harten (in ’t kaartspel): What the heart thinks the mouth speaks = waar
het hart vol van is, loopt de mond van over; After their own hearts =
naar hartelust; He is brave at heart = in den grond is hij dapper;
Heart alive, how we laughed = goeie hemel! I would not for my heart do
it = ik deed het om den dood niet; In his heart of hearts = in het
binnenste van zijn hart; The grass was plentiful and in good heart =
uitstekend; To be heart and mind interested in = met hart en ziel; My
heart failed me = de moed ontzonk mij; Her heart leaped to her mouth =
ze ontroerde hevig; His heart sank low (into his boots) = zonk hem in
de schoenen; It broke his mother’s heart = zijne moeder het hart; He
could not find it in his heart to go there = hij kon het niet van zich
verkrijgen; Try to get (learn) this lesson by heart = van buiten te
leeren; To have the heart = het hart, den moed hebben; To have a heart
of gold; To have at heart = beoogen; I had it in my heart to tell you
so = was van plan; On seeing this I had (felt) my heart in my mouth =
toen ik dat zag, was ik bijna buiten mijzelf van schrik; Keep a good
heart, man! = houd moed; If it were not so serious I could laugh my
heart out = me doodlachen; To lay to heart = ter harte nemen; He put
some heart into me = sprak mij moed in; Set your heart at rest about
that = wees daaromtrent maar gerust; He had set his heart on seeing her
= hij had er zijne zinnen op gezet; It spoke to my heart = het sprak
tot mijn hart; To take to heart = zich aantrekken, ter harte nemen;
Take this lesson to heart = neem ter harte; He took (summoned) heart of
grace, and did it (to do it) = hij vatte moed; That man wears his heart
on his sleeve = draagt zijn hart op de tong; Heart-ache = zielesmart;
Heart-blood of Heart’s-blood = hartebloed (ook fig.); Heart-break =
hartzeer; Heart-breaker = wat het hart breekt, soort v. krul of lok;
Heart-broken = verpletterd; Heart-burn, subst. zuur (in de maag);
Heart-burning = ontevredenheid, ergernis, vijandschap; adj.
ontevredenheid of jaloerschheid veroorzakend; Heart-complaint,
Heart-disease = hartziekte; Heart-failure = hartverlamming;
Heart-felt(ly) = diep, oprecht, innig; Heart-rending =
hartverscheurend; Heart’s ease = driekleurig viooltje; Heart-sick =
diep bedroefd, zwaarmoedig, hartzeer gevoelend; Heart-sickening =
bedroevend; Heart-sickness = zwaarmoedigheid; Heart-sore = hartzeer,
groote smart; Heart-string = hartzenuw; meest. mv. en fig.;
Heart-struck = getroffen; Heart-thrilling; Heart-touching =
hartroerend; Heart-whole = met vrij, niet door de liefde getroffen
hart; Hearten = aanmoedigen, bezielen; Heartiness = hartelijkheid,
ijver, vuur, gezondheid; Heartless = harteloos, laf, flauw; subst.
Heartlessness; Hearty = hartelijk, oprecht, ijverend (for, in),
opgewekt, voedzaam, flink, stevig: Do it, that’s my hearty = doe het,
dan ben je een bovenstbeste!
Hearth, hâth, haard, haardstede, huiselijke kring, familie;
Hearth-broom, Hearth-brush = haardstoffer; Hearth-money = belasting op
de stookplaatsen; Hearth-rug = haardkleedje; Hearth-stone = haardplaat;
schuursteen.
Heat, hît, subst. hitte, warmte, vuur, gloed, heftigheid, hooge kleur,
loop (in een wedstrijd), loopschheid, heete (bijtende) smaak; Heat
verb. verhitten, warm maken, opwekken, warm worden, broeien: You cannot
realise the white heat of his wrath = zijne groote woede; His nature
was at white heat = was in gloed; He wrote this novel almost at a heat
= “aus einem Guss”, uit één stuk; Heat-wave; Heater = verwarmer,
verwarmingstoestel, voorwarmer, ijzeren bout (in een strijkijzer).
Heath, hîth, heide, vlakte, Erica of heidebloempje; Heath-cock =
korhaan; Heath-game = korhoenders; Heath-hen = korhen; Heath-pout =
korhaan; Heathen, hîdh’n, subst. heiden, barbaar, afgodendienaar; adj.
heidensch, onbeschaafd, barbaarsch; Heathendom = heidendom; Heathenish
= heidensch, ruw, wreed; Heathenism, hîdhənizm, heidensche toestand,
barbaarschheid, ruwheid.
Heather, hedhɐ, heide(kruid); Heather-bell = gewone dopheide;
Heather-tuft = heidetrosje; Heathery.
Heave, hîv, subst. rijzing, zwelling, deining, poging tot braking,
zucht, worsteling; Heave verb, opheffen, verheffen, deinen, slaken,
neerwerpen, ophijschen, hijgen, zwoegen, poging doen tot braken: Heaves
= dampigheid; To heave the lead = looden (peilen); She heaved a sigh =
slaakte een zucht; The ship hove in sight = kwam in ’t gezicht; To
heave about = over stag gaan; To heave down = kielhalen; Heave down the
sails = strijk, haal neer de zeilen; Heave out the sails = gooi de
zeilen los; To heave to = bijdraaien; Heave up = vomeeren: Let us heave
up that design = laten we dat plan laten varen; Heaver = hefboom;
losser: Coal-heaver.
Heaven, hev’n, hemel, lucht: To be in the (a) seventh heaven = in den
zevenden hemel; He moved heaven and earth to get it = wendde alles aan;
It smells to heaven = schreit; The heaven may fall, and we may have
larkpie for supper; Zie Lark; Heaven of heavens = de hemel der hemelen;
Heaven-born = van den hemel gedaald, hemelsch; Heaven-bred = van
goddelijken oorsprong; Heaven-directed = door den hemel bestuurd, ten
hemel wijzend; Heaven-gate = hemelpoort; Heaven-gifted = door den hemel
geschonken; Heavenhigh = hemelhoog; Heavenliness, subst. v. Heavenly =
hemelsch, goddelijk, uitstekend, voortreffelijk; van den hemel;
Heavenly-minded = hemelschgezind, vroom; subst. Heavenly-mindedness;
Heaven-sent = door den hemel gezonden; Heavenward(s) = hemelwaarts.
Heaviness, hevinəs, subst. v. Heavy, hevi, zwaar, gedrukt, droevig,
zwaarmoedig, slaperig, suf, vervelend, dreigend, niet behoorlijk
gerezen (van brood), vol (van wijnen), hevig, groot, hoogstaand,
slecht, dampig: The officers of the heavies = de officieren der zware
cavalerie; Heavy-armed = zwaar gewapend; He did the heavy business,
i.e. van den heavyman = speelde de père noble rollen; Heavy cavalry =
zware ruiterij; A heavy father kind of man = iemand met het gewichtige
van een père noble; Heavy-gaited = met moeielijken, langzamen gang;
Heavy-handed = lomp, despotisch; Heavy-laden = zwaargeladen;
Heavy-lidded = met zware, hangende oogleden; A Heavy loss; Heavy-spar =
zwaarspaath; Heavy type = vette letter; Heavy-weight = zwaargebouwd
bokser, of renpaard; jockey voor dat paard; gewichtig persoon (fig.);
His life hangs heavy (up)on his hands = valt hem zwaar.
Hebdomadal, hebdoməd’l, wekelijksch; Hebdomadary, hebdoməd’ri, subst.
lid van een kapittel of klooster, die den weekdienst in het koor heeft;
adj. wekelijksch.
Hebe, hîbî, Hebe.
Hebetude, hebitjûd, stompheid, sufheid.
Hebraic(al), hîbreiik(’l), Hebreeuwsch; Hebraism, hîbrəizm,
Hebreeuwsche spreekwijze of gewoonte; Hebrew, hîbrû, subst. en adj.
Hebreeër, Hebreeuwsche taal; Hebrew-wise = in tegengestelden zin.
Hebridean, Hebridian, hibridj’n, tot de Hebriden behoorende; Hebrides
(The), dhəhebridîz.
Hecate, hekətî, Grieksche godin.
Hecatomb, hekətom, hekətûm, offerande van honderd ossen of andere
beesten, groote offerande.
Heck, hek, ruif, boven en onderdeur, klink, bocht of kromming in een
stroom.
Heckle, hek’l (Zie Hackle), een verkiezingscandidaat scherp
ondervragen; Heckling meeting = meeting met debat, waarin een candidaat
onder het mes genomen wordt (Schotl.).
Hecla, heklə.
Hectare, hektêə, hectare, ongeveer 2,471 acres.
Hectic, hektik, teringachtig; subst. = Hectic-fever = teringkoorts,
teringblos.
Hectogram(me), hektəgram, hectogram.
Hectolitre, Hectoliter, hecktəlîtə, hektolitə, hectoliter.
Hectometre, Hectometer, hektəmîtə, hektomitə, hectometer (328 feet).
Hector, hektə, subst. snoever, vechtersbaas; Hector verb. snoeven,
bluffen, onbeschaamd behandelen: He hectored it out of me = hij kreeg
het uit mij door brutaliteit (Vergel. He hectored me out of it = kreeg
het van mij door br.); He hectored over me = negerde, donderde mij.
Hectostere, hektəstîə, 100 kubieke meters (ruim 3531,4 cubic feet).
Hecuba, hekjuba.
Hederal, hederel, klimopachtig; Hederiferous, hedərifərɐs,
klimopdragend, voortbrengend.
Hedge, hedž, subst. heg; adj. slecht, gemeen, heimelijk; Hedge verb.
met een heg omgeven, insluiten, omheinen, op verschillende kansen
tegelijk wedden, zich koest houden: Over hedge and ditch = over heg en
steg; You are on the wrong side of the hedge = gij hebt het mis, zijt
verkeerd; Hedge-berry = vogelkers; Hedge-bill = snoeimes; Hedge-born =
van lage geboorte; onecht; Hedge-creeper = landlooper; Hedgehog = egel;
Hedgehog thistle = nopal; vijgdistel; Hedge-hyssop = genadekruid;
Hedge-marriage = geheim huwelijk; Hedge-parson, Hedge-priest =
hageprediker; Hedge-row = haag; Hedge-school = hageschool
(boerenschool, vroeger in Ierland in de open lucht gehouden);
Hedge-schoolmaster = meester van die school; Hedge-sparrow =
bastaard-nachtegaal; Hedge-stake = heiningpaal, stut; Hedge-writer =
prulschrijver; Hedger = haagmaker, haagsnoeier.
Hedonism, hîdənizm, hedənizm, de leer, dat genot het levensdoel is: You
are right from a hedonistic point of view = als het leven slechts genot
is hebt gij gelijk; Hedonist = aanhanger van die leer.
Heed, hîd, verb. zorgvuldig letten op, gadeslaan; subst. zorg,
oplettendheid, omzichtigheid: Take heed = pas op; He heeded my words =
lette op en deed naar; Heedful = opmerkzaam, behoedzaam; subst.
Heedfulness; Heedless = achteloos, onbezonnen, onverschillig; subst.
Heedlessness.
Hee-haw, hî-hô, balken.
Heel, hîl, subst. hiel, hak, knobbel, korst, knop, laatste stuk,
overhelling naar eene zijde; Heel verb. een hak of hiel zetten aan, van
een hiel of spoor voorzien, overhellen, op de hielen zitten; van geld
voorzien (Amer.); krengen (scheepst.): He went at it heels over head =
hals over kop, onbezonnen, roekeloos; Neck and heels = in de volle
(lichaams)lengte; The police are at (upon) his heels = zit hem op de
hielen; His shoes are down at heels, out at heels = afgetrapt,
versleten; To cool one’s heels = lang (moeten) wachten; To fling up
one’s heels = achteruit slaan, uit den band springen, dansen; To keep
to heel = achter zijn meester aanloopen (v. honden); To kick up one’s
heels (Zie Fling up); To kick one’s heels = wachten; They were laid by
the heels = zij werden geboeid, gevangen genomen; The enemies showed
their heels, took to their heels = lieten de hielen zien, zetten het op
een loopen; To stick to heel = achter blijven loopen; He always treads
upon a man’s heels = volgt een mensch gelijk zijne schaduw; To turn up
the heels = doodgaan; Heel-ball = mengsel van harde was en lampzwart,
om de hielen glad, of afdrukken van koperen gedenkplaten te maken;
Heel-piece, subst. achterlap, hakstuk; Heel-tap, subst. staartje (in
een glas); een der laagjes leer waaruit de hak bestaat: No heel-taps! =
uitdrinken!
Heft, heft, gewicht, handvat, poging, grootste deel (Amer.); woning,
verblijf (Schotl.); Heft verb. optillen om het gewicht te bepalen;
gewoon worden aan (Schotl.): A Part-hefter = acteur, die de beteekenis
van zijn rol afmeet naar de lengte; Hefty = zwaar.
Hegemony, hədžeməni, hedžmoni, hîdzəmoni, hegəmoni, hîgəmoni,
hegemonie.
Hegira, hedžərə, Hegira of Hedjra, vlucht van Mahomed uit Mekka (622).
Heifer, hefə, vaars.
Heigh, hei, hai, hei! holà! Heigh-ho = ha, och, o wee!
Height, hait, hoogte, verhevenheid, toppunt, gestalte, lengte: In the
height of fashion = naar de laatste mode; We were in London at the
height of the season = toen de “season” in vollen gang was; The height
of summer = het hartje; Heighten = verhoogen, verheffen, vermeerderen,
versterken.
Heinous, heinəs, afschuwelijk, snood, misdadig; subst. Heinousness.
Heir, êə, subst. erfgenaam, nakomeling; Heir verb. erven; Heir-at-law,
Heir-apparent = rechtm. erfgen. of troonopv.; Heir-general =
universeele erfgen.; Heir-presumptive = vermoedelijke erfgenaam (wiens
rechten ophouden, zoo er nog een ander erfgenaam, den bezitter nauwer
verwant, geboren wordt); Joint heir = mede-erfgenaam; Heiress =
erfgename; Heirless = zonder erfgenamen; Heirloom = erfstuk; Heirship =
erfrecht.
Held, held, imp. en part. perf. van to hold.
Helen, hel’n, Helena (St.), helənə, həlînə.
Heliac, hîliək, Heliacal, hilaiək’l, met de zon opkomende en
ondergaande,
Helianthus, hîlianthəs, zonnebloem.
Helical, helik’l, spiraalvormig; Helical-spring = spiraalveer.
Helicon, helikon; Heliconian, helikounj’n, tot den Helicon behoorende.
Heligoland, heligəland, Helgoland.
Heliocentric, hîliousentrik, met de zon als middelpunt.
Heliochromy, hîliəkroumi, hîliokrəmi, kleurenphotographie.
Heliograph, hîliəgraf, heliograaf; Heliograph verb. heliographeeren;
adj. Heliographic(al); Heliography = heliographeeren, heliographie;
Heliogravure, hîliəgreivjə, heliəgravûə, heliogravure; Heliometer,
hîliomətə, toestel aan kijker om den schijnb. diameter van de zon te
bepalen; Helioscope, hîliəskoup, helioscoop.
Heliotrope, hîliətroup, heliotroop (plant, gesteente, astron.
instrument).
Helium, hîliəm, helium.
Helix, heliks, hîliks (Meerv. Helixes, hîliksiz, Helices, helisîz),
spiraal, schroeflijn; slakkenhuis of buitenste zoom van het oor;
huisjesslak; schelpslak.
Hell, hel, hel, speelhuis: What the hell do you want? Where the hell
are you driving at? To play hell and Tommy = de beest spelen; Hell-cat
= feeks = Hell-hag; Hell-hated = verfoeid en veracht als de hel;
Hell-hound = helhond, cerberus; Hellish.
Hellebore, heləbö, Helleborus, nieskruid.
Hellene, helîn, helîn, Helleen; Hellenian, helînj’n = Hellenic,
helînik, Helleensch; Hellenism, helinizm, Hellenisme; Hellenists,
helinists, Grieksche joden in Egypte gevestigd, die het Hellenisme tot
bloei brachten, Hellenisten; adj. Hellenistic(al); Hellenize, helinaiz,
Grieksche gewoonten aannemen, Grieksche idiomen nabootsen.
Hellespont, heləspont.
Helm, helm, subst. roer, helmstok, roer van staat; helm; Helm verb.
besturen: At the helm (of) = aan ’t roer (ook fig.); Helmless = zonder
roer of helm; Helmsman = roerganger.
Helmet, helmət, helm; Helmeted.
Helminthagogue, həlminthəgog, wormkoekje; Helminthic, həlminthik,
wormen verdrijvend (middel).
Helot, helət, hîlət, heloot, slaaf (in het oude Sparta), lijfeigene;
Helotism = toestand van een heloot; Helotry = staat van een heloot; de
gezamenlijke heloten.
Help, help, subst. hulp, bijstand, steun, ondersteuning, helper; Help
verb. helpen, bijstaan, ondersteunen, voorkomen, nalaten, bedienen:
There is no help for it = er is niets aan te doen; That is but my
second help = ik word pas voor de tweede maal bediend; You give large
help(ing)s = groote porties; He couldn’t help himself = kon er niets
aan doen; He shan’t go if I can help it = als ik er wat aan doen kan; I
couldn’t help attaching myself to him = ik moest me wel aan hem
hechten; Thank you for helping me forward = dat je me zoo vooruit
geholpen hebt; He helped me off with my cloak = hielp mij afdoen; Let
me help you off time = laat ik u den tijd helpen verdrijven; He helped
me on with my coat = hielp mij aantrekken; Can’t you help me on = kunt
gij mij niet voorthelpen? To help out with = aanvullen met; He helped
me over the stile = hij heeft mij over het hek geholpen; May I help you
to a potato = mag ik u geven? He helped me to my coat = verschafte mij;
Helpmate = helper, helpster, kameraad, echtgenoote = Helpmeet; Helper;
Helpful = hulpvaardig, heilzaam; subst. Helpfulness; Helping = portie
voedsel: I have not yet finished my first helping of veal = mijne
eerste portie kalfsvleesch; Helpless = hulpeloos, machteloos, radeloos,
ongeneeslijk: He was helplessly drunk = stomdronken; subst.
Helplessness.
Helter-skelter, heltəskeltə, holderdebolder, verward: A helter-skelter
young fellow = onbesuisd.
Helve, helv, steel van een hakmes, bijl, enz.; Helve verb. van een
steel voorzien: That is throwing the helve after the hatchet = dat is
den steel naar de bijl werpen; Helver = handvat.
Helvellyn, helvelin.
Helvetia, helvîšə, Helvetië; Helvetian, helvîš’n, subst. en adj.
Zwitser(sch); Helvetic, helvetik, subst. Zwitser; adj. tot Helvetië
behoorende.
Hem, hem, subst. “H’m”, korte hoest; zoom, rand, boord; Hem verb. “h’m”
roepen, aarzelen; zoomen, insluiten, omsingelen: Hemmed in with
enemies, I knew not what to do = door vijanden van alle kanten
ingesloten; My feelings hemmed in my speech = beletten mij te spreken;
Hem-stitch = zoomsteek.
Hemans, hemənz, hîmənz.
Hematite, hîmətait, hemətait, bloedsteen, rood en bruin ijzererts.
Hemi, hemi, (in samenstellingen) half...: Hemicarp, hemikâp, vrucht
(zooals eene perzik) die zich vanzelf in tweeën deelt; Hemiplegia,
hemipledža, verlamming aan de eene zijde van het lichaam; Hemisphere,
hemisfîə, halfrond; Hemitone, hemitoun, halve toon.
Hemlock, hemlok, dolle kervel; Hemlock-spruce = Canadeesche (Hemlock)
spar.
Hemp, hemp, hennep, werk; Hemp-nettle = hennepnetel; Hemp-seed =
hennepzaad: To die of a hempen fever = aan de galg sterven.
Hen, hen, kip, hen: Every hen must sit on her own nest = ieder moet
zijn eigen zaakje opknappen; Hen-bane = bilzenkruid; Hen-coop =
hoenderhok; Hen-harm, Hen-harrier = blauwe kuikendief; Hen-hawk =
kuikendief; Hen-house = kippenhok; Hen-peck: He is a hen-pecked husband
= hij zit onder de plak van zijne vrouw; Hen-roost = hoenderrek,
kippenhok; Hennery = kippenloop.
Hence, hens, adv. vanhier, hier vandaan, daardoor komt het dat; interj.
weg, ruk uit; A week hence = over eene week; Hence I am sad = dat is de
reden mijner droefheid; (From) henceforth, hensföth, Hence forward,
hensföwəd, hensföwəd, voortaan.
Henchman, henšm’n, vroeger een bediende of page; betaalde politieke
aanhanger, handlanger.
Hendecagon, hendekəgon, elf hoek.
Hendecasyllable, hendəkəsiləb’l (vers)regel van elf lettergrepen; adj.
Hendecasyllabic.
Henriette, henrietə. Henry, henri.
Hent, hent, grijpen, pakken.
Hepatic(al), hipatik(’l), lever..; Hepatite, hepətait, hîpətait,
leversteen; Hepatitis, leverontsteking; Hepatocele = leverbreuk.
Heptachord, heptəköd, reeks van zeven noten, zevensnarig instrument;
Heptagon, heptəgon, zevenhoek; Heptahedral, heptəhîdr’l, zevenzijdig;
Heptahedron, heptəhîdr’n, zevenzijdige figuur; Heptangular,
heptaŋgjulə, zevenhoekig; Heptarchy, heptâki, heptarchie; Heptastich,
heptəstik, zevenregelig vers; Heptateuch, heptətjûk, de eerste zeven
boeken van het O. Testament.
Her, hɐ̂, bez. en pers. voorn.w., haar.
Heracl(e)id, herəkl(a)id, Heraclide; Heracl(e)idan, herəklaid’n, subst.
afstammeling van Hercules; adj. tot de Heracliden behoorende.
Herald, her’ld, subst. heraut, wapenheraut, bode, voorlooper; Herald
verb. aankondigen, verkondigen: Heralds’ college = Hooge Raad van Adel,
bestaande uit den Earl Marshal, 3 kings-at-arms en 6 heralds; Heraldic,
həraldik, wapenkundig; Heraldry, her’ldri, wapenkunde, praal; ambt van
heraut = Heraldship.
Herb, hɐ̂b, gras, kruid (éénjarig); Herb-woman = groentevrouw;
Herbaceous, hɐ̂beišəs, tot de kruiden behoorende, plantenetend; Herbage,
hɐ̂bidž, de gezamenlijke kruiden of grassen, gras, weide, weiderecht;
Herbal = kruiden - -, planten - -; subst. kruidenboek, herbarium;
Herbalist = kruidenkenner, plantenverzamelaar, handelaar in
geneeskrachtige kruiden; Herbarium, hɐ̂bêriəm, plantenverzameling,
herbarium; Herbiferous, hɐ̂bifərɐs, planten voortbrengend; Herbivora,
hɐ̂bivərə, plantenetende dieren; enkelv. Herbivore; Herbivorous,
hɐ̂bivərɐs, plantenetend; Herborize = botaniseeren.
Herculean, hɐ̂kjûlj’n, herculisch, buitengewoon sterk, groot, moeilijk
of gevaarlijk; Hercules, hɐ̂kjulîz, Hercules: Hercules beetle =
Herculeskever.
Hercynian, hɐ̂siniən: Hercynian forest = groot bergwoud.
Herd, hɐ̂d, subst. kudde, troep, zootje herder, hoeder; Herd verb. in
kudden leven zich vereenigen, hoeden, oppassen: To herd cattle;
Herd-book = rundveestamboek; Herd’s-grass = weidegras; Herd’s-man =
veehoeder = Herder (Amer.) ook (fig.).
Here, hîə, hier, bij deze gelegenheid: Here’s to J.! = daar gaat (= ik
drink op) J.; It was Sir P. here, Sir P. there, Sir P. everywhere =
vóór en na; It’s Mr. D. here, and Mr. D. there; That is neither here
nor there = dat hoort er niet bij, doet niets tot de zaak af; Here you
are = alstublieft; Hereabout(s) = hieromtrent, hier in de buurt;
Hereafter = subst. het hiernamaals; adj. aanstaande, toekomstig; adv.
hierna, voortaan; Hereat = hierbij; Hereby = dichtbij; Herein = hierin;
Hereof, hiervan, hier vandaan; Hereon = hierop; Hereto = hiertoe,
hierbij; in overeenstemming hiermede; Heretofore = eertijds, vóór
dezen; Hereupon = hierop; Herewith, Herewidh, hiermede, bij deze(n).
Hereditable, həreditəb’l, erfelijk; Hereditament, herəditəment,
həreditəment, erfgoed; Hereditary, həreditəri, erfelijk, overerfbaar
(van ziekte), erf..; Heredity, hərediti, erfelijkheid, overerving.
Hereford, herfəd.
Heresiarch, herəsiâk, hərîsiâk, aartsketter, ketterhoofd; Heresy,
herəsi, ketterij; Heretic, herətik, ketter; Heretical, həretik’l,
kettersch.
Heriot, heriət, schatting, aan den landheer te betalen bij den dood van
den pachter.
Herisson, heris’n, Spaansche of Friesche ruiter (Mil.); egel (Herald.).
Heritability, heritəbiliti, erfgerechtigdheid, erfelijkheid; adj.
Heritable; Heritage, heritidž, erfenis, erfdeel.
Hermaphrodite, hɐ̂mafrədait, subst. tweeslachtig dier of plant; adj.
tweeslachtig; adj. Hermaphroditic(al), hɐ̂mafrəditik(’l),
Hermaphroditism, hɐ̂mafrədaitizm.
Hermeneutic(al), hɐ̂mənjûtik(’l), uitleggend, verklarend; Hermeneutics,
hɐ̂mənjûtiks, uitlegkunde (vooral van de H. Schrift).
Hermes, hɐ̂mîz, Hermes.
Hermetic(al), hɐ̂metik(’l), hermetisch, luchtdicht.
Hermione, hɐ̂maiənî.
Hermit, hɐ̂mit, kluizenaar; adj. Hermitical; Hermitage, hɐ̂mitidž, kluis,
soort Fransche wijn (wit of rood).
Hernehill, hɐ̂nhil.
Hernia, hɐ̂niə, breuk; adj. Hernial; Herniology, hɐ̂niolədži, leer van
hernia, verhandeling over breuken.
Hern(shaw), hɐ̂n(šô), jonge reiger.
Hero, hîrou, held, halfgod; Hero-worship = heldenvergoding; Heroic,
hirouik, heldhaftig, helden...: He goes into heroics = vervalt in
bombastische taal; Heroic age = de heldentijd; Heroic treatment =
drastische behandeling (van een ziektegeval); Heroic verse = versregel
van vijf jamben (bij de modernen), hexameter (bij de ouden); Heroine,
herouin, heldin; Heroism, herouizm, heldenmoed; Hero-ship = heldendom.
Herodians, həroudj’nz, partij van Herodes (= Herod, herəd: Matth. XXII,
15 en 16).
Heron, her’n, Hern, hɐ̂n, reiger; Heronry = reigerhut.
Herpes, hɐ̂pîz, vlecht (huidziekte).
Herpetology, hɐ̂pətolədži, leer van de kruipende dieren.
Herring, heriŋ haring: Fresh herring = panharing; Pickled herring =
pekelharing; Red herring = bokking, Zie Aniseed-bag; Such an inquiry
should not end in a savour of red herring = zulk een onderzoek moet
niet eindigen onder de verdenking, dat de jury listig op een dwaalspoor
is gebracht; I suppose that line will be your red herring with the jury
= met die argumentatie zul je de jury het spoor bijster willen maken
(hoofdzaak en bijzaak willen doen verwarren); Vinegared herring = zure;
Herring-bone = haringgraat, diagonale dwarssteek, diagonaal metselwerk;
Herring-buss = haringbuis; Herring-fishery = haringvisscherij;
Herring-pond = de (Atlantische) Oceaan (Amer.): To cross the
herring-pond = oversteken naar Amerika; gedeporteerd worden.
Herrnhuter, hɐ̂nhûtə, Hernhutter.
Hers, hɐ̂z, de of het hare, van haar; She was by herself = alléén.
Herse, hɐ̂s, hekel of hamei.
Hertford, hâfəd; Hertfordshire, hâfədšə = Herts, hâts.
Hertha, hɐ̂thə, Oud-Noorsche godin der aarde.
Hervey, hɐ̂vi.
Hesiod, hîsiod, Hesiodus; adj. Hesiodic, hîsiodik.
Hesitate, heziteit, hesiteit, aarzelen, weifelen, stamelen; Hesitation,
heziteiš’n, hesiteiš’n, aarzeling, weifeling, hapering; adj.
Hesitative.
Hesper(us), hespər(əs), avondster; Hesperia(n), hespîriə(n), subst.
(bewoner van) Hesperië of het Avondland; adj. westelijk; Hesperides,
hesperidîz, de Hesperiden.
Hesse, hes, Hessen; Hessian, heš’n, subst. bewoner van Hessen;
politieke huurling (Amer.); adj. tot Hessen behoorende: Hessian boot =
hooge rijlaars met kwastjes van voren; Hessian fly = eene kleine mug,
wier larve in plantenuitwassen leeft (Cecidomyia).
Hest, hest, bevel, gebod.
Heter(o), hetə(rou) (in samenstellingen), anders, vreemd, verschillend:
Heteroclite, hetərəklait, subst. en adj. onregelmatig gebogen (woord);
Heterodox, hetərədoks, onrechtzinnig, kettersch; Heterodoxy,
hetərədoksi, ketterij, onrechtzinnigheid; Heterogeneous, hetərədžîniəs,
ongelijksoortig; Heterogenesis, hetərədženəsis, voortbrenging van
nakomelingen verschillend van de ouders.
Hetman, hetm’n, hetman.
Hew, hjû, houwen, hakken, vellen.
Hewes, hjûz; Hewitt, hjûwit.
Hex(a), heks(ə), (in samenstellingen), zes; Hexadactylous,
heksədaktiləs, met zes vingers of teenen; Hexagon, heksəgon, zeszijdige
figuur, zeshoek; Hexahedral, heksəhîdr’l, zeszijdig; Hexahedron,
heksəhîdr’n, zeszijdig lichaam, kubus; Hexameter, heksamətə, subst.
zesvoetige versregel; Hexametric(al), met zes voeten; Hexangular,
heksaŋgjulə, zeshoekig; Hexapod, heksəpod, zespootig insekt; Hexastich,
heksəstik, zesregelig gedicht; Hexastyle, heksəstail, tempel of gebouw
met zes zuilen in het front.
Hey, hei, ha, hei, hoera! It is hey for R. now = Het is nu: vooruit
naar R.: Hey-day, heidei, he! subst. toppunt, storm: Hey Presto!
Change! = Rrrt! iets anders!
Hezekiah, hezəkaiə, Hiskia.
Hi, hai, he!
Hiatus, haieitəs, gaping, leemte, hiaat.
Hiawatha, haiəwâthə, haiəwôthə.