
Lingot, liŋgət, Zie Linget.
Lingual, liŋgwəl, subst. tongletter; adj. tong...; Lingualize = als
tongletter uitspreken; Linguist, liŋgwist, taalkenner, taalkundige;
Linguister = tolk (Amer.); adj. Linguistic(al); Linguistics =
taalwetenschap; Lingulate = tongvormig.
Liniment, linim’nt, smeersel.
Lining, lainiŋ, voering, bekleeding: The darkest cloud has a silver
lining = geen ongeluk zoo groot, of er is een geluk bij.
Link, liŋk, subst. schakel, bocht (in eene rivier); schakel van ± 20
cM.; toorts; Link verb. verbinden, schakelen; verbonden zijn; Links =
vlakke zandige bodem aan de zeekust, “golf”-baan; manchetknoopen met
kettinkjes (= Link-buttons); Link-boy, Link-man = toorts- of
fakkeldrager (bij avond of zwaren mist); With linked arms = arm in arm.
Linlithgow, linlithgou.
Linn, lin, waterval, vijver, steile rotsspleet.
Linnaean, linîən, van Linnaeus (1707–1778): Linnaean system.
Linnet, linət, vlasvink.
Linoleum, linoulj’m, linoleum.
Linotype, lainətaip, soort v. zetmachine.
Linseed, linsîd, lijnzaad; Linseed-cake manufacturer = fabrikant van
lijnkoeken; Linseed-meal = lijnmeel; Linseed-oil = lijnolie;
Linseed-tea = aftreksel van lijnzaad.
Linsey-woolsey, linziwulzi, subst. halfwollen stof; goedkoope stof,
gebrabbel; adj. halfwollen, slecht.
Linstock, linstok, lontstok.
Lint, lint, pluksel.
Lintel, lint’l, kalf of bovendrempel van deur of venster.
Lintwhite, lint(h)wait. Zie Linnet.
Lion, laiən, leeuw, ‘lion’, modeheld, beroemdheid: There is a lion in
the street = “de wolf komt”; To show the lions (and tombs) = een
vreemdeling de bezienswaardigheden rondleiden; Lion-dog = leeuwtje
(hond); Lion-heart = moedig man; Lion-hearted = manmoedig: Richard the
Lion-hearted; Lion-hunter = leeuwenjager, iemand, die de beroemdheden
van den dag dolgraag op zijne partijen ziet: The modern sport of
lion-hunting; Lion’s-den = leeuwenkuil; Lion’s-provider = jakhals; lage
vleier; Lion’s-share = leeuwendeel; Lion’s-tooth = leeuwentand; Lionize
= als een beroemdheid behandelen of vereeren; de merkw. van eene plaats
bezien of rondleiden; den “Lion” spelen: I hate being lionized = ik
houd niet van die belangstelling in mij, en dat geloop achter mij aan;
Lioness = leeuwin.
Lip, lip, subst. lip, rand, mond, taal; Lip verb. kussen, uiten: He bit
his lip(s) = beet zich op de lippen; To cross one’s lips = over de
lippen komen; Don’t give me any of your lip = geen praatjes; He gave me
a lot of lip = gaf me een grooten mond; To hang the lip (To make a lip)
= de lip laten hangen; Prattle from the lips outwards = maar wat zeggen
waar men niets van meent; Lip-deep = onoprecht; Lip-devotion =
schijnvroomheid; Lip-labour = ijdele woorden; Lipreading = van de
lippen lezen (van doofstommen); Lipsalve = lippenpommade, vleierij;
Lipless; Liplet = lipje; Lipped = lipvormig.
Liquate, laikweit, smelten, verloopen; Liquation, laikweiš’n, smelting,
smeltbaarheid; Liquefacient, likwifeiš’nt, middel om te smelten of tot
vermeerdering van afscheiding; Liquefaction, likwifakš’n, smelten,
gesmolten zijn; Liquefiable = smeltbaar; Liquefier = smeltmiddel;
Liquefy, likwifai, smelten oplossen; vloeibaar worden, zich oplossen.
Liqueur, likɐ̂, likjûə, likeurtje.
Liquid, likwid, subst. vloeistof, vloeiletter; adj. vloeiend,
vloeibaar, zacht, los, beschikbaar, waterig, helder, doorzichtig.
Liquidate, likwideit, liquideeren, vereffenen, verzachten, afrekenen;
subst. Liquidation; Liquidator.
Liquidity, likwiditi, vloeibare toestand, vloeiendheid; Liquidize =
vloeibaar maken.
Liquor, likə, subst. vocht, drank, alcoholische drank, bouillon,
braadvet; Liquor verb. bevochtigen, besmeren, dronken maken, zich
bedrinken (up): Addicted to liquor = aan den drank; In liquor =
dronken.
Liquorice, likəris, zoethout: Sticks of liquorice = pijpen zoethout.
Lira, lîrə, (Ital.) franc.
Lisbon, lisb’n, Lissabon; een witte Portugeesche wijn.
Lisle, lîl, lail, Rijssel; Lismore, lizmö.
Lisp, lisp, lispelen, gemaakt spreken, gebrekkig spreken; ook subst.
Lisper.
Lissom(e), lis’m; Zie Lithesome.
List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde
(van een schip), verzakking, verlangen; List verb. op eene lijst
plaatsen, werven, een rand of zelfkant maken aan, krengen (scheepst.),
slagzij hebben, verzakken; behagen, lust hebben: (Lists = tournooiveld:
He entered the lists = hij trad in het strijdperk); He made a black
list of them = zij stonden slecht bij hem aangeschreven; I am on your
black list = ik kan geen goed bij u doen; To put on the retired list =
pensionneeren; List of trains = spoorlijst; List of wines = wijnkaart;
List shoes (slippers) = lakensche schoenen (pantoffels); The securities
will be listed on the Stock Exchange = in de officieele noteering
worden opgenomen; The ship listed to one side (There was a list to one
side) = helde over naar; It lists me = Me lists = het lust mij;
Listless zorgeloos, onverschillig, lusteloos; subst. Listlessness.
List, list, hooren, luisteren.
Listen, lis’n, luisteren; ook subst. (Up)on the listen = luisterend;
Listener = luisteraar.
Lit, lit, imperf. en part. perf. van to light.
Litany, litəni, litanie.
Literacy, litərəsi, geletterdheid.
Literal, litər’l, letterlijk, door letters uitgedrukt, nauwkeurig,
prozaïsch, nuchter; subst. drukfout; Literalism = letterlijke uitleg;
letterknechterij; Literalist; Literality = Literalness = Literalism.
Literary, litərəri, letterkundig, geletterd.
Literate, litərit, geletterd, beschaafd; subst. geletterde, proponent
zonder universitaire opleiding; Literati, litəreitai, de geleerden of
geletterden; Literatum = letterlijk; Literature, litərətjə, de
letteren, letterkunde: Polite literature = fraaie letteren.
Lithe, laidh, buigzaam, lenig: subst. Litheness; Lithesome = buigzaam,
lenig; subst. Lithesomeness.
Lithiasis, lithaiəsis, steenziekte.
Lithograph, lithəgraf, subst. steendrukplaat; Lithograph verb. op steen
graveeren, drukken of schrijven; Lithographer, lithogrəfə,
steendrukker; adj. Lithographic(al); Lithography = lithographie,
steendrukkunst.
Lithuania, lithjûeinjə, Littauen: Lithuanian = Littauer; Littausch.
Lithy, laidhi, lidhi = Lithe.
Litigant, litigənt, twistend, twistziek, procedeerend; subst. partij;
Litigate, litigeit, procedeeren, twisten; Litigation = proces: Embarked
in litigation = in proces gewikkeld; Litigator = partij; Litigious,
litidžəs, procesziek, ruzieachtig: subst. Litigatiousness.
Litmus, litməs: Litmus paper = lakmoespapier.
Litotes, laitətîz, litətîz, litotes (een stijlfiguur).
Litre, lîtə, liter.
Litter, litə, subst. draagbaar, stroo(bed), stroobedekking (voor
planten), wanorde, rommel, worp (van varkens, honden, katten, enz.);
Litter verb. van stroo voorzien, met stroo bedekken, als stroo
gebruiken; rondstrooien, overhoop liggen of halen, op stroo liggen;
jongen werpen: Quite a litter of children = een nest vol; To be in
litter = drachtig zijn; To be in a litter = overhoop liggen; To make a
litter = overhoop gooien; I kicked aside the objects that littered the
floor = die over de vloer lagen verspreid; A room untidy and littered =
eene rommelige kamer, waarin alles overhoop ligt; Littery = rommelig.
Little, lit’l, subst. kleine hoeveelheid, kleinigheid; adj. en adv.
klein, gering, weinig, kort: A little money = eenig (nog al wat) geld;
Little money = weinig (haast geen) geld; By little and little =
langzamerhand = Little by little (soms: By littles); Little one(s) =
kleintje(s), jong(en): Sleep, my little one = slaap, lieve kleine; I
forgot my sorrow for a little = voor een poosje, tijdje; Upon a little
= met weinig, met geringe middelen; He had been within a very little of
falling in love with her = was bijna verliefd geworden; When you were
little = toen je klein waart; He caught the whip by the little end =
dunne eind; Is that your little game? = is datje plannetje, bedoeling?
Little-go; Zie Responsions; Little-minded = kleinzielig; Littleness =
kleinheid: His littleness of mind = kleinzieligheid; Littlish = vrij
klein.
Littoral, litər’l, oever - -, kust - -, strand - -; subst. kustland.
Liturgic(al), litɐ̂džik(’l), liturgisch; Liturgist, litədžist,
voorstander van het gebruik eener liturgie; Liturgy, litədži, liturgie.
Livadia, livədîə, Livadië.
Live, liv, leven, wonen, bestaan, uithouden: They could not go on
living at this rate = op dezen voet konden zij niet blijven leven;
There is no living with him = het is niet met hem uit te houden; No
boat could live in such a sea = kon het uithouden; To live in clover =
een lekker leventje leiden; Live and learn = al doende leert men; Live
and let live; To live to see = beleven, dat; As I live = zoowaar ik
leef; If I live I shall do it = als ik het beleef ...; To live away =
er op los leven; To live by oneself = op zich zelf, alleen; Lawyers
live by our quarrels = leven van; It is almost impossible to live such
a sorrow down = te vergeten, te boven te komen; He lived that calumny
down = door zijn verder leven logenstrafte hij dien laster; A
toy-merchant lives on children = leeft van; He lives on his wife = van
haar geld; I cannot live on 50 £ a year = leven van; She lived out =
diende als dagmeisje; To live to a great age = bereiken; To live up to
= in overeenstemming met; He lived up to his promise = voldeed aan; The
servant has lived with us for six years = diende bij ons; Liveable =
bewoonbaar, dragelijk; Lived, laivd: Long-lived = langlevend; Live-long
day, livloŋ-dei = lievelange, godgansche dag; Liver = levende, bewoner
(Amer.): The longest liver = de langstlevende; Livelihood, laivlihud,
levensonderhoud: To earn one’s (gain, make a) livelihood = den kost
verdienen. Zie Living.
Live, laiv, levend, brandend, gloeiend, glimmend, in leven; levendig,
druk (Amer.), frisch, nieuw, nog ongebruikt, scherp (van patronen),
geladen (electr.): The livest-looking street I ever saw = de
levendigste, vroolijkste; Live coals = gloeiende kolen; Live cartridge
= scherpe patroon; Live cattle = levend vee; Live feathers = veeren uit
een levenden vogel gerukt; Live hair = haar van een levend dier
genomen; Live shell = niet ontplofte granaat; Livestock = levende have;
Liveliness, subst. v. Lively = levendig, opgewekt, natuurgetrouw,
treffend, frisch, schuimend.
Liver, livə, lever: Liver-coloured = leverkleurig; Liver-oil =
levertraan; Liver-spot = levervlek; Liverwort = leverkruid; The Mounted
Liver Brigade = degenen, die voor hun leverkwaal in Hydepark
wandelritten maken.
Liverpolitan, livəpolitən, Liverpoolsch; inwoner van Liverpool;
Liverpool, livəpûl.
Livery, livəri, livrei, ambtskleeding, onderhoud van paarden (meest van
vreemde eigenaren), acte van inbezitstelling; al de liverymen van
Londen: To receive in livery = in bezit overnemen; Liveryman = lid van
een der Livery-Companies of City gilden, dat bij feestel. gelegenheden
de liveries (= furs and gowns) van zijn gilde mag dragen;
Livery-servant = livreibediende (= Liveried servant); Livery-stable =
stal waar paarden (Livery-horses) verhuurd en voor andere eigenaars
gestald worden.
Livid, livid, loodkleurig, lijkkleurig, doodsbleek; subst. Lividity =
Lividness.
Living, liviŋ, levend, stroomend, gloeiend; subst. leven, levenswijze,
levensonderhoud, woonplaats; prebende, ambt van den Anglik.
geestelijke, inkomsten van dat ambt: Within living memory = bij
menschenheugenis; Living wage = loon waarvan men fatsoenlijk kan leven;
High living = weelderige levenswijze; No man living = geen mensch ter
wereld; In the land of the living = in het land der levenden; To earn
(get) one’s living = zijn kost verdienen; To make a living = zijn brood
hebben, de kost verdienen met (at). Zie To live.
Livingstone, liviŋst’n; Livonia(n), livounjə(n), Lijfland(er),
Lijfland(sch); Livy, livi, Livius.
Lixiviate, liksivieit, loogen; subst. Lixiviation; Lixivium = loog.
Lizard, lizəd, hagedis; Lizard Point = Kaap L.
Lizzy, lizi, verk. van Elisabeth.
Llama, lâmə, ljâmə, lama, lamawol.
Llandaff, landaf; Llanelly, lanethli; Llangollen, langothlən.
Llanos, l(j)ânouz, steppen in het N. van Z.-Amerika.
Llanrwst, lan-rust; Llewelyn, luelin.
Lloyd’s, lôidz = Lloyd’s offices (rooms) = de kantoren en het instituut
voor zee-assurantie, classificatie van schepen, etc.; de dagelijks
verschijnende scheepstijdingen (= Lloyd’s list); de jaarlijks
gepubliceerde internationale lijst van schepen (= Lloyd’s Register for
British and Foreign Shipping).
Lo, lou, zie, aanschouw!
Loach, loutž, bermpje; kwabaal; meun.
Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een
veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; Load verb. laden, beladen,
belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It would be loads of
fun = dat zou ijselijk grappig zijn: To take a load off = verlichten,
opluchten; Load-draught = diepgang van een geladen schip;
Load-water-line = ladinglijn (Plimsoll-merk); Loaded: Loaded cane =
stok met looden knop; Loaded dice = valsche dobbelsteenen; Loaded
tongue = beslagen; Loaded wine = vervalschte, aangezette wijn; Loader =
lader; Loading = het laden, lading, vracht; aandeel der premie in de
bedrijfsonkosten.
Loadstar, loudstɐ̂, leidster, poolster; Loadstone, loudstoun,
magneet(steen).