Haematin, he(hî)mətin, haematine; Haemorrhage, heməridž, bloeding,

bloed(uit)storting; Haemorrhoids, hemərôidz, aambeien.

Haffle, haf’l, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken, uitvluchten

maken.

Hafiz, hâfiz.

Haft, haft, subst. handvat, hecht, heft, woning (Schotl.); Haft verb.

in een heft zetten, van een heft voorzien; zich vestigen.

Hag, hag, subst. heks, tooverkol, furie; Hag verb. schrik aanjagen;

Hag-ridden = aan nachtmerrie lijdende; Hag-seed = heksengebroed;

Haggish = afschuwelijk, heksen...

Hagar, heigâ.

Haggard, hagəd, wild, ongetemd, verwilderd, bleek en vervallen.

Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met hart, lever en longen; een

Schotsche schotel van schapenlongen, hart en lever met uien, en gekookt

in eene schapenmaag.

Haggle, hag’l, knibbelen, afdingen; Haggler.

Hagiographa, hagiogrəfə, heidžiogrəfə, de boeken van het O. Testament

met uitzondering van de Mozaische en de Profeten; levensgeschiedenissen

der Heiligen; Hagiology, hagiolədži, heidžiolədži, geschiedenis der

Hagiographa; werk over de levens van (R.-K.) heiligen.

Hague (The), dhəheig, ’s-Gravenhage.

Hah, hâ, ha!

Ha-ha, hâhâ, hâhâ, opening in een tuinomheining met een droge sloot er

voor; ook die sloot zelf.

Haidarabad, haidərəbad; Haidee, haidî; Haigh, hei.

Hail, heil, subst. aanroep, welkomstgroet, bezoek; interj. heil! Hail

verb. begroeten, aanroepen, praaien, geboortig zijn van: He is within

(out of) hail = hij kan (niet) beroepen worden, is (niet) vlak bij de

hand, is binnen (buiten) het bereik van de stem; That man is

hail-fellow-well-met with all people = hij is een allemansvriend; The

ship was hailed by us = gepraaid; Where do you hail from = komt gij

vandaan (waaien)? This dictionary hails from America = is een

Amerikaansch voortbrengsel; They sang a Hail Mary! = een Ave Maria.

Hail, heil, hagel; Hail verb. (doen) hagelen; Hailshot = kartetsvuur;

Hailstone = hagelsteen; Hailstorm.

Hair, hêə, haar; ook adj.: It is my friend to a hair = op-en-top, tot

op een haar; Within a hair of = op een haar na; Let us not split hairs

= laten wij niet haarkloven, vitten, etc.; Not to turn a hair =

onbewogen blijven; Hairbreadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It

was a hairbreadth escape = wij brachten er nog net het leven af;

Hairbrush = haarborstel; Haircloth = (paarde)haren stof; Hairdresser =

kapper; Hair-dye; Hair-lace = haarlint; Hair-line = snoer van

paardenhaar, ophaallijn (in ’t schrijven); Hair-net = haarnetje;

Hair-oil = haarolie; Hair-pencil = fijn penseel; Hair-pin = haarspeld;

Hair-pointed = met fijne, teere punt; Hair-powder = haarpoeder (wit);

Hair-restorer = haargroeimiddel; Hair-shirt = haren kleed;

Hair-splitting subst. = haarklooverij; ook adj.; Hair-stroke =

ophaallijn (bij ’t schrijven); Hair-trigger = sneller (aan een

pistool); pistool daarvan voorzien; Hair-wash = haarwaschmiddel;

Hairiness = harigheid, behaardheid; Hairless; Hairy = behaard.

Haiti, heiti.

Hake, heik, dorsch (visch); vagebond, babbelkous.

Hakluyt, haklût; Hal, hal.

Halberd, halbəd, hôlbəd, holbəd, hellebaard; Halberdier, hal(hôl-,

hol-)bədîə, hellebaardier.

Halcyon, halsiən, subst. koningsvisscher, ijsvogel; kalmte, rust; adj.

kalm, rustig: That was in my Halcyon-days = dat was in mijn kalmen,

gelukkigen tijd.

Haldane, haldein.

Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: I am hale and hearty = frisch en

gezond; subst. Haleness.

Half, hâf, half; subst. helft: That’s not half bad = dat is lang niet

kwaad; He tore the letter in half = in tweeën; Half-and-half = subst.

mengsel van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj.

zonder pit, kwijnend; Halves: I will go you halves in a supper = ik sta

je de helft van; He cried halves, when I found the guilder = hij riep

“buit half”; Do nothing by halves = ten halve; Half-baked = halfgaar,

sullig; Half-baptism = nooddoop (bij Katholieken): The child was

half-baptized = ontving den nooddoop; Half-binding = half leeren band;

Half-blood = verwantschap van personen, die alleen een zelfden vader of

eene zelfde moeder hebben (halfbroeder, halfzuster); Half-blown = half

geopend; Half-bound = in halfleder gebonden; Half-bred = van gemengd

ras, onbeschaafd; Half-breed, subst. halfbloed; adj. van gekruist ras;

Half-brother = halfbroeder; Half-caste = halfbloed; Half-cock = de

stand van den haan, als hij half overgehaald is: To go off at Half-cock

= iets overijld doen, iets uitflappen; Half-crown = Eng. zilveren munt

van ƒ 1,50; Half-dead = half dood; Half-faced = “en profil”;

Half-hearted = lauw, onverschillig, weifelend; Half-holiday = vrije

middag; Half-length = kniestuk (portret); The ensign floated half-mast

high = woei halfstok; Half-part = half deel; Half-pay, subst.

nonactiviteitstractement; adj. op nonactiviteit; Halfpenny, heip’ni,

halve stuiver; Halfpennyworth = waarde van 2½ c.; Half-price = halve

prijs of verminderde prijs; Half-seas-over = half dronken,

aangeschoten; Half-sister = halfzuster; Half-starved = slecht gevoed,

half verhongerd; Half-sword = op de halve lengte van een zwaard: At

half-sword = handgemeen: Half-timer = een kind, dat de lagere school

slechts de verplichte vijf schooltijden per week bezoekt;

fabrieksarbeider, die slechts de helft van de uren werkt; Half-way =

halverwege: Half-way house = herberg; Half-witted = zwak van

denkvermogen, zielig, sukkelig; Half-yearly = zesmaandelijks(ch).

Halford, halfəd.

Halibut, halibɐt, holibɐt, heilbot; Halibutter = heilbotvisscher

(vaartuig).

Halifax, halifaks.

Halitus, halitɐs, adem of damp.

Hall, hôl, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, eetzaal

(universiteiten), maaltijd, gebouw, huis, vestibule: A hall = ruimte!

uitroep bij de oude gemask. optochten; Hall-mark = stempel, keur,

bewijs van echtheid; ook verb.

Hallam, haləm.

Halleluja, haləl(j)ûjə, subst. lofzang; Halleluja lass = vrouwelijke

heilsoldaat.

Halley, hali.

Halliard, haljəd. Zie Halyard.

Halliwell, haliwel.

Hallo(a), həlou, Halloo, həlû, Hallow, həlou, Hola! Allo! subst.

allogeroep; Hallo verb. luid roepen: Do not hallo before you are out of

the wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is.

Hallow, halou, heiligen, wijden; Hallowe’en, halou-în, halou-în, avond

voor Allerheiligen; Hallowmas(s) = Allerheiligen.

Hallucination, həl(j)ûsineiš’n, zinsbedrog, zinsbegoocheling; adj.

Hallucinatory.

Halm, hôm. Zie Haulm.

Halo, heilou, lichte kring om zon of maan, stralenkrans, heiligenkrans;

kring (Med.); Halo verb. met een krans omgeven.

Halt, hôlt, subst. stilstand (-staan), halt; het kreupel zijn,

kreupelheid, ziekte bij schapen; Halt verb. halt houden, halt roepen,

ophouden; kreupelen, mank gaan, aarzelen, dralen, gebrekkig zijn, te

kort schieten; adj. kreupel; interj. Halt! To call a halt = halt doen

houden; To make a short halt = even stoppen; They were halted in the

dusk = tot staan gebracht; Halting-place = stopplaats; Haltingly =

hinkend, langzaam, aarzelend.

Halter, hôltə, subst. halster, touw, strop; Halter verb. een halster

aandoen of er mede vastbinden.

Halve, hâv, (in tweeën) deelen. Zie Half.

Halyard, haljəd, val (scheepst.).

Ham, ham, knieboog of knieholte, dijbeen, schink; ham: Hams = billen.

Ham, ham, Cham; Hamite, hamait; Hamitic, həmitik, van de nakomelingen

van Cham of hunne taal.

Hamadryad, hamədraiəd, hamədraiəd, boomnimf.

Hame, heim, haam.

Hamiform, hamiföm, heimiföm, haakvormig.

Hamilton, hamilt’n.

Hamlet, hamlət, gehucht, dorpje.

Hammer, hamə, subst. hamer, haan; Hammer verb. hameren, slaan, smeden,

met moeite uitwerken, instampen (fig.): Hammer and tongs = met alle

kracht, met groot geweld; At hammer and tongs = op gespannen voet; To

bring to the hammer = onder den hamer brengen, publiek verkoopen; I’ll

be hammered if I do it = je mag op mij schieten als ik het doe; He is

always hammering at it = hij houdt vol, geeft het niet op; I have

hammered it out at last = ten laatste ben ik er achter, eindelijk

begrijp ik het; Hammer-axe = werktuig, aan de eene zijde hamer, aan de

andere bijl; Hammer-cloth = kleed over den bok van een rijtuig;

Hammerfish = hamervisch(-haai) = Hammer-head; Hammer-hard(en) = koud

metaal door hameren harden; Hammer-stone = splijthamer.

Hammock, hamək, hangmat; Hammock-chair = stoel met linnen zitting en

rug; Hammock-nettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden

geborgen; vinkennet of enternet.

Hamper, hampə, subst. grove sluitmand, kluister, boei, tuigage; Hamper

verb. in eene sluitmand doen, belemmeren, boeien, in de war brengen.

Hampshire, hampšə; Hampstead, hamsted; Hampton, hamt’n.

Hamshackle, hamša’kl, den kop (van os of paard) aan een der voorpooten

vastmaken, temmen, beteugelen.

Hamster, hamstə, hamster.

Hamstring, hamstriŋ, subst. kniepees; Hamstring verb. verlammen door

het doorsnijden der kniepees (of staartspier bij een walvisch).

Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling,

bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider,

matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der spelers, vijf (van

een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; Hand verb. overhandigen,

aangeven, vastmaken, geleiden, helpen, overleveren: To be a clever hand

at = knap zijn in; An old hand = een ervaren, gewikst persoon; His hand

was against everybody = hij was in opstand tegen ieder; My hands are

clean = ik ben onschuldig; I have come out of this business with clean

hands = ik ben eerlijk gebleven; Hands across! = handen over elkaar; He

won the race hands down = op zijn doode gemak; Hands off! = handen

thuis! niet aankomen; Hands up! = geeft u over! It was a

hand-to-hand-fight = gevecht van man tegen man; They are hand-and-glove

(= hand in glove) with = koek en ei, op intiemen voet; My brother is on

the mending hand = aan de betere hand; My sword was at hand = bij de

hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your hand(s) = van

u; The time was at hand = op handen; The horse is hot at hand (heavy on

hand) = moeielijk te regeeren; I bought it at first (second) hand = uit

de eerste (tweede) hand; She came out at the right hand = kwam er goed

af; The child was brought up by hand = met kunstmatig voedsel; He sent

his reply by hand = met een bode; Take him by the hand = aan uwe hand,

onder uwe hoede; To go from hand to hand = van den een tot den ander;

Hand to mouth = armelijk, pover; From hand to mouth = voor

onmiddellijke behoefte; To live from hand to mouth = van de hand in den

tand; Hand over fist = Hand over hand = hand over hand, langzamerhand;

snel; They go hand in hand = zij houden het samen, helpen elkander; Our

men are in good heart and thoroughly in hand = en onder volkomen

discipline; We have the matter in hand = hebben ... onder handen;

Payment in hand = contante betaling; This horse is light in hand =

gemakkelijk te regeeren; The matter was taken in hand by him =

aangepakt, ondernomen; He was taken in hand by the judge = onder handen

genomen; They carried their lives in their hands = stelden hun leven

bloot; Each found the life of his hand deed het werk, dat zijne hand

vond om te doen; We have no stock on hand = geen voorraad voorhanden;

Case on hand; waiting instructions = collie aanwezig; verzoeke

verzendingsinstructies; He did it out of hand = dadelijk, onmiddellijk;

Out of hand = klaar, af; He has got out of hand = is buiten den band

geraakt; He went up the ladder hand over hand = door telkens de eene

hand boven de andere te brengen; You will find everything to your hand

here = alles klaar, in gereedheid; Your favour (note) came duly to hand

= uwe geëerde letteren heb ik in orde ontvangen; I saw an instrument

under the minister’s hand = een door den minister geteekend stuk; He

asked (gave) the hand of his cousin = vroeg om (schonk) de hand van

zijne nicht; Bear a hand there = help eens een handje; This house has

changed hands five times in three years; They forced the hands of the

government = zij zetten ... naar hun hand; He wanted to get his hand in

= aan slag (aan den gang) komen, zich inwerken; To give a hand with =

een handje helpen met; I have a free hand now = de handen vrij; He had

a hand in the game = hij had er de hand in; You must have your hands

full = volop werk hebben; de handen vol hebben met; He holds hands with

the best authors = kan wedijveren met; Let us join hands, Join hands in

hand = eendrachtig samenwerken; To join hands with = de hand reiken

aan; The two armies joined hands = vereenigden zich; One must keep

one’s hand in = men moet het onderhouden, zich blijven oefenen; The

police have laid hands on him = heeft hem te pakken; Lend a (helping)

hand, old boy = zeg vriend, help eens een handje; I will not put my

hand to that deed = mijn hand niet zetten onder; He could set his hand

to every kind of work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake

hands = elkander de hand drukken (= shake each other by the hand); You

don’t show me your hand for nothing = je laat me niet voor niemendal in

je spel kijken; To hand a sail = vastmaken; To hand about = rondgeven;

To hand down = aangeven, overleveren: This story was handed down from

my ancestors = is van mijne voorouders afkomstig; To hand in = helpen

(in een rijtuig), inleveren; He handed it over to me = overhandigde het

mij; She was handed over to her old enemies = overgeleverd aan;

Hand-bag = valies; Hand-barrow = (draag)berrie; kruiwagen; Hand-ball =

gummibal aan spuit; Hand-bell = tafelbel; Hand-bill = snoeimes;

affiche, schuldbewijs; Handbook = handboek; Hand-brace = drilboor;

Handbreadth = handbreedte; Hand-cart = handkar; Hand-clasp = handdruk;

Hand-cuff, subst. handboei; Hand-cuff verb. de handboeien aanleggen;

Hand-dog = Andiron; Hand-drop = handverlamming; Hand-gallop = korte

galop; Hand-glass = handspiegel, glas over planten; Handgrasp =

handdruk; Handgrenade = handgranaat; Handgrip = greep: To come to

handgrips = handgemeen worden; Handkerchief = zakdoek, doek: To drop

the handkerchief = het teeken geven (oorspronkelijk door den persoon,

die gehangen werd); To throw the hand to = uitnoodigen; Hand-language =

vingertaal; Hand-lead = klein peillood; Hand-loom = weefgetouw;

Hand-maid(en) = vrouwelijke bediende, dienares; Hand-mill = handmolen;

Hand-organ = draaiorgel; Hand-paper = papier (met eene hand als

watermerk); Hand-painted = uit de hand geschilderd; Hand-press =

handpers; Hand-promise = plechtige verloving, die slechts met

toestemming van beide partijen ophoudt; Hand-rail(ing) = leuning;

Hand-sail = klein zeil; Hand-saw = handzaag: He knows a hawk from a

hand-saw = hij heeft zijn weetje; Hand-screw = dommekracht; Hand-shake

= handdruk; Handspike = handspaak, koevoet; Handspring = sprong, soort

salto mortale: To chuck (throw, turn) handsprings; Handstrap = riem (in

een tramwagen); In a hand-turn = in een ommezientje; Hand’s turn =

hulp; Hand-writing = schrift; handschrift; Hander, handə, aanreiker,

overbrenger, klap: No handers was the motto of the schoolboys on strike

= “geen lichamelijke straf” was het motto v. de werkstakende

schooljongens; Handful = handvol; Handless = zonder handen; onhandig.

Handfast, handfâst, subst. greep, handvat, houvast, handslag, contract,

verbintenis; hechtenis; Handfast verb. verbinden, verloven, vereenigen,

vasthouden.

Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) bij

een wedstrijd; (fig.) nadeel; Handicap verb. vóórgeven, (fig.)

belemmeren, benadeelen, bezwaren: It is a handicap to a popular author

to have made a great book = het is een nadeel (nl. met het oog op zijne

volgende boeken); A handicap race = wedstrijd met vóórgift; Heavy

taxation handicaps a country = drukken een land (belemmeren het in

zijne vrije ontwikkeling); In this way we handicap our own producers as

compared with the foreigner = bezwaren we onze eigen producenten.

Handicraft, handikrâft, handenarbeid, werk van de handen;

Handicraft(s-man) = handwerksman.

Handiness, handinəs, handigheid, gemakkelijkheid, doelmatigheid.

Handiwork, handiwɐ̂k, handarbeid, kunstwerk, schepping.

Handle, hand’l, subst. handvatsel, “vat”, oor, gevest, enz.; Handle

verb. betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, gebruiken, leiden: He

has a handle to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will

give you a handle = ik zal u de gelegenheid verschaffen; He flew off

(at) the handle = hij werd driftig; He knows how to handle the matter =

weet de zaak aan te pakken; The guns were well handled = goed bediend;

Handling = hanteering, behandeling.

Handsel, hands’l, subst. handpenning, handgift, eerste verkoop,

geschenk, etc.; Handsel verb. een handpenning geven, handgeld geven.

Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim:

Handsome is, what handsome does = aan de vruchten kent men den boom; To

come down handsomely = over de brug komen, zich royaal betoonen.

Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: The book has found a

place on the handiest shelf of every student = staat voor het grijpen

bij; The children were playing at handy-dandy = de kinderen speelden:

“Ra, ra, in welke hand?”; Handyman = helper, handlanger.

Hang, haŋ, subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting; Hang

verb. hangen, ophangen, behangen: He has got the hang of it (Amer.) =

hij is er volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; The

general hang of the work is disappointing = gang, richting; He hangs

about her = maakt veel werk van haar, is altijd om en bij haar; Many

boys were hanging about the stables = hielden zich op bij de stallen;

Do not hang back = krabbel niet terug, doe het niet met tegenzin; He

hung down his head = liet hangen; All the hearers hang on his lips =

hangen aan; The thing was hung on by the eyelids = was er slechts even

of onvoldoende mee verbonden; He hangs on his party as faithfully as

may be expected = hij kleeft zijne partij aan; Where do you hang out =

waar woont gij, hangt gij uit?; All the flags were hung out =

uitgestoken; I hang over to that opinion = hel naar die meening over;

They hang together like burs = hangen als klissen aan elkander; The

matter was hung up = bleef onbeslist; Be hanged to ’em = laten ze naar

den duivel loopen; The suit hung = het proces werd gerekt, uitgesteld;

To hang fire = niet dadelijk afgaan, besluiteloos zijn, op zich laten

wachten, niet willen gelukken; Time hangs heavy on my hands, hangs

heavy to-day = valt mij lang; We have been hanging in doubt = in

onzekerheid verkeerd; Men have hanged for less than this = kregen den

strop; Hang-dog = galgebrok, schurk: A hang-dog look = een

armezondaarsgezicht, -blik; Hangman = beul; Hang-nail = nijdnagel;

Hang-nest = hangend nest; Hang-net = hangnet; Hanger = hangstuk, haak,

ophanger, hartsvanger, korte sabel; woud of boschje (langs eene

heuvelhelling); Hanger-on = aanhanger, afhangeling, klaplooper;

Hanging, subst. het hangen of ophangen, vertoon; behang, wandtapijt,

adj. steil, den dood verdienend, strafbaar met den dood: That is a

hanging-affair = eene halszaak; Hanging-clause = bepaling, met wier

niet-nakoming het leven gemoeid is; Hanging-garden = hangende tuin;

Hanging-guard = verdedigende houding met een sabel; Hanging judge =

rechter, die het doodvonnis uitspreekt; Hanging-shelf = boekenhanger.

Hangar, haŋgâ, hangar.

Hank, haŋk, subst. streng (garen, zijde, etc.); neiging, lust; greep,

macht; Hank verb. tot strengen vormen, krachtig aanhalen: His tales are

excellent; the first in the hank is the best = het eerste in de

verzameling is het beste.

Hanker, haŋkə, hunkeren, verlangen: I felt a hankering after her = een

onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij.

Hank(e)y-Pank(e)y, haŋkipaŋki, subst. hocus-pocus: Hank(e)y-Pank(e)y

bloke = goochelaar.

Hanley, hanli.

Hanover, hanəvə; Hanoverian, hanəvîriən, subst. en adj.

Hannoveraan(sch).

Hansard, hansəd, koopman uit eene hanzestad; officiëel verslag van de

handelingen van het Parlement.

Hanse, hans, verbond, vereeniging: Hanse towns = hanzesteden en hun

verbond; Hanseatic, hansiatik, van de Hanzesteden: Hanseatic league =

hanzeverbond.

Hansom (cab), hans’m (kab), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit

achterop en de leidsels gaan over de kap heen).

Ha’n’t, Han’t, hânt, (Amer.) heint = Have not, Has not.

Hants, hants = Hampshire.

Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; Hap

verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; Haphazard = kans, gelukje,

toeval: I did it at haphazard = op den bof, op goed geluk af; Hapless =

ongelukkig, rampzalig; Haply = bij toeval, misschien.

Happen, hap’n, gebeuren: I happened to meet him = ik ontmoette hem

toevallig; As it happened I found him = toevallig vond ik hem; Just

happen in at my office to-morrow (Amer.) = wip morgen even aan; I

happened on it yesterday = trof (vond) toevallig; I have not seen the

happenings with my own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er

voorgevallen is.

Happiness, hapinəs, subst. v. Happy, hapi, gelukkig, voorspoedig,

verheugd, blij, handig, bekwaam: Happy man be his dole = moge het hem

goed gaan! Happy family = vreedzaam samenlevende menschen of kleine

dieren v. verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.);

Happy-mean, subst. het ware midden: The happy-mean man = de man van ’t

ware midden; Happy-go-lucky = onbezorgd, zorgeloos.

Harakiri, hârəkîri. Zie Harikiri.

Harangue. həraŋ, subst. redevoering, toespraak; Harangue verb.

toespreken, eene rede houden; Haranguer.

Harass, harəs, kwellen, vermoeien, uitputten, onophoudelijk

verontrusten; subst. Harassment.

Harbinger, hâbinžə, subst. voorlooper, voorbode, kwartiermaker,

fourier; Harbinger verb. voorafgaan als bode, aankondigen.

Harbour, hâbə, subst. schuilplaats, haven, herberg, woning; Harbour

verb. herbergen, een schuilplaats verleenen, voeden, koesteren;

Harbour-dues = havengeld; Harbour-light; Harbour-master = havenmeester;

Harbour-watch = ankerwacht; Harbourage = toevlucht, onderkomen;

Harbourless.

Harcourt, hâköt.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 55 / 152 段