Lady, leidi, (voorname) dame, gemalin, vrouw van een knight of baronet,

dochter v. een hoogadelijke, mevrouw, vrouw, liefje, teef; ook adj.;

Our Lady = Onze Lieve Vrouwe; How is your (good) lady? = hoe vaart je

vrouw? The old lady = mijn oudje; Old Lady of Threadneedle Street = de

Bank van Engeland; Lady author = schrijfster; Lady-bird = pijlstaart;

ook lievenheersbeestje = Lady-bug; Lady-chapel = kapel aan de Maagd

Maria gewijd; Lady-day = Maria Boodschap (25 Maart); Lady friend =

vriendin; Lady-help = hulp der huisvrouw; Lady-killer = adonis,

veroveraar; Lady-love = geliefde; Lady’s-companion = werktaschje,

necessaire; chaperon; Lady’s-smock = pinksterbloem; Lady’s-tresses =

draaisteel; We carried her in the fashion they call ladies’ cushion =

op onze ineengevouwen handen; Ladyish = als een dame; Ladyism =

manieren van eene dame; Ladykin (gew. Lakin, leikin) = Onze Lieve

Vrouwe; Ladylike = als eene dame, kiesch, vrouwelijk, verwijfd;

Ladyship = rang of titel van eene Lady: Your Ladyship = Mevrouw.

Laertes, ləɐ̂tîz.

Lag, lag, adj. langzaam, dralend, laat, achteraankomend; Lag verb.

dralen, treuzelen, achterblijven (behind); deporteeren, gevangen

zetten, pakken; subst. vertraging; gedeporteerde, boef; Laggard =

subst. draler, talmer; adj. langzaam, achterlijk, treuzelig.

Lagoon, ləgûn, lagune; Lagoon-reef = koraalrif.

Lahore, lahö.

Lagrimando, lagrimandou: Lagrimoso, lagrimousou, plechtig, klagend

(muz.).

Laic, leiik, leeken...; subst. leek; Laicization = secularisatie;

Laicize = seculariseeren.

Laid, leid, P. Imp. en P.P. van To lay: Laid paper = papier met

waterlijnen.

Lain, lein, part. perf. van to lie = liggen.

Lair, lêə, leger (van een wild dier); bodemvuil.

Laird, lêəd, grondbezitter (Schotl.), landheer.

Laity, lei(i)ti, de leeken.

Lake, leik, meer; soort lak: Lake Leman (lîm’n) = het Meer van Genève =

The Lake of Geneva; Lake-dwellers = bewoners van een paalwoning =

Lake-dwelling; Lake School = de dichterschool van Wordsworth, Coleridge

en Southey; Lake-settlement = verzameling van paalwoningen; Lakelet =

meertje; Laker = Lakist = dichter uit de Lake School.

Lakh, lak, lâk = Lac.

Lallation, laleiš’n, spraakgebrek, waarbij de r als l wordt

uitgesproken.

Lam, lam, ranselen: He went on lamming into his men.

Lama, lâmə, Lama priester; Lamaism, lâməizm; Lamasery, lâməsəri,

lamâsəri, Lamaklooster.

Lamb, lam, subst. lam, lamsvleesch; Lamb verb. lammeren werpen; plukken

(fig.): To lamb down = de wacht houden bij schapen in den lammerentijd

(Austr.); Lamb-ale = feestelijkheid bij het scheren der schapen;

Lambskin = lamsvel; Lamb’s-wool = lamswol; bier met suiker,

notenmuskaat en gebraden appelen; Lambkin = lammetje, lieveling;

Lamblike = zacht als een lam.

Lambency, lamb’nsi, lekken van vlammen, stralen, oppervlakkigheid;

Lambent, lamb’nt, spelend, lekkend; stralend, vluchtig.

Lambrequin, lambəkin, helmkleed, dat op wapens helm en schild

omfladdert; draperie boven aan een venster.

Lame, leim, adj. kreupel, verminkt, hortend, onvolkomen, gebrekkig;

Lame verb. kreupel maken, verminken, verlammen; Lame-duck = wanbetalend

beursspeculant; To help lame dogs over stiles = zwakke broeders een

handje helpen; Lameness, kreupelheid, verlamming, zwakheid.

Lamella, ləmelə, lamelle, dun blaadje metaal, schilfer; Lamellar,

lamələ, ləmelə, schilferig; Lamellate(d), laməlit, laməleitid, uit

dunne platen of schilfers bestaande; Lamelliform = schilferachtig.

Lament, ləment, subst. weeklacht; Lament verb. betreuren, weeklagen;

Lamentable, laməntəbl, jammerlijk, betreurenswaardig, treurig;

Lamentation = weeklacht, jammerklacht: The Lamentations of Jeremiah =

Klaagliederen van Jeremia; Lamented = zaliger.

Lametta, ləmetə, dun, onecht goud- of zilverdraad.

Lamia, leimjə, booze geest in den vorm eener slang met vrouwenhoofd;

heks, toovenares.

Lamina, laminə, dunne plaat, schubje, blaadje; Laminable = tot dunne

platen pletbaar; Laminal = Laminar = uit dunne plaatjes bestaande;

Laminate, lamineit, pletten, met dunne plaatjes overtrekken; Laminated

= schilferig = Laminate, laminit.

Lammas, laməs, 1 Augustus: At latter Lammas = met St. Juttemis, als de

kalveren op het ijs dansen; Lammas-day (Lammas-tide) = St. Pieter (1

Aug.); Lammas Eve = 31 Juli.

Lamp, lamp, lamp, licht: To smell of the lamp = naar de lamp rieken;

Lamp-black = lampzwart; Lamp-burner = brander; Lamp-light = lamplicht;

Lamp-lighter = lantaarnopsteker; fidibus; Lamp-maker = lampenfabrikant;

Lamp-mat; Lamp-post = lantarenpaal; Lamp-shade = kap; Lampion, lampj’n

= illumineerglaasje.

Lampoon, lampûn, subst. schotschrift; Lampoon verb. schotschriften

schrijven; Lampooner; Lampoonery.

Lamprey, lampri, lamprei.

Lanark, lanək; Lanarkshire.

Lanate(d), leinit(id), wollig, zacht.

Lancashire, laŋkəšə; Lancaster, laŋkəstə; Lancashireian, laŋkəstîriən:

Lancashire system = stelsel van Joseph Lancaster, waarbij de zwakkere

leerlingen door de vluggere (monitors) worden onderwezen; Lancastrian,

laŋkastriən, partijganger van Hendrik VI van Lancaster.

Lance, lâns, subst. speer, lans; lansier, wilde; Lance verb, met eene

lans doorsteken, met een lancet openen: With lance in rest = met

gevelde lans; Lance-corporal = korporaal titulair; Lance-flag =

vaantje: Lance-head = spits; Lanceolate(d), lânsiəlit, lânsiəleitid,

lancetvormig; Lancer = lansier; Lancers = “quadrille des lanciers”.

Lancelot, lânsəlot.

Lancet, lansət, lancet; Lancet-arch = spitsboog; Lancet-fish =

lancetdrager (visch); Lancet-window = Gothisch venster.

Lancinating, lansineitiŋ: Lancinating pain = scherpe, snijdende,

vlijmende.

Land, land, subst. land, landstreek, grond, natie, landerijen; Land

verb. landen, aan land brengen, lossen, ophalen: By land = te land;

Land o’ Cakes = Schotland; Land of the leal = verblijf der zaligen;

Land of Promise = Land der Belofte; To lay the land = het land uit het

gezicht verliezen; To make the land = in het gezicht krijgen; To set

the land = het land peilen; The cape shut in the land = door de kaap

was het land niet te zien; To sight the land = in ’t gezicht krijgen;

The land was looming = in de verte doemde land op; I want to see how

the land lies = ik wil poolshoogte nemen; I landed him for ten pounds =

kreeg van hem los; He lands himself in all kinds of difficulties =

brengt zichzelf; I landed a splendid fish = haalde op; Land-agent =

rentmeester; Land-bank = hypotheekbank (Amer.); By Land-carriage = per

as; Land-crabs = landkrabben (ook fig.); Landfall = grondafschuiving;

nadering of in het gezicht krijgen van het land, eerste land, dat men

na een zeereis in ’t gezicht krijgt; Land-flood = overstrooming;

Land-force = landmacht; Land-grabber = iemand die op onwettige wijze

land in bezit neemt; iemand in Ierland, die land huurt, waaruit een

ander met geweld gezet werd; Land-grave = landgraaf; Land-graviate,

landgraafschap; Land-gravine = vrouw van een landgraaf; Land-holder =

grondbezitter; Land-jobber = landerijenspeculant; Landlady =

kostjuffrouw, waardin; Land-league = in 1879 gevormd en in 1881 door de

regeering verboden bondgenootschap van huurders tegen de landeigenaren

(Ierland); Land-leaguer = lid van de land-league; A land-locked bay =

rondom door land ingesloten baai; Land-loper = vagebond; landrot

(fig.); Landlord = huisbaas, waard; Landlordism = de maatregelen der

landeigenaren (als één lichaam) tegenover hunne huurders; Land-lubber =

landrot (fig.); Landman = landrot; pachter; Landmark = grenspaal,

baken, gewichtig tijdpunt; Land-measuring = het landmeten; Landowner =

grondbezitter; Land-rail = wachtelkoning, spriet; Land-rat = landrot;

Land-rent = landrente; Land-reeve = onder-rentmeester; Land-roll(er) =

zware rol, om aardkluiten te breken; Landscape = landschap;

Landscape-gardening = de kunst van tuinen en parken aanleggen;

Land-scrip = bewijs van landaankoop van den staat (Amer.); Land-shark =

straatroover, uitzuiger, advocaat; Land-side = de platte zijde van den

ploeg; Land-slide, Landslip = grondafschuiving, de afgeschoven grond;

Landsman = landkrab, landrot (fig.); Land-steward = rentmeester;

Land-surveying = landmeten; Land-surveyor = landmeter; Land-tax =

grondbelasting; Land-warrant = Land-scrip; Landed: Landed estate (=

Landed property) = grondbezit; The landed gentry = landadel; Landing =

het aanlanden, landingsplaats, pier, werf, perron (Amer.); bordes:

Landing-net = klein net om gehengelde visch aan land te krijgen;

Landing-place = landingsplaats; Landing-surveyor = opziener over de;

Landing-waiters = kommiezen, toezicht houdend bij het lossen van

schepen; Landward = landwaarts.

Landau, landô, landauer; Landaulet, landôlet, kleine landauer.

Lane, lein, nauwe weg of pad tusschen heggen, struiken, etc., of twee

rijen menschen door, vaargeul tusschen ijsvelden, nauwe straat, steeg:

The Lane = Drury Lane = een schouwburg in Londen; It is a long lane

that has no turning = aan alles komt een einde.

Langate, langit, rol verbandlinnen.

Langham, laŋəm; Langholm, laŋəm.

Langrage, laŋgridž, Langrel, laŋgr’l, kartetskogel.

Langsyne, laŋsain, lang geleden (Schotl.); vroegere tijd.

Language, laŋgwidž, taal, spraak, stijl: He used bad language = hij

vloekte, etc; Language-master = taalonderwijzer.

Languid, laŋgwid, kwijnend, zwak, traag, langzaam; subst. Languidness;

Languish, laŋgwiš, verb. kwijnen, versmachten, verslappen,

achteruitgaan, kwijnend of teeder kijken, smachten naar; subst.

Languishment; Languor, laŋg(w)ə, matheid, dofheid, slapheid, verlangen,

zwoelte; Languorous = Languid.

Laniard, lanjəd = Lanyard.

Laniary, leinjəri, subst. hondstand; adj. verscheurend.

Lanigerous, lənidžərɐs, woldragend, wollig.

Lank, laŋk, adj. dun, schraal en lang, slap, los, sluik; subst.

Lankness; adj. Lanky.

Lanner, lanə, worgvalk; Lanneret = het mannetje.

Lansquenet, lanskənet, lansknecht; kaartspel.

Lantern, lantən, subst. lantaren; Lantern verb. van lantarens voorzien,

aan een lantaarn ophangen: Chinese lantern = lampion; Dark lantern =

dievenlantaarn; Magic lantern = tooverlantaarn; Feast of lanterns =

feest in China op den eersten van iedere maand; He was lynched and

lanterned; Lantern-fly = lantaarndrager (insect); Lantern-jawed = met

lang en mager gezicht; Lantern lecture = lezing met lichtbeelden;

Lantern-wheel = lantaarnrad of schijfloop.

Lanyard, lanjəd, taliereep.

Laocoön, laokəon; Laodicean, leiədisîən, tot Laodicea, leiədisîə, (in

Phrygië) behoorende; lauw in godsdienstige dingen.

Lap, lap, subst. pand (van een kleed), schoot, overstekende kant,

voorsprong, vouw; polijstschijf; ronde (bij een wedstrijd); likken,

oplikken, kabbelen; slappe drank; Lap verb. vouwen, omleggen, wikkelen,

“lappen” (sportt.); (op)likken, kabbelen, bespoelen, polijsten: To make

a lap = een schoot maken; Lapped in luxury = badend in weelde; Lap-dog

= schoothondje; Lap-stone = klopsteen (van een schoenmaker); Lap-work =

werk, waarbij hot eene gedeelte over het andere gelegd is; Lapful;

Lapper = vouwer, polijster, likker, zuiper.

Lapel, ləpel, lapel (v. eene jas): A lapelled coat.

Lapidary, lapidəri, tot het steensnijden behoorend, in steen gesneden,

steen - -; bondig; subst. steensnijder: Lapidary style = bondige.

Lapidate, lapideit, steenigen; Lapidation = steeniging; Lapidification

= versteening; Lapidify = versteenen.

Lapillus, ləpiləs, mv. Lapilli, ləpilai, vulcanische slakkensteen.

Lapis, lapis, leipis, steen: Lapis infernalis = helsche steen; Lapis

pumex = puimsteen.

Lapland(er), lapland(ə), Lapland(er), ook kortweg Lap(p); adj. Lappic =

Lappish.

Lappet, lapət, slip, pand, loshangend deel van kapsel of muts: Cap

lappet = oorlap (v. eene muts, etc.)

Lapsable, lapsəb’l, wat vervallen kan; Lapse, laps, subst. val, loop,

verloop, fout, vergissing, plichtverzuim, afdwaling, afval; zondenval,

vervallen; Lapse verb. vallen, glijden, glippen, voortglijden,

verloopen, dwalen, den plicht verzuimen, afvallen, vervallen: That is a

lapsed legacy = vervallen legaat; Lapsed proposals; Lapsus =

vergissing, fout.

Laputa, ləpjûtə, adj. Laputan.

Lapwing, lapwiŋ, kievit.

Lar, lâ (Mv. Lares, lârîz), huisgod (bij de Romeinen).

Larboard, lâböd, labəd, bakboord (linkerzijde).

Larcener, lâsənə, Larcenist, lâsənist, dief; Larcenous, lâsənɐs,

diefachtig; Larceny, lâsəni, diefstal: He was accused of a simple

larceny = van eenvoudigen diefstal.

Larch, lâtš, lorkenboom.

Lard, lâd, subst. varkensreuzel; Lard verb. lardeeren, met vet

bedruppelen, mengen; Lardaceous, lâdeišəs, spekkig = Lardy.

Larder, lâdə, provisiekamer (—kast), mondvoorraad.

Lardy-dardy, lâdi-dâdi, blasé, fatterig.

Large, lâdž, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig,

veelomvattend, edel, pocherig: Large conscience = ruim; As large as

life = levensgroot; To be in a large way (of business) = groote zaken

doen; Christendom at large = in ’t algemeen; A convict at large =

ontvlucht gevangene; A gentleman at large = die zijn eigen baas is; The

public at large = het groote publiek; The prisoners were (set) at large

= waren (werden) vrijgelaten; To talk at large = er maar op los; They

are not tolerated at large = mogen zich niet vrijelijk buitenshuis

bewegen; The ship went (sailed) large = zeilde voor den wind;

Large-boned = pootig; Large-handed = hebzuchtig; overdreven mild,

verkwistend; Large-hearted = grootmoedig; Large-minded person = met

ruimen blik; grootmoedig; subst. Large-mindedness; Largen = groeien,

vergrooten; Largeness = grootte, uitgestrektheid, grootheid.

Largess(e), lâdžəs, rijk geschenk, gave: To cry largess(e) = om een

geschenk vragen (wat door den minstreel werd gedaan).

Larghetto, lâgetou, Largo, lâgou, langzaam (muz.).

Largish, lâdžiš, vrij groot.

Lariat, lariət, subst. pikettouw, lasso; Lariat verb. met een lariat

vangen.

Lark, lâk, subst. leeuwerik, pretje, “lolletje”; Lark verb. leeuweriken

vangen; pret maken, streken uithalen, voor den gek houden: A lark is

better than a kite = iets is beter dan niets; I am up to a lark = heb

wel zin in een lolletje; If the sky falls we shall catch larks (there

will be catching of larks) = als de hemel valt hebben we allen eene

blauwe slaapmuts op; Don’t make a lark of me = houd me niet voor den

gek; Larkspur = ridderspoor; Larker = grappenmaker; Larkish = Larksome

= Larky = van pret houdend, lustig.

Larrikin, larikin, subst. vagebond, ruwe klant; Larrikinism = herrie,

baldadigheid (Australië).

Larrup, larəp, afranselen.

Larva, lâvə, larve of pop; Larval = tot eene larve behoorende;

Larvate(d), lâvit(id), verpopt; Larviporous, lâvipərɐs, larven

voortbrengend.

Laryngeal, lərindžiəl, larindžîəl, Laryngean, lərindžiən, larinžîən,

strottenhoofd..; Laryngitis, larindžaitis, ontsteking van de larynx;

Laryngoscope, ləriŋgəskoup, keelspiegel; Laryngoscopy = onderzoek met

een keelspiegel; Larynx, lariŋks, luchtpijp, strottenhoofd.

Lascar, laskə, laskâ, Laskaar, Brit.-Ind. matroos op Europeesche

schepen.

Lascelles, ləselz.

Lascivious, ləsivjəs, wulpsch; subst. Lasciviousness.

Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag,

zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; Lash verb. zweepen,

slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, schimpen, vastbinden; He is under

the lash of his wife = onder de plak; The horse gave a sudden lash out

= begon plotseling achteruit te slaan; To lash out = achteruit slaan;

uit den band slaan (fig.); Lashing = sjorring (scheepst.); Lashings =

massa’s.

Lass, las, lâs, meisje, deern; Lassie = jong meisje.

Lassell, ləsel.

Lassitude, lasitjûd, moeheid, matheid.

Lasso, lasou, subst. lasso; Lasso verb. met een lasso vangen.

Last, lâst, subst. last; leest; volharhardingsvermogen; adj. laatste,

uiterste, geringste, jongstleden; Last verb. duren, uithouden; To put

(set) (up)on the last = leest; Shoemaker, stick to your last = hou je

bij je leest; At last = ten laatste, eindelijk; At long last = ten

langen leste; At the last = op het einde, laatste oogenblik; He

retained his wits to the last = tot het laatste toe; Last though not

least = het laatste maar niet het minste; The last century = vorige;

The last event = de dood; Of the last importance = van het grootste

belang; To be on one’s last legs = ten einde raad zijn; The affair is

on its last legs = bijna uit, over; Last night = gisteren avond; He was

in the last straits = lag op het uiterste; The Last Supper = l.

Avondmaal; He breathed his last = blies den laatsten adem uit; The last

I saw of him = de laatste keer, dat ik hem zag; Shall I never hear the

last of it? = houdt dat dan nooit op? It will last his time = zijn tijd

duren; It would have lasted us out handsomely = we zouden er ruim

genoeg aan gehad hebben; Lastage = lading, laadruimte, vracht; Lasting

= volhardend, duurzaam; subst. volharding, duur; soort stof; That is to

your lasting honour = strekt u eeuwig tot eer; Lastingness =

duurzaamheid; Lastly = ten slotte.

Latch, latš, subst. klink; Latch verb. met de klink sluiten; Latch-key

= huissleutel, lichter van de klink; For you the string of the latch is

on the outside = gij zijt ten allen tijde welkom; The latch-string is

out = de deur staat (voor iedereen) open.

Latchet, latšət, schoenriem.

Latching, latšiŋ, lijn waarmee de bonnet aan het gaffelzeil wordt

verbonden.

Late, leit, laat, vergevorderd, wijlen, overleden, ex-late, pas

gebeurd: The late Cabinet = het vorige ministerie; My late employer =

mijn vroegere patroon; The late king = wijlen de koning; Mr. N. late of

her Majesty’s service = eertijds in; You are five minutes late = vijf

minuten ná uw tijd; The train is an hour late = te laat; Late in the

day = (te) laat; Of late days (years) = in den laatsten tijd, onlangs;

The late rains have spoiled the crops = de in den laatsten tijd

gevallen regens; I have seen much of him of late = in den laatsten

tijd; I saw him lately = onlangs; It did not happen until very lately =

pas (onlangs); So lately as February = nog in F.; Lateness = laatheid;

Later on in the day = later op den dag; What’s the latest? = wat is er

voor nieuws?

Lateen, lətîn: Lateensail, driehoekig latijn- of emmerzeil; Lateenyard

= de ra hiervoor (Middell. Zee).

Latency, leitənsi, verborgenheid; Latent, leit’nt, latent, verborgen:

Their steps awaked the latent echoes in the house = de slapende echo’s;

Latent heat = latente warmte.

Lateral, latər’l, zijdelingsch, zijde - -.

Lateran, latər’n, Het Lateraan, het aan de Johanneskerk grenzende

paleis van den Paus: Lateran councils = de in de kerk van St. Jan van

Lateraan gehouden synoden.

Lath, lâth, subst. lat; Lath verb, met latten bedekken of bespijkeren:

He is as thin as a lath = zoo mager als een houtje; Lath-and-plaster =

van bepleisterde latten; Lath-work; Lathy = (zoo) dun (als eene lat),

van latten gemaakt.

Latham, leith’m.

Lathe, leidh, draaibank.

Lathee, latî, lange, met ijzer beslagen stok (Brit. Ind.).

Lather, ladhə, subst. zeepsop, schuim; Lather verb. inzeepen, schuimen,

met schuim bedekken (bedekt worden), afranselen.

Laticostate, latikostit, met breede ribben.

Latidentate, latidentit, met breede tanden.

Latifoliate, latifouliit, Latifolious, latifouliəs, met breede

bladeren.

Latimer, latimə.

Latin, latin, subst. Latijn, Romein, lid der R.K. kerk; adj. Latijnsch,

Romeinsch: Latin Church = Roomsche Kerk; Latin cross = kruis (symbol);

Latin races = Franschen, Spanjaarden en Italianen; Latin union =

muntconventie tusschen Frankrijk, België, Italië, Zwitserland en

Griekenland; Latinism = Latinisme; Latinist = Latinist; Latinity =

zuiver Latijnsch idioom, gelatiniseerde Engelsche uitdrukking;

Latinization = verlatijnsching; Latinize = Latijnsche vormen of

uitgangen geven, Latijnsche woorden en spreekwijzen gebruiken; aan den

Pauselijken Stoel onderwerpen.

Latitude, latitjûd, breedte, breedtegraad, hemelstreek, ruimte, omvang,

onbepaaldheid, onnauwkeurigheid, vrijheid, speelruimte, ruimte van

opvatting, afwijking; Latitudinal, latitjûdin’l, breedte..;

Latitudinarian, latitjûdinêriən, onbeperkt, vrij, vrijzinnig,

verdraagzaam; subst. vrijzinnige; Latitudinarianism, latitjûdinêriənizm

= vrijzinnigheid.

Latrine, lətrîn, privaat.

Latten, lat’n, subst. messing: ook adj.; Latten-brass = messingblik;

Latten-wire.

Latter, latə, laatste (van twee), nieuw, pas gebeurd: Latter end =

slot, stervensuur; achterste; In his latter years = lateren tijd;

Latter-day Saints = geestdrijvers uit Cromwell’s tijd, die zich alléén

onderdanen van Jezus noemden, en eene vijfde groote monarchie (na die

van Assyrië, Perzië, Griekenland en Rome) onder Jezus verwachtten; de

Mormonen; The latter-day lights of London = de Londensche sterren (op

tooneel- en ander gebied) van den laatsten tijd; Lattermath = nagras,

etgroen; Latterly = onlangs, in den laatsten tijd.

Lattice, latis, subst. open lat- of traliewerk; Lattice verb. van

traliewerk voorzien; Lattice-pew = kerkbank met traliewerk;

Lattice-window; Lattice-work.

Laud, lôd, subst. lof, loflied, hymne; Lauds = de Lauden, het tweede

der kerkelijke getijden; Laud verb. lofzingen, prijzen; Laudable =

lofwaardig, prijzenswaardig; gezond; subst. Laudableness; Laudation,

lôdeiš’n, lof; Laudatory, lôdətəri, lovend, prijzend; Laudatories =

lofrede.

Laudanum, lôdənɐm, lodənɐm, laudanum.

Laugh, lâf, subst. lach, gelach; Laugh verb. lachen: Till you have had

your laugh out = tot je uitgelachen bent; Those laugh best, who laugh

last = wie ’t laatst lacht, lacht het best; He laughed his consent =

gaf lachend zijn toestemming; He laughed at me = lachte mij uit; He

laughed outright in (to) my face = lachte mij royaal in het gezicht

uit; He laughed in his sleeve = in zijn vuistje; He laughed on the

wrong side of his mouth (face), ook: He laughed on the other side

(corner) of his mouth = lachte als een boer, die kiespijn heeft; To

laugh one out of = iemand ergens van afbrengen, door het bespottelijk

te maken; He laughed my proposal to scorn = hij versmaadde mijn

voorstel: Laugh-and-lie-down = een soort kaartspel; Laughable =

lachwekkend, belachelijk; subst. Laughableness; Laugher = lacher,

lachduif; Laughing: It is no laughing matter = ’t is geen gekheid;

Laughing-gas = lachgas; Laughing-stock = voorwerp v. bespotting,

mikpunt van spotternij; Laughter = gelach: To break out into fits of

laughter = in lachen uitbarsten; I could not contain my laughter = mijn

lachen niet houden; To shake with laughter; She looked at me with

laughter-brimming eyes = met stralende oogen.

Launce, lâns, lans; zand-aal.

Launcelot, lansəlot; Launceston, lâns-t’n.

Launch, lônš, lânš, subst. het van stapel (laten) loopen; barkas,

motorboot: Electric (Steam-)launch = motorboot (stoombarkas); Launch

verb. slingeren, werpen, doorboren, van stapel (laten) loopen,

vooruitschieten, in zee steken, uitweiden over, iets nieuws beginnen;

I’m launching out a bit = neem het er eens van; I was launched upon

(into) the world when quite young = de wereld ingezonden; We launchd a

boat = streken; The ship was launched = werd te water gelaten; He

launched an ultimatum = zond een ultimatum.

Launder, lôndə, lândə, waschtrog voor erts; Laundress, lôndrəs,

lândrəs, waschvrouw; vrouw, die de in de Inns of Court op kamers

wonende heeren bedient; Laundry, lôndri, lândri, waschhuis;

Laundry-maid = waschmeisje.

Laura, lôrə, Laura; soort monnikendorp onder ’t opzicht van een

Overste.

Laureate, lôri-it, gelauwerd; gelauwerde; Laureate verb. (lôrieit)

lauweren: Poet Laureate = Eng. hofdichter; Laureateship = ambt van

hofdichter.

Laurel, lôr’l, lor’l, laurier, lauwerkrans: You may sleep on your

laurels = op je lauweren rusten; To win laurels.

Laurence, lôr’ns.

Lauwine, lôwin, lawine.

Lava, lâvə, lava.

Lavation, ləveiš’n, wassching, reiniging; Lavatory, lavətəri,

wasschend, wasch - -; subst. waschvertrek, wassching, toiletkamer,

retirade: Ladies’ (Men’s) lavatory = toilet; Lavatory carriages =

rijtuigen met retirade.

Lavender, lav’ndə, subst. lavendel; adj. zacht lila: To lay (up) in

lavender = in lavendel leggen; zorgvuldig bewaren, met lavendel

parfumeeren; in de gevangenis werpen, naar den lommerd brengen.

Laver, leivə, eetbaar zeewier; waschbekken.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 69 / 152 段