as gossamer; adj. Gossamery.
Gosse, gos.
Gossip, gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar; Gossip
verb. babbelen, leuteren; Gossip-monger = wauwelaar; Gossiper; adj.
Gossipy = praatziek, prettig keuvelend.
Gossoon, gosûn, jongen, knecht.
Got, got, imp. en part. perf. van to get.
Goth, goth, Goth, barbaar; Gothic = Gothisch, onbeschaafd; subst.
Gothisch, Gothiek; Gothicism; Gothicize = Gothisch maken; Gothland.
Gothamist, go(u)thəmist, bewoner v. Gotham in Nottinghamshire (ongeveer
als Kampen of Bœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).
Gothard (St.), s’ntgothəd, St-Gothard.
Gouge, gaudž, gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger
(Amer.); Gouge verb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen,
bedriegen; Gouge-slip = staal om beitels of gutsen te slijpen; Gouger.
Gough, gof; Gould, gûld.
Gourd, gûəd, waterflesch of karaf, pompoen; Gourdiness = gezwel,
stijfheid; Gourdy = gezwollen (van paardepooten).
Gourmand, gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.
Gout, gaut, jicht, droppel; Gouty = jichtig, gezwollen.
Gout, gû, smaak.
Govern, gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren; Governable =
bestuurbaar, volgzaam; subst. Governableness; Governess, gɐvənəs,
subst. gouvernante; Govern verb. gouvernante zijn: That pleases me
better than governessing = dan voor gouvernante te spelen; Government =
bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj.
Governmental; Governor = bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”,
regulateur (in stoommachines); Governorship.
Gowan, gauən, madeliefje (Schotl.).
Gower, gauə, gôə.
Gown, gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene
universiteit: Town and gown = studenten en professoren tegenover de
stedelingen; Band and gown = toga en bef; Morninggown- = morgenjapon;
Nightgown = nachtjapon; Gown-boys = leerlingen, die met kost, inwoning
en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten; Gown(s)man =
getabberde, student; burger.
Gozzard, gosəd, ganzenhoeder, verbastering van Goose-herd.
Grab, grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië; Grab verb.
grijpen (naar = at), pakken, vatten; Grabble = grabbelen, tasten,
spartelen.
Grace, greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid,
titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene
Eng. hoogeschool), gebed aan tafel; Grace verb. begunstigen, versieren,
vereeren: They said grace = zij baden, dankten; He did it with a bad
grace, with (a) good grace = onvriendelijk, vriendelijk, gepast; You
might have the grace to offer me something = kon wel eens zoo
vriendelijk zijn; Days of grace = loopdagen, respijtdagen; We had but
ten minutes’ grace = ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan; He
was in her good graces = bij haar in de gunst; The Graces = de (drie)
Gratiën; In the year of grace 1894 = in het jaar onzes Heeren 1894;
Graceful = bevallig; subst. Gracefulness; Graceless = onbevallig,
verdorven, brutaal, lomp; subst. Gracelessness; Gracious, greišəs,
genadig, gunstig; Good(ness) gracious = genadige goedheid, goeie hemel!
subst. Graciousness.
Gracile, gras(a)il, dun, slank.
Gradation, grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj.
Gradational; Gradatories, gradətəriz, subst. trap van uit een klooster
naar eene kerk; Gradatory = geregeld opklimmend.
Grade, greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een
weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken:
These roads are at grade = waterpas, op dezelfde hoogte; Gradely,
greidli, gepast, voegzaam.
Gradient, greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj.
trapsgewijze, geleidelijk.
Gradual, gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. een response
gezongen na het epistle, gradueel of graduale.
Graduate, gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren;
promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst. gradjuit, iemand met acad.
graad; adj. = Graduated: Graduated income-tax = progressieve
inkomstenbelasting; These lessons are carefully graduated to the
children’s powers = deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend
voor de krachten der jeugdige leerlingen; Graduation, gradjueiš’n,
geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene
vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping); Graduator,
gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.
Gradus, greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig. Gradus ad
Parnassum).
Graft, grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.); Graft
verb. enten; zwoegen; Grafting-knife; Grafting-wax.
Graham bread, greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe; Grahamite =
vegetariër.
Grail, greil, (Heilige) Graal.
Grain, grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch),
weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork,
harpoen; Grain verb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk): He has
no grain of sense = geen greintje verstand; He has a grain of allowance
= hij krijgt maar een bitter beetje; Against the grain = tegen den
draad in; It goes against the grain with me = het stuit mij tegen de
borst; First they rubbed the old man against his grain, and then
smoothed him down again = eerst maakten zij den ouden man kwaad; That
is dyed in grain = in de wol geverfd; He is a rogue in grain =
doortrapte schurk; Grains = afgewerkte mout: Grains of Paradise
Paradijskorrels; Grain shipments = korenladingen; Grained = ruw,
korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven); Grainer = schilder
(die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog,
looiersmes; Graining = looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk;
Grain-staff, stâf, stok met vorkvormige uiteinden; Grainy = vol graan,
korrels of pitten.
Gram, gram, keker; gram.
Gramercy, grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!
Graminaceous, gramineišəs, grasachtig; Graminivorous, graminivərɐs,
grasetend.
Grammar, gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik; Grammar-school =
gymnasium, Latijnsche school; Grammarian, grəmêriən, taalkundige;
Grammatical, grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.
Gramme, gram, gram (= 15,432 troy grains).
Gramophone, graməfoun, gramophoon.
Grampian, grampiən: The Grampians = Grampian Hills, Mountains.
Grampus, grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.
Granada, granâdə.
Granary, granəri, korenschuur, korenzolder.
Grand, grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig:
They do the grand at our expense = zij hangen den heer uit; Grand total
= algemeen totaal; Grand-aunt = oud-tante; Grandchild = kleinkind;
Granddaughter = kleindochter; Grand-duke = groothertog; Grandfather =
grootvader; Grandfather’s clock = ouderwetsche staanklok; Grand-juror =
lid van de Grand-jury = de jury, die onderzoekt of er reden is dat de
beschuldigde door de petty jury verhoord word; Grand-master =
grootmeester; Grandmother = grootmoeder; Grand-nephew = achterneef;
Grand-niece = achternicht; Grand-seignior = (oude) titel van den Sultan
van Turkije; Grand-stand = groote tribune (bij een wedstrijd);
Grandsire = grootvader, voorvader; Grandson = kleinzoon; Grand-uncle =
oudoom; Grand-vizier = grootvizier of eerste minister in Turkije;
Grandam, grandəm, grootmoeder, oude vrouw; Grandee, grandî, grande
(Spaansch edelman); Grande-garde, grandgâd, het deel der wapenrusting,
dat den linkerschouder en de borst beschermt; Grandeur, grandjə,
grootschheid, pracht, verhevenheid; Grandiloquent, grandiləkwent,
Grandiloquous, grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen,
snoevend; Grandiose, grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en
indrukwekkend; subst. Grandiosity = Grandness.
Grange, greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten,
heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.); Grangers = Polit.
Agrariërs (Amer.).
Grangerize, greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit
andere boeken vandaan gehaald.
Graniferous, grənifərɐs, graandragend; Graniform, graniföm, korrelig
(als graan); Granivorous, grənivərɐs, graanetend.
Granite, granit, graniet; adj. Granitic.
Granny, grani, grootje; ook: Grannam, gran’m.
Grant, grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming,
overdracht; Grant verb. geven, schenken, toegeven, toestaan,
toestemmen, overdragen: There will be a grant as prayed = de eisch zal
toegewezen worden; I claim a grant of letters of administration = ik
eisch, dat er een administrateur worde benoemd; God grant him success =
God geve, dat hij slage; Let us grant it for argument’s sake = laten
wij het voor een oogenblik aannemen; To grant a flavour to = een
aangenamen geur (smaak) verleenen aan; I beg your pardon; Granted = ik
vraag u excuus; gij hebt het; I take it for granted = ik houd het voor
bewezen, uitgemaakt; Granted you are right = toegegeven, dat;
Grants-in-aid = hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij
werkstakingen; Grantable = inwilligbaar, overdraagbaar; Grantee,
grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen;
concessionaris; Granter = die toestaat of overdraagt; Grantor, grântə,
grantö, die iets overdraagt of afstaat.
Grantham, grant’m.
Granular, granjulə, korrelachtig, korrelig; Granulate, granjuleit,
granuleeren; greineeren; korrelig worden; Granule, granjûl, korreltje;
Granulous, granjulɐs, vol korrels.
Granville, granvil.
Grape, greip, druif; Grapes = gezwel (op paardenhiel); Grape-shot =
schroot; Grape-sugar = druivensuiker; Grape-stone = druivenpit;
Grape-vine = wijndruif; Grapery = druivenkweekerij (-kas).
Graphic(al), grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk; Graphology,
grəfolədži, graphologie; Graphometer, grəfomətə, graphometer;
Graphophone = klankschrijver.
Graphite, grafait, graphiet.
Grapnel, grapn’l, dreg; klein anker.
Grapple, grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een
strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak; Grapple verb.
aanklampen, vastgrijpen, vechten; Grapplement = worsteling van man
tegen man; Grappling-iron = enterhaak.
Grapy, greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven,
druiven...
Grasp, grâsp, subst. greep, houvast, bereik; Grasp verb. vasthouden,
grijpen, vatten, bezit nemen: He did not grasp the situation = begreep
niet; All grasp all lose = wie het onderste uit de kan wil hebben,
krijgt het lid op den neus; Grasper = grijpijzer; hebzuchtige, inhalig
persoon; Grasping = inhalig.
Grass, grâs, subst. gras; Grass verb. met gras of zoden bedekken,
bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land
werpen: We are at grass = vrij, kunnen in de wei loopen, zijn
weggestuurd; To go to grass = doodgaan; in de wei loopen (fig.); Go to
grass = ruk uit! The horses were put to (taken (in) to) grass = werden
in de wei gedaan; To send to grass = neerslaan; What made him have his
horse up from grass = waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan?
He never lets the grass grow under his feet = laat er nooit gras over
groeien, pakt flink en dadelijk aan; While the grass grows, the steed
starves = met hopen en verlangen alleen komt men er niet; Grass-blade =
grassprietje; Grass-cloth = graslinnen; Grass-green, subst. graskleur;
adj. grasgroen; Grass-grown = met gras begroeid; Grass-hand =
(nood)letterzetter; Grass-hopper = sprinkhaan; Grass-plot = grasveld;
Grass-widow = onbestorven weduwe; ongehuwde moeder; Grassy = met gras
bedekt, groen.
Grate, greit, subst. rooster, haard, traliewerk; Grate verb. van
rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven,
plagen, kwellen, krassen, knarsen: It grates upon my ears = het doet
mijne ooren pijn; Grater, greitə, rasp; Grating, greitiŋ, subst.
traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.
Grateful, greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst.
Gratefulness.
Gratian, greiš’n, Gratianus; Gratiano, greišiânou.
Gratification, gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging; Gratify,
gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn:
That must be very gratifying to you = daarmede moet gij wel ingenomen
zijn.
Gratis, greitis, gratis.
Gratitude, gratitjûd, dankbaarheid.
Gratuitous, grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond;
subst. Gratuitousness; Gratuity, grətjûiti, fooitje, vrije gift,
douceurtje.
Gratulate, gratjuleit; Gratulation; Gratulatory. Zie Congratulate.
Gravamen, grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.
Grave, greiv, subst. graf; Grave verb. graveeren, beitelen;
Grave-clothes, greiv-kloudhz, lijkwade; Grave-digger, Grave-maker =
doodgraver; Grave-mound = grafheuvel; Grave-stone = grafsteen;
Grave-yard = kerkhof; Graveless = onbegraven; Graven = gesneden,
gegraveerd; Graver, greivə, graveur, graveerstift.
Grave, greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst.
Graveness.
Grave, greiv, schoonmaken van den bodem van een schip; Graving-dock =
droogdok.
Gravel, grav’l, subst. kiezel; graveel; Gravel verb. met kiezel(zand)
bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken:
The editor was Gravelled for matter = de redacteur was verlegen om
copie; Gravel-pit = kiezelkuil; Gravel-walk = kiezelpad, grintpad.
Gravelin(e), gravəlîn, Grevelingen; Gravesend, greivzend.
Gravid, gravid, zwanger.
Gravitate, graviteit, (aan)getrokken worden, neigen: He is gravitating
towards conservatism = helt over, voelt zich aangetrokken tot;
Gravitation = zwaartekracht; Gravity, graviti, zwaarte, gewicht,
belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of
aantrekkingskracht: Specific gravity = soortelijk gewicht; Centre of
gravity = zwaartepunt.
Gravy, greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).
Gray, grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont,
das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister; Graybeard = grijsaard;
steenen kruik (Schotl.); Gray-fly = paardenvlieg; Gray-friar =
Franciskaner monnik; Gray-mare = schimmel; bazin, driedekker (eene
vrouw, die de broek aan heeft).
Grayling, greiliŋ, vlagzalm.
Graze, greiz, subst. schaafje of schram(metje); Graze verb. schaven,
strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden
met; Grazer = grazend dier; Grazier, greižə, vetweider.
Grease, grîs, subst. vet, smeer, kanen; Grease verb. grîz, grîs,
(be)smeren, olieën, omkoopen: In the grease = ongezuiverd; We shall let
him stew in his own grease = in zijn eigen vet laten gaarkoken:
Grease-box; Grease-man (= Greaser, grîzə) = smeerder; smeerlap;
scheldn. v. een Mexicaan (Amer.); Grease-pot = vetpot; smeerpoes;
Greasiness, subst. v. Greasy = vettig, besmeerd, vuil, mistig,
modderig, zalvend.
Great, greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste,
dik, gezwollen, enz.: We bought them by the great = wij kochten ze in
de massa; A great deal = zeer veel; A great many = vele; A great while
= sedert lang; Great-coat = overjas; Great-go of Greats = examen voor
de B.A. graad; Great-grand-aunt = overoudtante; Great-grandfather =
overgrootvader; Great-grandson = achterkleinzoon; Great-hearted =
dapper, grootmoedig; He rides the great horse = hij zit op zijn paardje
(fig.); Great seal = grootzegel; Great Spirit = naam van het Opperwezen
bij de Indianen; Greatness = grootheid, enz.
Greaves, grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.
Grecian, grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse in
Christ’s Hospital (Londen); adj. Grieksch; Grecianize, grîšənaiz,
vergriekschen; Grecism, grîsizm, Grieksch idioom; Grecize, grîsaiz, in
het Grieksch vertalen, vergriekschen.
Gre(e)be, grîb, fuut.
Greece, grîs, Griekenland.
Greed, grîd, hebzucht, begeerigheid = Greediness; adj. Greedy =
begeerig, schrokkig: Greedy of honour = eerzuchtig; Greedy-gut =
schrokker, slokop.
Greek, grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch;
Greek met Greek = twee Joden weten wat een bril kost; Greek Church = de
Grieksche kerk; Greek cross = kruis met vier gelijke armen; Greek fire
= Grieksch vuur; Greek orders = de Dorische, Ionische en Korintische
bouwstijl.
Green, grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong,
onervaren, sullig, onnoozel; Greens = groenten; Green verb. groen maken
of worden: Do you see any green in my eye = zie ik er zoo onnoozel uit?
On the green side of fifty = onder de 50 jaar; Greenback = Amer.
bankbiljet; Green cloth = speeltafel: Board of green cloth = een soort
van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart; Green-coloured =
bleek, ziekelijk; Green-crop = groenteoogst; Green-eyed = groenoogig;
ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig: The green-eyed monster = de
jaloerschheid; Greenhand = nieuweling; Green-finch = groenling,
vlasvink; Green-fly = groene vlieg; bladluis; Greenfoil; zie Foil:
Green foil smalls = groenkleurige korte broek; Greengage = reine
claude, groene pruim; Greengrocer = handelaar in groenten; Greenhorn =
nieuweling, sul; Greenhouse = oranjerie, broeikas; Greenland(er) =
Groenland(er); Green-room = kamer voor de niet optredende acteurs;
Greensickness = bleekzucht; Green-stall = groentenstalletje;
Green-sward = grasveld; Greenwood = woud in den zomer; Greenery,
grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden;
Greenhood = onrijpheid, onervarenheid; Greenish = groenachtig; groen
(fig.); Greenness = groenheid, jeugd, onervarenheid; Greeny = Greenish.
Greenwich, grînidž.
Greet, grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen
(Schotl.); Greeting = groet.
Gregarious, grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst.
Gregariousness.
Gregorian, grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek);
Gregory, gregəri, Gregorius.
Grein, grîn.
Gremial, grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek
(die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop,
als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen,
op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.
Gremio, grîmiou, gremiou.
Grenada, grəneidə.
Grenade, grəneid, granaat; Grenadier, grenədîə, grenadier.
Grenadine, grenədîn, grenədin, grenadine.
Gresham, grešəm; Greville, grevil.
Grew, grû, imperf. van To grow.
Grewel, grûəl, straffen, verslaan.
Grewsome, grûs’m, ijselijk, leelijk.
Grey, grei, grijs (Zie Gray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel;
Grey verb. grijs maken of worden; The grey mare = vrouw, die de broek
aan heeft; The Greys = Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden
alle schimmels zijn = Scots Greys); Grey-bird = lijster; Grey-hound =
hazewind; snelvarende stoomboot (= Ocean grey-hound); Greyish =
grijsachtig; Greyness = grijsheid.
Grice, grais, speenvarken, jonge das.
Griddle, grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef; Griddle-cake = soort
pannekoek (Amer.).
Gride, graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.
Gridiron, gridaiən, rooster; vlag der U. S.; Gridiron-pendulum =
compensatieslinger.
Grief, grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging: The bridge
has come to grief = is zeer bouwvallig; He came to grief = het liep
verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het
liep slecht met hem af; He came to grief over this obstacle = deze
hinderpaal brak hem den nek; Grievance, grîv’ns, grief, bezwaar; leed,
kommer: Grief-monger = eeuwige mopperaar, brompot; Grieve, grîv,
bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren: To be grieved at = betreuren,
treuren over; Grievous, grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen,
betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst. Grievousness.
Griffe, grif, kind van een neger en eene mulattin.
Griffin, grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in
Indië is gekomen).
Griffith, grifith.
Griffon, grifən, affenpinscher.
Grig, grig, krekeitje; smelt: As merry as a grig = zoo vroolijk als een
vogeltje, erg gezellig.
Grill, gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch; Grill
verb. roosteren, braden (ook fig.); Grill-room = soort “lunchroom”,
restaurant.
Grillage, grilidž, roosterwerk (als fundeering).
Grille, gril, traliewerk.
Grilse, grils, jonge zalm (tweede jaar).
Grim, grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst.
Grimness.
Grimace, grimeis, grijns; Grimace verb. grijnzen.
Grimalkin, grimalkin, grimôlkin, oude kat.
Grime, graim, subst. vuil, roet; Grime verb. bevuilen; Grimy = vuil.
Grimm’s law, grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.
Grin, grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val; Grin verb.
grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen: To grin and bear it
= zich goed houden.
Grind, graind, subst. het malen, blokken, ploeteren; Grind verb. malen,
slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen,
drillen (voor een examen), blokken: It is a frightful grind = een
verschrikkelijke toer; A man cannot be always on the grind = kan niet
altijd ingespannen wezen; He ground the faces of the poor = onderdrukte
de armen (Jesaja III, 15); Do not grind your teeth = knars niet met de
tanden; The employer ground us down = buitte ons uit; Two numbers have
been ground off the wheel = twee nummers (van het tijdschrift) zijn
afgewerkt; Grindstone, graindstoun of grin(d)stən, slijpsteen: He has
kept his nose to the grindstone = heeft zich afgebeuld; I have been
tied to the grindstone during the last weeks = door veel werk erg
gebonden geweest; Grinder = onderdrukker, maler, maaltand, kies,
repetitor, blokker: He took a grinder = bracht zijn linkerduim aan zijn
neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide
(als om te zeggen: ik maal er wat om); Grindery = slijperij;
schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan; Grinding = nijpend: Grinding
poverty.
Grip, grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam
voor influenza in Amerika; Grip verb. grijpen, goed vasthouden,
droogleggen, greppels graven: He had a feeble grip of my idea = begreep
mij maar half; Take a good grip on that = onthoud dat goed; Grip-sack =
reis of knapzak (Amer.) Gripper = gierigaard; Gripple, grip’l, subst.
greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.
Gripe, graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt,
knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek; Gripe verb. grijpen,
goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek
veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind
liggen; Gripes = koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen; He
felt griping pains in the belly = ondragelijke buikpijn; Griper,
graipə, afperser, onderdrukker.
Griqualand, grîkwəland, in Zuid-Afrika.
Griselda, griseldə, Grissel, gris’l, Griselda.
Griseous, grisiəs, grauw, grijsachtig.
Grisette, grizet, grisette.
Grisliness, grizlinəs, gruwelijkheid; Grisly, grizli, akelig,
vreeselijk, afschuwelijk; Zie Grizzly.
Grison grais’n, kleine veelvraat (soort marter).
Grisons (The), dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.
Grist, grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad: Such things bring
grist to his mill = zulke zaken brengen hem voordeel aan; That’s grist
to his mill = koren op zijn molen; Grist-mill = korenmolen.
Gristle, gris’l, kraakbeen: In the gristle = jong en weerloos; Gristly
= kraakbeenachtig.