Hibernate, haibɐ̂neit, den winter in slapenden of verstijfden toestand

doorbrengen (van dieren); overwinteren; subst. Hibernation.

Hibernia, haibɐ̂njə, Ierland; Hibernian, haibɐ̂nj’n, subst. Ier; adj.

Iersch; Hibernicism, haibɐ̂nisizm, Iersch idioom; Hiberno-celt,

haibɐ̂nouselt, Iersche Kelt; Hiberno-Celtic = Oud-Iersch.

Hiccough, Hiccup, hikɐp, subst. hik; Hiccough verb. den hik hebben.

Hickery pickery, hikəripikəri, mengsel van gestampte kaneelbast en aloe

= Hicra picra.

Hickory, hikəri, hickoriehout, witte N. Amer. walnotenboom; adj. taai

en sterk (Amer.): Hickory shirt (shorts) = hemd (onderbroek) van

gestreept katoen.

Hid(den), hid(’n), imp. en p.p. van to hide: The spaces of the Hid =

het onbekende land.

Hidalgo, hidalgou, Hidalgo.

Hidder and shidder, hidəran(d)šidə, hij en zij, mannetje en wijfje.

Hide, haid, subst. huid, zweep, oude landmaat: I have curried his hide

= I gave him a good hiding = ik heb hem goed afgerost; Hide-bound = met

strakke huid of bast; bekrompen: You cannot fatten a hide colt = een

veulen met strakke huid; That is hide conservatism = star, bekrompen

conservatisme.

Hide, haid, verbergen, geheim houden, ranselen, verborgen zijn, zich

schuil houden, bedekken: To hide one’s face = zijn aanschijn verbergen,

zijn gunst onttrekken, niet achtslaan op; zich schamen; I will hide my

face from it = zal het over het hoofd zien; The children were playing

at hide-and-seek = de kinderen waren aan het verstoppertje spelen;

Hiding, haidiŋ, het verbergen, schuilplaats; pak ransel: He was in

hiding there = hield zich daar schuil; Hiding-place = schuilplaats.

Hideous, hidjəs, leelijk, afzichtelijk; subst. Hideousness.

Hie, hai, zich haasten.

Hiemal, haiəm’l, winter....

Hierarch, hairâk, opperpriester, kerkvoogd; Hierarchal, hairâk’l,

hairɐ̂k’l = Hierarchic(al), haiərâkik(’l) = hierarchisch; Hierarchy =

priesterregeering, kerkheerschappij; Hieratic(al), hairatik(’l),

hiëratisch, priesterlijk.

Hieroglyph, hairəglif, subst. hiëroglief; adj. Hieroglyphic(al).

Hierophant, hairəfant, haierəfant, hoogepriester.

Hifalautin, haifəlôtin. Zie High-faluting.

Higgle, hig’l, rondventen, afdingen, zaniken of vallen over

kleinigheden, vitten; Higgler = afdinger, venter.

Higgledy-piggledy, hig’ldipig’ldi, onderstboven, in volkomen

verwarring, overhoop; subst. verwarde hoop.

High, hai, hoog, verheven, machtig, edel, aanmatigend, hevig, sterk

riekend, pikant, scherp: The Most High = de Allerhoogste; This word

must be written with a high M = groote M.; High and dry = hoog en

droog; geborgen, in zekerheid; vastgezet, in ’t nauw gebracht: These

people are high and dry conservatives = ouderwetsche, onvervalschte;

With a high hand = uit de hoogte, brutaal, onbeschaamd; High Bailiff =

vroeger voor Sheriff en Mayor gebruikt, baljuw; It is high day = klaar

dag; That is all high Dutch to me = volkomen onbegrijpelijk; High

German = Hoogduitsch; High jinks = groote jool; Highlife = de groote

wereld; High noon = ’s middags 12 uur; On the high seas = in volle zee;

High Sheriff = de voor één jaar door den koning benoemde hoogste

ambtenaar van een county; It is high time = hoog tijd; High old time =

de goede oude tijd; High treason = hoogverraad; High water = hoog

water; High wind = krachtige wind; High wine = sterke cognac (Amer.);

On high = omhoog, in de lucht; To carry it high = airs aannemen;

High-aimed = met een verheven of groot doel; High-blown pride =

opgeblazen trots; High-bred = van zuiver bloed of ras, voornaam;

High-born = van edele geboorte; High-caste = van hoogen rang;

High-church, subst. Anglikaansche kerk van meer orthodoxe richting, in

zooverre in verband met de Oxford of Tractarian Movement (sedert 1833)

meer nadruk wordt gelegd op de beteekenis en handhaving van het

Ritualism of Anglican Sacerdotalism; adj. tot die kerk behoorende;

High-churchism = beginselen der High-church; High-churchman = aanhanger

dezer kerk; High-class work = uitstekend; High-cockalorum = bok sta

vast (kinderspel); High-coloured = met hooge, sterke kleur; in

bloemrijken stijl, sterk gekleurd; High court of Justice = hoog

gerechtshof; High-cross = kruis, vroeger op de markten geplaatst;

High-day = hoogtij, feestdag; bloeitijd; High-faluting = hoogdravend,

bombastisch, gemaakt (Am.); High-fed = volgepropt, gemest, weelderig;

High-flier = fantast, wijsneus, zwendelaar: He was a high-flier at

fashion = erg op de mode gesteld; High-flown = trotsch; opgeblazen,

eerzuchtig; High-handed = aanmatigend, willekeurig; High-heeled: She

has her high-heeled shoes on (Amer.) = wat draait zij op haar hakjes,

wat steekt ze den neus in den wind; Highland = hoogland: The Highlands

= bergachtig deel van Schotland; Highland fling = Schotsche dans,

horlepijp; Highlander = bewoner van de Highlands; High-lived, hailaivd,

voornaam; High-living, hailiviŋ, het leven op grooten voet; wonen op

een zolderkamer; High-low = bottine, rijglaars; High-mass = hoogmis;

High-mettled = vol vuur en opgewektheid; High-minded = grootmoedig,

edel; hoogmoedig; subst. High-mindedness; High-pitched = trotsch,

eerzuchtig; hooggestemd: High-pitched roof = hoog en spits dak;

High-pressure = subst hooge druk; adj. met hoogen druk: High-pressure

engine; High-priest = hoogepriester; High-principled = met edele

beginselen; High-proof = krachtig, sterk-alcoholisch; welbeproefd;

High-reaching = hoogreikend, eerzuchtig; Highroad = groote weg,

straatweg; High-seasoned = sterk gekruid, pikant; High-seated = hoog

gezeten; High-souled = edel van ziel; High-sounding = hoogdravend,

praalziek, vol vertoon; High-spirited = vol vuur en fierheid,

stoutmoedig; High-stepper = paard, dat de pooten hoog optilt, iemand

die pedant stapt; High-stepping = hoogdravend, fier; High-strung =

hooggespannen, overmoedig, opgeblazen; High-swollen = opgezwollen,

opgeblazen; High-tasted = pikant; High-tide = hoog water, vloed;

High-toned = hoog van toon, krachtig van klank; met hooge beginselen;

High-water = vloed; High-watermark = hoogpeil; Highway = straatweg,

groote weg: To take the highway = struikroover worden; Highwayman =

struikroover; Highwrought = fijn bewerkt; opgewonden; Highly: To think

highly of = een hoogen dunk hebben van; Highness = hoogheid,

verhevenheid: Your Highness = Uwe Hoogheid.

Highty, haiti; Highty-flightiness = wuftheid; adj. Highty-flighty;

Highty-tighty = Hoity-toity: Do not turn me off in that Highty manner =

zend mij niet weg op die hooghartige manier.

Hilarious, h(a)ilêriəs, vroolijk, opgewekt; Hilarity, h(a)ilariti,

vroolijkheid, opgewektheid.

Hilary term, hiləritɐ̂m, vroegere zittingstijd (11 Jan.–31 Jan.) in de

Eng. gerechtshoven; thans Hilary Sittings van 11 Jan. tot den Woensdag

vóór Paschen; cursus van 14 Jan. tot Zaterdag vóór Palmzondag aan de

Univ. van Oxford.

Hill, hil, heuvel; Hill verb. aanaarden; Up hill down dale = berg op

berg af; As old as the hills = zoo oud als de weg naar Kralingen; To go

down the hill = achteruitgaan, minder worden; Hill-folk = bergbewoners;

Hill-side = helling van een heuvel; Hill-top = heuveltop; Hill-wort,

hilwɐ̂t, polei; Hilliness = heuvelachtigheid; Hillock = heuveltje,

bergje; Hilly = heuvelachtig.

Hilt, hilt, hecht, gevest: You can count upon me up to the hilt =

volkomen; Up to the hilt in debt = tot over de ooren; Mortgaged up to

the hilt = geheel; You have proved it (up) to the hilt = gij hebt het

zonneklaar bewezen.

Him, him, pers. voornw., hem; Himself = hemzelf, zichzelf: He was not

himself yesterday = zichzelf niet, niet lekker; He was by himself =

alleen; He kept himself to himself for some time = hij zonderde zich

af.

Himalaya, himâljə, himəleijə, himəlaijə: Himalaya Mountains = The

Himalayas = het Himalayagebergte.

Hind, haind, subst. hinde; boer, boerenarbeider, knecht.

Hind, haind, achterste: Hind before = achterstevoren; With their heads

turned hind foremost = achterstevoren; Hind-leg = achterpoot; Hindmost

= achterste; Hinder, haində, achterste, laatste = Hindermost = laatste.

Hinder, hində, hinderen, verhinderen, beletten, moeielijkheden in den

weg leggen: He hindered me from coming = belette mij; Hind(e)rance,

hindr’ns, hindernis, nadeel = Hinderer, ook hij die verhindert.

Hindi, hindî, Noord Ind. dialect; Indiër.

Hindoo, Hindu, hindû, hindû, subst. en adj. Hindoe(sch); Hinduism,

hindûizm, leer der Hindoes; Hindu Kush, hindukûš; Hindustan, hindustân;

Hindustani, hindustânî, Hindostansch(dialect).

Hinge, hinž, subst. hengsel, scharnier, spil; Hinge verb. van hengsels

voorzien, draaien, steunen, afhangen: Things are off the hinges = de

boel is in de war; Everything hinges on that fact = om dat feit draait

alles.

Hink, hiŋk, sikkel.

Hinny, hini, subst. muildier; Hinny verb. hinniken.

Hint, hint, subst. zinspeling, wenk; Hint verb. zinspelen, een wenk

geven, aan de hand doen, toespelingen maken: Do not hint at a present =

maak vooral geene toespeling op; The beauties of nature are not only

hinted, but brought home = niet slechts aangeduid, maar voelbaar

gemaakt; He took the hint = begreep den wenk.

Hip, hip, subst. heup; graatspar of hoekkeper van een tentdak; bottel

van de hondsroos; Hips = zwaarmoedigheid; To catch on the hip = in de

macht krijgen; To have on the hip = in de macht hebben, overwinnen; The

government was beaten hip and thigh = bleef verschrikkelijk in de

minderheid; To smite hip and thigh = den schenkel en de heup (Richt.

XV, 8); Hip-bath = zitbad; Hip-gout = heupjicht; Hip-joint =

heupgewricht; Hip-roof = tentdak; Hip-shot = ontheupt, lam; Hip-tree =

hondsroos; Hipped = met ontwrichte heup; somber, gedrukt: You are

hipped, you want more society = je bent zwaarmoedig (“hiep”); Hippish =

somber, gedrukt.

Hippocampus, hipəkampəs, zeepaardje; Hippocras, hipəkras, hipokras;

Hippocrates, hipokrətîz; Hippocratic, hipəkratik, Hippocratisch:

Hippocratic face = gelaat van een stervende even vóór de dood intreedt.

Hippocrene, hipəkrîn, hipəkrînî, Hengstebron; Hippodrome, hipədroum,

circus, wedstrijd met vooraf afgesproken resultaat (Amer.); Hippogriff,

hipəgrif, gevleugeld paard; Hippolyta, hipolitə, Hippolyta;

Hippopathology, hipəpətholədži, leer der paardenziekten; Hippophagist,

hipofədžist, eter van paardenvleesch; The man’s hippopotamic manner =

’s mans lompe, onbehouwen manier; Hippopotamus, hipəpotəmɐs, nijlpaard,

rivierpaard.

Hircania, hɐ̂keiniə.

Hircine, hɐ̂s(a)in, sterk riekend, als v. een geit, bok, bokachtig:

hircine.

Hire, haiə, subst. huur, loon, belooning, steekpenning; Hire verb.

huren van iemand, in dienst nemen voor loon, omkoopen, verhuren: To

hire oneself to, out = zich verhuren aan, verhuren; Hireless = gratis;

Hireling, subst. huurling; ook adj.; Hirer = huurder; verhuurder (=

Hirer out).

Hirsute, hɐ̂siût, hɐ̂siût, behaard, borstelig, haar - -.

His, hiz, pron. poss. zijn, de of het zijne: He has come by his own =

heeft gekregen wat het zijne was; He has come into his own = heeft zijn

erfdeel gekregen.

Hish, hiš, aanhitsen; ook interj.

Hisk, hisk, moeielijk ademhalen.

Hispanicism, hispanisizm, Spaansch idioom; The Hispano-Portuguese

frontier = Spaansch-Portugeesche.

Hispid, hispid, borstelig.

Hiss, his, subst. sisklank, gesis, gejouw; Hiss verb. sissen, fluiten

(van een pijl), uitfluiten.

Hist, hist, aanhitsen; interj. St.!

Histology, histolədži, leer der weefsels.

Historian, histôriən, geschiedschrijver; Historic(al), historik(’l),

geschiedkundig: Historical cavalcade = (pageant) = historische optocht;

Historic-painting, Historic-picture = geschiedkundig schilderstuk;

Historic(al)-sense = historisch inzicht; Historicalness, historik’lnəs,

geschiedkundige waarde of waarheid; Historiette, histôriet, verhaal,

kleine geschiedenis; Historiographer, histôriogrəfə, geschiedschrijver;

Historiography, histôriogrəfi, geschiedschrijving; History, histəri,

geschiedenis, verhaal: Ancient (Modern, Natural, Sacred) history;

History-piece = historische schilderij.

Histrionic(al), histrionik(’l), tooneelspel..., tooneelspeler...: Our

histrionic taste is gone = onze zin voor de tooneelspeelkunst;

Histrionics, histrioniks, tooneelkunst; Histrionism = de

tooneelspelers, het spelen.

Hit, hit, subst. slag, stoot, steek onder water, aanraking, kans,

gelukkige zet, treffer, succes; Hit verb. raken, treffen, slaan,

gissen, raden, passen, gelukken, aantreffen, bedenken, ontdekken: The

book is a decided hit = heeft veel succes; The singer was a great hit

in London = maakte grooten opgang; He made an immense hit with his song

= had kolossaal succes; You must do it, hit or miss (hitty missy) = op

goed geluk af (eig. luk of raak); To hit it off with = opschieten met:

I always hit it off with dogs and children; You have hit it off = ge

hebt het juist getroffen, geraden; He hit off my likeness very happily

= hij heeft mij goed getroffen; He hit it out = hij heeft het er goed

afgebracht; He hit out at me = deed een slag naar mij; Her visit to

America was a triumph; she hit up all her hearers = zij pakte al hare

hoorders in; I could not hit upon the right expression = kon niet

vinden; These words hit the audience in their weakest place = tastten

in hun zwak; I hit it in his teeth = wreef het hem onder den neus; You

have hit the mark = het bij ’t rechte eind; You hit it very punctually

= hebt het precies getroffen; Hitting-shot = raakschot.

Hitch, hitš, subst. ruk, kink, steek, beletsel, hapering, tijdelijke

hulp in nood; Hitch verb. vastmaken, aanhaken, met een ruk of sprong

zich voortbewegen, optrekken, prettig samenwerken, aanslaan (van

paarden), wegnemen: The hitch was due to your carelessness = door uwe

zorgeloosheid ontstond het beletsel; Some hitch had occurred = er was

een kink in den kabel gekomen; There the hitch lies = daar zit de

knoop; Upon the least hitch I will have you write your lesson = als ge

even hapert; The extinguisher was hitched to the candlestick = het

dompertje was aan den kandelaar gehaakt; Take care, lest he hitches you

into a story = dat hij je niet in een verhaal ten tooneele voert; He

hitched on the battery = haakte aan.

Hither, hidhə, hierheen, aan deze zijde: Hither and thither = heen en

weer; Hithermost = nabij, het meest naar deze zijde; Hitherto = tot

hiertoe; Hitherward = herwaarts.

Hive, haiv, bijenkorf, zwerm bijen, dicht bevolkte buurt;

bijenkorfvormige hoed; Hive verb. in een korf doen of verzamelen,

opzamelen, bevatten, samenwonen: I will no longer hive with them = met

hen onder één dak zijn; Hive-bee = korfbij; Hiver = ijmker.

Hives, haivz, keelontsteking; netelroos.

Hizzing, hiziŋ, gesis.

Ho(a), hou, he! ho!

Hoaky: By the Hoaky = alleduivels!

Hoar, hö, adj. wit, grijs, beschimmeld; Hoar verb. wit of grijs maken,

beschimmelen: Hoar-frost = rijp; Hoar-stone = grenssteen; Hoariness,

subst. v. Hoary = grijs, grauw, met grijze haartjes bedekt; Hoar-headed

= met grijzen kop.

Hoard, höd, subst. voorraad, hoeveelheid; hoop, geheime schat of

voorraad; Hoard verb. vergaren, opzamelen, opleggen: He hoarded all

savings = zamelde op; Hoarder.

Hoarding, hödiŋ, schutting om een in aanbouw zijnd gebouw.

Hoarse, hös, schor, heesch, krassend: I am as hoarse as a crow; subst.

Hoarseness.

Hoax, houks, subst. grap, fopperij, aardigheid, “canard”; Hoax verb.

eene grap hebben, foppen: To play a hoax upon a person = een poets

bakken; Hoaxer.

Hob, hob, subst. vooruitspringend plaatje aan een haard om iets warm te

houden; naaf; houten pin, kinderspel waarbij naar een op een hob

geplaatst geldstukje wordt gegooid: To play hob with = een speldje

steken voor (fig.).

Hob-and-nob, hobən(d)nob, drinken, een lijntje trekken met,

vertrouwelijk praten, omgaan met.

Hobbes, hobz, Hobbes; Hobbism, hobizm, wijsgeerig stelsel van Th.

Hobbes (1588–1679); Hobbist.

Hobble, hob’l, subst. hinken, strompelen; verlegenheid, moeielijkheid;

Hobble verb. strompelen, kluisteren van paarden, knoeien, prutsen: I’ve

got into a nice hobble = ik zit leelijk in de klem; Hobble-skirt =

strompelrok; Hobbler = hinkepoot; knoeier, onbevoegd loods, losse

arbeider, een man, die een schuit trekt.

Hobbledehoy, hob’ldəhôi, jong mensch, te groot voor een servet en te

klein voor een tafellaken; Hobbledehoyish = slungelig.

Hobbly, hobli, hobbelig, oneffen, vol gaten (van een weg).

Hobby, hobi, boomvalk; stokpaardje; domkop, lummel; telganger: Every

man rides his hobby; Hobby-horse = stokpaardje (eig. en fig.),

uilskuiken.

Hobgoblin, hobgoblin, hobgoblin, kabouter.

Hobnail, hobneil, hoefnagel, groote schoenspijker, pummel; Hobnail

verb. met spijkers beslaan.

Hobnob, hobnob, op goed geluk, luk of raak; Hobnob verb. Zie

Hob-and-nob.

Hobson’s choice, hobs’nztšôis, geene keus, gedwongen keus.

Hock, hok, knieboogspier (bij menschen); hakpees (bij paarden, etc.);

Hochheimer, rijnwijn; Hock verb. een dier de knieboogspier doorsnijden;

Hock-day = een feestdag bij ’t betalen der pacht; Hock Monday, Hock

Tuesday = 2de Maandag en Dinsdag na Paschen; Hock-tide = de voorgaande

feestdagen.

Hockey, hoki, soort v. kolfspel.

Hockle, hok’l, verb. Zie Hock.

Hocus, houkəs, drank met slaapkruid erin; Hocus verb. bedriegen, iets

bedwelmends door den drank mengen; Hocus-pocus = hocus-pocus; ook adj.;

Hocus-pocus verb. bedriegen.

Hod, hod, kalk- of steenenbak; Hod-carrier = opperman = Hod-man, ook

fig. = handlanger.

Hodden, hod’n, boersch; ook = Hodden-gray (grey) = stof van ongeverfde

wol.

Hodge, hodž, boer, boerenarbeider; Hodge-podge = hutspot, allegaartje;

Hodge-pudding = allegaarspudding.

Hodiernal, houdiɐ̂n’l, huidig, van dezen dag.

Hodometer, hədomətə, afstandsmeter (aan de as van een rijtuig, etc.).

Hoe, hou, subst. schoffel; Hoe verb. schoffelen: To hoe one’s own row =

voor eigen stoep vegen (fig.); Hoe-cake = grove maïskoek.

Hog, hog, subst. varken, gesneden beer, schaap tusschen 6 maanden en

het eerste scheren, stier van een jaar; zwijn, vuilik; hog of

schrobber, shilling; Hog verb. kort afknippen, schrobben (technisch

“hoggen” genoemd), doorbuigen van een schip, met gebogen hoofd gaan (v.

paarden); To go the whole hog = voor niets terugdeinzen, iets

consequent doorzetten, B zeggen als men A heeft gezegd; Hog-colt =

éénjarig veulen; Hog-cote = varkenskot; Hog-herd = zwijnenhoeder;

Hog-mane = kortgesneden opstaande manen; Hogpen = varkenskot;

Hog’s-back = lage heuvelrug; Hog’s-lard = varkensreuzel; Hog-shearing =

koude drukte; Hog-steer = wild zwijn in ’t derde (schaap in ’t tweede)

jaar; Hog-sty = varkenskot; Hog-wash = varkensdraf; Hoggery =

varkenskot; Hoggish, hogiš, zwijnachtig, vuil, dom, gulzig,

zelfzuchtig; subst. Hoggishness.

Hogarth, hougâth.

Hoggerel, hogər’l, schaap in het tweede jaar.

Hogger-pump, hogəpɐmp, pomp in eene kolenmijn.

Hoggers, hogəz, kousen zonder voeten (door mijnwerkers gedragen).

Hogget, hogət, zwijn, veulen of schaap in ’t tweede jaar.

Hogmanay, hogmənei, hogmənei, Oudejaarsdag; onthaal of geschenk op dien

dag in Schotland.

Hogshead, hogzhed, okshoofd, groot vat (= 52 gallons Tinto wijn; 30

gallons Hock; 48 gallons ale en beer).

Hoiden, hôid’n, subst. wilde meid, driedekker; adj. ruw, brutaal;

Hoiden verb. stoeien, uitgelaten zijn; adj. Hoidenish.

Hoist, hôist, subst. elevator, kraan; hoogte van vlag of zeil; Hoist

verb. (op)hijschen: He was hoist(ed) with his own petard = de mijn is

verkeerd voor hem gesprongen.

Hoity-toity, hôititôiti, drommels! tut, tut! adj. opgewonden, druk,

uitgelaten, stormachtig; subst. warboel; opgeblazenheid.

Hokey-pokey, houkipouki = Hocus-pocus; ook goedkoop ijs (op straat

verkocht).

Holborn, houbən, Holbrook, houlbruk; Holcroft, holkroft.

Hold, hould, subst. houvast, greep, steun, invloed, macht,

gevangenschap, gevangenis, schuilplaats, ruim van een schip; Hold verb.

houden, vasthouden, er voor houden, ophouden, behouden, inhouden,

aanhouden, bevatten, bewaren, behoeden, beslissen, bezitten, bekleeden,

verkrijgen, verdedigen, deelnemen, vieren, voeren (van taal), wedden,

standhouden, enz.: I cannot get hold of him = hem te pakken krijgen;

Nothing has any hold on him = heeft vat op hem; To keep firm hold of =

stevig vasthouden; Do not let go your hold = laat niet los; That great

shock looses his hold on life = brengt hem den dood nader (eig. doet

hem zijn houvast aan ’t leven verliezen); To quit one’s hold =

loslaten; He took (laid) hold of my arm = hij greep (pakte, hield) mijn

arm vast; The frost will not hold = zal niet aanhouden; That rule

always holds (good) = gaat altijd door; Hold fast by my girdle = houd

je vast; Hold hard = houd je goed vast, wacht even, kalm aan, schei

uit, stop; Held in reserve = gereserveerd; She held herself properly =

kwam netjes voor den dag; I will hold a brief for you = de zaak voor u

bepleiten; We held the fortress against the enemy = verdedigden (met

succes) de vesting; He can hardly hold his own = zich nauwelijks

bedruipen; To hold one’s own against any odds = zich goed (staande,

stand) houden tegen; Hold your peace = houd je mond; The ministry holds

its power at the hands of the people = heeft, ontvangt zijn macht uit

de handen van het volk; He held our proxy = was onze procuratiehouder;

We hold our title of (from) the royal favour = ontleenen onzen titel,

ons recht; Hold your tongue = zwijg; I will hold that wager = durf die

weddenschap aan; Such an excuse would never hold water = opgaan,

geaccepteerd worden; He held wool for her = hield een streng wol voor

haar op; onderwierp zich aan hare nukken; You can’t hold back time =

tegenhouden; To hold back letters = achterhouden; Hold hard = stop! He

held forth his hand = stak zijne hand uit, bood zijne hand aan; We have

been holding forth on all kinds of subjects = hebben het gehad over, er

over uitgeweid; He held off his enemies = hield op een afstand; He held

on his (headlong) course = zette zijn (onstuimigen) loop voort, ging

door op; Hold on a bit = wacht eventjes; He held (on) by the railings =

hield zich vast aan; They held on downwards = gingen verder naar

beneden; Hold on round my waist = houd je vast om mijn middel; He held

on pluckily = hield zich kranig; To hold out = toesteken,

vóórspiegelen, etc.: He was holding out to a knot of men = stond te

oreeren; He held out those favours to me = bood mij aan; I can hold out

no longer = kan het niet langer uithouden; Many advertisements must be

held over till our next issue = wij moeten laten liggen; You must not

hold him to that opinion = niet als zijne eind-opinie beschouwen; I

held him to his promise = hield hem aan; Behave well and hold (stick)

to the right = en houd u aan ’t goede; He held faithfully to his party

= bleef standvastig trouw aan; Hold up your head, and look like a man =

wees flink; To hold up one’s head with = niet onderdoen voor; The same

speed was held up to the last = werd volgehouden; He was held up for

(to) execration, ridicule = werd prijsgegeven aan; To hold up as an

example = tot voorbeeld stellen; He held me up, until we were both

picked out = hield mij boven water; To hold up a train = aanhouden

(door roovers); We were in the held-up train; Hold up man! = houd je

goed, courage! Why don’t you hold up your end of the line (rope) =

waarom neemt gij niet deel aan het gesprek (Amer.)? He holds with the

royalists = houdt het met; Hold-all = soort reiszak, nécessaire;

Holdback = verhindering, beletsel; Holder = houder, bezitter, huurder,

aandeelhouder, bak; Holder-forth = schreeuwerig redenaar; Holdfast =

houldfâst, steun, houvast; Holding = houvast, bezit, gehuurde

boerderij.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 58 / 152 段