bloed(uit)storting; Haemorrhoids, hemərôidz, aambeien.
Haffle, haf’l, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken, uitvluchten
maken.
Hafiz, hâfiz.
Haft, haft, subst. handvat, hecht, heft, woning (Schotl.); Haft verb.
in een heft zetten, van een heft voorzien; zich vestigen.
Hag, hag, subst. heks, tooverkol, furie; Hag verb. schrik aanjagen;
Hag-ridden = aan nachtmerrie lijdende; Hag-seed = heksengebroed;
Haggish = afschuwelijk, heksen...
Hagar, heigâ.
Haggard, hagəd, wild, ongetemd, verwilderd, bleek en vervallen.
Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met hart, lever en longen; een
Schotsche schotel van schapenlongen, hart en lever met uien, en gekookt
in eene schapenmaag.
Haggle, hag’l, knibbelen, afdingen; Haggler.
Hagiographa, hagiogrəfə, heidžiogrəfə, de boeken van het O. Testament
met uitzondering van de Mozaische en de Profeten; levensgeschiedenissen
der Heiligen; Hagiology, hagiolədži, heidžiolədži, geschiedenis der
Hagiographa; werk over de levens van (R.-K.) heiligen.
Hague (The), dhəheig, ’s-Gravenhage.
Hah, hâ, ha!
Ha-ha, hâhâ, hâhâ, opening in een tuinomheining met een droge sloot er
voor; ook die sloot zelf.
Haidarabad, haidərəbad; Haidee, haidî; Haigh, hei.
Hail, heil, subst. aanroep, welkomstgroet, bezoek; interj. heil! Hail
verb. begroeten, aanroepen, praaien, geboortig zijn van: He is within
(out of) hail = hij kan (niet) beroepen worden, is (niet) vlak bij de
hand, is binnen (buiten) het bereik van de stem; That man is
hail-fellow-well-met with all people = hij is een allemansvriend; The
ship was hailed by us = gepraaid; Where do you hail from = komt gij
vandaan (waaien)? This dictionary hails from America = is een
Amerikaansch voortbrengsel; They sang a Hail Mary! = een Ave Maria.
Hail, heil, hagel; Hail verb. (doen) hagelen; Hailshot = kartetsvuur;
Hailstone = hagelsteen; Hailstorm.
Hair, hêə, haar; ook adj.: It is my friend to a hair = op-en-top, tot
op een haar; Within a hair of = op een haar na; Let us not split hairs
= laten wij niet haarkloven, vitten, etc.; Not to turn a hair =
onbewogen blijven; Hairbreadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It
was a hairbreadth escape = wij brachten er nog net het leven af;
Hairbrush = haarborstel; Haircloth = (paarde)haren stof; Hairdresser =
kapper; Hair-dye; Hair-lace = haarlint; Hair-line = snoer van
paardenhaar, ophaallijn (in ’t schrijven); Hair-net = haarnetje;
Hair-oil = haarolie; Hair-pencil = fijn penseel; Hair-pin = haarspeld;
Hair-pointed = met fijne, teere punt; Hair-powder = haarpoeder (wit);
Hair-restorer = haargroeimiddel; Hair-shirt = haren kleed;
Hair-splitting subst. = haarklooverij; ook adj.; Hair-stroke =
ophaallijn (bij ’t schrijven); Hair-trigger = sneller (aan een
pistool); pistool daarvan voorzien; Hair-wash = haarwaschmiddel;
Hairiness = harigheid, behaardheid; Hairless; Hairy = behaard.
Haiti, heiti.
Hake, heik, dorsch (visch); vagebond, babbelkous.
Hakluyt, haklût; Hal, hal.
Halberd, halbəd, hôlbəd, holbəd, hellebaard; Halberdier, hal(hôl-,
hol-)bədîə, hellebaardier.
Halcyon, halsiən, subst. koningsvisscher, ijsvogel; kalmte, rust; adj.
kalm, rustig: That was in my Halcyon-days = dat was in mijn kalmen,
gelukkigen tijd.
Haldane, haldein.
Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: I am hale and hearty = frisch en
gezond; subst. Haleness.
Half, hâf, half; subst. helft: That’s not half bad = dat is lang niet
kwaad; He tore the letter in half = in tweeën; Half-and-half = subst.
mengsel van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj.
zonder pit, kwijnend; Halves: I will go you halves in a supper = ik sta
je de helft van; He cried halves, when I found the guilder = hij riep
“buit half”; Do nothing by halves = ten halve; Half-baked = halfgaar,
sullig; Half-baptism = nooddoop (bij Katholieken): The child was
half-baptized = ontving den nooddoop; Half-binding = half leeren band;
Half-blood = verwantschap van personen, die alleen een zelfden vader of
eene zelfde moeder hebben (halfbroeder, halfzuster); Half-blown = half
geopend; Half-bound = in halfleder gebonden; Half-bred = van gemengd
ras, onbeschaafd; Half-breed, subst. halfbloed; adj. van gekruist ras;
Half-brother = halfbroeder; Half-caste = halfbloed; Half-cock = de
stand van den haan, als hij half overgehaald is: To go off at Half-cock
= iets overijld doen, iets uitflappen; Half-crown = Eng. zilveren munt
van ƒ 1,50; Half-dead = half dood; Half-faced = “en profil”;
Half-hearted = lauw, onverschillig, weifelend; Half-holiday = vrije
middag; Half-length = kniestuk (portret); The ensign floated half-mast
high = woei halfstok; Half-part = half deel; Half-pay, subst.
nonactiviteitstractement; adj. op nonactiviteit; Halfpenny, heip’ni,
halve stuiver; Halfpennyworth = waarde van 2½ c.; Half-price = halve
prijs of verminderde prijs; Half-seas-over = half dronken,
aangeschoten; Half-sister = halfzuster; Half-starved = slecht gevoed,
half verhongerd; Half-sword = op de halve lengte van een zwaard: At
half-sword = handgemeen: Half-timer = een kind, dat de lagere school
slechts de verplichte vijf schooltijden per week bezoekt;
fabrieksarbeider, die slechts de helft van de uren werkt; Half-way =
halverwege: Half-way house = herberg; Half-witted = zwak van
denkvermogen, zielig, sukkelig; Half-yearly = zesmaandelijks(ch).
Halford, halfəd.
Halibut, halibɐt, holibɐt, heilbot; Halibutter = heilbotvisscher
(vaartuig).
Halifax, halifaks.
Halitus, halitɐs, adem of damp.
Hall, hôl, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, eetzaal
(universiteiten), maaltijd, gebouw, huis, vestibule: A hall = ruimte!
uitroep bij de oude gemask. optochten; Hall-mark = stempel, keur,
bewijs van echtheid; ook verb.
Hallam, haləm.
Halleluja, haləl(j)ûjə, subst. lofzang; Halleluja lass = vrouwelijke
heilsoldaat.
Halley, hali.
Halliard, haljəd. Zie Halyard.
Halliwell, haliwel.
Hallo(a), həlou, Halloo, həlû, Hallow, həlou, Hola! Allo! subst.
allogeroep; Hallo verb. luid roepen: Do not hallo before you are out of
the wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is.
Hallow, halou, heiligen, wijden; Hallowe’en, halou-în, halou-în, avond
voor Allerheiligen; Hallowmas(s) = Allerheiligen.
Hallucination, həl(j)ûsineiš’n, zinsbedrog, zinsbegoocheling; adj.
Hallucinatory.
Halm, hôm. Zie Haulm.
Halo, heilou, lichte kring om zon of maan, stralenkrans, heiligenkrans;
kring (Med.); Halo verb. met een krans omgeven.
Halt, hôlt, subst. stilstand (-staan), halt; het kreupel zijn,
kreupelheid, ziekte bij schapen; Halt verb. halt houden, halt roepen,
ophouden; kreupelen, mank gaan, aarzelen, dralen, gebrekkig zijn, te
kort schieten; adj. kreupel; interj. Halt! To call a halt = halt doen
houden; To make a short halt = even stoppen; They were halted in the
dusk = tot staan gebracht; Halting-place = stopplaats; Haltingly =
hinkend, langzaam, aarzelend.
Halter, hôltə, subst. halster, touw, strop; Halter verb. een halster
aandoen of er mede vastbinden.
Halve, hâv, (in tweeën) deelen. Zie Half.
Halyard, haljəd, val (scheepst.).
Ham, ham, knieboog of knieholte, dijbeen, schink; ham: Hams = billen.
Ham, ham, Cham; Hamite, hamait; Hamitic, həmitik, van de nakomelingen
van Cham of hunne taal.
Hamadryad, hamədraiəd, hamədraiəd, boomnimf.
Hame, heim, haam.
Hamiform, hamiföm, heimiföm, haakvormig.
Hamilton, hamilt’n.
Hamlet, hamlət, gehucht, dorpje.
Hammer, hamə, subst. hamer, haan; Hammer verb. hameren, slaan, smeden,
met moeite uitwerken, instampen (fig.): Hammer and tongs = met alle
kracht, met groot geweld; At hammer and tongs = op gespannen voet; To
bring to the hammer = onder den hamer brengen, publiek verkoopen; I’ll
be hammered if I do it = je mag op mij schieten als ik het doe; He is
always hammering at it = hij houdt vol, geeft het niet op; I have
hammered it out at last = ten laatste ben ik er achter, eindelijk
begrijp ik het; Hammer-axe = werktuig, aan de eene zijde hamer, aan de
andere bijl; Hammer-cloth = kleed over den bok van een rijtuig;
Hammerfish = hamervisch(-haai) = Hammer-head; Hammer-hard(en) = koud
metaal door hameren harden; Hammer-stone = splijthamer.
Hammock, hamək, hangmat; Hammock-chair = stoel met linnen zitting en
rug; Hammock-nettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden
geborgen; vinkennet of enternet.
Hamper, hampə, subst. grove sluitmand, kluister, boei, tuigage; Hamper
verb. in eene sluitmand doen, belemmeren, boeien, in de war brengen.
Hampshire, hampšə; Hampstead, hamsted; Hampton, hamt’n.
Hamshackle, hamša’kl, den kop (van os of paard) aan een der voorpooten
vastmaken, temmen, beteugelen.
Hamster, hamstə, hamster.
Hamstring, hamstriŋ, subst. kniepees; Hamstring verb. verlammen door
het doorsnijden der kniepees (of staartspier bij een walvisch).
Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling,
bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider,
matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der spelers, vijf (van
een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; Hand verb. overhandigen,
aangeven, vastmaken, geleiden, helpen, overleveren: To be a clever hand
at = knap zijn in; An old hand = een ervaren, gewikst persoon; His hand
was against everybody = hij was in opstand tegen ieder; My hands are
clean = ik ben onschuldig; I have come out of this business with clean
hands = ik ben eerlijk gebleven; Hands across! = handen over elkaar; He
won the race hands down = op zijn doode gemak; Hands off! = handen
thuis! niet aankomen; Hands up! = geeft u over! It was a
hand-to-hand-fight = gevecht van man tegen man; They are hand-and-glove
(= hand in glove) with = koek en ei, op intiemen voet; My brother is on
the mending hand = aan de betere hand; My sword was at hand = bij de
hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your hand(s) = van
u; The time was at hand = op handen; The horse is hot at hand (heavy on
hand) = moeielijk te regeeren; I bought it at first (second) hand = uit
de eerste (tweede) hand; She came out at the right hand = kwam er goed
af; The child was brought up by hand = met kunstmatig voedsel; He sent
his reply by hand = met een bode; Take him by the hand = aan uwe hand,
onder uwe hoede; To go from hand to hand = van den een tot den ander;
Hand to mouth = armelijk, pover; From hand to mouth = voor
onmiddellijke behoefte; To live from hand to mouth = van de hand in den
tand; Hand over fist = Hand over hand = hand over hand, langzamerhand;
snel; They go hand in hand = zij houden het samen, helpen elkander; Our
men are in good heart and thoroughly in hand = en onder volkomen
discipline; We have the matter in hand = hebben ... onder handen;
Payment in hand = contante betaling; This horse is light in hand =
gemakkelijk te regeeren; The matter was taken in hand by him =
aangepakt, ondernomen; He was taken in hand by the judge = onder handen
genomen; They carried their lives in their hands = stelden hun leven
bloot; Each found the life of his hand deed het werk, dat zijne hand
vond om te doen; We have no stock on hand = geen voorraad voorhanden;
Case on hand; waiting instructions = collie aanwezig; verzoeke
verzendingsinstructies; He did it out of hand = dadelijk, onmiddellijk;
Out of hand = klaar, af; He has got out of hand = is buiten den band
geraakt; He went up the ladder hand over hand = door telkens de eene
hand boven de andere te brengen; You will find everything to your hand
here = alles klaar, in gereedheid; Your favour (note) came duly to hand
= uwe geëerde letteren heb ik in orde ontvangen; I saw an instrument
under the minister’s hand = een door den minister geteekend stuk; He
asked (gave) the hand of his cousin = vroeg om (schonk) de hand van
zijne nicht; Bear a hand there = help eens een handje; This house has
changed hands five times in three years; They forced the hands of the
government = zij zetten ... naar hun hand; He wanted to get his hand in
= aan slag (aan den gang) komen, zich inwerken; To give a hand with =
een handje helpen met; I have a free hand now = de handen vrij; He had
a hand in the game = hij had er de hand in; You must have your hands
full = volop werk hebben; de handen vol hebben met; He holds hands with
the best authors = kan wedijveren met; Let us join hands, Join hands in
hand = eendrachtig samenwerken; To join hands with = de hand reiken
aan; The two armies joined hands = vereenigden zich; One must keep
one’s hand in = men moet het onderhouden, zich blijven oefenen; The
police have laid hands on him = heeft hem te pakken; Lend a (helping)
hand, old boy = zeg vriend, help eens een handje; I will not put my
hand to that deed = mijn hand niet zetten onder; He could set his hand
to every kind of work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake
hands = elkander de hand drukken (= shake each other by the hand); You
don’t show me your hand for nothing = je laat me niet voor niemendal in
je spel kijken; To hand a sail = vastmaken; To hand about = rondgeven;
To hand down = aangeven, overleveren: This story was handed down from
my ancestors = is van mijne voorouders afkomstig; To hand in = helpen
(in een rijtuig), inleveren; He handed it over to me = overhandigde het
mij; She was handed over to her old enemies = overgeleverd aan;
Hand-bag = valies; Hand-barrow = (draag)berrie; kruiwagen; Hand-ball =
gummibal aan spuit; Hand-bell = tafelbel; Hand-bill = snoeimes;
affiche, schuldbewijs; Handbook = handboek; Hand-brace = drilboor;
Handbreadth = handbreedte; Hand-cart = handkar; Hand-clasp = handdruk;
Hand-cuff, subst. handboei; Hand-cuff verb. de handboeien aanleggen;
Hand-dog = Andiron; Hand-drop = handverlamming; Hand-gallop = korte
galop; Hand-glass = handspiegel, glas over planten; Handgrasp =
handdruk; Handgrenade = handgranaat; Handgrip = greep: To come to
handgrips = handgemeen worden; Handkerchief = zakdoek, doek: To drop
the handkerchief = het teeken geven (oorspronkelijk door den persoon,
die gehangen werd); To throw the hand to = uitnoodigen; Hand-language =
vingertaal; Hand-lead = klein peillood; Hand-loom = weefgetouw;
Hand-maid(en) = vrouwelijke bediende, dienares; Hand-mill = handmolen;
Hand-organ = draaiorgel; Hand-paper = papier (met eene hand als
watermerk); Hand-painted = uit de hand geschilderd; Hand-press =
handpers; Hand-promise = plechtige verloving, die slechts met
toestemming van beide partijen ophoudt; Hand-rail(ing) = leuning;
Hand-sail = klein zeil; Hand-saw = handzaag: He knows a hawk from a
hand-saw = hij heeft zijn weetje; Hand-screw = dommekracht; Hand-shake
= handdruk; Handspike = handspaak, koevoet; Handspring = sprong, soort
salto mortale: To chuck (throw, turn) handsprings; Handstrap = riem (in
een tramwagen); In a hand-turn = in een ommezientje; Hand’s turn =
hulp; Hand-writing = schrift; handschrift; Hander, handə, aanreiker,
overbrenger, klap: No handers was the motto of the schoolboys on strike
= “geen lichamelijke straf” was het motto v. de werkstakende
schooljongens; Handful = handvol; Handless = zonder handen; onhandig.
Handfast, handfâst, subst. greep, handvat, houvast, handslag, contract,
verbintenis; hechtenis; Handfast verb. verbinden, verloven, vereenigen,
vasthouden.
Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) bij
een wedstrijd; (fig.) nadeel; Handicap verb. vóórgeven, (fig.)
belemmeren, benadeelen, bezwaren: It is a handicap to a popular author
to have made a great book = het is een nadeel (nl. met het oog op zijne
volgende boeken); A handicap race = wedstrijd met vóórgift; Heavy
taxation handicaps a country = drukken een land (belemmeren het in
zijne vrije ontwikkeling); In this way we handicap our own producers as
compared with the foreigner = bezwaren we onze eigen producenten.
Handicraft, handikrâft, handenarbeid, werk van de handen;
Handicraft(s-man) = handwerksman.
Handiness, handinəs, handigheid, gemakkelijkheid, doelmatigheid.
Handiwork, handiwɐ̂k, handarbeid, kunstwerk, schepping.
Handle, hand’l, subst. handvatsel, “vat”, oor, gevest, enz.; Handle
verb. betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, gebruiken, leiden: He
has a handle to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will
give you a handle = ik zal u de gelegenheid verschaffen; He flew off
(at) the handle = hij werd driftig; He knows how to handle the matter =
weet de zaak aan te pakken; The guns were well handled = goed bediend;
Handling = hanteering, behandeling.
Handsel, hands’l, subst. handpenning, handgift, eerste verkoop,
geschenk, etc.; Handsel verb. een handpenning geven, handgeld geven.
Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim:
Handsome is, what handsome does = aan de vruchten kent men den boom; To
come down handsomely = over de brug komen, zich royaal betoonen.
Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: The book has found a
place on the handiest shelf of every student = staat voor het grijpen
bij; The children were playing at handy-dandy = de kinderen speelden:
“Ra, ra, in welke hand?”; Handyman = helper, handlanger.
Hang, haŋ, subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting; Hang
verb. hangen, ophangen, behangen: He has got the hang of it (Amer.) =
hij is er volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; The
general hang of the work is disappointing = gang, richting; He hangs
about her = maakt veel werk van haar, is altijd om en bij haar; Many
boys were hanging about the stables = hielden zich op bij de stallen;
Do not hang back = krabbel niet terug, doe het niet met tegenzin; He
hung down his head = liet hangen; All the hearers hang on his lips =
hangen aan; The thing was hung on by the eyelids = was er slechts even
of onvoldoende mee verbonden; He hangs on his party as faithfully as
may be expected = hij kleeft zijne partij aan; Where do you hang out =
waar woont gij, hangt gij uit?; All the flags were hung out =
uitgestoken; I hang over to that opinion = hel naar die meening over;
They hang together like burs = hangen als klissen aan elkander; The
matter was hung up = bleef onbeslist; Be hanged to ’em = laten ze naar
den duivel loopen; The suit hung = het proces werd gerekt, uitgesteld;
To hang fire = niet dadelijk afgaan, besluiteloos zijn, op zich laten
wachten, niet willen gelukken; Time hangs heavy on my hands, hangs
heavy to-day = valt mij lang; We have been hanging in doubt = in
onzekerheid verkeerd; Men have hanged for less than this = kregen den
strop; Hang-dog = galgebrok, schurk: A hang-dog look = een
armezondaarsgezicht, -blik; Hangman = beul; Hang-nail = nijdnagel;
Hang-nest = hangend nest; Hang-net = hangnet; Hanger = hangstuk, haak,
ophanger, hartsvanger, korte sabel; woud of boschje (langs eene
heuvelhelling); Hanger-on = aanhanger, afhangeling, klaplooper;
Hanging, subst. het hangen of ophangen, vertoon; behang, wandtapijt,
adj. steil, den dood verdienend, strafbaar met den dood: That is a
hanging-affair = eene halszaak; Hanging-clause = bepaling, met wier
niet-nakoming het leven gemoeid is; Hanging-garden = hangende tuin;
Hanging-guard = verdedigende houding met een sabel; Hanging judge =
rechter, die het doodvonnis uitspreekt; Hanging-shelf = boekenhanger.
Hangar, haŋgâ, hangar.
Hank, haŋk, subst. streng (garen, zijde, etc.); neiging, lust; greep,
macht; Hank verb. tot strengen vormen, krachtig aanhalen: His tales are
excellent; the first in the hank is the best = het eerste in de
verzameling is het beste.
Hanker, haŋkə, hunkeren, verlangen: I felt a hankering after her = een
onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij.
Hank(e)y-Pank(e)y, haŋkipaŋki, subst. hocus-pocus: Hank(e)y-Pank(e)y
bloke = goochelaar.
Hanley, hanli.
Hanover, hanəvə; Hanoverian, hanəvîriən, subst. en adj.
Hannoveraan(sch).
Hansard, hansəd, koopman uit eene hanzestad; officiëel verslag van de
handelingen van het Parlement.
Hanse, hans, verbond, vereeniging: Hanse towns = hanzesteden en hun
verbond; Hanseatic, hansiatik, van de Hanzesteden: Hanseatic league =
hanzeverbond.
Hansom (cab), hans’m (kab), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit
achterop en de leidsels gaan over de kap heen).
Ha’n’t, Han’t, hânt, (Amer.) heint = Have not, Has not.
Hants, hants = Hampshire.
Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; Hap
verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; Haphazard = kans, gelukje,
toeval: I did it at haphazard = op den bof, op goed geluk af; Hapless =
ongelukkig, rampzalig; Haply = bij toeval, misschien.
Happen, hap’n, gebeuren: I happened to meet him = ik ontmoette hem
toevallig; As it happened I found him = toevallig vond ik hem; Just
happen in at my office to-morrow (Amer.) = wip morgen even aan; I
happened on it yesterday = trof (vond) toevallig; I have not seen the
happenings with my own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er
voorgevallen is.
Happiness, hapinəs, subst. v. Happy, hapi, gelukkig, voorspoedig,
verheugd, blij, handig, bekwaam: Happy man be his dole = moge het hem
goed gaan! Happy family = vreedzaam samenlevende menschen of kleine
dieren v. verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.);
Happy-mean, subst. het ware midden: The happy-mean man = de man van ’t
ware midden; Happy-go-lucky = onbezorgd, zorgeloos.
Harakiri, hârəkîri. Zie Harikiri.
Harangue. həraŋ, subst. redevoering, toespraak; Harangue verb.
toespreken, eene rede houden; Haranguer.
Harass, harəs, kwellen, vermoeien, uitputten, onophoudelijk
verontrusten; subst. Harassment.
Harbinger, hâbinžə, subst. voorlooper, voorbode, kwartiermaker,
fourier; Harbinger verb. voorafgaan als bode, aankondigen.
Harbour, hâbə, subst. schuilplaats, haven, herberg, woning; Harbour
verb. herbergen, een schuilplaats verleenen, voeden, koesteren;
Harbour-dues = havengeld; Harbour-light; Harbour-master = havenmeester;
Harbour-watch = ankerwacht; Harbourage = toevlucht, onderkomen;
Harbourless.
Harcourt, hâköt.