Hard, hâd, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wreed,

verhard, onbuigzaam, grof, onsmakelijk, wrang, hevig; subst. steiger;

meer conserv. democraat (Amer.): No hard and fast line can be drawn in

this matter = geene scherpe, bepaalde grens kan in deze zaak worden

getrokken; As hard as the nether millstone = buitengewoon hard; They

live hard by = zij wonen kort bij, in de buurt; These people were hard

up = hadden groot geldgebrek; It is hard upon seven = dicht bij; Move

the rudder hard a-starboard = leg het roer zoover mogelijk naar

stuurboord; Hard of hearing = hardhoorig; He died hard = hij verdedigde

zich tot het laatst toe, stierf onbekeerd; zijn doodstrijd was

moeilijk; It will go hard with him = het zal hem slecht vergaan; This

reward was hard won = deze belooning werd met moeite verkregen;

Hard-bake = soort van kokinje; Hard-believing = ongeloovig; Hard-beset

= eng ingesloten, in ’t nauw gebracht; Hard-bitted = hard in den bek;

Hard-bound = verstopt, hardlijvig, traag; Hard-cash = baar geld;

Hard-coal = anthraciet; Hard-drinker = zuiplap; Hard-earned = zuur

verdiend; Hard-fish = gedroogde kabeljauw, schelvisch of leng;

Hard-fisted = met harde handen; gierig; Hard-fought = hardnekkig

gestreden; Hard-grained = grofkorrelig; grof (ook fig.); Hard-got(ten)

= zuur verdiend; Hard-handed = hardhandig, ruw, streng; Hard-head =

zwart knoopkruid; knorhaan; soort keisteen; Hard-headed = sluw, helder

van hoofd; Hard-hearted = hardvochtig; subst. Hard-heartedness;

Hard-labour = dwangarbeid; Hard-luck = tegenspoed; Hard-mouthed = hard

in den bek (van paarden), ruw, grof (van taal); Hard-pressed = in

moeielijke omstandigheden; Hard rubber = caoutchouc; Hard-set =

krachtig vervolgd, in het nauw; streng, onbuigzaam; Hardshell = met

harde schaal; streng orthodox of conservatief (Amer.); Hard-tack =

scheepsbeschuit; Hard-water = hard (wasch)water; Hardworking = zeer

arbeidzaam; Hard-ware = ijzerwaren, vooral potten en pannen, enz.;

Harden = harden, verharden, hard of gevoelloos maken (worden);

Hardihood, hâdihud, koenheid, onversaagdheid, onbeschaamdheid;

Hardiness = gehardheid; Hardly = nauwelijks, bijna niet, waarschijnlijk

niet; hard, moeilijk, streng: Hardly .... when = nauwelijks .... of;

Hardness = hardheid (ook fig.), moeielijkheid; Hardship = ontbering;

Hardy = gehard, sterk, stoutmoedig.

Hardicanute, hâdikənjût.

Hare, hêə, haas: As mad as a March hare = zoo gek als wat; To hold with

the hare and run with the hounds = een dubbel spel spelen; He wanted to

make a hare of me = trachtte mij belachelijk te maken, te foppen, beet

te nemen; Jugged hare = hazepeper; Hare-bell = grasklokje, knikkende

vogelmelk; Hare-brained = nietig, onbesuisd, dwaas; Hare-hound =

hazewind; Hare-lip = hazenlip; Hare’s-foot = hazepoot (door acteurs

gebruikt).

Harem, hêr’m, hâr’m, harem.

Haricot, harikou, harikot, ragout van vleesch met groenten, snijboon.

Harikiri, hârikîri, zelfmoord, door den buik dwars open te snijden

(Jap.).

Hark, hâk, luisteren: Hark ye = luister eens; Hark away, Hark forward =

vooruit! Hark back = hier! een uitroep, waarmede de jager de het spoor

voorbij hollende honden terugroept; terugloopen als het spoor verloren

is: She always harks back to her old grievances = komt altijd terug op.

Harl, hâl, vezels van vlas, haar of wol; koppel van 3 honden, vrij

groote hoeveelheid.

Harleian, hâliən, hâlîən, van Harley, naar wien de door hem gevormde,

thans in het British Museum aanwezige bibliotheek genoemd is.

Harlem, hâləm.

Harlequin, hâlək(w)in, subst. harlekijn, potsenmaker, grappige vent;

Harlequin verb. voor harlekijn spelen; Harlequinade, hâlək(w)ineid,

harlekinade (dat deel in eene Christmas-pantomime, dat op de

transformation-scene volgt).

Harlot, hâlət, hoer; adj. ontuchtig; subst. Harlotry.

Harm, hâm, subst. nadeel, schade, kwaad; Harm verb. kwaad doen, schade

aanbrengen: Harm watch harm catch = wie een ander een kuil graaft, valt

er zelf in; Harm-doing = het kwaaddoen; Harmful = nadeelig, schadelijk;

subst. Harmfulness; Harmless = onbeschadigd, onschadelijk, argeloos;

subst. Harmlessness.

Harmattan, hâmat’n, harmattan, droge en heete wind, die van December

tot Maart v. Midden-Afrika naar het Noorden waait.

Harmonic, hâmonik, harmonisch; Harmonica, hâmonikə, mondharmonica,

glasharmonica, collectie verschillend gestemde en met de vingers

bespeelde glazen; Harmonical: Harmonical proportion = harmonische

verhouding (tusschen vier grootheden): Harmonicon, hâmonik’n,

orchestrion; Harmonics, hâmoniks, harmonieleer: Grave harmonics =

bijtonen van twee overeenstemmende klanken; Harmonious, hâmouniəs,

harmonisch, eensgezind: subst. Harmonicness; Harmoniphon, hâmonifoun,

klavierhobo; Harmonist, hâmənist, componist, iemand, die de

overeenkomstige plaatsen van verschillende schrijvers, vooral der

Evangelisten, opspoort; Harmonists = communistische secte van Gebr.

Rapp, in 1803 uit Wurtemburg naar de Vereen. Staten getrokken;

Harmonium, hâmounj’m, harmonica, harmonium; Harmonize, hâmənaiz,

overeenstemmen, in overeenstemming brengen, in vrede leven,

congrueeren; Harmony, hâməni, harmonie, eensgezindheid,

overeenstemming: Artificial harmony = oplossing van dissonanten tot

harmonie; Harmony of the spheres = de leer van Pythagoras omtrent de

harmonie der tonen, door de planeten in hunne beweging en al naar hare

grootte, snelheid en afstand voortgebracht.

Harness, hânəs, subst. harnas, wapenen, paardetuig, gareel; Harness

verb. het tuig aandoen, de wapenrusting aantrekken: He died in harness

= midden in zijn werk; The thing is well in harness = goed bewerkt;

Harness-cask, (Harness-tub) = vat met pekel vleesch op dek vastgesjord;

Harness-maker = zadelmaker; Harness-room = tuigkamer.

Harold, harəld, Harold.

Harp, hâp, subst. harp; Harp verb. op de harp spelen, steeds hetzelfde

onderwerp aanroeren: He is still harping on his first love = hij heeft

het nog steeds over; To harp on the same string; Harper = Harpist =

harpspeler.

Harpoon, hâpûn, subst. harpoen; Harpoon verb. harpoeneeren; Harpoon-gun

= kanon voor het afschieten van een harpoen; Harpoon-rocket = harpoen,

die als een raket wordt afgeschoten; Harpooner = harpoenier.

Harpsichord, hâpsiköd, spinet.

Harpy, hâpi, harpij (ook fig.).

Harquebus(s), hâkwəbɐs, haakbus; Harquebusier (Harquebusîə) =

haakbusschutter.

Harr, hâ, grommen.

Harridan, harid’n, oude feeks, oud wijf.

Harrier, hariə, brak; kuikendief; plunderaar.

Harrow, harou, subst. Harrow; egge; Harrow verb. eggen, kwellen,

verontrusten.

Harry, hari, plunderen, verwoesten, kwellen, strooptochten doen.

Harry, hari, subst. andere vorm v. Henry; verpersoonl. v. den echten

Londenaar uit de volksklasse = ’Arry: To box Harry = geen eten krijgen

(schooljongens slang); To play Old Harry with a person = iemand leelijk

te pakken nemen.

Harsh, hâš, zuur, wrang, scherp, wreed, streng, ruw; subst. Harshness.

Hart, hât, mannetjes hert (na het vijfde jaar): Hart of ten = hert met

een gewei van tien takken; Hart’s-tongue = hertstong, tongvaren;

Hart(e)beest, hât(ə)bîst, soort van antilope (Z.-Afrika); Hart-shorn,

hâtshön, (geest van) hertshoorn.

Harum-scarum, hêr’mskêr’m, lichtzinnig, roekeloos, wild, slordig;

subst. Hartness.

Harvard, hâvəd.

Harvest, hâvəst, subst. najaar, oogsttijd, oogst, opbrengst; Harvest

verb. inzamelen, oogsten; Harvest-bug = soort van boktor; Harvest-feast

= oogstfeest; Harvest-festival = dankdag voor het gewas; Harvest-home =

oogsttijd, oogstfeest, oogstlied; Harvest-lady = de tweede maaier van

eene rij; Harvest-lord = voormaaier, eerste maaier; Harvest-man =

oogster, maaier; Harvest-month = September; Harvest-moon = (bijna)

volle maan ten tijde der dag- en nachtevening in den herst;

Harvest-mouse = dwergmuis; Harvest-queen = oogstkoningin (pop, Ceres

voorstellende, rondgedragen op den laatsten oogstdag); Harvest-spider =

hooiwagen (spin); Harvester = oogster.

Harvey, hâvi; Harwich, haridž.

Hash, haš, subst. gehakt vleesch met groenten; mengsel, poespas; Hash

verb. hakken, fijnmaken, bederven: Trust him for making a hash of it =

je kunt er op aan, dat hij de boel in de war stuurt, verknoeit; I have

settled his hash = ik heb een appeltje met hem geschild, hem zijn vet

gegeven, afgeranseld, geruïneerd; I have hashed my goose altogether =

ik heb mijne zaak totaal bedorven.

Hashish, hašiš, Hasheesh, hašîš, gedroogde bladeren van de hennepplant,

die gekauwd worden en waaruit een bedwelmende drank wordt bereid.

Haslemere, heiz’lmîə.

Haslet, hazlət, omloop (v. een varken), lever, hart, ingewanden (v.

schapen of kalveren).

Hasp, hâsp, subst. grendel, beugel; Hasp verb. met een klamp of grendel

vastmaken.

Hassock, hasək, pluim, een soort van rietgras; dikke mat, dik

voetkussen om op te knielen.

Hastate, hastit, speervormig.

Haste, heist, haast, spoed, drift, overhaasting, ijver: Why do you not

make haste = waarom maakt gij niet voort? In haste = haastig, vlug;

Hasten, heis’n, haast maken, zich haasten; Hastiness = haast.

Hastings, heistiŋz.

Hasty, heisti, haastig, snel, vlug, driftig, hartstochtelijk;

Hasty-pudding = pap (meel in kokende melk geroerd en gekookt).

Hat, hat, hoed, kardinaalshoed, waardigheid v. kardinaal: To do up a

hat = opmaken; He has hung up his hat in my house = hij heeft zijn

anker bij mij neergelegd, zijne tenten bij mij opgeslagen; To raise

one’s hat to a person = afnemen; They have sent (passed) the hat round

= hebben eene collecte gehouden; To take one’s hat off (to) = afnemen

(voor); Hat-band = rouwband (om den hoed); Hat-maker = hoedenfabrikant;

Hat-rack = hoedenrek, kleerenstander; Hat-work = werk waar niets in

zit; Hat-writer, die Hat-work maakt; Hatter, hatə, hoedenkoopman of

-maker: He is as mad as a hatter = hij is stapelgek; tureluursch.

Hatch, hatš, subst. halve deur, poortje, schuif, traliewerk op een

luik, luik; broedsel, gebroed, samenzwering, fijne streep; Hatch verb.

met bouten vastmaken, met een deksel sluiten; broeden, uitbroeden,

beramen, voortbrengen, arceeren: Under hatches = onder de luiken

geconsigneerd, beneden opgesloten, zeer verdrukt, er slecht aan toe;

welbewaard, gestorven; Hatch-boat = soort van visscherspink met een

half dek; Hatchway = luik; muil; Hatcher = uitbroeder; incubator;

Hatchery = inrichting voor kunstmatige vischteelt.

Hatchel, hatš’l; Hatcheller. Zie Hackle.

Hatchet, hatšət, bijl, bijltje; fooi om de kommiezen om te koopen

(Amer.): Let us bury the hatchet = laten we vrede sluiten; To sling the

hatchet = er uit snijden; They took up the hatchet = zij vatten de

wapens op; Do not throw the hatchet = vertel geen leugens; Hatchet-face

= scherp geteekend gezicht.

Hatchment, hatšm’nt, ruitvormig rouwschild, symbool.

Hate, heit, subst. haat; Hate verb. haten, verafschuwen; Hateful =

hatelijk, boosaardig; subst. Hatefulness; Hater; Hatred, heitrəd, haat,

kwaadaardigheid, kwaadwilligheid.

Hathaway, hathəwei.

Hatti-sheriff, hatišerîf, door den sultan van Turkije uitgevaardigd

onherroepelijk bevel.

Hauberk, hôbɐ̂k, maliënkolder.

Haugh, hô, laag gelegen, vruchtbaar oeverland.

Haughtiness, hôtinəs, subst. v. Haughty, hôti, trotsch, fier,

hoogmoedig, aanmatigend.

Haul, hôl, subst. haal, trek; Haul verb. halen, trekken, sleepen, den

koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich

terugtrekken, komen, gaan: The sheets were hauled home = de schooten

werden aangehaald; Haul the wind = bras het zeil bij den wind; The ship

was enabled to haul off from the shore = af te houden van de kust; He

was hauled over the coals = kreeg een uitbrander; He hauled out a

knuckle-bone of ham = haalde voor den dag; Haulage = trekkracht;

transportkosten; Hauler = soort hengel.

Haulm, hôm, halm, stroo.

Haunch, hônš, hânš, dij, lendestuk, bout.

Haunt, hônt, hânt, subst. dikwijls bezochte plaats, verblijfplaats;

Haunt verb. omgaan, verkeeren, bezoeken of kwellen (v. een geest): This

house is haunted = het spookt in dit huis; Haunter = stamgast; druk

bezoeker.

Haut, hôt, weekmarkt; el (Indië).

Hautboy, houbôi, hobo.

Havan(n)a(h), həvana, Havana(sigaar); Havanese, havənîz, havənîs,

subst. bewoner(s) van H.; adj. van Havana.

Have, hav, hebben, bezitten, houden, bij zich hebben, genieten,

ontvangen, ondervinden, dulden, laten, te pakken hebben, bedriegen,

beetnemen: Have at him, boys! = pakt hem, raakt hem, jongens! Have a

care = pas op! To have the ear of the House = tot die sprekers in ’t

Huis behooren, naar wie gaarne geluisterd wordt; Let us have lots of

room here = maak hier eens flink ruimte; Have done = schei uit; I had

as lief die as be a slave = zou evenlief sterven; I had rather do that

= dat zou ik liever doen; Do well and have well = die wel doet wel

ontmoet; You can’t eat your cake and have it = je kunt niet het midden

en de beide einden hebben; As Shakespeare has it = zooals S. zegt; As

the mood has the reader = al naar de lezer gestemd is; I have no money

about me = ik heb geen geld bij mij; Have the tea-things away = ruim

weg; You have nothing for it but to go = je kunt niet anders doen dan,

er zit niets anders op; He had on his best coat = droeg; He had his

watch out = haalde voor den dag; I’ll have it out of you = zal je wel

krijgen, het je wel inpeperen; I will have it out with you before I go

= met je afrekenen.

Havelock, havlok, sluier (tegen zonnesteek in de Tropen); soort mantel.

Haven, heiv’n, subst. haven, veilige ligplaats, schuilplaats; Haven

verb. eene schuilpl. bieden.

Haver, havə, haver; Haver verb. wauwelen, raaskallen (Schotl.);

Haversack = knapzak, ransel, reiszak; Havers, heivəz = onzin.

Haverhill, heivəhil (Amer.), havəhil.

Havildar, havildâ, Inlandsch sergeant (Brit. Ind.).

Having, haviŋ, bezitting, eigendom; Havings = (goed) gedrag (Zie

Havers).

Havoc, havək, subst. verwoesting, vernieling; de kreet der krijgslieden

wanneer geen kwartier werd gegeven; Havoc verb. verwoesten, vernielen,

dooden: To cry havoc; The boys have played havoc with my furniture =

mijne meubels vernield.

Haw, hô, interj. hu! ö! subst. haag; hof, grasland in een dal; bes van

de haagdoorn; aarzeling, hapering; Haw verb. haperen, ö - - ö zeggen,

aarzelen; door hu! te roepen een paard links wenden (Amer.): He spoke

in his Haw-haw-style = hij sprak op zijne “ö ö” manier; He was a

haw-haw swell = geaffecteerd, lijmerig sprekend fatje; I felt haw, like

a fish out of water = ik voelde mij zoo lam en lusteloos; It is haw and

gee here, instead of woo and gee in the old country = aansporing naar

links of rechts te gaan (Zie Gee).

Hawaiian, hawaij’n, bewoner, taal van Hawaii; Hawaii, hawaii.

Hawbuck, hôbɐk, kinkel.

Hawarden, hô-âd’n, hâd’n; Haweis, hôis; Hawes, hôz.

Hawfinch, hôfinš, appelvink.

Haw-haw, hôhô; Zie Ha-ha en Haw.

Hawk, hôk, subst. havik, valk; zwendelaar, bedrieger; schrapende hoest;

Hawk verb. met valken jagen, als een valk vliegen, jacht maken op;

schrapen; rondventen; Hawk’s-bill = haviksbek; Hawk-eyed = met scherpen

blik; Hawk-moth = sfinx, avondvlinder; Hawk-nosed = met arendsneus;

Hawker = marskramer; valkenier.

Hawik, hôik; Hawkesworth, hôkswəth.

Hawse, hôz, kluisgat: Athwart (the) hawse = dwars voor den boeg; He has

crossed my hawse = hij is mij dwars voor den boeg gekomen; To ride

hawse fallen (hawse full) = waterscheppen door de kluisgaten bij het op

zijn anker rijden van een schip in stormweer; Hawse-hole, (Hawse-pipe)

= kluisgat: He came in at the hawse-holes = hij is van gewoon matroos

opgeklommen, van onderop begonnen; Hawser = kabel, tros.

Hawthorn, hôthön, hagedoorn.

Hawthorne, hôthön.

Hay, hei, hooi, haag, boerendans: To make hay = hooien: Make hay while

the sun shines = smeed het ijzer, terwijl het heet is; He was making

hay in his papers = gooide zijne papieren door elkaar; This boy is

always making hay with (of) his hair = maakt altijd zijne haren in de

war; Hay-asthma, (Hay-fever) = hooiasthma (hooikoorts); Hay-box =

hooikist; Hay-cock = hooiopper; Hay-field = hooiland; Hay-fork =

hooivork; Hay-loft = hooizolder; Hay-knife = hooisteker; Hay-maker =

hooier; boerendans; Hay-market; Hay-mow = hooiberg, hooirook (in eene

schuur); Hay-rick = Haystack; Hay-seed = graszaad; boerenlummel: You

didn’t see any hay in my hair? = zag ik er zoo lummelachtig uit?

Haystack = hooiberg; Amer. fighting-top, waarbij de mast door

traliewerk is vervangen; That is like looking for a needle in a

haystack = onbegonnen (monniken) werk.

Hayes, heiz.

Hazard, hazəd, subst. kans, toeval, gevaar, dobbelspel, stoot om te

stoppen (bij ’t biljartspelen), stopbal, waarbij a winning hazard is,

als de bal der tegenpartij, en a losing hazard, als des spelers bal

gestopt wordt; Hazard verb. gevaar loopen, wagen, in gevaar brengen: He

did it at the hazard of his life = met gevaar voor zijn leven; To put

to the hazard = op het spel zetten; I intend to run the hazard = de

kans te wagen; Hazarder = waaghals; Hazardous = gevaarlijk, gewaagd;

subst. Hazardousness.

Haze, heiz, subst. damp, mist, waas, nevel, duisterheid,

onduidelijkheid; Haze verb. misten; pesten, plagen en straffen met

overwerk (matrozentaal), kastijden, berispen; pret maken, rondzwieren;

in ’t ootje nemen, groenen.

Hazel, heiz’l, subst. hazelaar; adj. lichtbruin, hazelkleurig;

Hazel-earth = mengsel van zand en klei; Hazel-eyed = met lichtbruine

oogen; Hazel-nut = hazelnoot; Hazel-tree; Hazel-wood.

Haziness, heizinəs, subst. v. Hazy, mistig, nevelig, duister,

aangeslagen, aangeschoten, beneveld.

He, hî, he!

He, hî, subst. man; vn.w. hij; adj. mannelijk, mannetjes....

Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, opperhoofd, haar, gewei,

persoon; eereplaats, hoofdeind, bron, de zijde v. munt of medaille met

den kop erop, verstand, doorzicht; getal, onderwerp, gelaat, pak vlas,

rijpe deel van eene zweer of puist, schuim op dranken, watermassa (voor

een molen), beschikbare stoom; adj. eerste, voornaamste, hoofdzakelijk,

hoofd...; Head verb. van den kop berooven, bekappen, van een kop

voorzien, den kop vormen, aanvoeren, zich aan het hoofd stellen, aan

het hoofd zitten, zich stellen tegenover, tegenwerken, afsnijden,

openen, het eerst staan op, met het hoofd wegstooten, een kop vormen,

ontspringen (Amer.), een koers hebben, enz.: Five head of cattle =

stuks vee; A fine head of hair = kop met haar; The heads of a speech =

onderafdeelingen; The heads of an accusation = punten van aanklacht;

The army is a serious head of expenditure in Germany = een zware post

van uitgaven; He fell head-first, head-foremost into the water = hals

over kop; Head-on = Head-first = recht tegenover; I fell into it head

and ears = heelemaal; He is in debt over head and ears = tot over de

ooren; He rose head and shoulders above them = stak een heel eind boven

uit; He came down head over heels from the tree = viel holderdebolder;

To carry a grey head on green shoulders = jong blijven; Give him his

head = laat hem zijn gang gaan; Give the horses their heads = vier de

teugels; To have a long head = ver vooruit zien; They laid their heads

together = overlegden, staken de hoofden bij elkaar; It is easy to make

head against that accusation = te weerleggen; He made head against the

enemy = hield stand tegen; I cannot make head or tail of it = kan er

geen touw aan vast maken; To take the head = de leiding nemen;

steigeren, koppig zijn; That seems to have turned your head completely

= je hoofd geheel op hol te hebben gebracht; Then things came to a head

= bereikten een crisis; The ulcer has come to a head = is rijp

geworden; He did it of his own head = uit eigen beweging; He hit the

right nail on the head = sloeg den spijker op den kop; It is on your

heads to tell it me = ik bezweer jullie; It keeps running in my head =

maalt me door het hoofd, is me steeds in de gedachten; The ship was

running under a full head of steam = stoomde met volle kracht; I see

through the back of your head = ik doorzie u geheel; The wine went into

his head = steeg hem naar het hoofd; The hedges and bushes must be

headed down = moeten gesnoeid worden; She tried to head off the spider

= te vangen, te pakken (door haar den pas af te snijden); When I

approached the subject, he would head me off = placht hij mij er af te

brengen; The boat was heading towards the ship = stuurde in de richting

van; Headache = hoofdpijn; Head-band = hoofdverband, kapitaalband

(boekb.); Head-band verb. kapitalen; Head-boy = primus; Head-butler =

eerste huisbediende; Head-cheese = hoofdkaas; Head-clerk = chef,

boekhouder; Head-dress = kapsel; Head-fast = boegtouw; Head-gear =

hoofdtooisel, hoofdstel (v. paarden); Head-hunter = koppensneller;

Head-land = voorgebergte, kaap; braakland; Head-light = licht (vooraan

de locomotief); Head-line = aanvangsregel, titel; horentouw; ratouw

(scheepst.); Headlong = hals over kop, met het hoofd vooruit,

plotseling, roekeloos, gedachteloos, steil: I always write headlong =

zoo maar weg; Headman = hoofdman, onderbaas, werkbaas, mandoer;

Headmaster = hoofd, directeur, rector; Headmastership = de betrekking

van hoofd, directoraat, rectoraat; Headmistress = directrice;

Head-money = hoofdgeld; Headmost = voorste; Head-mould = schedel, vorm

van het hoofd; Head-moulding = lijstwerk (boven deur of venster);

Head-piece = hoofd, kop, helm, stormhoed; oorijzer; kopstuk, knappe

kop; verstand; Head-post = paal bij de ruif; Head-quarters =

hoofdkwartier; Head-rest = steun voor het hoofd (bij photographeeren);

kussen; Head-sail = vóórzeil; Head-sea = stortzee; Headshake =

beteekenisvol schudden met het hoofd; Head-ship = hoogste waardigheid;

Headsman = beul, scherprechter; mijnwerker, die de kolen naar de plaats

brengt vanwaar ze vervoerd worden; Head-stall = hoofdstel; wollen

mutsje (Amer.); Head-stone = hoeksteen, sluitsteen, grafsteen

(rechtopstaande aan het hoofdeinde van het graf); Headstrong = koppig,

onhandelbaar; Head-voice = kopstem; Head-waiter = oberkellner;

Head-water = bovenloop; Head-way = vaart, gang, vooruitgang: We have

been making head-way of late = wij zijn in den laatsten tijd goed

opgeschoten; Head-wind = tegenwind; Head-word = hoofdwoord; Head-work =

werk met het hoofd, intellectueele arbeid; ornamenten op steenen;

Head-workman = vóórman, werkbaas; Header = sprong of onderduiking met

het hoofd voorover; steen uit een koplaag, speldeknopmaker, kaker,

kaakmachine; Headiness = koppigheid; Heading = titel, opschrift, eerste

regel als voorbeeld, schuim; Heady = koppig (ook v. dranken), overijld.

Heal, hîl, gezond maken, heelen, genezen, van schuld vrijspreken,

bijleggen; Heal-all = geneesmiddel tegen alle kwalen; Healable =

geneesbaar; The Healing art = geneeskunde.

Heald, hîld, weefhaak.

Health, helth, gezondheid, heil, welzijn: Bill (Certificate) of health

= gezondheidspas; Clean bill of health = schoone lei (fig.); Board of

Health = gezondheidscommissie; Officer of Health = inspecteur van de

volksgezondheid; The public health; He is out of health = ongesteld;

Your health = santé! Health-committee = gezondheidscommissie;

Health-insurance = ziekte-, en invaliditeitsverzekering; Health-officer

= ambtenaar van den gezondheidsdienst; Health-resort = badplaats,

kurort; Healthful = gezond, heilzaam; subst. Healthfulness;

Healthiness, subst. v. Healthy = gezond, krachtig, heilzaam.

Heam, hîm, nageboorte bij vee.

Heap, hîp, subst. hoop, menigte: Heap verb. ophoopen, opstapelen: All

of a (on a) heap = allemaal door elkaar; He was struck all of a heap =

stom van verbazing; Heaps of = volop, een hoop.

Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; Hear,

Hear, cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden;

Shall we never hear the last of it = houdt dat praatje dan nooit op? He

heard us our lessons = overhoorde; Hearsay = praatjes, geruchten; I

have it by (from) hearsay, on hearsay evidence = van hooren zeggen;

Hearer = hoorder; Hearing = gehoor, gehoorsafstand, verhoor, onderzoek:

Dullness of hearing = hardhoorigheid; Hard (Thick) of hearing; Quick of

hearing = fijn van gehoor; Hardness of hearing = hardhoorigheid; He is

within (out of) hearing = hij kan ons wel (niet) hooren, wij kunnen hem

wel (niet) beroepen; I promise you a fair hearing = dat men u zal laten

uitspreken, en billijk zal beoordeelen, wat ge zegt.

Hearken, hâk’n, luisteren, letten op.

Hearne, hɐ̂n.

Hearse, hɐ̂s, subst. lijkwagen; Hearse verb. kisten (van een lijk), naar

het graf brengen (in eene lijkkoets); Hearse-cloth = baarkleed.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 56 / 152 段