Laverock, lavərək, leeuwerik.

Lavic, lâvik, lava-achtig, lava - - -.

Lavish, laviš, adj. verkwistend, kwistig; Lavish verb. verkwisten,

verspillen: He lavished his bounties on all around him = gaf kwistig

aan; To lavish oneself on = zich verslingeren aan; Lavisher =

verkwister; subst. Lavishness.

Law, lô, subst. wet, recht, proces, rechtswetenschap, voorsprong

(jachtterm), tijd, speelruimte: The Rejoicing of the Law = Vreugde der

Wet: The Scrolls of the law = wetsrollen; He is a student in law =

studeert in de rechten; To be at law = in proces liggen; The fox was

given a law = liet men een voorsprong nemen; To go to law = gaan

procedeeren; I will have the law of you = zal je vervolgen; To take the

law into one’s own hands = zich zelf recht verschaffen; You must not

sin against the laws of honour = niet zondigen tegen; Law of exchanges

= wisselrecht; Law of insurance against sickness and accident =

ongevallenwet; Laws of nations = volkenrecht; Law-abiding =

ordelievend; Law-binding = lichtgeel leeren band; Lawbook = wetboek;

Law-breaker = wettenschender; Law-court = gerechtshof; Lawgiver =

wetgever; Law-latin = advokatenlatijn; Law-lord = een Peer, die een

hoog rechterlijk ambt bekleedt; Lawmaker = wetgever; Law-merchant =

handelsrecht; Law-monger = beunhaas; Law-officer = dienaar der wet;

Law-stationer = verkooper van schrijfbenood. voor gerechtsh. etc.;

copiïst van gerechtelijke acten en documenten; Lawsuit = proces,

rechtsgeding; Law-writer = copiïst van acten; juridisch auteur; Lawful

= wettig, rechtmatig; subst. Lawfulness; Lawless = wetteloos, onwettig,

woest, losbandig; subst. Lawlessness; Lawyer = wet- of rechtsgeleerde,

advocaat; schriftgeleerde; stok: A Penang lawyer weighted with lead;

Sea lawyer = een matroos, die den mond vol heeft over alles wat hij

niet verplicht is te doen.

Law(s), lô(z), goeie genade (verbastering van Lord).

Lawn, lôn, grasveld; fijn kamerdoek, batist; Lawn-mower =

tuinmaaimachine; Lawn-sleeves = batisten mouwen der bisschoppen;

bisschoppen (iron.); Lawn-tennis = een raketspel; Lawny = van batist,

doorzichtig.

Lax, laks, los, slap, laks, slordig, loslijvig; Laxative, laksətiv,

laxeerend; laxeermiddel; Laxity = losheid, laksheid, slordigheid: Lax

of the bowels = loslijvigheid.

Lay, lei, imp. van to lie = liggen.

Lay, lei, subst. lied, ballade; richting, ligging, bocht; winstaandeel

(Amer.), werk; adj. leeken ...; Lay verb. leggen, dekken, neerwerpen,

neertrappen, lesschen, doen liggen, stillen, doen bedaren, bannen,

uitspreiden, beleggen, aanleggen, aangaan, richten, enz.: They were on

the same lay as myself = hadden hetzelfde plan; Anything on the lay

here? = iets aan de hand? Lay-by = ligplaats; Lay-days = (toegestane)

ladings- en lossingsdagen; Lay-brother = leekebroeder; Lay-clerk =

leek, die de “responses” leest in de kerk, of in colleges; Lay-down =

dutje; Lay-down collar = liggende boord; Lay-elder = ouderling (in de

Presbyteriaansche kerk); Lay-figure = ledepop; Layman = leek,

oningewijde; ledepop; Lay-out = aanleg, uitrusting; They laid the guilt

at my door = schoven op mij; To lay by the heels = inrekenen; That was

laid to my charge = mij ten laste gelegd; To lay to heart = ter harte

nemen; To lay breakfast = klaar zetten voor (dekken); To lay a cable;

To lay the cloth = dekken; The rain has laid the dust = het stof

neergeslagen; To lay a ghost = een spook voorgoed doen verdwijnen,

bezweren; I cannot lay my hand upon it = niet vinden; He laid hands

upon himself = sloeg de hand aan zich zelf; They laid their heads

together = staken de koppen bij elkaar; To lay hold of = vastgrijpen,

aanpakken; To lay a plot against = samenspannen; To lay siege to = het

beleg slaan voor; To lay the table = dekken; To lay a wager = een

weddingschap aangaan; He was laid low = hij (stierf en) werd begraven;

They laid themselves open to chaffing = lokten het uit, om hen voor den

gek te houden; To lay waste = verwoesten; He laid about him with his

cudgel = sloeg om zich heen met; To lay aside = ter zij leggen,

opsparen; He laid his work before the public = maakte zijn werk

publiek; To lay by = ter zij leggen, bewaren; I would lay down my life

for him = zou willen geven; To lay down the law to = de wet stellen; To

lay down a plan = opmaken; To lay down reasons = aanvoeren; To lay down

as a rule = vaststellen; To lay down the keel of a ship = de kiel

leggen, op stapel zetten; To lay in = verzamelen, vergaren; Lay on =

sla toe; To lay on gas, water to a house = gas- of waterleiding

aanleggen; To lay on dogs = op ’t spoor brengen; To lay the blame on =

de schuld geven; You lay it on rather thick = gij overdrijft niet

weinig, gij werkt met sterke kleuren; To lay out a garden = aanleggen;

The expedition was laid out = op touw gezet, voorbereid; I have laid

out my pocket-money in a watch = heb voor mijn zakgeld gekocht; They

laid out the corpse = legden af; He laid himself out to turn a penny =

beulde zich af, spande zich in om; It was laid over with rust = geheel

bedekt; The ship was laid to = bijgelegd; To lay to heart = ter harte

nemen; I hope you will lay it to old age = toeschrijven aan; To lay

under water = onder water zetten; To lay a person under an obligation =

aan zich verplichten; He was laid up with the rheumatism = lag te bed

met; To lay up = bijleggen, voor anker gaan liggen, rust nemen,

opsparen, opleggen (scheepst.); Layer, lêə, laag, bed, aflegger of

loot; richter, leghen, bookmaker; Layer verb. stekken; gaan liggen;

Layer-out = lijkbezorger, aflegger; Layer-up = verzamelaar; Laying =

het leggen, de gelegde eieren, oesterbank: A hen past laying = die niet

meer legt; The laying on of hands = (kerkelijke) bevestiging door

handoplegging.

Layard, leiəd.

Lazar, leizə, melaatsche; Lazaret(to) = pesthuis, hospitaalschip,

quarantaine-plaats; bergplaats voor provisie op schepen; Lazarus,

lazərɐs.

Laze, leiz, lummelen.

Laziness, leizinəs, subst. v. Lazy, leizi, lui, vadsig: A lazy morning

= morgen om niets te doen; He is a lazy-body (-bones, -boots) =

luiwammes; Lazy-tongs = een soort tang, die saamgedrukt zich verlengt.

Lazzaroni, lazərouni.

Lea, lî, vlakte, weide, landouw; adj. braak.

Leach, lîtš, subst. loog, loogvat; Leach verb. uitloogen; Leach-tub =

loogvat.

Lead, led, subst. lood, metaalplaatje tot het scheiden der regels bij

het drukken; plat, met lood bedekt dak (steeds meervoud); plombe

(zegellood), peillood, potlood; adj. looden; Lead verb. met lood

bedekken of bekleeden, plombeeren, door metaalplaatjes afscheiden:

White lead = loodwit; My room is under the leads = het met lood bedekte

dak; A widely leaded volume = boek met veel wit op de bladzijden;

Lead-ash(es) = loodasch; Lead-colic = loodkoliek; Lead-foil = bladtin;

Lead-glance = loodglans; Lead-line = loodlijn; Lead-pencil = potlood;

Lead-poisoning = loodvergiftiging; Leadsman = matroos die het peillood

ophaalt; Leadworks = loodhut; Leaded = in lood gevat, ook = separated

by leads (= ver uiteen gezet); Leaden = van lood, loodkleurig, loom,

dom, dof: Leaden pills = “blauwe boonen”, geweerkogels.

Lead, lîd, subst. voorgang, leiding, voorhand, eerste plaats, hoofdrol;

Lead verb. leiden, vooropgaan, den weg wijzen, de leiding hebben,

aanvoeren, aan het hoofd staan, dirigeeren, eerste stem of viool

spelen, uitspelen, eerst spelen, enz.: They would not follow that

statesman’s lead = hem niet als leider volgen; He is now playing lead

at the Savoy = hij speelt nu de hoofdrollen in het S.-theater; To take

the lead = de leiding nemen, de eerste viool spelen; He led me to

expect it = spiegelde me voor; I was led to regard him as a noble

fellow = men hield mij altijd voor, dat....; He led my sister to the

altar = voerde; You have led us a pretty dance = heel wat last op den

hals gehaald; He leads them a dog’s (a pretty sort of) life = zij

hebben een hondenleven bij hem; Will you lead the way? = voorop gaan?

To lead along = (voort)leiden; To lead astray = op een dwaalspoor of

den verkeerden weg (fig.) leiden; To lead away = wegleiden; The manager

will lead off with Hamlet = zal het seizoen openen met; He leads off

with some good verses in that periodical = begint het nummer met; I led

off on that subject = bracht het gesprek erop; The girl led him on =

hield hem aan ’t lijntje; She led the conversation round to her son =

bracht het gesprek op; This measure led up to success = leidde tot;

Leader, subst. (ge)leider, gids, chef, aanvoerder, orkestmeester,

eerste viool, voorste paard, hoofdartikel: I stood at the leader’s

head, and my groom at the wheeler’s = bij het voorste paard;

Leader-writer = schrijver van hoofdartikels; Leaderette, klein

hoofdartikel; Leadership; Leading article = hoofdartikel; Leading

counsel = voornaamste advocaat in een proces; Leading fashion =

heerschende mode; Leading lady = de actrice voor hoofdrollen; Leading

part = hoofdrol; Leading question = een vraag waarbij men ’t antwoord

als ’t ware in den mond legt (Jur.); He is dangling at his wife’s

Leading-strings = loopt aan den leiband van; He is in leading-strings =

is de marionet van anderen; Leading word = slagwoord; Men of leading =

toonaangevers, leiders.

Leaf, lîf, subst. blad, vizierklep, helft van eene porte-brisée; Leaf

verb. bladeren krijgen: The fall of the leaf = de herfst; To burst into

leaf = bladeren krijgen; He took a leaf out of my book = hij heeft mij

nagevolgd; Don’t turn down the leaf = maak geen ezelsooren; You will

have to turn over a new leaf = zult een ander leven moeten beginnen, u

moeten beteren; The examples were given overleaf = op de andere pagina;

Leaf-bridge = soort van ophaalbrug; Leaf-bud = bladknop; Leaf-fall =

het vallen der bladeren; Leaf-gold = bladgoud; Leaf-green = bladgroen;

Leaf-lard = bladreuzel van varkens niervet; Leaf-louse = bladluis;

Leaf-metal = klatergoud; Leaf-mould = verrotte bladeren als mest;

Leaf-silver = bladzilver; Leaf-table = klaptafel; Leafage = loof;

Leafed = bebladerd; Leafiness; Leafless = bladerloos; subst.

Leaflessness; Leaflet = klein blad, tractaatje, blaadje; Leafy =

bebladerd.

League, lîg, subst. verbond, verdrag, verbintenis; mijl; League verb.

zich verbinden, een verbond aangaan; Leaguer = bondgenoot; legerplaats,

belegering; Leaguer verb. belegeren.

Leak, lîk, subst. lek; Leak verb. lek zijn; lekken, doorlaten: To

spring a leak = een lek krijgen; Nothing has leaked out yet = er is nog

niets uitgelekt; Leakage = lekkage, verlies, vermindering; Leakiness =

lek zijn; Leaky = lek; praatziek, babbelzuchtig.

Leal, lîl, trouw, loyaal.

Leamington, lemiŋt’n.

Lean, lîn, mager, dun, schraal, onvruchtbaar, onbeteekenend; subst.

mager vleesch; Lean-faced = met mager gezicht; Lean-witted = flauw,

afgezaagd; Leanness = magerheid.

Lean, lîn, leunen, scheef staan, overhangen, neigen (ook fig.); subst.

schuine stand: On the lean = scheef; All his faults lean to the side of

virtue = hij heeft de gebreken van zijne deugden; Leaning = scheef;

subst. overhelling, neiging; Lean-to, adj. leunend tegen of gesteund

door: A lean-to (building) = gebouw, waarvan de balken weer op een

ander gebouw steunen, aanbouw.

Leap, lîp, subst. sprong, sprongwijdte; Leap verb. springen, springen

over, opspringen, dekken, laten springen: A leap in the dark = sprong

in het duister; The consumption of Lemon Squash went up by leaps and

bounds = nam kolossaal toe (eig. met groote sprongen); He leaps the

most difficult passages = springt heen over; Can you leap this wall =

over dien muur springen? He leaped in the saddle = hij sprong in het

zadel; His heart is ready to leap into his mouth = hij is buiten

zichzelve van vreugde; I’m ready to leap out of my skin = dat is om uit

je vel te springen; Leap-frog = haasjeover; springkikker; Leap-year =

schrikkeljaar; Leaper = springer, springpaard; Leaping-pole = polsstok.

Leapt, lept, P. Imp. en P.P. v. to leap.

Learn, lɐ̂n, leeren, vernemen: I will learn it by heart = van buiten

leeren; He would not learn by the lessons of experience = niet van de

ondervinding leeren; He is learned in that matter = knap in; He will

never learn wit = hij wordt nooit wijzer; A fool may learn a wise man

wit = een wijze kan van een dwaas nog leeren; Learned = geleerd,

ervaren; Learner = leerling, scholier, beginneling; Learning =

geleerdheid, wetenschap.

Learnt, lɐ̂nt, P. Imp. en P.P. v. to learn.

Leasable, lîsəb’l, verhuur-, of verpachtbaar; Lease, lîs, subst.

verhuring, verpachting, pacht, huur, pacht-, of huurcontract, pacht-,

of huurtijd, duur; Lease verb. (ver)huren, (ver)pachten: Building

leases = bouwpachtrechten; His lease of life = levensduur; We hold this

house on a twenty years’ lease = wij hebben 20 jaar huur aan dit huis;

To let by (out on) lease = verhuren, verpachten; To take on lease =

huren, pachten; You have taken a new lease of your life = je hebt weer

ingehuurd (kunt weer een tijdje mee); Leasehold, subst. pachthoeve;

adj. gepacht; Leaseholder = pachter.

Lease, lîz, weide, meente; Lease verb. lezen (van aren).

Leash, lîš, subst. koppel, leeren riem, drietal (bij jacht), band;

Leash verb. aan een koppel leiden, koppelen.

Least, lîst, minst, geringst, kleinst: At least = ten minste; At (the)

least = op zijn minst; Not in the least = hoegenaamd niet; Least of all

= in ’t allerminst; Least said soonest mended = hoe minder er van

gezegd hoe beter; Leastways (wise) = minstens, ten minste.

Leat, lît, molenvliet; kruising van wegen.

Leather, ledhə, subst. leer of leder, huid, (voet)bal; ook adj.;

Leather verb. met leer bekleeden; er op los slaan, ranselen: Nothing

like leather = niets gaat boven mijn waar (boven wat ik aanprijs); To

ride hell-for-leather = spoorslags; To lose the leather = zich

doorrijden of loopen; Leathers = leeren broek (slobkousen); She may

leather away till Christmas = er op ranselen zoo lang als ze wil; The

drum was leathering away to his heart’s content = sloeg er naar

hartelust op los; Leather-apron = schootsvel; Leather-belt = drijfriem;

Leather-coat = goudrenet; Leather-dresser = leerbereider;

Leather-merchant = leerkoopman; Leatherette = imitatieleer; Leathern =

lederen, taai; Leathery = leerachtig, taai: Leathery toast.

Leave, lîv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel; Leave verb.

nalaten, verlaten, overlaten, heengaan, ophouden: By your leave = met

uw verlof; To ask leave = verlof vragen; I beg leave to inform you =

heb de eer u te berichten; To give leave = verlof geven; I have my

leave for the evening = den heelen avond vrij; To take French leave =

met de Noorderzon vertrekken; You may accept my offer or leave it =

aannemen of afslaan; He left here to-day = vertrok van hier; They left

the fortress on their left side = lieten liggen; It (He) was left to

look after it (himself) = aan zich zelf overgelaten; There are three

bottles left = over; They left the Boers alone = bemoeiden zich niet

met; Leave well alone = het betere is de vijand van het goede; Leave

him alone = laat hem met rust, laat hem maar loopen; Leave go my hand =

laat los; This blow made him leave go of me = maakte, dat hij mij los

liet; To leave open = onbeslist laten; To leave about = laten

slingeren; Will you leave off teasing him = uitscheiden hem te plagen;

They left off wearing their overcoats = droegen hunne overjas niet

langer; She left off her weeds = ging uit den rouw; Left on hand =

overgebleven; They tried to leave me out = mij te negeeren, er buiten

te laten, enz.; To leave over = overlaten; Leave-taking = het

afscheidnemen; Leaving: Leavings = overblijfsel, afval, droesem;

Leaving-age = leeftijd waarop de kinderen de school verlaten;

Leaving-certificate = einddiploma; Leaving-shop = stille lommerd.

Leaved, lîvd, bebladerd, met bladen of vleugels.

Leaven, lev’n, subst. zuurdeeg, zuurdeesem (ook fig.); Leaven verb.

doen rijzen; be-invloeden, besmetten: To purge out the old leaven.

Lebanon, lebənən.

Lecher, letšə, lichtmis; Lecher verb. hoereeren; Lecherous = wellustig;

Lechery = wellust, ontucht.

Lectern, lektən, koorlessenaar, voorzangerslessenaar, lezenaar.

Lection, lekš’n, voorgelezen kapittel; lezing; Lectionary = verzameling

v. stukken uit de H. S. om in de godsdienstoef. te lezen.

Lector, lektə, lector, voorlezer; Lectorship.

Lecture, lektjə, subst. lezing, verhandeling, redevoering, berisping;

Lecture verb. college geven, eene lezing houden, de les lezen,

onderhanden nemen: To deliver (To give) a lecture = een lezing houden;

Lecturer = lector, docent, hulpprediker: A University lecturer in

history; Lectureship; Lecturess = lectrice.

Led, led, imperf. en part. perf. van to lead; Led captain = klaplooper;

Led-horse = pakpaard.

Ledge, ledž, plank, richel, rug, laag, rand, uitstekende kant.

Ledger, ledžə, grootboek; dorpel, dwarsbalk; Ledger-bait = vastliggend

aas; Ledger-line = hulplijn (muziek).

Lee, lî, lijzijde, luwe zijde: Under the lee = onder de lij; Lee-board

= zwaard (scheepst.); The ship carries lee-helm = is lijgierig;

Lee-lurch = hevig rollen naar lij bij hooge zee; Lee-shore = de kust

aan lijzijde; Lee-side = lijzijde; Lee-tide = getij naar lijzijde;

Lee-way: To make lee-way = vallen (scheepst.); To make up for lee-way =

het verzuimde inhalen; Leeward = lijwaarts, naar lij: Leeward Islands =

de kleine Antillen.

Leech, lîtš, subst. bloedzuiger, dokter; lijk (v. een zeil); Leech

verb. bloedzuigers aanleggen, genezen; Leechcraft = geneeskunde.

Lee-Enfield, lî-enfîld, het Eng. inf. geweer.

Leek, lîk, knoflook, prei: He had to eat (the) leek = hij moest zijne

beleedigende woorden terugnemen.

Leer, lîə, subst. jaloersche, verliefde of booze blik; Leer verb.

schuin, jaloersch, verliefd of boos kijken, gluren, lokken; Leery =

geslepen.

Lees, lîz, droesem, grondsop.

Leetle, lît’l = Little.

Left, left, imperf. en part. perf. van to leave: Left-off = afgedragen.

Left, left, subst. linkerkant, oppositie (in het House of Commons); ook

adj.: On the left = links; To the left = naar links; Left about! =

linksom! Nobody can put in her left more neatly than she = niemand kan

fijner bedekt hatelijk zijn dan zij is; Each gentleman pointed with his

right thumb over his left shoulder; this action is called “over the

left”, and expresses light and playful sarcasm; Left-hand =

linkerzijde; Left-handed = linker, linksch, boosaardig; Left-handed

marriage = morganatisch huwelijk; subst. Left-handedness; Left-hander =

linksch persoon; vuistslag of worp met de linkerhand; onverwachte slag.

Leg, leg, been, beenbedekking, schenkel, poot; gauwdief; Leg verb.

beenen maken (it); He is on his last legs = hij loopt op zijne laatste

beenen, is aan den rand des ondergangs; Such a man generally falls on

his legs = komt altijd “op zijne pootjes terecht”; To get on one’s legs

= opstaan; To get on one’s hind legs = op zijn achterste pooten gaan

staan (ook fig.); To give a leg (up) = helpen, een zetje geven; To give

(free play to one’s) legs = zich uit de voeten maken; A man’s memory

goes before his legs = men verliest zijn geheugen sneller dan het

gebruik zijner beenen; The ball has not legs enough = geene kracht

genoeg (bilj.); He has not a leg to stand on = hij kan zich niet

verontschuldigen; To kick up one’s legs = een kuitenflikker slaan,

kromme sprongen maken; He put his best leg foremost = zette zijn beste

beentje vóór; At that expression the minister sprang to his legs, and

made a sarcastic speech; he was on his legs for more than an hour =

sprong op - - en sprak; He stands on his own legs = op eigen beenen; We

were literally taken off our legs by the blast = feitelijk opgetild

door den storm; To give leg-bail = zich uit de voeten maken; Leg-rest =

bankje; Legged: Man is a two legged animal = tweevoetig dier; Legging =

beenbekleeding, slobkous, meest; Leggings; Leggy = langbeenig: Leggy

days = de tijd der balletten; Legless.

Legacy, legəsi, legaat, erfmaking; Legacy-duty = successierecht;

Legacy-hunter = erfenisjager.

Legal, lîg’l, wettig, wettelijk: Legal fare = tarief; Legal tender =

betaling in rijksmunt; There were several legal types in the court =

rechtsgeleerden; Legalism = wettelijkheid; Legalist = iemand, die zich

aan de letter van de wet houdt; Legality, ligaliti, wettigheid;

Legalization = legalisatie; Legalize = wettigen, legaliseeren:

Legalized rates = taxe.

Legate, legit, gezant: Papal legate = pauselijk legaat; Legateship.

Legatee, legətî, legataris; Legatine, legət(a)in, tot een legaat

behoorende.

Legation, ligeiš’n, gezantschap, ambassade.

Legator, ligeitə, legətö, erflater.

Legend, ledž’nd, lîdž’nd, legende, overlevering, fabel, opschrift,

randschrift (van munt of medaille): The legend ran = het praatje liep;

Legendary = legendarisch: Legendary lore = Legendary tales =

volksoverleveringen, sprookjes.

Leger (St.), s’ntledžə, silindžə: St. Leger races = wedrennen op

Doncaster-town-moor.

Legerdemain, ledžədəmein, handhabiliteit, vingervaardigheid,

goochelarij.

Legh, li, Leghorn, ləgön, leghön, leghön, Livorno; Italiaansch stroo,

hoed daarvan gemaakt.

Legibility, ledžibiliti, subst. v. Legible, ledžib’l, leesbaar; subst.

Legibleness.

Legion, lîdž’n, legioen (2000–6000 man bij de Romeinen), krijgsmacht,

legio: Their number (name) is legion = getal is legio; Order of the

Legion of honour = Legioen van Eer; Legionary, subst. soldaat van een

legioen; adj. van een legioen, uit legioenen bestaande, zéér talrijk.

Legislate, ledžisleit, wetten maken; door wetgeving bewerken (Amer.);

Legislation = wetgeving; Legislative = wetgevend; Legislator =

wetgever; Legislature = wetgevende macht.

Legitimacy, lədžitiməsi, wettigheid, echtheid, juistheid; Legitimate,

lədžitimit, adj. wettig, echt, juist, natuurlijk; subst. wettig kind;

wettig vorst; Legitimate verb. lədžitimeit, wettigen, voor wettig of

echt erkennen; Legitimation = wettig- of echtverklaring; Legitimist =

legitimist, aanhanger van de partij der Bourbons; Legitimize =

wettigen, voor echt verklaren.

Legume, legjum, ləgjûm; Legumen, legjûm’n, peulvrucht; Leguminose,

Leguminous = peulvruchten dragend of betreffend.

Lehigh, lîhai; Leicester, les-tə: Lehighshire, lestəšə; Leigh, lî;

Leighlin, lîlin, leklin; Leighton, leit’n; Leila, lîlə; Leinster,

lînstə, lenstə; Leipsic, laipsik.

Leisure, ležə, lîžə, subst. ledige tijd, geschikte gelegenheid; adj.

niet bezet, vrij: To-morrow I shall be at leisure = ben ik vrij,

onbezet; To attend, stay (upon) a person’s leisure = wachten tot iemand

tijd heeft; Leisured classes = niets doende (rijke) stand; Leisure hour

= vrij uurtje; It was his most leisure month = gemakkelijkste;

Leisurely = op z’n dooie gemak, langzaam.

Leith, lîth; Leland, lîlənd, lelənd; Lely, lîli; Leman, lîm’n; Zie

Lake.

Lem(m)ing, lemiŋ, lemming.

Lemnian, lemniən, van Lemnos.

Lemon, lem’n, subst. limoen, citroen(boom); adj. geel: In her thin

invalid tone with a squeeze of lemon in it = iets zuurs, vinnigs;

Lemon-drop = zuurtje; Lemon-juice = citroensap; Lemon-peel =

citroenschil; Lemon-squash = (spuit)water met citroensap (en ijs);

Lemon-squeezer = citroenpers; Lemonade, leməneid, limonade; Lemony =

citroenachtig.

Lemuel, lemjuəl.

Lemur, lîmə, vosaap (maki).

Lemures, lemjərîz, geesten d. afgestorvenen.

Lena, lînə, persoonsnaam (leinə, riviernaam).

Lend, lend, leenen, borgen, verleenen; zich leenen tot, passen voor:

Lend a hand there = help daar eens een handje; Lend thine ear = leen;

Lender = leener, geldschieter; Lending library.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 70 / 152 段