subst.: All is not gold that glitters = ’t is al geen goud wat er
blinkt.
Gloam, gloum, schemeren; terneergeslagen of somber zijn; Gloaming,
subst. avondschemering: Gloaming of life = levensavond.
Gloat, glout (on), aanstaren vol begeerte of duivelsche vreugde, met
een waar tijgergenoegen neerzien op; zich verkneuteren in de pijn van.
Globate, gloubit, bolvormig.
Globe, gloub, subst. bol, bal, aarde, wereld, globe (terrestrial globe
= aard ... en celestial globe = hemel ...), ballon (van de lamp); Globe
verb. (zich) tot een bal vormen; Globe-daisy = kogelbloem =
Globe-flower; Globe-trotter = iemand, die de geheele wereld afreist;
Globe-trotting = het afreizen van de wereld; Globe-valve = balklep;
Globose, gləbous, gloubous, Globular, globjulə, bolvormig: Globular
sailing (Zie Circular); Globule, globjûl, bolletje, kleine
homoeopatische pil; celletje.
Globulin(e), globjulin, globuline, eiwitachtige stof in de bloed
bolletjes.
Glomerate, glomereit, tot een bal of kluwen vormen = Glomerous,
glomərɐs.
Gloom, glûm, subst. donkerheid, zware schaduw, somberheid, dofheid,
droefgeestigheid, moedeloosheid; Gloom verb. somber of donker worden of
schijnen, schemeren, betrekken (met wolken), fronsen, bedroeven; Gloomy
= duister, somber, zwaarmoedig, neerslachtig.
Gloria, glôriə, lof, heerlijkheid: Gloria Patri = lof zij den Vader;
Gloria in excelcis Deo = lof zij den Heer in den hoogen; Gloried,
glôrid, doorluchtig, roemrijk; Glorification = verheerlijking; Glorify
= verheffen, verheerlijken; Gloriole, glôrioul, stralenkrans, nimbus.
Glorious, glôriəs, doorluchtig, roemrijk, heerlijk, prachtig;
lachwekkend; Glory, glôri, subst. roem, lof, bewondering, heerlijkheid,
(hemelsche) zaligheid, roemzucht, trots, snorkerij, nimbus; Glory verb.
roem dragen op: He was the glory of his age = de roem van zijn tijd; He
glories in his ignorance = draagt roem op.
Glose, glous; Zie Gloze.
Gloss, glos, subst. glans, luister; Gloss verb. glanzend en schitterend
maken, verfraaien, verbloemen: To remove the gloss = ontglanzen; I will
gloss over your shortcomings = vergoelijken, door de vingers zien;
Glossiness = glans, glanzigheid; Glossy = glanzig.
Gloss, glos, glos, glosse, verklarende kantteekening; Gloss verb.
glosseeren, glossen maken; Glossarial, glosêriəl, glossen betreffend;
Glossarist = verklaarder; Glossary = glossarium.
Glossic, glosik, stelsel v. phonetische spelling (v. Ellis).
Glossitis, glosaitis, tongontsteking.
Glossography, glosogrəfi, het maken van een glossarium; verhandeling
over de tong.
Glossolalia, glosəleiliə, Glossolaly, glosoləli, het spreken in vreemde
talen (Bijb.).
Glossology, glosolədži, uitlegging van woorden; vergelijkende
taalwetenschap.
Gloster, glostə, Gloucester (kaas).
Glottal, glot’l, stemspleet...; Glottis, glotis, stemspleet.
Glottology, glotolədži. Zie Glossology.
Gloucester, glostə, Gl. (kaas); Gloucestershire, glostəšə.
Glove, glɐv, subst. handschoen, bokshandschoen; Glove verb. (als) met
een handschoen bedekken: Berlin glove = wollen handschoen; They are
hand and (in) glove = koek en ei; He threw down the glove and I took it
up = hij wierp mij den handschoen toe en ik nam hem op; Glove-fight =
vuistgevecht, bokspartij; Glove-shop = handschoenenwinkel;
Glove-stretcher = handschoenrekker; Glover = handschoenmaker: He got it
with the aid of a glover = door kruiwagens (fig.).
Glow, glou, subst. gloed, gloeihitte, helderheid, vuur, hitte,
roodheid; Glow verb. gloeien, fonkelen, schitteren, rood zijn, vol vuur
en opgewektheid zijn: He is glowing with patriotic feeling = gloeit
van; Glow-lamp = electr. gloeilamp; Glow-worm = glimworm.
Glower, glauə, nijdig en dreigend staren (at).
Gloze, glouz, vleitaal, schijn; Gloze verb. een vernisje geven,
vergoelijken (over).
Glucic, glûsik: Glucic acid = glucinzuur; Glucose, glûkous,
druivensuiker.
Glue, glû, subst. lijm; Glue verb. lijmen, vasthechten: To move at the
rate of a fly in a Glue-pot; Gluey = kleverig.
Glum, glɐm, adj. norsch, somber: There is no Sabbath glumness at these
meetings = geen uitgestreken gezichten.
Glume, glûm, dop, kaf, bolster.
Glut, glɐt, subst. overkroptheid, groote overvloed, al te groote
voorraad; Glut verb. schrokken, kroppen, overladen, overvoeren,
voldoen, verzadigen: He glutted his eyes = hij weidde zijne oogen; To
glut one’s revenge = zijn wraak koelen; Glutman = nood- of extra hulp
bij veel werk.
Gluten, glût’n, gluten.
Glutin, glûtin, eiwitachtig bestanddeel van gluten.
Glutinous, glûtinɐs, lijmachtig, kleverig; subst. Glutinousness.
Glutton, glɐt’n, subst. gulzigaard; veelvraat (dier); Gluttonous =
gulzig; Gluttony = vraatzucht, gulzigheid.
Glycerin(e), glisərin, glycerine.
Glyph, glif, loodrechte holte of gleuf (in zuilen, b.v.); Glyphic,
glifik. Zie Hieroglyphic.
Glyptics, gliptiks, glyptiek, graveerkunst in steen; Glyptograph,
gliptəgraf, graveering op edelsteen; Glyptographer.
Gnar, nâ, knorren, brommen.
Gnarl, nâl, subst. knoest; snauw, grauw; Gnarl verb. snauwen, grauwen;
Gnarled, nâld, vol knoesten; korzelig, grommig = Gnarly.
Gnash, naš, knarsen: To gnash one’s teeth.
Gnat, nat, mug: To strain at (beter: out) a gnat and swallow a camel =
eene mug uitzijgen en een kameel doorzwelgen; Gnat-strainer =
muggenzifter; Gnat-worm = larve van eene mug.
Gnaw, nô, wegknagen, knabbelen, knagen, voortdurende pijn lijden;
Gnawer.
Gneiss, nais, gneis, zeker gesteente; Gneissic.
Gnome, noum, aardmannetje, kabouter; maxime, zinspreuk; Gnomic(al),
noumik(’l), nomik(’l), leerend, vol maximen.
Gnomon, noumon, gnomon, een soort van zonnewijzer; adj. Gnomonic,
nəmonik.
Gnosis, nousis, kennis, wetenschap; Gnostic, nostik, gnostisch; sluw,
wereldwijs; ook subst.; Gnosticism, nostisizm, gnosticisme.
Gnu, nû, njû, kleine antilope.
Go, gou, gaan, loopen, zich begeven, trekken, reizen, varen, vloeien,
in gang zijn, in omloop zijn, beschouwd worden als, leiden tot, zich
uitstrekken tot, zich bevinden, gelukken, van plan zijn, op het punt
zijn, zijn toevlucht nemen tot, handelen, zich schikken, verkocht
worden, waard zijn, voorhanden zijn, verloopen, ten einde loopen, enz.;
subst. gang, omstandigheid, zaak, mode, vuur, moed, poging, rondje,
dronk, glas, enz.: Goes of whisky = rondjes; I had a second go = werd
voor de tweede maal bediend; We had a go at the sherry = dronken eens;
I had a go at it = probeerde het eens; He has plenty of go in him =
veel energie, “fut”; Here’s a jolly go = dit is een mooie boel; That is
no go = dat is mis, gaat niet, geeft niets; That is the extreme of
no-goism = dat kan heelemaal niet; Such hats are all the go now =
draagt nu iedereen, zijn erg algemeen; I have given him the go-by = hem
gedaan gegeven, hem afgedankt; We gave the fortress the go-by = lieten
liggen, trokken haar voorbij; He was our go-between = hij was onze
bemiddelaar; Great go = het examen voor den B.A. graad (na 3 jar.
studie); Little go (= Responsions, Smalls) = een vóórexamen (na 2 jar.
studie); The book will go = zal bijval vinden, “gaan”; She went that
fatal voyage = ondernam; Pay as you go = betaal wat ge noodig hebt; She
let herself go after marriage = toonde haar waren aard; I made my money
go as far as I could = besteedde zoo nuttig mogelijk; It is rather
fair, as things go = het is naar omstandigheden nogal gunstig; She is a
good child as children go = vergelijkenderwijs is ze een goed kind; I
am gone = verloren, “er bij”; Far gone in liquor = erg dronken; Be gone
= maak, dat je weg komt, ruk uit; He is gone = weg; Get you gone = ruk
uit; go about your business = maak dat je weg komt; We have gone about
a long way = een heel eind omgeloopen; Everything goes against me =
alles loopt mij tegen; It goes against the stomach (grain) with me
(against my st., gr.) = stuit mij tegen de borst; Go along with you =
och loop; You will understand it as you go along = als gij maar volgt,
voortgaat; I have gone between them = ben als bemiddelaar tusschen hen
opgetreden; You have gone beyond me = mij bedrogen, mij overtroffen;
You went by me = zijt mij voorbijgegaan, hebt mij genegeerd; I go by my
own feelings = volg; The ship has gone down = is vergaan; The manoeuvre
which in the language of the prize-ring is known as going down to avoid
punishment = de manœuvre, die in sporttaal bekend staat als op de
knieën vallen om de slagen te ontduiken; That won’t go down with us =
dat wil er bij ons niet in, gaat bij ons niet op, dat slikken wij niet;
He went down with the public = viel in den smaak bij; The bread has
gone down (gone up) = het brood is afgeslagen (opgeslagen); Such things
go for nothing with me = tellen bij mij niet; I’ll go for him for
slander = zal hem wegens laster aanklagen; We went forth at 12 = wij
vertrokken om 12 uur; To go in = binnengaan, er op los gaan,
binnenkomen, aanheffen, smaak vinden in, weer aan ’t werk gaan,
aanpakken, beginnen met, opgaan voor (een examen), veel werk maken van;
I must go in for a new coat = ik moet aan eene nieuwe jas gelooven; I
will go in for it = ik zal er aan meedoen; He went in for a quiet
country-place = hij vestigde zich in (nam); This door goes into the
garden = komt op den tuin uit; The merchant went into the Gazette =
ging failliet; To go into particulars = in bijzonderheden afdalen; We
did not go into those matters = roerden niet aan; To go off one’s head
= verliezen; To go off the rails = derailleeren; He has gone off = hij
is heengegaan, gestorven; Things went off at high prices = de artikelen
werden voor hoogen prijs opgekocht; It has gone off very well = het is
heel goed gegaan; She is going off (in her looks) = zij wordt er niet
mooier op; The gun went off = geweer ging af; He succeeded at his first
go-off = eerste poging, eersten slag; He went on = ging door, voort,
“ging aan”, trad op (tooneel); Gone on a girl = verliefd op;
Comparisons never go on all fours = vergelijkingen gaan altijd mank;
She is going on for middle-age = komt al op middelb. leeftijd;
Ministers have gone out of office = hebben hunne portefeuilles
neergelegd; With her something seems to have gone out from my life =
door haar (vertrek, etc.) schijnt er iets aan mijn leven te ontbreken;
Her thoughts went out to tea (to him) = hare zinnen zetten zich op thee
(op hem); To go over = gaan over, dóórloopen, bezichtigen, overgaan
(kathol. worden); We have gone over this book together = dit boek
doorgewerkt, nagegaan; To be gone over a thing = zich ergens heel druk
over maken; We went through the accounts = rekenden af; We have gone
through much suffering = veel leeds geleden; Now that you have begun
you must go through with it = moet gij het ook doorzetten; Go to = och
loop! begin! ga door; He went to law = ging procedeeren; Two things go
to this = twee zaken zijn hiervoor noodig; He goes under that title =
is bekend onder; We will not go upon such principles = niet volgens die
beginselen handelen; What went with her is not known = wat met haar
gebeurde; This colour does not go with her bonnet = past niet bij haar
hoed; You will have to go without your dinner to-day = het zonder
middageten moeten stellen; To go abroad = naar het buitenland gaan; To
go ahead = vooruit gaan; To go aloft = naar boven (in het tuig) gaan;
To go astray = verdwalen, zondigen, den verkeerden weg opgaan; To go
bad = bederven; That does not go far enough = is niet toereikend; To go
the whole figure (the whole hog) = consequent doorzetten, volhouden; To
go halves = voor de helft staan; It will go hard with you = je zult het
hard te verduren hebben: het zal je veel moeite kosten; Go it, old boy
= raak hem, toe maar; They have been going it = zij zijn er van door
geweest; I will not go that length = zoover ga ik niet; He went greater
lengths than any of you = hij ging verder, durfde meer; To go mad
(crazy, white) = gek; Going strong? = gaat het goed; Go-between =
tusschenpersoon, bemiddelaar; Go-by: To give the go-by = uitsnijden;
ignoreeren; negeeren; The child is taught to walk by means of a go-cart
= loopwagentje (raamwerk zonder bodem op rolletjes); Go-down = pakhuis,
stapelplaats; Goer: This watch is a good goer = loopt goed; All comers
and goers = de gaande en komende man; Going = gaande, aan den gang,
goed loopend, voorhanden, in de mode; gang, weggaan: All the mothers
going = alle bestaande moeders; Going, going, gone! = eenmaal,
andermaal, ten derden male! Going-away dress = reistoilet van de bruid;
Goings = handelingen, levenswandel; Goings-on: You never saw such
goings-on = zoo iets heb je nooit gezien; To be going = op ’t punt
staan; I’m not going to tell him = ik zal wel oppassen; It is going on
for twelve = het loopt tegen; To keep going = aan den gang houden; To
set going = aan den gang brengen; Gone, gon, gôn, part, perf. van to
go: It is six gone = over zes; He is a gone man, A gone beaver, coon,
gander, goose, It’s a gone case (goose) with him = ’t staat er hopeloos
met hem voor, hij is er bij; Goneness = gevoel van zwakheid of
gedruktheid (Amer.).
Goad, goud, subst. prikkel (van ossendrijvers); Goad verb. prikkelen,
aanzetten, tot prikkel dienen: He was goaded into savageness = hij werd
geprikkeld tot hij een woesteling geleek; Goadsman, Goadster =
ossendrijver.
Goal, goul, begin- of eindpaal, doel, einde: To get a goal = een goal
maken.
Goat, gout, geit; Goat-foot = bokspoot, satyr; Goat-herd =
geitenhoeder; Goat’s beard = moerasspiraea; Goat’s marjoram =
marjolein; Goat-carriage = bokkewagen; Goatskin, subst. en adj.
geitenvel, geitenleder; Goat-sucker = nachtzwaluw, geitenmelker;
Goatee, goutî, sik; Goatish = bok- of geitachtig, vuil riekend,
ontuchtig.
Gob, gob, mond(vol), beet, portie; Gobbet, gobət, subst. mondvol, brok,
stuk; Gobbet verb. met groote slokken of brokken verzwelgen.
Gobbing, gobiŋ, kolen- en steengruis.
Gobble, gob’l, subst. geklok; Gobble verb. gulzig slikken, klokken,
kakelen: Such excellent housekeepers are eagerly gobbled up by
bachelors = worden dadelijk ingepikt door; Gobbler = gulzigaard,
smulpaap, kalkoen.
Gobelin, gobəlin, gobelin; ook adj.
Goblet, goblət, drinkbeker.
Goblin, goblin, kabouter, spook, booze fee.
God, god, God: Come from God knew where; So help me God!
(eedsformulier); Would to God = God gave! The gods = (de lui van) het
“schellinkje” (in een schouwburg); Godchild = petekind; Goddaughter =
peetdochter; Godfather, subst. peetvader, peetoom; God verb. als
peetvader optreden; God-fearing = godvreezend, godsdienstig; In this
God-forgotten place; Godhead, Godhood = Godheid, goddelijkheid; God-man
= Godmensch; Godmother = petemoei; Godsend = meevallertje, geluk;
Godson = peetzoon; God’s-acre = godsakker, begraafplaats; God-speed: To
bid god-speed = goede reis wenschen; Godwit = griet; Goddess = godin;
Godless = goddeloos; subst. Godlessness; Godlike = goddelijk, vroom;
subst. Godlikeness; Godly = godvruchtig, vroom: The Godly = het volk
Gods (naam van de parlementsgezinden in den Eng. burgeroorlog van
1629–1640).
Godfrey, godfri, Godfried, Govert; Godiva, gədaivə, Godiva.
Goee-goee, gouî-gouî, luiaard, stumper.
Goffer, gofə. Zie Gauffer; Goffering, gofəriŋ, geplooid kantwerk.
Goggle, gog’l, met de oogen rollen, staren; adj. starend, uitpuilend;
subst. bril (tegen stof, scherp licht of scheel zien), oogkleppen (v.
paarden); Goggle-eye(d) = (met) uitpuilende oogen; gebrild; Goggle-eyed
spectacles = met groote, bolle glazen.
Goglet, goglət, (aarden) koelkan.
Goitre, (Amer.) Goiter, gôitə, kropgezwel; adj. Goitrous.
Golconda, golkondə, goudmijn, geldwinning.
Gold, gould, goud, rijkdom; hart van de schijf bij boogschieten; adj.
gouden: These words hit the gold with precision = slaan den spijker
juist op den kop; Gold-beater = goudpletter, goudbladmaker;
Gold-beater’s-skin = goudvlies; Gold-bound = in goud gezet of gevat;
Gold-cloth = goudlaken; Gold-digging = het graven naar goud; Gold-dust
= stofgoud; Gold-fever = manie voor goudzoeken; Gold-field =
gouddistrict, goudveld; Gold-finch = goudvink (ook fig.); Gold-fish =
goudkarper; Gold-foil = bladgoud; Gold-flower = vleugelnoot;
Gold-hammer = geelgors; Gold-lace = goudgalon; Gold-leaf = bladgoud;
Gold-smith(ry) = goudsmid(swerk); Gold-stick = hofceremoniemeester (met
gouden staf) in Engeland; Gold-thread = gouddraad (om zijde gewikkeld);
Gold-washer = goudwasscher; Gold-wire = gouddraad; Golden = goudachtig,
op goud gelijkend, goudkleurig, van goud, schitterend, van groote
waarde, gelukkig; Golden age = gouden eeuw; Golden cup = boterbloem;
Golden eagle = steenarend; Golden fleece = gulden vlies; Golden-mouthed
= welsprekend; Golden-number = guldengetal; Golden-rule = gulden regel,
regel van drieën; Golden-tressed = met goudgele lokken; Golding =
goudrenet; Goldney = goudvischje; Goldy = goudvink; Goldylocks,
gouldiloks, gulden boterbloem; huidvaren, haarmos, etc.
Golf, go(l)f, een soort van kolfspel; Golf verb. ’golf’ spelen;
Golf-club = kolf, golfclub; Golf-link = golfbaan.
Golgotha, golgətha, Golgotha, martelplaats.
Goliath, gəlaiəth, Goliath: Goliath beetle = groote kever (in de
Tropen).
Golly, goli, gossie: Golly, how they shrieked = gossie, wat schreeuwden
ze!
Gollywog, goliwog, een potsierlijk opgekleede pop, met opengespalkte
oogen, een haarbos en vaak een zwart gezicht.
Goloe-shoe, gəloušû, (elastieken) overschoen = Golosh(e).
Gombeen, gombîn, Iersch woekeraar.
Gomuti, Gomuto, gəmûti, gəmûtou, arengpalm; de zwarte vezels daarvan.
Gondola, gondələ, gondel, platboomde vrachtboot; perronwagen (Amer.);
Gondolier, gondəlîə, gondelier.
Goneril, gonəril.
Gonfalon, gonfəlon, Gonfanon = lansvaantje; kerkbanier.
Gong, goŋ, gong (een tambourijnvormig metalen instrument waarop met een
omwoelden stok wordt geslagen, en dat in vele Engelsche huizen in
plaats van de etensbel wordt gebruikt); heimelijk gemak; Gong-punch.
Zie Bell-punch (Amerik.).
Goniometer, gouniomətə, goniometer; Goniometry, gouniomətri,
goniometrie.
Good, gud, goed, zoet, geschikt, vroom, aanzienlijk, juist, getrouw;
subst. het goed(e), voordeel, welzijn, genot, nut, goede hoedanigheden:
It’s no good = geeft niet(s); What’s the good of it = waartoe dient
het? For the good of the house = ten voordeele van den landheer; For
good (and all) = voor goed, volkomen; Goods = goederen, waren,
materiaal: Goods and chattels = have en goed; Goods shed =
goederenloods; Goods train = goederentrein; Ill-gotten goods seldom
prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Five shillings to the
good = tegoed, credit, vooruit; He has behaved as good as gold = is erg
zoet geweest; She gave her as good as she got = betaalde haar met
gelijke munt; He is as good as his word = hij vervult trouw wat hij
belooft; His fortune is as good as made = vrij wel; Good! = dat is
goed, mooi zoo! That is good! = dat is ook mooi! That is a good one! =
een goeie grap, wat moois! A good deal, A good many = zeer vele; A good
ten miles, A good two months = ruim, een goeie; In good sooth = in
waarheid; In good time = tijdig, in gunstige omstandigheden; On (from)
good authority = uit goede bron; Well and good = alles goed en wel; Not
good for much = niet veel waard; That is good-for-nothing = dat is
nietswaardig; A good-for-nothing (fellow) = nietswaardige (kerel); He
has made good his name = zijn naam eer aangedaan; To make good damages,
a loss = vergoeden; He has seen (thought) good to do it = het heeft hem
goed gedacht (behaagd); He (It) stands good = is soliede; Good
behaviour: He was released on his good behaviour = hij werd ontslagen
(uit de gevangenis) onder de verplichting, dat hij zich goed zou
houden; Good breeding = hoffelijkheid, wellevendheid; Good-conditioned
= in goeden staat zijnde; Good-day = goeden dag (bij komen of
heengaan); Good-bye = goeden dag (bij heengaan voor geruimen tijd): I
will not say good-bye yet = ik zie je nog wel; Good-evening = goeden
avond; Good-faced = met gunstig uiterlijk; Good-fellow = gezellige,
goedaardige kerel; Good-fellowship = kameraadschap; Good-folk(s) =
feeën; Good Friday = Goede Vrijdag; Good-graces = gunst; Good-humour =
opgeruimde aard; Good lack = Hemeltjelief! (verbazing); Good-looking =
knap; Good-manners = beschaving; Goodman = vriendje, huisbaas,
echtgenoot, de Duivel; Good-morning, Good-morrow = goeden morgen;
Good-nature = goedaardigheid; Good-natured = goedaardig; Goodness =
goedheid: Goodness knows = de Hemel weet; I hope to goodness you will
not do it = ik hoop waarachtig; Good-night = goeden nacht; serenade;
Good now = Beware me! (verbazing); Good sense = gezond verstand; A
good-sized box = vrij groote; Good speed = succes! Good-tempered =
goedgehumeurd; Good Templar = geheelonthouder; Goodwife = huisvrouw;
moedertje; Goodwill = welwillendheid; gunst; zaak + klandizie, het
daarvoor betaalde geld: To buy the goodwill of a house; Goodwill to man
= “in menschen een welbehagen”; Goodwoman. Zie Goodwife; He is good,
almost to goodiness = hij is zoo goed, dat hij haast over zich laat
loopen; Goodies = lekkernijen, bonbons; Goodly = knap, edel,
aanmerkelijk, aangenaam, piekfijn (ironisch); Goody = subst. sul, goeie
vent, beste moeke; adj. goedaardig, sullig, sentimenteel: It would look
so goody-goody and stupid = zoo sullig en dom lijken; I have talked
goody-goody to her = ik heb met haar zitten kwezelen.
Goorkha = Ghoorka.
Goosander, gûsandə, gusandə, duikergans.
Goose, gûs, subst. gans, sul, sukkel, uilskuiken;
(kleermakers)persijzer; Goose verb. uitfluiten: Every man thinks his
own geese swans = elk denkt zijn uil een valk te zijn; To cook a
person’s goose for him = te pakken nemen, ruïneeren, van kant maken; To
get the goose = uitgefloten worden; He is sound on the goose = hij is
ouderwetsch in de slavenkwestie (Amer.); trouw aan zijne partij;
Goose-berry = kruisbes, kruisbessenstruik: Goose-berry time =
komkommertijd (ook The silly season); Old Goose-berry = de duivel; I am
not going to play goose-berry(picker) to you two = ik wil niet jullie
beider “fâcheux troisième” zijn, voor ’t “fatsoen” met jullie meegaan;
He plays old goose-berry with the British public = houdt voor den gek;
Goose-berry-fool = uitgeperste kruisbessen met room; zotskap;
Goose-flesh (Goose-skin) = kippenvel; To go all over goose-flesh =
kippenvel krijgen; Goose-herd = ganzenhoeder; Goose-neck = zwaanshals
(van giek of boom); Goose-quill = ganzeveer, pen; Goose-winged = met de
leizeilen bijgezet (voor den wind zeilend).
Gopher, goufə, naam voor verschillende in een gat in den grond levende
dieren, als ratten, eekhoorntjes, schildpadden (Amer.); Gopher verb. op
goed geluk naar goud graven.
Gorboduc, göbədɐk.
Gorcock, gökok, korhaan; Gorcrow, gökrou, kraai; Gorhen, göhen, korhen.
Gordian, gödj’n: Gordian knot = Gordiaansche knoop: He cut the Gordian
knot = hij heeft den knoop doorgebakt.
Gore, gö, subst. geronnen bloed; geer, driehoekig stuk (land); Gore
verb. doorboren, spietsen, met eene wig doorbreken; Goring = prik,
steek.
Gorge, gödz, subst. keel, strot, het verzwolgene, zware maaltijd; nauwe
bergpas; Gorge verb. gretig verzwelgen, schrokken: The stench turned my
gorge = het hart draaide me in mijn lijf om van; My gorge rises at it =
ik walg er van; He gorged himself with it = at veel van.
Gorgeous, gödžəs, schitterend, prachtig; subst. Gorgeousness.
Gorget, gödžət, halsstuk (van eene wapenrusting), borstplaat, halskraag
of plooisel.
Gorgon, gög’n, subst. Gorgone; iets zeer leelijks; Gorgonean,
Gorgonian, gögounj’n, versteenend, afschuwelijk leelijk; Gorgonize =
doen versteenen.
Gorilla, gərila, gorilla.
Gormand, göm’nd, gulzigaard; Gormandize, göm’ndaiz, gulzig eten,
schrokken.
Gorse, gös, brem; Gorsy = vol brem.
Gory, gôri, met geronnen bloed bedekt.
Goschen, gouš’n.
Goshawk, goshôk, havik, patrijsvalk.
Gosling, gozliŋ, gansje; katje (van wilgen, etc.).
Gospel, gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars: You must
not take his words for gospel = als de waarheid; That is gospel truth =
de waarachtige waarheid; Gospeller = evangelist; voorlezer van het
evangelie.