Kidderminster, kidəminstə, goedkoop soort vloerkleed.

Kiddle, kid’l, teenen vischweer; speeksel.

Kiddy, kidi. Zie Kid.

Kidnap, kidnap, stelen, met geweld wegvoeren, pressen; Kidnapper =

steler (van kinderen), zielverkooper.

Kidney, kidni, nier; soort, aard: They are all of the right (same)

kidney = zij zijn allen van ’t goede (zelfde) soort; Kidney-bean =

witte boon; Kidney-form = Kidney-shaped = niervormig.

Kiefekil, kifikil, meerschuim.

Kildare, kildêə.

Kilderkin, kildəkin, vaatje van 18 gallons.

Kilkenny, kilkeni.

Kill, kil, dooden, blusschen, dooven, stillen; subst. het dooden, buit:

She dances to kill = zij is een onvermoeide danseres; To kill time =

den tijd dooden; It would be a case of kill or cure = er op of er

onder; Kill-devil = rum of sterke drank in ’t algemeen; He is a

kill-joy = een spelbederver, een “saaie Klaas”; Kill-time =

tijdverdrijf; Killing = doodelijk, onweerstaanbaar, vreeselijk: You are

too killing = je laat me nog doodlachen; To look killing = er

onweerstaanbaar uitzien.

Killaloe, kiləlou; Killarney, kilâni.

Killick (= Killock) kilək, klein bootsanker, ankersteen.

Killigrew, kiligrû; Kilmarnock, kilmânək; Kilmore, kilmö.

Kiln, kil(n), oven, eest, kalkoven; Kiln-dry = in een oven of eest

drogen; Kiln-hole = mond van een oven.

Kilo, kilou, Kilogram(me), kiləgram, kilogram; Kilolitre, kiləlîtə,

kilolitə, kiloliter; Kilometer, kiləmîtə, kilomitə, kilometer;

Kilowatt, kiləwot = 1000 Watt (Electr.).

Kilsyth, kilsaith.

Kilt, kilt, subst. korte rok der Bergschotten; Kilt verb. opnemen;

Kilted = (loodrecht) geplooid.

Kimbo, kimbou, gebogen, gekromd: There he stood, with his arms akimbo =

met zijne armen in de zijde.

Kin, kin, subst. maagschap, bloedverwantschap, bloedverwant, maag; adj.

verwant, van dezelfde soort: He is next of kin = de naaste

bloedverwant; No kin no care = geen koeien, geen moeien; I do not care

for him and all his kith and kin = en zijne geheele familie; Kinsfolk =

verwanten; Kinsman, Kinswoman = bloedverwant(e); Kinship: My feeling of

kinship = mijne gehechtheid aan mijne verwanten.

Kinchin, kinšin, kindje; Kinchin cove = jonge dief.

Kind, kaind, subst. soort, kunne, geslacht, wijze; adj. vriendelijk,

goedaardig, natuurlijk, weldadig, goedhartig: I will pay you in kind =

in natura, met dezelfde munt; To hold religious convictions of a kind =

er nog eenigszins godsdienstige overtuigingen op na houden; He has

grown out of kind = is uit den aard geslagen; I kind of thought you

were there = ik dacht soms, (ook wordt kind of verbasterd tot kinder;

Amer.); To send one’s kind regards = vriendelijk laten groeten;

Kind-hearted = goedhartig; subst. Kind-heartedness; Kindliness =

welwillendheid, vriendelijkheid; adj. Kindly; To take something kindly

of a person = iets goed opnemen; To take kindly to something = met iets

op hebben; gesteld zijn op; The pig fattens kindly on this food = zet

flink vleesch aan van; Kindness = vriendelijkheid, etc.

Kindergarten, kindəgât’n, Fröbelschool; Kindergarten mistress =

Kindergartner, kindəgâtnə, onderwijzeres van eene Fröbelschool.

Kindle, kind’l, ontsteken, aansteken, doen ontvlammen of ontbranden,

opwekken, opwinden, vlam vatten, ontbranden: This kindled discontent to

flame = dit deed de ontevredenheid uitbarsten; The shavings can be used

as kindlings = als vuuraanmakers.

Kindred, kindrəd, subst. verwantschap, verwanten; adj. verwant, van

denzelfden aard.

Kine, kain, koeien.

Kinematics, k(a)inəmatiks, leer der beweging; Kinematograph,

kainîmətəgraf, k(a)inəmatəgraf, kinematograaf; Kinetic, k(a)inetik,

bewegend, motorisch; Kinetics = mathem. leer der beweging; Kinetoscope,

kainîtəskoup, kinîtəskoup.

King, kiŋ, koning, vorst, heer, dam (in het damspel); King verb. tot

koning verheffen; den koning spelen (it); King-at-arms = wapenkoning;

King’s-bench = vroeger een gerechtshof; King’s (Queen’s) evidence =

medeplichtige, die getuigenis aflegt tegen zijne kameraden; King’s evil

= scrofula: To touch for the king’s evil = door handoplegging genezen:

King’s-yellow = koningsgeel; King’s coach (cushion): To carry in a king

= op saamgevouwen handen dragen (kinderspel); King-craft = regeerkunst,

staatkunde; King-cup = scherpe (boldragende) boterbloem; King-fish =

soort van makreel; King-fisher = ijsvogel; King-killer =

koningsmoorder; King-post = middenstijl van het dak; King-wood = hard

Braziliaansch hout; Kingdom, koninkrijk: The Kingdom of God; Animal,

mineral and vegetable kingdom = dieren-, delfstoffen- en plantenrijk;

Kingdom-come = de eeuwigheid: He went to Kingdom-come = hij is

overleden; Kinglet (Kingling) = koninkje; Kingless; Kinglike = Kingly =

koninklijk; Kingship.

Kink, kiŋk, subst. kink, slag in een touw, gril, eigenaardigheid; Kink

verb. kinken: There had not been the slightest kink or hitch = geen

enkele kink in de kabel; We got the business out of the kink = aan den

gang, aan het rollen; Kinky = met bochten.

Kinross, kinros; Kinsale, kinseil.

Kiosk, kiosk, kiosk, paviljoen.

Kip, kip, huid van jonge kalveren; ook: Kipskin.

Kipper, kipə, subst. zalm gedurende den tijd van kuitschieten; bokking;

Kipper verb. zouten en rooken: Kippered herring.

Kirk, kɐ̂k, kerk (Schotl.): Kirk-session = kerkeraadsvergadering.

Kirkaldy, kɐ̂kô(l)di.

Kirtle, kɐ̂t’l, subst. soort van opperkleed, hemd, rok, buis.

Kismet, kismet, noodlot (Oostersch).

Kiss, kis, subst. kus, soort suikerboontje; Kiss verb. kussen, even

aanraken: To kiss and be (make) friends = afzoenen; To kiss the book =

bij het eed afleggen het N. testament kussen; To kiss the dust = in het

stof bijten; To kiss the earth, the ground = zich onderwerpen; The

ministers kissed hands yesterday = aanvaardden gisteren hun ambt (door

de koningin de hand te kussen); We kissed hands to the wilderness =

zeiden vaarwel; She kissed her hand to her uncle = gaf haar oom

kushandjes; They kissed the rod = zij onderwierpen zich aan de straf;

Kiss-in-the-ring = een zeker gezelschapsspel; Kiss-me-quick = kleine

dameshoed (van ± 1850), lok bij ’t oor; Kissable = om te zoenen;

Kissing: Kissing-crust = dat deel van eene broodkorst, dat een ander

brood raakt, zachte zijde van brood; As easy as kissing =

doodgemakkelijk.

Kit, kit, vaatje, kastje, mand, gereedschapsbak, uitrusting, de “heele

rommel” (= All the kit, The whole kit), katje; Kit verb. in een kit

verpakken.

Kitcat, kitkat, portret van bepaalde afmeting (71 × 91 cM.);

jongensspel: Kitcat cannio = kinderspel met lei en griffel.

Kitchen, kitš’n, subst. keuken: Kitchen-dresser = aanrechtbank;

Kitchen-garden = moestuin; Kitchen-maid = keukenmeid (in Engeland tot

hulp van de cook, die alléén kookt); Kitchen-middens = hoopen afval, of

schelpen van heel ouden datum; Kitchen-range = keukenfornuis;

Kitchen-stuff = keukengroenten; vet, schuim; Kitchen-wench =

keukenmeid; Kitchin of Kitchen Zulu = gebroken Zoeloesch.

Kite, kait, koningswauw; roofgierig mensch, vlieger; schoorsteenwissel:

To fly a kite = een vlieger oplaten; een schoorsteenwissel trekken;

Kite-flyer (ook fig.); Kite-flying = vlieger oplaten; wisselruiterij;

Kites’-foot = soort van gele tabak.

Kith, kith, verwanten. Zie Kin.

Kitten, kit’n, subst. jonge kat; Kitten verb. jongen werpen; Kittenish

= speelsch, dartel.

Kittiwake, kitiweik, soort van zeemeeuw = Kittiwake-gull.

Kittle, kit’l, kiedelen, kietelen: adj. = Kittle cattle = lastig,

moeielijk, netelig; Kittlish, kitliš, kietelig, gevaarlijk, gewaagd,

bedriegelijk.

Kitt’s (St), s’ntkits, de H. Christoffel; Kitty, kiti, Kaatje.

Kive, kaiv. Zie Keeve.

Kiwi, kîvi, kiwi.

Kleptomania, kleptəmeinjə, kleptomanie; Kleptomaniac = kleptomaan.

Klick, klik, tikken.

Klipspringer, klipspriŋə, antilope (Z. Afr.).

Kloof, klûf, kloof, ravijn (Z. Afr.).

Knack, nak, slag, handigheid, gemakkelijkheid, gewoonte; beuzelarij:

There is a knack in doing it = men moet er slag van hebben; To have the

knack, To know the knack of it = den slag er van beet hebben; To lose

the knack; Knacker = paardenvilder; Knacker’s yard = paardenvilderij;

Knackers = notenkraker.

Knag, nag, knoest of kwast (in hout), wrat, ruwe rots- of heuveltop;

tak van een gewei; Knagginess, subst. v. Knaggy = knoestig, ruw,

narrig.

Knap, nap, knappen, breken; Knapper = soort hamer.

Knapsack, napsak, ransel, knapzak.

Knapweed, napwîd, zwart knoopkruid.

Knar(l), nâ(l), knoest (in hout).

Knave, neiv, schurk, bedrieger, boer (in ’t kaartspel); Knavery =

schurkerij, bedriegerij; Knavish = schurkachtig: Knave trick =

schurkenstreek; subst. Knaveness.

Knead, nîd, kneden: Kneaded in the same trough = van hetzelfde maaksel,

met één sop overgoten; Kneader = kneder, kneedmachine; Kneading-trough

= bakkerstrog.

Knee, nî, knie, kniestuk, kniebuiging: On the knees of the gods =

afhankelijk van omstandigheden, die men niet beheerscht, of afhankelijk

van den goeden afloop van andere zaken; To bring one to his knees =

iemand doen buigen (fig.); The prize-fighters were given a knee after

every round = namen na iedere ronde wat rust (nl. elk op de knie van

een der secondanten); To go (down) on one’s knees = op de knieën

vallen; To take across one’s knee = over de knie leggen; To whip a boy

over one’s knee = voor zijn broek geven; Knee-breeches = kuitenbroek;

Knee-cap = kniebeschermer, knieschijf; Knee-deep = tot aan de knieën;

Knee-high = tot aan de knieën; Knee-haltered = gekniepoot; Knee-holly,

Knee-holm = ruscus, kleine steekpalm; Knee-joint = kniegewricht;

Knee-pan = Knee-cap; Knee-piece = kromhout.

Kneel, nîl, knielen: Kneeler = knielkussen of bankje.

Knell, nel, subst. gelui, doodsklok; Knell verb. (de doodsklok) luiden.

Kneller, nelə.

Knelt, nelt, P. Imp. en P.P. van to kneel.

Knew, njû, imperf. van to know.

Knickerbocker, nikəbokə, bewoner van New-York van Oud-Hollandsche

afstamming: Knickerbockers = wijde kniebroek, onderbroek = Knickies.

Knick-knack, niknak, beuzelarij, snuisterij (meest knick-knacks).

Knife, naif, subst. mes, ontleedmes, dolk; Knife verb. snijden,

doorsteken, polit. candidaten arglistig doen vallen (Amer.): War to the

knife = strijd op leven en dood; Knife-blade = lemmet; Knife-board =

slijpplank; zitbank bovenop een e omnibus; Knife-cleaner =

poetsmachine; Knife-edge = scherpe kant van het mes; Knife-grinder =

messen- en scharenslijper; Knife-rest = messenleggertje;

Knife-sharpener = mesaanzetter; Knife-tray = messenbak; Knifing affrays

= gevechten met messen.

Knight, nait, subst. ridder, kampioen, paard (in ’t schaakspel), niet

erfelijke titel (met Sir voor den doopnaam); Knight verb. tot ridder

slaan; Knight of the blade = ijzervreter; Knight of industry =

zwendelaar; Knight of the needle (shears, thimble) = ridder van de el =

kleermaker; Knight of the road = struikroover; Knight of the rueful

countenance = van de droevige figuur; Knight of the shire =

vertegenwoordiger van een graafschap in het parlement; Knight-errant =

dolende ridder; Knight-errantry = dolende ridderschap; Knightage = de

ridderschap, al de personen, die den titel knight hebben; boek met hun

aller namen; Knighthood = ridderschap: Order of Knighthood =

ridderorde; Knightlike = ridderlijk; Knightliness, subst. v. Knightly =

ridderlijk.

Knit, nit, knoopen, breien, samenbinden, samenvoegen, aaneen hechten,

fronsen, vlechten, zich vereenigen: He knit his brow (the brows) =

fronste het voorhoofd (de wenkbrauwen); Knitter = breid(st)er,

breimachine; Knitting = breiden, breiwerk: Knitting-cotton =

breikatoen; Knitting-machine = breimachine; Knitting-needle,

Knitting-pin = breinaald, breipen; Knitting-sheath = breipenscheede;

Knitting-work = breiwerk, lichte vrouwelijke arbeid (Amer.);

Knitting-yarn = breigaren.

Knittle, nit’l, koord (van eene beurs, of zak), touw voor eene hangmat.

Knob, nob, knobbel, knoest, knop, kwast, brok, alleenstaande heuvel:

Electric knobs = drukknoppen; Knobbiness, subst. v. Knobby = knobbelig,

knoestig, etc.

Knobkerry, nobkeri, knots met ronden knop.

Knobstick, nobstik, onderkruiper.

Knock, nok, subst. slag, klop, stoot; Knock verb. slaan, stooten,

kloppen: He has been knocking about the whole day = heeft

rondgeboemeld; He is knocking himself about = hij vliegt van ’t een op

’t ander; That man was knocked about = leelijk toegetakeld; He knocked

his enemy down = velde neer, sloeg tegen den grond; The picture was

knocked down to me for 600 guilders = werd mij toegeslagen; I will not

knock off one penny = geen stuiver afdoen; The workmen have knocked off

= hebben opgehouden met werken; (Knocking-off time); He was knocked

over in the street = neergeveld, overreden; Hastily knocked together =

saamgeflanst; Are you going to fight or to knock under? = het opgeven,

toegeven? I am quite knocked up = ik ben doodop; He knocks up easily =

is gauw ’op’; You’ll knock up = je zult je ziek maken; A knocker-up =

porder; He has knocked that opinion on the head = den kop ingedrukt; To

knock out of time = zijn bekomst geven; He was knocked silly = deed

zoo’n val (kreeg zoo’n slag), dat hij bewusteloos werd; Knock-about =

luidruchtig, rusteloos; variété (artist); Knock-down = verpletterend

(nieuws), uiterste (prijs); Knock-kneed = met de knieën binnenwaarts;

Knock-knees = binnenwaarts gebogen knieën; Knock-out = afspraak om bij

eene verkooping niet tegen elkander op te bieden, ten einde alles zoo

goedkoop mogelijk te krijgen; Knocker = klopper: Up to the knocker =

piekfijn, fameus; Knocking-ghost = klopgeest.

Knoll, noul, subst. heuvel(tje), heuveltop; gelui; Knoll verb. luiden

(vooral van de doodsklok).

Knollys, noulz.

Knop, nop, knop, knoop, loofwerk aan zuilen; Knop verb. met knoppen

versieren.

Knot, not, subst. knoop, vouw, bocht, groep, bende; verzameling,

knoest, moeilijkheid, schouderlap (voor dragers van lasten),

schouderbedekking, epaulet, knoop (ongev. 2.025 yards); Knot verb.

knoopen, verbinden, samengroeien, verwarren, knoesten vormen: A hard

knot = een moeilijk te ontwarren knoop; How many knots is she going

now? = hoeveel knoopen loopt het schip nu; The marriage-knot =

huwelijksband; To cut the knot = doorhakken; Knot-grass = duizendknoop,

varkensgras; Knotted: The many-knotted waterflags = veelknoopige;

Knottiness, subst. v. Knotty = vol knoopen, moeielijk: That is rather a

knotty point = lastig punt.

Knout, naut, nût, subst. knoet; Knout verb. met de knoet straffen.

Know, nou, kennen, verstaan, weten, begrijpen, vernemen: He knows it

like A B C = kent het op zijn duimpje = He knows it from A. to Z.; I do

not know how to do this problem = weet niet op te lossen; You know very

well what you are about = je weet drommels goed wat je doet; I know him

for a clever fellow = ik weet, dat hij is; That man does not know his

own mind = weet zelf niet wat hij wil; He knows what is what = heeft

z’n weetje, is een gladde kerel; He does not know which is which = kan

personen of zaken niet van elkaar onderscheiden; I never knew him do it

= ik heb het hem nooit zien doen, van hem bijgewoond; I will make you

know better in future = ik zal wel zorgen, dat ge het later beter weet;

Know-all = weetal; Know-nothing = weetniet; Knowable = kenbaar; subst.

Knowableness; Knowing = glad, slim: He is a knowing one = gewikst;

There is no knowing what he may do next = men kan niet weten, wat hij

nu weer zal doen; subst. Knowingness; Knowledge, nolədž, kennis,

wetenschap, geleerdheid: He has not gone there, to my knowing = voor

zoover ik weet; Knowing is power = kennis is macht; Knowing-box = kop.

Knowles, noulz; Knox, noks.

Knub(ble), nɐb(’l), knopje; Knub verb. onhandig omgaan met, slordig

inpakken.

Knuckle, nɐk’l, subst. knokkel, kniegewricht (van een kalf), schenkel;

Knuckle verb. de vingers buigen, met de knokkels slaan: To rap a

person’s knuckles = op de vingers tikken; I am not going to knuckle

under (down) = wil niet toegeven, mij onderwerpen; Knuckle-bone =

knokkel, bikkel(spel); Knuckle-duster = boksijzer; Knuckle-joint.

Knurl, nɐ̂(l), knoest, knobbel, knoop; dwerg; Knurled = Knurlly.

Knutsford, nɐtšfəd.

Kobold, koubould, kabouter.

Koba, kobə, soort van antilope (Midden-Afrika).

Kodak, koudak, klein photographie-toestel; ook verb.

Koff, kof, kofschip.

Koh-i-noor, kouhinûə.

Koodoo, kûdû, Z.-Afr. antiloop.

Kopeck, koupek, kopeke.

Kopje, kopjə, kopje, heuvel (Z.-Afrika).

Koran, kôr’n, kərân, koran.

Kosher, koušə, koscher.

Koul, koul, belofte, contract (Brit. Ind.).

Kourbash (Koorbash), kûəbaš, subst. zweep van hippopotamushuid;

Kourbash verb. met de kourbash slaan of martelen.

Ko(w)-tow, kətau, Kotoo, kətû, subst. diepe buiging, lage vleierij;

Ko(w)-tow verb. diep neerbuigen, verachtelijk vleien: They kow-towed to

her on account of her reputation.

Kraal, krâl, krôl, kraal (in Z.-Afrika); Kraal verb. vee in de kraal

drijven.

Kraken, krâk’n, kreik’n, fabelachtig zeemonster bij de kust van

Noorwegen.

Krakow, kreikou.

Krang, kraŋ, geraamte van een walvisch na wegneming van het spek.

Kransick, kransik, gek, krankzinnig (Transvaal).

Krishna, krišnə, Krischna, achtste incarnatie v. Vischnu.

Kruller, krɐlə, in vet gekookt krulkoekje.

Kudos, kjûdos, roem, eer; Kudos verb. roemen.

Kukri, kukri, gekromd mes (Brit. Ind.).

Kurd, kûəd, Kurdish; Kurdistan.

Kuril, kûril, pijl-stormvogel.

Kurile, k(j)urîl: Kurile Islands.

Kyley, kaili, boomerang (Austr.).

Kyrie eleison, kairiî elaison, Heer, erbarm u! het kyrie (eerste

woorden van dat gedeelte der Mis, dat op den introïtus volgt).

L.

L, el; L = 50; L(iber) = boek; L(ibra) = pond, ook Lb; Lat(in); L(ord)

C(hamberlain of Chancellor); L(egis) C(ivilis) D(octor) = Dr. in het

burgerl. recht; L(ady) D(ay) = Maria Boodschap; L(ord) C(hief)

J(ustice); Lex(icon); Ld = Lord; Lieut(enant) = Luitenant; Lib(rary);

Liq(uor); Lit(erarum) D(octor); L. L. D. = Legum Doctor = in de beide

rechten; Long(itude) = geograph. lengte; L(ord) L(ieutenant of)

I(reland); Lon(don); Loq(uitur) = hij (zij) spreekt; L(ordshi)p; L(ord)

P(rovost); L(eft) S(ide); L(ibrae), S(olidi), d(enari) = pounds,

shillings, pence.

La, lâ, lô, hè, kijk, zie!

La, lâ, la (noot).

Laager, lâgə, laager; Laager verb. een laager vormen (Z.-Afr.).

Labarum, labərɐm, labarum, standaard van Konstantijn den Groote, waarop

het monogram van den Griekschen naam van Christus; banier, devies.

Labefaction, labifakš’n, achteruitgang, verval.

Label, leib’l, subst. etiket, lijstwerk boven deur of venster, codicil;

Label verb. een etiket hechten aan, classificeeren: Enamelled labels =

naambordjes (v. straten); Silver labels schildjes (op flesschen).

Labial, leibj’l, tot de lippen behoorende of er mede gevormd, lip - -;

subst. lipletter; Labiate, leibjit, lipvormig, gelipt; subst.

lipbloemige plant; Labio-dental, leibjədent’l, subst. eene door lip en

tanden gevormde letter, als f en v; adj. gevormd door lip en tanden.

Laboratory, labərətori, laboratorium, werkplaats; Laboratory-man =

vuurwerker.

Laborious, ləbôriəs, werkzaam, ijverig, moeilijk, vermoeiend; subst.

Laboriousness.

Labour, leibə, subst. arbeid, werk, barensweeën, pijn,

arbeidersbevolking van een land; Labour verb. arbeiden, zich inspannen,

zwoegen, werken (van een schip), bewerken: To lose one’s labour = zich

te vergeefs inspannen; I do not wish to labour that point = in ’t

bijzonder te behandelen; He labourd under difficulties = hij had met

moeilijkheden te kampen; They were labouring under an illness (a

complaint) = laboreerden aan eene ziekte (kwaal); To labour under a

mistake = in dwaling verkeeren; A labour of love = liefdedienst;

Labour-member = werkman lid van het Parlement; Labour-pains = weeën;

Labour-party = arbeiderspartij; Independent Labour-party = de

socialistische groep van de Labour-party; Labour-registry =

arbeidersbeurs; Labour-saving = (handen)arbeid besparend; Laboured =

onnatuurlijk, niet vrij, al te veel kunst verradend; zorgvuldig

uitgewerkt; Labourer = arbeider: Skilled and unskilled labourers =

bekwame en geen vak verstaande arbeiders; A labouring-man = landbouwer,

losse arbeider.

Labrador, labrədö.

Laburnum, ləbɐ̂n’m, gewone goudenregen.

Labyrinth, labirinth, labyrint (ook fig.), doolhof; Labyrinthal,

labirinthəl = Labyrinthian, labirinthiən = Labyrinthic(al),

labirinthik(’l), als een doolhof, verward; Labyrinthiform,

labirinthiföm, labyrintvormig; Labyrinthine, labirinth(a)in, als een

doolhof, verward.

Lac, lak, lak; honderdduizend ropijen (Eng. Indië): in de laatste bet.

ook lakh gespeld; Lac-dye, Lac-lake = schilderslak om rood te verven.

Laccadive Islands, lakədaiv ailəndz = Laccadives = de Lakkadiven.

Lace, leis, subst. kant, snoer, rijgveter, galon, strik; Lace verb.

vastmaken, rijgen, met galon versieren; afranselen, sterke dranken

voegen bij: Without lace = (koffie) zonder cognac, sterken drank of

likeur; Lace-bark = lagette of kantstruik; Lace-bobbin = kantklos;

Lace-cushion; Lace-maker = kant- of passementwerker; Lace-man

(Lace-woman) = kantverkooper(-ster), of -werk(st)er; Lace-trimming =

kanten belegsel; Lace-winged = netvleugelig; Lacing, leisiŋ, boordsel,

veter, rijgen, pak slaag.

Lacedaemon, lasidîm’n, Lacedemonië; Lacedaemonian, lasidimounj’n,

Lacedemoniër, Lacedemonisch.

Lacerate, lasəreit, (ver)scheuren, wonden, folteren; subst. Laceration.

Lacerta, ləsɐ̂tə, gewone of groene hagedis; Lacertian, ləsɐ̂š’n,

hagedisachtig, hagedis...; subst. hagedis.

Laches, lašiz, nalatigheid.

Lachesis, lakəsis, eene der drie schikgodinnen; Brazil. ruitslang.

Lac(h)rymal, lakrim’l, traan..: The lac(h)rymal glands = de

traanklieren; Lachrymose, lakrimous, somber, droevig, tranen stortend.

Lack, lak, subst. gebrek, behoefte; verwijt; Lack verb, gebrek hebben

aan, behoeven; berispen: John Lackland = Jan Zonder Land; Lack-all =

wien het aan alles ontbreekt; Lack-lustre = glansloos, somber.

Lack, lak: Good Lack! = jeminiejoosje; Lack-a-day! = helaas!

Lackadaisical, lakədeizik’l, sentimenteel, geaffecteerd.

Lackey, laki, subst. lakei; slaafsch volgeling of dienaar; Lackey verb.

als lakei dienen, slaafs dienen.

Laconia, ləkounjə; Laconian.

Laconic(al), ləkonik(’l), laconiek, droog, kort, bondig; Laconicism,

ləkonisizm, Laconism, lakənizm, korte en bondige uitdrukking of

spreekwijze.

Lacquer, lakə, subst. vernis, lak (vooral Jap. en Chin.); Lacquer verb.

vernissen, verlakken: Good form, or at all events lacquered with the

veneer thereof = met beschaafde vormen of in elk geval een vernisje er

van.

Lacrosse, lakros, soort balspel (Canada).

Lactation, lakteiš’n, melkvorming, het zoogen, zoogtjjd; Lacteal,

laktiəl, melkhoudend, melk - -: Lactation fever; Lactation vessels =

lymphvaten = Lacteals, laktiəlz; Lactescent, laktes’nt, melkachtig,

melksap voortbrengend; Lactic, laktik, melk..: Lactic acid = melkzuur;

Lactic fermentation = het zuurworden der melk; Lactometer = melkweger;

Lactose, laktous, melksuiker.

Lacuna, ləkjûnə, gaping, hiaat, kuiltje; Lacunal = met gapingen =

Lacunar.

Lad, lad, jongeling, jonge man, kameraad.

Ladder, ladə, ladder, scheepstrap, touwladder: He soon got to the top

of the ladder = hij bereikte spoedig de hoogste sport (fig.); He got

his foot into the ladder = kreeg zijn voet in den stijgbeugel; He can’t

see a hole through a ladder = hij kan geen steek meer zien.

Laddie, Laddy, ladi, jongen.

Lade, leid, laden, scheppen (van water, etc.); Lading = het laden,

lading: Bill of lading = vrachtbrief.

Ladle, leid’l, subst. pollepel, gietlepel, schepbord, schoep van een

molenrad, laadlepel; Ladle verb. met een grooten lepel opscheppen,

toedienen (out): Paying ladle = piklepel; Ladleful.

Ladrone, lədroun, dief, schurk; Ladrones, lədrounz, Dieveneilanden.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 68 / 152 段