moeilijkheid; Hole verb. een gat maken, stoppen, in een gat kruipen: My
shoes are in holes = stuk; To be in a hole = in de klem zitten; To make
a hole in the water = zich verdrinken; We are not going to pick holes
in each other’s coats = elkaar geen kwaad doen, niet op elkaar vitten;
I tried to pick holes in his story = trachtte fouten te vinden in,
aanmerkingen te maken op; I put my foot into a big hole = ben er
leelijk ingeloopen, heb me leelijk verpraat; The diplomatic holes and
corners of our day = de diplomatieke geheimen (wat er achter de
schermen gebeurt); The proceedings of the club are hole-and-corner =
zijn geheim (stiekum); A hole-and-corner engagement = stiekum.
Holibut, holibɐt (Zie Halibut).
Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag;
ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their holiday best = Zondagsche
pak; Holiday Hall = plaats waar men zich niet behoeft te geneeren (om
te rooken, bijv.); To have a holiday = vrij hebben; She was on holiday
= met vacantie, had vrijaf; Holidays = vacantie; Holiday-maker =
plezierreiziger; Holiday task = vacantiewerk.
Holiness, houlinəs, heiligheid: His Holiness = Zijne Heiligheid, titel
voor den Paus.
Holinshed, holinzhed, holinšed.
Holla, holə, subst. luide roep; Holla verb. luide roepen, toeroepen;
interj. helà, hei!
Holland, hol’nd, Holland, ongebleekt linnen: Brown Holland = weinig
gebleekt linnen; Holland gin = Hollands = Schiedammer; British Hollands
= in Engeland gestookte jenever; Hollander.
Hollow, holou, subst. holte, ledige ruimte, hol, groef, voor, dal; adj.
hol, niet massief, uitgehold, concaaf, laag, diep, geveinsd, onoprecht,
volkomen; Hollow verb. uithollen; ook roepen: She beat all her sisters
hollow = won het royaal van, overtrof verre; Hollow-eyed = met holle
oogen; Hollow-hearted = onoprecht, valsch; Hollow-square = carré
(mil.); Hollow-ware = (metalen) keukengereedschap; Hollowness =
holheid, leegheid, valschheid.
Holly, holi, hulst; steeneik; Holly-fern = stekelige schildvaren;
Holly-hock = stokroos; Holly-rose = cistroos.
Holm, houm, riviereilandje, vlak en vruchtbaar land langs den
rivieroever, hulst; Holm-oak = steeneik.
Holmes, houmz.
Holocaust, holəkôst, brandoffer bij de Joden, algemeene slachting.
Holograph, holəgraf, eigenhandig geschreven document, adj. eigenhandig
geschreven; adj. Holographic(al).
Holothurian, holəthiûriən, zeekomkommer.
Holster, houlstə, holster; Holstered.
Holt, hoult, hout, boschje, aanleg, gat, schuilplaats (voor dieren).
Holus-Bolus, houləs-bouləs, halsoverkop.
Holy, houli, heilig, rein, goddelijk, gewijd: Holy of Holies = het
Heilige der Heiligen; The Holy One = Jehova; Holy day = Heiligedag;
Holy Ghost (Holy Spirit) = Heilige Geest; Holy Office = de Inquisitie;
In Holy orders = in Deacon’s of in Priest’s (= full) orders = Ordained
als Deacon of Ordained, admitted en instituted als Priest door den
Bishop; Holy Rood = kruis, kruishout, crucifix (in kerken vooral); Holy
Saturday = Zaterdag vóór Paschen; Holy-stone = schuursteen; ook verb.;
Holy Thursday = Hemelvaartsdag; Holy Tide (Week) = week voor Paschen;
Holy water = wijwater; Holy wells = miraculeuze bronnen; Holy Writ = de
H. Schrift.
Holyhead, holihed; Holyrood, holirûd.
Holywell, holiwel: Holywell Street Literature = pornographische
literatuur.
Homage, homidž, subst. hulde, eerbied; Homage verb. huldigen = To do
(render) homage; Homager = vasal, leenman.
Home, houm, subst. tehuis, huis, geboorteplaats, vaderland, woning,
verblijf, liefdadige instelling; Home verb. naar huis gaan, wonen, zich
vestigen; adj. huis - -, binnenlandsch; adv. naar huis, ten volle,
toepasselijk, raak, krachtig: Home is home, be it never so homely = Be
in East and West, home is best = oost, west, thuis best; He banged the
door home = sloeg hard dicht; To bring home (carry home, come home,
leave home, return home); To bring home to = bewijzen, duidelijk maken;
All our deeds come home at last = worden op den duur op onszelf
verhaald; That truth came home to me = drong tot me door, werd me
bewust; To go home = naar huis gaan, het doel treffen; To pay home =
betaald zetten; He is perfectly at home with what passed = volkomen op
de hoogte van; Make yourself at home = doe alsof je thuis was; Mrs. N
is at home on Monday = Mevrouw N. ontvangt Maandags; Is he at home? No
he will be home to dinner; Charity begins at home = het hemd is nader
dan de rok; Home-baked = eigengebakken; Home-bound = Homeward-bound =
op de thuisreis; Home-bred = inlandsch (van fokvee); natuurlijk,
onbeschaafd; Home-circle = familiekring; Home-circuit = rechtsgebied
van de Judges of Assize, dat Londen tot centrum heeft; Home-counties =
de counties bevattend en Londen omringend; Home-department
(Home-office) = Ministerie van Binnenl. Zaken; Home-farm = boerderij
verbonden met het verblijf van den eigenaar, Home-fed bacon = inlandsch
spek; Home-felt = innig, innerlijk, geheim; Home-freight =
retourvracht; Home-keeping = thuisblijvend, huiselijk; Home-made =
eigengemaakt, van inlandsch fabrikaat; Home-return = repatrieering;
Home-rule = plaatselijk zelfbestuur (vooral met het oog op Ierland); To
be Home-sick = heimwee hebben; Home-sickness = heimwee; Home-speaking =
eenvoudige, oprechte taal; Home-spun = subst. en adj. eigengesponnen
(stof), van eigen fabrikaat, eenvoudig; een bepaalde stof; Home-stall,
Home-stead = erf, huismansplaats; Home-thrust = gevoelige waarheid,
raak antwoord, stoot die raak is; Home-trade = binnenlandsche handel;
Homeless = dakloos; subst. Homelessness; Homelike = gemoedelijk,
gezellig; Homeliness = eenvoudigheid; Homely = eenvoudig, dood gewoon,
ook ordinair (van het gelaat), voor huiselijk gebruik bestemd; Homeward
= Homeward-bound = op weg naar huis, op de thuisreis.
Homer, houmə, Homerus; Homeric, həmerik, Homerisch.
Homicidal, homisaid’l, homisaid’l, moorddadig, bloedig; Homicide =
moord, moordenaar.
Homiletic(al), homiletik(’l), homiletisch; Homiletics = homiletiek;
Homilist = homileet; Homily = kerkelijke tekstverklaring, kanselrede.
Homing, houmiŋ: Homing instinct = om het huis weer te vinden.
Hominy, homini, grof gemalen maïs.
Hommock, homək. Zie Hummock.
Homoeopath, ho(u)miəpath, homoeopaat; Homoeopathic(ally) =
homoeopathisch; Homoeopathist = homoeopaat; Homoeopathy = homoeopathie.
Homogeneous, houmədžîniəs, homogeen; subst. Homogeneousness.
Homologate, homoləgeit, bekrachtigen, goedkeuren; subst. Homologation.
Homologous, homoləgɐs, homoloog; Homology = homologie.
Homonym, ho(u)mənim, homoniem; adj. Homonymous, həmonimɐs; Homonymy,
homonimi, gelijkluidendheid, dubbelzinnigheid; Homophone, ho(u)məfoun,
letter of woord van denzelfden klank.
Homunculus, həmɐŋkjuləs, dwerg; langs chem. weg geschapen mensch (v.
Paracelsus).
Honduras, hondjuras, hondjûras (mahoniehout uit) Honduras.
Hone, houn, subst. slijpsteen, oliesteen; Hone verb. slijpen,
aanzetten.
Honest, onəst, eerlijk, braaf, oprecht, kuisch, deugdzaam: Honest
Indian? (Injun) = op je woord? Honesty = braafheid, eerlijkheid:
Honesty is the best policy = eerlijk duurt het langst; In honesty of
heart = in alle oprechtheid.
Honey, hɐni, subst. honig, zoetheid, liefje, snoesje; adj. honigachtig,
zoet; Honey verb. met honig bedekken, zoet maken of worden;
Honey-badger = honigdas; Honey-bag = honigzakje (der bijen); Honey-bear
= honigbeer; Honey-bee = honigbij; Honeycomb = honigraat, honigcel: The
nation is honeycombed with secret societies = doortrokken van geheime
genootschappen; Nature is honeycombed with pain and strife = is vol van
pijn en strijd; Honey-dew = honigdauw; soort van tabak met stroop
bevochtigd en in koekjes geperst; Honey-flower = honigbloem;
Honey-guide = honigkoekoek (Zuid-Afr.); Honey-harvest = honigoogst;
Honeymoon, subst. wittebroodsweken; Honeymoon verb. in de
wittebroodsweken zijn, deze doorbrengen; Honey-mouthed = vleierig;
Honey-stalk = honigklaver; Honey-tongued = vleierig; Honey-suckle =
kamperfoelie; Honey-wort = wasbloem, kruisbladig walstroo; Honeyed
(fig.) = zacht, zoet, vriendelijk, vleiend.
Honied, hɐnid = Honeyed.
Honorarium, onourêriəm, salaris, belooning.
Honorary, onərəri, eervol, eere...: Honorary President =
Eere-Voorzitter; Honorary monument = gedenkteeken voor iemand, die
ergens anders begraven is; That is a purely honorific distinction =
louter een eeretitel.
Honour, onə, subst. eer, eergevoel, aanzien, rechtschapenheid,
kuischheid, hoogachting, waardigheid, titel (= edelachtbare),
eerewoord, een der vier hoogste troeven; Honour verb. eeren, eer
bewijzen, vereeren, honoreeren (van een wissel); Meerv. Honours =
eerbewijzen, hoogste graad: Examinations in honours = “cum laude”
examens; Honours of war = krijgseer; Honour bright = op mijn (je) woord
van eer; Affair (Debt, Guard, Point, Word) of honour; You are in honour
bound to do it = aan uwe eer verplicht; To do the honours = de
“honneurs” waarnemen; That does you honour = dat strekt u tot eer; To
meet with due honour = behoorlijk honoreeren; I pledge it on my honour,
I pledge my honour for it = beloof het op mijn woord van eer; Honourer.
Honourable, onərəb’l, eervol, aanzienlijk, voornaam, edel, achtbaar,
titel (aan de jongere zoons van ‘earls’, aan al de zoons en dochters
van ‘viscounts’ en ‘barons’, aan opperrechters in Engeland en Ierland
en aan de hofdames toegekend; Zie ook Right-Honourable); subst.
Honourableness.
Hood, hud, subst. kap, capuchon, kapvormige plooi van eene
universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, kap (van een
schoorsteen) enz.; Hood verb. van een kap voorzien, bedekken, omhullen:
The hood and leathern apron of the carriage = kap; All hoods make not
monks = ’t zijn allen geen koks, die lange messen dragen; Hood-cap =
soort kaproen; soort zeehond; Hoodman = blindeman (in het spel);
Hoodman-blind = blindemannetje; Hood-moulding = lijst boven deur of
venster; Hoodwink = blinddoeken, verschalken; ook subst.
Hoof, hûf, hoef, klauw, poot, stuk vee; Hoof verb. loopen: To beat
(pad) the hoof = te voet (op Apostelpaarden) gaan; Hoof-bound =
volhoevig, kreupel.
Hook, huk, subst. haak, vischhaak, sikkel, kram, duim (van eene deur),
vooruitspringende landtong; voordeel, meevallertje; Hook verb. met een
hoek vangen, aanhaken, tot een haak buigen, van haken voorzien,
vasthaken, stelen: By hook or by crook (Zie Crook); Off the hooks = in
wanorde, ontstemd, ziek, dood: To drop (go) off the hooks = het hoekje
om (= dood) gaan; I wished him off the hooks = wou, dat hij dood was;
You must do it on your own hook = op eigen gelegenheid, verantwoording;
She kept him on the hooks = zij hield hem aan het lijntje, To pop off
the hooks = doodgaan; To take one’s hook = uitsnijden; They hooked it =
zij zijn er van door; She hooks-and-eyes her gown = maakt vast met
haken en oogen; Hook-nose(d) = (met een) haviksneus; Hook-pin =
haakbout; Hooked = krom, haakvormig; subst. Hookedness; adj. Hooky.
Hookah, hûkə, Oostersche pijp, waarbij de rook door water gaat.
Hooker, hukə, hoeker (visschersvaartuig), zakkenroller.
Hookey Walker, huki wôkə, onzin, maak dat de kat wijs!
Hooligans, hûlig’nz, straatschenders, gespuis; Hooliganism =
straatschenderij, woeste, liederlijke jool.
Hoop, hûp, subst. hoepel, crinoline, beugel, riem, Hoop verb. met
hoepels, enz. beslaan, omringen (Zie ook Whoop); Hoop-iron = bandijzer;
Hoop-petticoat, Hoop-skirt = hoepelrok; Hooper = kuiper.
Hooping, hûpiŋ: Hooping-cough = kinkhoest.
Hoosier, hûžə, bewoner van Hoosier state = Indiana; Hoosier cake =
soort peperkoek (Amer.).
Hoot, hût, subst. gejouw; Hoot verb. uitjouwen, schreeuwen (van een
uil); Hooter = autohoorn.
Hoove, hûv, koliek bij vee.
Hop, hop, subst. hop; sprong; thé dansant: Hop-o’-my-thumb = klein
duimpje; Hop verb. hinken, huppelen, springen, dansen, hop oogsten, met
hop brouwen: He escorted her at party or hop = naar partijen en bals;
He has had many girls on the hop = het hoofd op hol gemaakt; To catch
(take) on the (ground) hop = een bal vangen als hij opspringt; iemand
onverhoeds overvallen, snappen; He is a hop out of kin = hij slaat
geheel uit den aard; I can hop that lot on one foot = dat eind wel
hinkende afleggen; To hop the twig = uitsnijden; het hoekje omgaan; op
houten beenen loopen; Hopped over the twig = over den puthaak getrouwd;
Hop-back = hopzeef; Hop-bind, Hop-bine = hopstengel; Hop-joint =
opiumkit; Hop-picker = hopoogster; Hop-pole = hopstaak; Hopscotch =
hinkspel; soort balletjes; Hop-vine = hopstengel; Hop-yard = hopveld;
Hopper = danser, springer, etc. kaasmijt, sprinkhaan, trechter,
zaaikorf, hopoogster; modderschuit = Hopper barge.
Hope, houp, subst. hoop, vertrouwen, verwachting, wensch; Hope verb.
hopen, verwachten; vertrouwen: Young hopeful = veelbelovend jongmensch
(ironisch); Hopefulness; Hopeless = hopeloos; subst. Hopelessness.
Hopple, hop’l = Hobble = kluisteren; Hopples = kluisters voor vee in de
weide.
Horace, horis.
Horal, hôr’l, Horary, hôrəri, wat een uur duurt of betreft.
Horatian, həreiš’n, Horatiaansch; Horatio, həreišiou.
Horde, höd, subst. horde, bende, troep; Horde verb. in horden of benden
leven of zich vereenigen.
Horehound, höhaund, witte malrove.
Horizon, həraiz’n, horizon, gezichtskring: Apparent, Sensible horizon =
schijnbare horizon; Rational, Real, True horizon = werkelijke horizon;
The plain of literature that is horizoned by 1801 = het veld der
literatuur tot 1801; Horizontal = horizontaal, waterpas; subst.
Horizontalness; Horizontality.
Horn, hön, hoorn, horen, drinkhoorn, voelhoren, de niet-volle maan (bij
’t wassen of afnemen), vleugel (van een leger), zijtak (van eene
rivier), punt (van een aambeeld); borrel (Amer.); Horn verb. van horens
voorzien; (fig.) horens doen dragen: A pair of horn spectacles; Horn of
Plenty = horen des overvloeds; To come out at the little end of the
horn = ergens slecht (kaal) af komen; He has drawn, hauled, pulled in
his horns = hij is in zijne schulp gekropen; To put to the horn =
vogelvrij verklaren (Schotl.); I’ll either make a spoon or spoil a horn
= ik waag het, erop of eronder; To show one’s horns = de tanden laten
zien, flink optreden; Take a horn = neem een borrel (Amer.); To wear
the horns = hoorndrager zijn; Horn-beak = gewone geep; Hornbeam =
hagebeuk; Horn-bill = neushoornvogel; Horn-blower = hoornblazer;
Horn-book = oud abéboek bestaande uit een blad papier, waarop het
alphabet, de getallen van 0–9, het Onze Vader, beschermd door een
doorzichtige plaat van hoorn en bevestigd op een houten raam met
handvat; Horn-distemper = hoornziekte (van vee); Horn-eel = smelt;
Horn-finch = stormvogeltje; Horn-fish = zeenaald; Horn-pipe = oud
blaasinstrument; horlepijp; Horn-work = hoornwerk (vestingbouw); Horned
= van horens voorzien; Horned horse (Zie Gnu); Horning = het wassen of
afnemen van de maan; door het blazen op een trompet ingeleide openbare
afkondiging (Schotl.); ketelmuziek (Amer.); Horny = hard, hoornig:
Horny coat of the eye = hoornvlies; Horny hands = vereelte.
Hornet, hönət, horzel; kwelgeest: To bring a nest of hornets about
one’s ears = zijn hoofd in een wespennest steken.
Horologe, horəlo(u)dž, uurwerk; Horologer = uurwerkmaker; Horology =
uurwerkmakerskunst, tijdmetingskunst.
Horoscope, horəskoup, horoscoop; I have cast her horoscope = haar
horoscoop getrokken; adj. Horoscopic; Horoscopy, həroskəpi, kunst om de
toekomst te voorspellen.
Horrent, hor’nt, borstelig, rechtopstaand, afschuwelijk.
Horrible, horib’l, verschrikkelijk, ijselijk, akelig; subst.
Horribleness.
Horrid, horid, akelig, afschuwelijk; ruw, stekelig, overeindstaand;
treurig; subst. Horridness.
Horrific, horific, afschuwwekkend; Horrify, horifai, met afschuw
vervullen, doen sidderen.
Horripilation, horipileiš’n, een gevoel alsof het hoofdhaar te berge
rijst.
Horror, horə, afgrijzen, afschuw, huivering: The horrors = delirium
tremens; zwaarmoedigheid: To give the horrors = afschuw inboezemen; To
have the horrors = zwaarmoedig, katterig zijn, aan delirium tremens
lijden; Horror-stricken, Horror-struck = door afgrijzen verpletterd.
Horse, hös, paard (ook zeeterm), hengst, cavalerie, steunbok, droogrek,
werk dat vóór het uitgevoerd is betaald wordt (= Dead horse),
ezelsbrug; Horse verb. een paard bestijgen, van een paard voorzien,
schrijlings plaatsen, dekken, opstijgen; adj. groot, grof: The near
horse = bij-de-handsche paard; Off horse = van-de-handsche; Dark horse
= nog onbekend renpaard; nieuweling, onbekend candidaat; Master of the
Horse = opperstalmeester; Those who cannot flay the horse, flay the
saddle = wie het meerdere niet kan doen, doe het mindere; To flog the
dead horse = aan een dood paard trekken (fig.); To get on (To mount, to
ride) the high horse = een hoogen toon aanslaan; To look a gift horse
at (in) the mouth = een gegeven paard in den bek zien; You rode a dark
horse then = (eig.) gij reedt toen op een onbekend paard, (fig.) gij
hieldt u maar dom, voerdet wat in uw schild; To ride a free horse to
death = een paard den rug stuk rijden, iemand exploiteeren; He sits a
horse very well = hij rijdt goed; To take horse = te paard stijgen; I
will win the horse or lose the saddle = ik waag het, erop of eronder; I
have often been horsed in this school myself = ben zelf dikwijls op het
“houten paard” geweest, afgeranseld geworden; Horse-artillery =
rijdende artillerie; To be (ride) on horseback = te paard; Horse-bean =
paardeboon, tuinboon; Horse-block = stellage om bij het op- en
afstijgen behulpzaam te zijn; Horse-boat = pont door paarden getrokken,
of om paarden over te zetten; Horse-box = wagon voor paarden;
stalafdeeling; Horse-breaker = pikeur, iemand die paarden dresseert;
Horse-car = tramwagen (Amer.); Horse-car-track = tramweg (Amer.);
Horse-chanter = opkooper van oude paarden, om ze door knoeierij weer
goed aan den man te brengen; Horse-chestnut = paardekastanje;
Horse-cloth = paardedek; Horse-coper = paardenkooper; Horse-courser =
koopman in renpaarden; eigenaar van renpaarden; Horse-cucumber = groote
groene komkommer; Horse-dealer = paardenkooper; Horse-doctor =
paardenarts; Horse-drench = paardendrank; Horse-emmet = roode mier;
Horse-faced = met een lang, grof gezicht; Horse-faker = paardenkooper
(Zie Fake); Horse-flesh = paardevleesch; paarden: The age of
horse-flesh = de diligencetijd; He knows little of horse-flesh = hij
heeft geen verstand van paarden; Horse-fly = paardenvlieg; Horse-Guards
= bereden lijfwacht; bureau van den bevelhebber in Whitehall, de
militaire autoriteiten aan het ministerie van oorlog; Horse-hair =
paardenhaar; Horse-hoe = groote egge; Horse-jockey = pikeur,
paardenkoopman; Horse-keeper = stalknecht; verhuurder v. paard.;
Horse-knacker = paardenvilder; Horse-laugh = luide en ruwe lach;
Horse-latitudes = streek der windstilten; Horse-leech = paardenarts,
bloedzuiger; vrek; Horse-litter = baar door paarden gedragen;
Horse-load = paardenvracht; Horse-lock = paardenkluister; Horseman =
ruiter; Horsemanship = rijkunst; Horsemarines: Tell that to the
horsemarines = maak dat je grootje wijs; Horse-marten = groote hommel,
torenzwaluw; Horse-meat = paardevoer; Horse-mill = rosmolen;
Horse-milliner = paardetuig- en zadelmaker; Horse-play = ruwe grap,
ruwe wijze van doen; Horse-pond = paardewed; Horse-power =
paardekracht: Horse-race = wedren; Horse-radish = mierik, meerradijs,
peperwortel; Horse-railroad = tramweg (Amer.); Horse-rake = paardehark,
groote egge; Horse-rider = kunstrijder; Horseshoe = subst. en adj.
hoefijzer(vormig); Horse-shoeing = beslaan van paarden; Horse-stinger =
paardenbijter; Horse-tail = paardestaart; Turksche standaard; Horse-way
(Amer.) = rijweg; Horse-whip, subst. paardezweep; Horsewhip verb. met
de paardezweep slaan, afranselen; Horsewoman = paardrijdster, amazone;
Horse-worm = paardenworm of de larve ervan; Hors(e)y, hösi,
paardachtig, gek op paarden, jockeyachtig; Horsing = tuchtiging (met
een roede) van een schooljongen, die daartoe op den rug van een anderen
jongen hangt.
Hortation, höteiš’n, vermaning; Hortative, hötətiv, Hortatory,
hötətori, vermanend.
Horticulture, hötikɐltšə, tuinbouw; A horticultural show =
tuinbouwtentoonstelling; Horticulturist = tuinbouwkundige.
Hosanna, həzanə.
Hose, houz, kousen, sportkousen, nauwsluitende kniebroek,
brandspuitslang, tuinslang (= Hose-pipe); Hose verb. bespuiten: You
have got your legs into twisted hose there = dat hebt gij glad mis;
Hose-man = spuitgast.
Hosier, houžə, koopman in sajetten en wollen goederen; Hosiery =
sajetten en wollen (gebreide) goederen, zaak in die goederen.
Hosea, houzîə, Hosea.
Hospice, hospis, hospitium, kloosterherberg.
Hospitable, hospitəb’l, herbergzaam, gastvrij; subst. Hospitableness;
Hospitage, hospitidž, gastvrijheid; Hospital, hospit’l, hospitaal,
godshuis: Hospital-ship; Hospitality = gastvrijheid; Hospital(l)er =
hospitaal-inspecteur; hospitaal-broeder, -zuster, -ridder.
Host, houst, subst. gastheer, waard; leger, troep, menigte; hostie;
Host verb. zijn verblijf nemen, onthalen, herbergen: The Lord of Hosts
= de Heer der Heerscharen; Hostess = gastvrouw.
Hostage, houstidž, gijzelaar, borgtocht.
Hostel, host’l, herberg, hospitium (voor studenten te Cambridge);
Hostelry, host’lri, = herberg, hospitium.
Hostile, host(a)il, vijandig, vijandelijk; Hostility, hostiliti,
vijandigheid (Meerv. Hostilities = vijandelijkheden).
Hostler, oslə, stalknecht.
Hot, hot, heet, scherp, brandend, vurig, dol op (on): That horse is hot
at hand = is vurig en hard in den bek; In hot haste = overijld, snel;
We found ourselves in hot water = we zaten er leelijk in; Hot water tin
= waterstoof; X. is becoming too hot for him = hij kan het te X. niet
meer uithouden; I’ll make it hot for him = ik zal hem mores leeren;
Brandy hot = warme cognacgrog; Hot-bed = broeibak; broeinest; Hot-blast
= stroom van heete lucht; Hot-blooded = vurig, driftig;
hartstochtelijk; Hot-brained = oploopend, heethoofdig; Hot-cockles =
spel, waarbij de geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft;
Hot-flue = droogkamer (katoenfabr.); Hot-foot = zoo snel mogelijk;
Hot-head = driftkop, heethoofd; Hot-headed = heethoofdig, driftig;
subst. Hot-headedness; Hot-house = broeikast, droogkamer; Hot-mouthed =
hard in den bek, onhandelbaar; Hot-press = pers (voor het satineeren
van papier of het decateeren van laken); Hot-spirited = vurig van
geest, driftig; Hot-spur, subst. driftkop; vroege doperwt; adj.
doldriftig; Hot-spurred = driftig, onstuimig; Hot-tempered =
opvliegend.
Hotchpot(ch), hotšpot(š), mengelmoes, zootje, hutspot.
Hotel, hətel, logement: Hotel-car = restauratiewagen (Amer.);
Hotel-keeper = hotelier.
Hotri, houtri, Brahmaansch priester.
Hottentot, hot’ntot, Hottentot; de taal; ook fig.
Houdah, hauda. Zie Howdah.
Hough, hɐf.
Hough, hok. Zie Hock.
Hougham, hɐfəm; Houghton, hout’n.
Hound, haund, (jacht)hond; Hound verb. met honden jagen, aanzetten,
ophitsen, wegjagen: Master of Fox-hounds = jagermeester, hoofd van de
Hunt (de jachtvereeniging in een bepaald district): To follow the
hounds = jagen (op vossen); He rides well to hounds = hij is een goed
vossenjager; Hound’s-tongue, = hondstong.
Hounslow, haunzlou.
Hour, auə, uur; Hours = uurgebeden, het boek dat ze bevat, de Horae;
After hours = na den arbeid of werktijd; He keeps good (bad) hours =
hij komt steeds op tijd (te laat) thuis; To keep early hours = vroeg
opstaan en vroeg te bed gaan; The house sat far into the small hours =
het Lagerhuis zat tot diep in den nacht; I promised him so in an evil
hour = te kwader ure; What is the hour of day = hoe laat is het op den
dag? Hour-angle = uurhoek; Hour-circle = uurcirkel; Hour-glass =
zandlooper; Hour-hand = uurwijzer; Hour-line = uurlijn; Hour-plate =
wijzerplaat; Hourly = (van) ieder uur.
Houri, hûri, hauri, houri.
Housage, hauzidž, pakhuishuur.