van meel, gruis, ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed; Grit verb.
knarsen, krassen, wrijven: They had not grit enough to do it = geen
flink heid; Her father is full of grit and go = is een kranige,
vooruitstrevende kerel = There is grit in him; All Americans of the
true grit = van de echte (energieke) soort; I gritted my teeth;
Grit-stone = grof soort v. zandsteen; Grittiness, subst. van Gritty =
gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.): A gritty novel
= pittige roman.
Grizzle, griz’l, grauwe kleur; Grizzle verb. grijs worden (maken);
Grizzled = grijs, grauw, geschimmeld.
Grizzly, grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer: I will send you a
skin, if I have any luck with the grizzlies = als ik succes heb op
mijne berenjacht; Grizzly-bear = N. Amer. beer.
Groan, groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen
gevend); Groan verb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt
worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).
Groat, grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid: Not worth a
groat.
Groats, grouts, grutten.
Grocer, grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier; Groceries =
kruidenierswaren; Grocery = kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).
Grog, grog, grog; Grog-blossom = roode neus of gezicht; Grog-fight =
zuipen; Grog-shop = kroeg = Groggery (Amer.); Grogginess, subst. v.
Groggy = dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).
Grogram, grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.
Groin, grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf; Groined.
Gromet, gromət, grɐmət, strop: Gromet of an oar = krans (van touwwerk).
Groom, grûm, subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige
hofofficianten; Groom verb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen,
enz.): Groom of the stole = opperkamerheer; He was well groomed and
trimly clad = zag er zeer verzorgd uit; Groomsman = bruidsjonker.
Groove, grûv, groef, voor, levensloop, sleur; Groove verb. groeven of
voren maken: He had got into the groove of that kind of life = was
gewoon geraakt aan; Teaching tends to fall into grooves = wordt
gemakkelijk sleurwerk; A groove in teaching is fatal = sleur bij het
onderwijs is noodlottig.
Grope, group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden
(ook met back), in den blinde rondtasten: She had been walking in
grope-light towards a precipice = tastende (in het donker).
Gros, grou, zware zijden, stof (Gros de Naples); oud Fransch
muntstukje.
Gross, grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat,
gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa,
geheel, hoofdbestanddeel: In the gross = in ’t algemeen, bij de roes,
en gros, bruto; Gross-headed = met een dikkop; dom, stomp; Gross-weight
= brutogewicht; Grossness = dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid,
ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.
Grossulaceous, grosiuleišəs, Grossular, grosiulə, tot de kruisbessen
behoorend; subst. groene granaat.
Grosvenor, grouvənə.
Grotesque, grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst.
grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst.
Grotesqueness.
Grotius, groušəs, Hugo de Groot.
Grotto, grotou, subst. grot, hol; Grotto-work = kunstmatig grotwerk.
Ground, graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste
bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied,
grondtoon; P. Imperf. en P.P. van to grind; Ground verb. op of in den
grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten,
onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (Ground arms),
aan den grond of vast raken (schepen): Ground glass = matglas; Grounds
= tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop,
koffiedik, grondkleur: The grounds will be cleared at ten = de tuin of
het park wordt om 10 uur ontruimd; We have broken ground already = wij
hebben al een begin gemaakt; He has cut the ground from under my feet =
hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid; He changed his ground
= veranderde van positie, methode, etc.; The plan has fallen to the
ground = is in duigen gevallen; We have gained ground = wij hebben
succes gehad, zijn vooruit gekomen; That idea seems to gain ground =
schijnt veld te winnen, algemeen te worden; They have lost ground = zij
zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren; Our troops bravely
stood their ground = hielden moedig stand; Ground-angling = visschen
met grondangel; Ground-ash = esschescheut(-stek); Ground-bailiff =
mijnopzichter; Ground-bait = vischaas; Ground-bridge = brug van houten
dwarsliggers door een moeras (Amer.; Zie Corduroy-road); Ground-floor =
benedenverdieping; Ground-ice = grondijs; Ground-ivy = hondsdraf;
Ground-oak = eikenloot; Ground-plan = platte grond; Ground-plate =
raam, grond-(fundatie), plaat, zool; Ground-plot = bouwterrein, platte
grond; Ground-rent = grondrente; Ground-sea, Ground-swell = grondzee;
Ground-tackle = ankertouwen, -kettingen; Ground-tier = benedenloges (in
een theater); Groundwork = grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte
(van iets); Grounded: Well grounded = goed onderlegd; Groundless =
ongegrond: subst. Groundness; Groundling = kleine modderkruiper,
bermpje: The Groundlings = parterrebezoekers, het plebs.
Groundage, graundidž, liggeld (v. schepen).
Groundsel, graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie = Groundsill,
graundsil.
Group, grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie);
Group verb. groepeeren.
Grouse, graus, korhoen (Black grouse); sneeuwhoen (Red grouse); Grouse
verb. schieten op grouse; huiveren, morren.
Grout, graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk; Grout ale =
soort bier; Grouts = grutten (brij); droesem; Grouty, grauti, norsch,
verdrietig.
Grove, grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.): Image of the grove, zie
2 Kon. XXI, 7.
Grovel, grov’l, (op de aarde) kruipen (ook fig.); liederlijk zijn;
Groveller = kruiper, ploert.
Grow, grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen,
aankleven, kweeken, voortbrengen: The leaf grows out of the stem = komt
voort uit; He grew up to manhood = bereikte den mannelijken leeftijd;
The book grows upon the reader = des lezers belangstelling in het boek
neemt bij het lezen toe; Drinking will grow upon a man = de gewoonte
van drinken wordt gewoonlijk sterker; He grows a moustache = laat zijn
snor staan; They have grown together = zijn volkomen één geworden;
Grower = verbouwer: Slow growers = langzaam groeiende boomen; Growing
weather = groeizaam weer; Growing-ups = aankomende jongelui; Grown =
gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld: A full-grown man = volwassen
man; Over half-grown = meer dan half volwassen; Two thirds grown; When
you are grown = groot; The ground was grown over with weeds = bedekt
met onkruid; Growth = groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel,
oorsprong: Wines of good growth; Of one’s own growth = zelf gekweekt.
Growl, graul, subst. geknor, gebrom, geklaag; Growl verb. brommen,
snauwen, knorren; Growler = brompot; rammelkast; Growlery =
studeerkamertje.
Grub, grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en
slordig persoon, voedsel; Grub verb. (op)graven, uitgraven, ploeteren;
blokken, schransen, voeren: He knelt down a grub, and rose a butterfly
= toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een
ridder; An intermediate grub between sycophant and oppressor = een
nieteling tusschen vleier en tiran; In grub = druk aan ’t werk; He is
fond of his grub = hij houdt veel van eten; Grub and bub = eten en
drinken; Grubber = schranser, blokker, schoffel; Grubbery =
volksgaarkeuken; Money grubbing = geldschrapend; Grubbing-axe
(Grub-hoe) = schoffel; Grubby = onzindelijk, vuil, versleten,
dwergachtig.
Grub Street, grɐbstrît, subst. de tegenwoordige Milton Street (in
Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook:
nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig,
nietswaardig.
Grudge, grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst; Grudge verb. wrok koesteren,
onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien,
aanmerkingen maken op: He bears me a grudge = heeft een wrok tegen mij;
I owe you a grudge for doing this = ik ben boos op je, datje...; He
grudges himself nothing = ontzegt zich niets; He grudges me the light
of my eyes = hij gunt mij ... niet; Grudger = afgunstige, brompot;
Grudgingly = ongaarne.
Gruel, grûəl, gruwel of pap: I have given him his gruel = ik heb hem
zijn vet gegeven; Take your gruel like a man = houd je taai.
Gruesome, grûs’m. Zie Grewsome.
Gruff, grɐf, norsch, barsch, ruw; Gruffish; subst. Gruffness.
Grugru, grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.
Grum, grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.
Grumble, grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (Grumbles =
ontevreden aard): He had a grumble to himself = mopperde in zichzelf;
Grumbler = knorrepot, brompot = Grumbletonian; Grumbly = knorrig.
Grummet, grɐmət = Gromet.
Grumous, grûməs, geklonterd, geronnen; subst. Grumousness.
Grumpiness, grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid;
adj. Grumpish, Grumpy.
Grundel, grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.
Grundy, grɐndi: Mrs. Grundy = de kritiseerende kwaadsprekende wereld:
What will Mrs. Grundy say? = wat zal de wereld er wel van zeggen?
Grunt, grɐnt, subst. geknor; Grunt verb. knorren, brieschen, klagen,
brommen; Grunter = varken; Gruntling = jong varken.
Grysbok, graisbok, Zuid-Afr. antilope.
Guaniferous, gwânifərɐs, guano opleverend; Guano, gwânou, gjuanou,
subst. guano; Guano verb. met guano bemesten.
Guarantee, gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid; Guarantee verb.
waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor: This guarantees you in the
possession of your property = waarborgt u; Guarantor, gar’ntə, gar’ntö,
borg; Guaranty, gar’ntî; Zie Guarantee.
Guard, gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of
diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer
(ankle-guard), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm
(Guards = garde in het leger); Guard verb. bewaken, behoeden,
beschermen, zich hoeden: I am off my guard = ben niet op mijn hoede; Be
(stand) on your guard = wees op uw hoede; He kept guard over me =
bewaakte mij; The soldiers mounted guard = betrokken de wacht; He put
me on my guard = waarschuwde mij; He threw me off my guard = hij wiegde
me in slaap, verschalkte me; To relieve the guard = de wacht aflossen;
The advanced guard had to defend the bridge = de voorhoede moest de
brug verdedigen; You must guard against mistakes = gij moet oppassen
voor fouten; Guard-boat = wachtboot; Guard-house = wachthuis;
Guard-room = wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal; Guard-ship
= wachtschip; Guardsman, gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de
garde; Guarded(ly) = omzichtig; Guardian, gâdj’n, voogd, opziener,
bewaarder, geleider: Guardians of the poor = armvoogden; Guardian-angel
= beschermengel; Guardianship = voogdij.
Guatemala, gwâtəmâla, gôtəmâla; Guayana, gwaiâna.
Gude-wife, gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).
Gudgeon, gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel,
lokaas; adj. dom.
Guebre, Gueber, gîbə, geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.
Guelders, geldəz, Guelderland, geldəland, Gelderland.
Guelf, Guelph, gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale
partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z. Ghibelline); Guelfic =
tot de Guelfen behoorende; Guelfic-order = ridderorde voor het oude
Hannover (in 1815 ingevoerd).
Guerdon, gɐ̂d’n, belooning.
Guer(r)illa, gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.
Guernsey, gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.
Guess, ges, subst. gis, gissing; Guess verb. gissen, onderstellen,
raden: He gave a guess at it = hij raadde er naar; I’ll give you a
hundred guesses, and you won’t be on it = ik zet het je het te raden; I
guess = ik geloof, ik denk (Amer.); He guessed at it = hij raadde er
naar; Guess-work = gissing, onderstelling.
Guest, gest, gast, logeergast; Guest-chamber.
Guffaw, gəfô, subst. luide lach; Guffaw verb. brullen (van lachen).
Guggle, gɐg’l. Zie Gurgle.
Guiana, giâna.
Guidable, gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar; Guidance, gaid’ns, geleide,
richting, bestuur; Guide, gaid, subst. gids, geleider, bestuurder,
regulateur, reisgids; Guide verb. geleiden, besturen, leiden:
Guide-board = wegwijzer; Guide-book = reisgids; Guide-post = wijspaal,
wegwijzer; Guider = leider (Zie ook: Guidon).
Guidon, gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.
Guild, gild, gilde, vereeniging: Guild-brother = gildebroeder;
Guild-hall = gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert;
Guilder = gulden (Nederl.); Guildry = gilde (Schotl.).
Guildenstern, gildənstɐ̂n; Guildford, gilfəd.
Guile, gail, bedrog, list, valschheid; Guileful = arglistig; subst.
Guilefulness; Guileless = argeloos; subst. Guilelessness.
Guillotine, gilətîn, subst. guillotine; Guillotine verb. gilətîn,
guillotineeren.
Guills, gilz, gele ganzebloem.
Guilt, gilt, schuld, misdaad; Guiltiness = schuld, strafbaarheid;
Guiltless = onschuldig, onschadelijk; subst. Guiltlessness; Guilty =
schuldig: He was guilty of that theft = schuldig aan; He looked
guilty-like = hij zag er uit, alsof hij schuldig was.
Guinea, gini, subst. guinje (= 21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als
rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea; Guinea-corn = doerrah;
panikkoorn; Guinea-fowl = paarlhoen; Guinea-grains = paradijskorrels;
Guinea-pepper = Spaansche peper; Guinea-pig = Guineesch biggetje;
waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen
en oorspronkelijk een guinea als presentiegeld ontving.
Guinevere, gwinəv(î)ə, Ginevra.
Guise, gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier: In the guise (light)
of = bij wijze van.
Guitar, gitâ, guitaar.
Gulch, gɐlš, diep ravijn (Amer.).
Gulden, guld’n, Oostenrijksche florijn.
Gules, gjûlz, rood, keel (Herald.).
Gulf, gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste
nummer op de lijst der geslaagden bij het Mathem. Tripos (Camb.): There
is a great gulf fixed between the two; Gulf-stream = golfstroom.
Gull, gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals; Gull
verb. bedriegen, beetnemen; Gull-catcher = bedrieger, kwartjesvinder;
Gullible = gemakkelijk beet te nemen; subst. Gullibility.
Gullet, gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).
Gully, gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail; Gully verb. met geraas
stroomen; Gully-hole = rioolgat.
Gulp, gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking; Gulp
verb. met groote teugen inzwelgen, slokken: He gulped up what he had
taken = braakte uit; They are a brace of gulpings = stelletje
drinkebroers.
Gum, gɐm, subst. tandvleesch; gom; Gum verb. met gom bestrijken of
vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.): Gum arabic = Arab. gom; Gumboil
= zweertje op het tandvleesch; Gum elastic = caoutchouc; Gum-rash =
hittepuistjes; Gumsuck = bedriegen (Amer.); Gumsucker = jonge
Australiër van Europ. afkomst; Gum-trees = soorten v. Eucalyptus en
Acacia; Gumminess, subst. v. Gummy = gomachtig, kleverig, gom
bevattend; Gummy! = jeminé! That is gummy = bijna ongeloofelijk, en
toch waar.
Gump, gɐmp, sul, dwaze kerel.
Gumption, gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid; The boys had to write a
gumption paper = opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen;
Gumptionless = dom; Gumptious, gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.
Gun, gɐn, subst. geweer, kanon; Gun verb. schieten, jagen: He is a big
gun = invloedrijk persoon, groote hans; Son of a gun = pierewaaier
(humor.), lammeling; It is as sure as a gun = zoo zeker als 2 × 2; The
guns were brought to bear on the enemy’s ships = werden gericht; To
blow great guns = stormen; We spiked their guns = vernagelden; They
stood to their guns = bleven standvastig (het geschut bedienen);
Gun-barrel = loop van een kanon of geweer; Gun-battery = batterij (van
kanonnen); Gunboat = kanonneerboot; Gun-carriage = affuit; Gun-cotton =
schietkatoen; Gun-fire = uur van het morgen- en avondschot; Gun-foundry
= gieterij; Gun-metal = geschutmetaal; Gunpowder = buskruit; fijne
groene thee: The Gunpowder Plot = samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de
Parlementshuizen in de lucht te doen springen; Gun-rack =
geweerrek(-rak); Gun-reach = kanon- of geweerschotsafstand: He is
within gun-reach = op kanon- of geweerschotsafstand (ook: Gun-shot) =
hij is onder schot; Gun-rod = laadstok; Gun-room = verblijf der
cadetten aan boord van een oorlogschip; Gun-shot = geweer- of
kanonschot, de afstand van een kanon of geweer; Gunsmith = geweermaker;
Gunsmithery = geweermakerskunst, -vak; Gun-stock = geweerlade;
Gun-tackle = geschuttalie; Gunned: Heavily gunned = met zwaar geschut;
Guner = artillerist, kanonier; Guner’s ladle = laadlepel; Gunnery =
artillerie wetenschap; Gunnery-lieutenant = luitenant die, na een
Gunnery-course op een Gunnery-ship te hebben bijgewoond, in het bezit
is van een warrant daarvan.
Gunnel, gɐn’l, dolboord; schansnet aan boord van een oorlogschip.
Gunn(e)y, gɐni, grof zaklinnen.
Gunter’s chain, gɐntəztšein, landmetersketen v. ± 20,11 M.
Gunwale, gɐn’l (Zie Gunnel).
Gurgle, gɐ̂g’l, subst. geklok, gorgeldrank, gemurmel; Gurgle verb.
klokken, gorgelen, murmelen: The delicious gurg-gurgling from our
bronze fountain = geklater; A gurglet of water = waterbron.
Gurgoyle; Zie Gargoyle.
Gurnard, gɐ̂nəd, kleine poon; spinvisch.
Gush, gɐš, subst. krachtige stroom, uitstrooming, uitbarsting,
overdreven taal of gevoel; Gush verb. krachtig (uit)stroomen, snel en
mild vloeien, overdreven en sentimenteel zijn: His conversation came in
gushes = van tijd tot tijd barstte hij eens los; All this is not gush,
it is the honest truth = dit is volstrekt niet overdreven of onwaar;
She gushed about Liszt = sprak (schreef) overdreven bewonderend over
L.; I am not a gusher, but I must tell you how much I like you = ben
geen overdreven gevoelsmensch; She was conceited and gushing = en dwaas
sentimenteel (overdreven).
Gusset, gɐsət, geer, inzetsel, inlegsel.
Gust, gɐst, windruk, vlaag, uitbarsting; smaak, lust, neiging;
Gustation, gəsteiš’n, het proeven of genieten; Gustative, Gustatory,
gɐstətori, smaak ..., proef ...: Gustatory nerve = smaakzenuw; Gusto,
gɐstou, smaak, genot; Gusty = stormachtig, winderig, woest.
Gustavus, gɐsteivəs.
Gut, gɐt, subst. darm, snaar, nauwte; Gut verb. ontweien, uithalen,
leegplunderen, uitbranden; Guts = ingewanden, buik, maag: Greedy guts =
vreetzak; Gut-scraper = vedelaar; Gut-string = snaar.
Gutta, gɐtə, druppel (vooral in samenstellingen); Guttapercha =
guttapercha.
Guttate(d), gɐtit (gɐtiteitid), gespikkeld.
Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; Gutter verb. geulen maken,
goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen;
Gutter-press = de vuile, onzedelijke pers; Gutter-snipe, Gutter-snippet
= verwaarloosd kind, voddenraper; Gutter-spawned = verachtelijk en
onzedelijk.
Guttiferous, gɐtifərɐs, gom opleverend.
Guttiform, gɐtiföm, druppelvormig.
Guttle, gɐt’l, verzwelgen, inslokken (down).
Guttural, gɐtər’l, subst. keelletter, keelklank; adj. tot de keel
behoorende; Gutturalize = met keelklank uitspreken; Gutturalness =
keelklankachtige aard; Gutturize, gɐtəraiz, in de keel vormen.
Guy, gai, Guy; topreep (scheepst.), vogelverschrikker, leelijke
fantastische pop (ter herinnering aan Guy Fawkes en het Gunpowder
Plot); voorwendsel; Guy verb. met een touw (onder het ophijschen)
vasthouden; uitsnijden, belachelijk maken: He did a guy and bolted =
hij wendde iets voor (b.v. dat hij noodzakelijk weg moest); He was
guyed unmercifully = hij werd ongenadig uitgelachen; Guy-rope =
topreep, tenttouw.
Guyon, gaiən.
Guzzle, gɐz’l, snel drinken, zuipen; subst. sterke drank; Guzzler =
zuiplap.
Gwynn, gwin.
Gymkhana, džimkânə, een soort wedrennen, waarbij aan de deelnemers
bovendien allerlei grappige verplichtingen worden opgelegd (een draad
door een naald steken, een meegebrachte som eerst uitrekenen, etc.);
ook adj.
Gymnasium, džimneiž’m, worstelplaats, gymnastiekschool, gymnasium:
Gymnasium belts = gordels.
Gymnast, džimnast, gymnastiekonderwijzer, gymnast; Gymnastics,
džimnastiks, athletische oefening, gymnastiek; Gymnastic apparatus
(costume, exercise, hall, society).
Gymnotus, džimnoutəs, sidderaal = Gymnotus electricus.
Gynaecological, džainikəlodžik’l (džinikəlodžik’l), gynaecologisch;
Gynaecologist = gynaecoloog; Gynaecology = gynaecologie.
Gyp, džip, oppasser (bij studenten).
Gypseous, džipsiəs, gipsachtig; Gypsum, džips’m, gips.
Gyrate, džaireit, omwentelen, ronddraaien; adj. džairit, kringvormig;
subst. Gyration: Centre of gyration = draaipunt; Gyratory = draaiend;
Gyre = kring, omwenteling.
Gyrfalcon, džɐ̂fôk’n, giervalk.
Gyroscope, džairəskoup, gyroscoop.
Gyve, džaiv, ketenen, boeien; subst. Gyves = (voet)boeien.
H.
H, eitš; Hamps(hire) = Hants; H(is of Her) B(ritannic) M(ajesty);
Heb(rews); Hert(ford)s(hire); Hhd = Hogshead(s); Hist(ory); H(er)
M(ajesty’s) S(ervice); Hon(ourable); H. P. = halfpay, horse-power; H(is
of Her) R(oyal) H(ighness); Hung(ary); Hund(red); Hunt(ingdon)s(hire);
Hypoth(esis).
Ha, hâ, subst. ha! uitroep van verbazing of vreugde; Ha verb. verbazing
uitdrukken; blijven steken: He hummed and ha’ed, before he replied =
stotterde, haperde; He was an enemy to beating about the bush, humming
and ha’ing = hield niet van er om heen te praten en ‘ha’ te zeggen; His
manner is very ‘ha-ha’ = hij doet altijd zeer verbaasd.
Habeas corpus, heibiəsköpəs: Writ of habeas corpus = bevelschrift om
een gevangene ter onderzoeking voor te brengen, met opgave van dag en
reden zijner arrestatie en gevangenhouding.
Haberdasher, habədašə, winkelier in garen en band, passement en
nouveautés; Haberdashery = garen en band, enz.
Haberdine, habədin, habədîn, labberdaan.
Habergeon, həbɐ̂dž’n. Zie Hauberk.
Habiliment, həbiliment, kleeding, kleed (gewoonlijk Habiliments).
Habit, habit, subst. gewoonte, neiging, hebbelijkheid, persoonlijk
aanwensel; kleeding, kleedij, rijkleed; habitus, houding, uiterlijk;
Habit verb. kleeden: To be in (To get into) the habit of swearing =
gewoon zijn (zich aanwennen); By habit = uit gewoonte; Habit-shirt =
chemisette (v. amazones); Habited = gekleed.
Habitability, habitəbiliti, bewoonbaarheid; adj. Habitable; Habitant,
habit’nt, bewoner; Habitat, habitat, natuurlijke woonplaats (of
groeiplaats) voor dier (of plant); Habitation, habiteiš’n, bewoning,
woning; loge van de Primrose League (eene staatkundige, conservatieve
partij in Engeland).
Habitual, həbitjuəl, gewoonlijk, voortdurend, gewoonte: Habitual
drunkard = dronkaard; Habituate, həbitjueit, gewennen; Habitude,
habitjûd, gewoonte, hebbelijkheid.
Hacienda, asiendə, hacienda, fabriek, mijn, landgoed.
Hack, hak, subst. houw, snede, kerf; huurpaard, jacht(rij)paard;
broodschrijver, rek (om visch te drogen), stapel steenen (om te
drogen), mestvork, ruif; Hack verb. hakken, houwen, radbraken, kuchen,
als hack gebruiken, zich weggooien; adj. huur - -, versleten;
Hack-in-chief = hoofdredacteur (spottend); A hacking cough = droge
kuchhoest.
Hackee, hakî, gestreept Amerikaansch eekhorentje.
Hackery, hakəri, tweewielige ossenwagen in Brit. Indië.
Hackle, hak’l, subst. hekel, ruwe zijde, nek- of rugveer van een haan,
kunstvlieg (als aas); Hackle verb. hekelen, een candidaat aan den tand
voelen; vaneenscheuren; Hackler = hekel.
Hackney, hakni, subst. rijpaard, huurpaard, werkpaard, huurrijtuig,
duivelstoejager, huurling; adj. verhuurd, alledaagsch, afgezaagd: To
make a hackney of = verslijten, bederven; Hackney-carriage,
Hackney-coach = huurrijtuig, huurkoets; Hackney-coachman = koetsier van
een huurrijtuig.
Haddock, hadək, schelvisch.
Hade, heid, subst. steile ingang van eene mijn; Hade verb. hellen (van
mijnaderen).
Hades, heidîz, schimmenrijk.
Hadji, hadžî, hadji.