sierlijkheid, bevalligheid.
Gentisin, džentisin, gentianine.
Gentle, džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk;
subst. edelman, gedresseerde valk; Gentle verb. adelen, in rang
verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren: Gentle birth = voorname
(aanzienlijke) ....; Gentle families; Gentlefolk(s) = menschen van
aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud); Gentleman, subst. heer,
man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man: The Old
(Black) Gentleman = de duivel; Gentleman of property = grondbezitter;
Gentlemen of the shoulderknot = lakeien; Gentleman-at-arms = lid van de
door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht; Gentleman-commoner =
betalend student, die eerst later tot de eigenlijke colleges werd
toegelaten; Gentleman-farmer = heereboer: Gentleman-usher of the Black
Rod. Zie Black Rod; Gentlemanlike, Gentlemanly = beschaafd,
fatsoenlijk, beleefd; Gentlewoman = edelvrouw, beschaafde dame.
Gentry, džentri, de stand der gentlemen, der beschaafde en bezittende
klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).
Genuflection, Genuflexion, dženjuflekš’n, džînjuflekš’n, kniebuiging,
knieval.
Genuine, dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst. Genuineness.
Genus, džînəs (Meerv. Genera, dženəra), geslacht, klasse.
Geocentric(al), džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.
Geodesy, džiodəsi, landmeetkunde; adj. Geodetic(al).
Geoffrey, džefri.
Geogony, džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.
Geographer, džiogrəfə, aardrijkskundige; Geographic(al),
džîəgrafik(’l), aardrijkskundig; Geography, džiogrəfi, aardrijkskunde.
Geologist, džiolədžist, aardkundige; Geology, džiolədži, aardkunde.
Geometer, džiomətə, Geometrician, džîomətriš’n, meetkundige;
Geometric(al), džîəmetrik(’l), meetkundig; Geometrical elevation =
geometrische teekening (Archit.); Geometrical progression = meetk.
reeks; Geometry = meetkunde.
George, džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak
strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met
dat beeld: Brown George = grof aarden waterkan; George-noble = gouden
munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00; Georgia,
džödžə, Georgia; Georgian, džödžən, subst. bewoner van Georgia; adj.
behoorend tot de regeering der Georges in Engeland (1714–1830).
Georgic, džödžik, tot den landbouw behoorende: Georgics of Virgil =
landelijk gedicht van Vergilius.
Geranium, džəreinj’m, geranium.
Gerard, džerəd, Gerard, Gerrit.
Gerfalcon, džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.
Germ, džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin; Germ verb. ontkiemen:
Germ-theory = leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën
worden overgebracht; Germ of disease = ziektekiem.
German, džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche
taal, Duitscher: Cousin german = volle neef (nicht); German clock =
Schwarzwalder klok; German flute = dwarsfluit; German Ocean = Noordzee;
German sausage = Wiener worst; German silver = pleetzilver; German
tinder = tonder, zwam; German toys = Nürnberger speelgoed; Germania,
džɐ̂meinia, Duitschland; Germanic, džɐ̂manik, Germaansch; Germanism =
germanisme; Germanize = germaniseeren; Germany = Duitschland.
Germane, džɐ̂mein, džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig,
passend: This subject is more germane to our circumstances = staat in
nauwer verband met.
Germinal, džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar
(Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende; Germinant =
ontkiemend; Germinate, džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten;
subst. Germination; Germinative, kiem ...
Gerrymander, džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van
kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig. Amer.).
Gertrude, gɐ̂trûd.
Gerund, džer’nd, gerundium: Gerund-grinder = schoolvos; Gerundial,
džərɐndj’l, tot een gerund behoorende; Gerundive, džərɐndiv, de vorm op
ing met eene prepositie daarvoor: On coming, In crossing, etc.
Gervas, džɐ̂vəs.
Gestation, džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden,
etc.).
Gesticulate, džestikjuleit, gebaren maken; subst. Gesticulation;
Gesticulator, džestikjuleitə, gebarenmaker; Gesticulatory language =
gebarentaal; Gesture, džestjə, subst. gebaar, beweging, houding;
Gesture verb. gesticuleeren; Gesture-language = gebarentaal = Gestural
language.
Get, get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben,
voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren: To
get the better of = de overhand krijgen, overwinnen; To get a cold =
kou vatten, een verkoudheid oploopen; To get the day = de overwinning
behalen; You’ll get no good by it = het berouwen; To get hold of =
vastgrijpen; To get it hot = er flink van langs krijgen; To get a mile
= een mijl afleggen; To get the sack = de bons krijgen; I must get wind
first = ik moet eerst op adem komen; The affair got wind = werd bekend,
lekte uit; I have got the wind of you = ik heb je in de gaten; He is so
weak that he cannot get about = dat hij niet loopen kan; It has got
about, that you are here = het is bekend geworden; They are getting
ahead = zij gaan vooruit, het gaat hun goed; How are you getting along
= hoe staat het met de zaken? Get along with you = och, loop! He has
got among thieves = is terecht gekomen; I cannot get at him = kan hem
niet bereiken, te pakken krijgen; It is easy to get at him = hem te
plagen; The jockey was got at = omgekocht; I could not get away from
him = niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken; The horse got away
with him = ging er met hem van door; One of the boats had been got away
= neergelaten en afgestooten; They will get before, behind us = zij
zullen ons vóór-, achterkomen; I hope to get behind your tricks = dat
ik achter uwe streken zal komen; I got behind the scenes = geraakte
volkomen ingewijd (in de plannen); To get in the crops = binnenhalen;
I’ll try to get in that picture = te koopen, te krijgen; He got into it
= raakte er aan gewend; We have got off safely = zijn er goed
afgekomen; I hope to see you as soon as I get off = zoodra ik vrij ben;
How are you getting on = hoe maak je het? To get out = raken uit, komen
uit, voor den dag halen: I wish I could get out of this business = van
dit zaakje af kon komen; I hope I shall get over it = dat ik het zal te
boven komen; They got over me = bedrogen mij, werden mij de baas,
haalden mij over; At length we have got round him = hebben we hem te
pakken; I fear he will not get through = dat hij niet zal slagen; To
get up = in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken,
vooruitgaan, bestudeeren: She gets up linen = mangelt en strijkt; He
has got up his German = heeft ‘er in’; It was got up for the occasion =
afgesproken, klaargemaakt; To get asleep = in slaap geraken; To get
clear of = vrijkomen van, afkomen van; I’ll get it done = ik zal het
laten doen, maken; get you gone = scheer je weg; You must try to get it
by heart = het van buiten te leeren; To get home = thuis komen; To get
quit (rid) of = kwijtraken, afkomen van; get-up, subst. = kleeding,
enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling,
tooneelschikking, enz.: The get-up of the book is perfect = The book is
nicely got up = de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat,
enz.) is uitstekend; Getter-up = klaarmaker; The getters-up of a
charade = de personen, die de charade voorstellen; Getting = winst,
voordeel, verdienste.
Gewgaw, gjûgô, prul; adj. prullerig.
Geyser, gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.
Gharry, gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).
Ghastliness, gâstlinəs, subst. van Ghastly = doodsbleek, afgrijselijk,
ijzingwekkend.
Gha(u)t, gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene
rivier; Br. Indië).
Gheber, Ghebre, gîbə, geibə. Zie Gueber.
Ghee, gî, soort boterolie (Br. Ind.).
Ghent, Gent.
Gherkin, gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.
Ghetto, getou, Ghetto, Jodenkwartier.
Ghibelline, gibəl(a)in, Ghibellijn.
Ghost, goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje;
iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer
krijgt: He has not the ghost of a chance = niet de geringste kans; He
gave up the ghost = hij gaf den geest; We needed no ghost to tell us
that = dat begrepen we zelf ook wel; The Holy Ghost = de H. Geest;
Ghost story = spookvertelling; Ghostliness, subst. v. Ghostly =
spookachtig, akelig, somber: Ghostly hour = spookuur, middernachtelijk
uur.
Ghoorkas, guəkaz, het voornaamste ras in Nepaul.
Ghoul, gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.);
Ghoulish = demonisch.
Ghurry, gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.
Ghyll, gil, bergkloof, ravijn.
Giant, džaiənt, subst. reus; The Giant Mountains = het Reuzengebergte;
adj. reusachtig, kolossaal; Giantess = reuzin; Giantship =
reusachtigheid.
Giaour, džauə, ongeloovige (naam voor Christenen bij de Turken).
Gib, džib, arm van eene kraan, spie; (oude) kater = Gib-cat.
Gibber, gibə, brabbelen, brabbeltaal spreken, snateren; Gibberish =
brabbeltaal; adj. zonder beteekenis.
Gibbet, džibət, subst. galg, kraanbalk; Gibbet verb. ophangen; aan de
kaak stellen.
Gibble-gabble, gib’lgab’l, gesnater, gezwets.
Gibbon, gib’n, Gibbon; langarmige, staartlooze aap.
Gibbose, gibous, Gibbous, gibəs, gebocheld, uitpuilend, bol; Gibbosity,
gibositi, bultigheid, bolheid, uitpuiling.
Gibbs, gibz.
Gibe, džaib, subst. spot, smaad; Gibe verb. spotten, hoonen,
beschimpen, uitschelden; Giber = spotter, schimper.
Gibeon, gibjən: Children of Gibeon = proletariërs, armen; Gibeonite,
gibjənait, bewoner v. Gibeon (Jozua IX, 23), duivelstoejager, laagste
loondienaar.
Giblets, džibləts, inwendige deelen van gevogelte, zooals lever, maag,
hart, etc.
Gibraltar, džibrôltə, Gibraltar; Gibraltar ape (Gibraltar monkey) =
magot (aap).
Gibson, gibs’n.
Gibstaff, džibstâf, peilstok, vaarboom.
Gibus hat, džaibəshat, klak.
Giddiness, gidinəs, subst. van Giddy, gidi, duizelig, zwijmelend,
veranderlijk, grillig, opgewonden, onnadenkend, onbezonnen:
Giddy-brained = gedachteloos, roekeloos; Giddy-go-round = caroussel.
Gifford, gifəd.
Gift, gift, subst. recht van geven of begeven, gave, begaafdheid; Gift
verb. begiftigen: I would not have it for a gift = ik zou het niet voor
niemandal willen hebben; That appointment is in the gift of the crown =
wordt door de kroon vergeven; Gifted with many accomplishments = met
vele talenten begaafd; Giftedness = begaafdheid.
Gig, gig, subst. harpoen; tol; sjees, cabriolet; kaardcylinder,
kaardmachine; lichte sloep; neus, farthing; Gig verb. met elger of
harpoen steken; Gig-lamp = rijtuiglamp; Gigman = harpoenier;
geldpatser; Gigs = bril.
Gigantean, džaigəntîən = Gigantesque, Gigantic, reusachtig, kolossaal.
Giggle, gig’l, gichelen; subst. gegichel; Giggler.
Gilbert, gilbət; Gilchrist, gilkrist.
Gild, gild, vergulden, verfraaien: Gilded youth(s) = jeunesse dorée;
Gilding = het vergulden, versiering, verguldsel; Gilding-metal =
verguldstof.
Gilead, giliəd.
Giles, džailz, Gilles: St. Giles (vroeger beruchte) buurt in het
centrum van Londen.
Gilfillan, gilfilən.
Gill, gil, kieuw, kaak, lel, het vleesch om en bij de kin, vadermoorder
(boord); Gill-flap = kieuwklep.
Gill, džil, meisje, liefje, snol; Gill-flirt = dartele meid.
Gill, džil, ¼ Pint (= 0.14 L.).
Gillet, džilət, Gillian, džilj’n, dartele meid.
Gillie, gili, Hooglandsche dienaar, vooral bij rijden en jagen.
Gilliflower, džiliflauə, tuinanjelier.
Gilmore, gilmö; Gilpin, gilpin; Gilson, gilsən.
Gilpy, gilpi, vroolijke gast(-meid).
Gilravage, gilravidž, subst. opgewonden pret, rumoerig partijtje;
plundering; Gilravage verb. plunderen, verwoesten; Gilravager =
rumoerige, wanordelijke klant, roover, plunderaar.
Gilray, gilrei.
Gilt, gilt, adj. verguld; subst. verguldsel; jong wijfjesvarken: The
ominous Three Gilt Balls = lommerd; Gilt-edged = verguld op snede,
fijn, chique.
Gim, džim, chique, fijn, net.
Gimbal, džimb’l, beugel, om het kompas aan te hangen.
Gimcrack, džimkrak, prul, speeldingetje; adj. prullerig.
Gimlet, gimlət, subst. (dril)boor; Gimlet verb. boren, draaien.
Gimp, gimp, gimp, soort van passement.
Gimp, džimp, net, fijn, keurig, slank, schraal.
Gin, džin, jenever; strik, machinerie, kraan, foltertuig, braak;
inboorling, oude vrouw (Austral.); Gin verb. braken (van vlas),
ontkorrelen, vangen; Gin-horse = molenpaard; inlandsche vrouw
(Austral.); Gin-mill, Gin-palace, Gin-shop = kroeg, drankhuis.
Ginger, džinžə, gember, iets pikants; Ginger-beer = gemberbier;
Ginger-brandy (Ginger-cordial) = drank, gemaakt van spiritualiën,
gember, etc.; Gingerbread = peperkoek; geld: To take the gilt off the
gingerbread = van de aantrekkelijkheid berooven; Gingerbread-nuts =
pepernoten; Gingerbread-stall (-booth) = koekkraampje; Gingerbread work
= prulsieraden; Gingerly = voorzichtig, behoedzaam; netjes, keurig,
geaffecteerd.
Gingham, giŋ’m, gingang, katoenen stof; groen katoenen paraplu.
Ginglymus, džiŋglimɐs, giŋglimɐs, scharniergewricht.
Gipsy, džipsi, subst. Zigeuner, de taal der Z., donker uitziend
persoon; heks, sluwe bedriegster; adj. Zigeuners ..., Zigeunerachtig;
Gipsy verb. in de open lucht leven, buiten eten; Gipsy-cart = reis- en
woonwagen; Gipsy herb = gemeene wolfsklauw; Gipsyfy, džipsifai, zwart
of donker maken; Gipsyism = gewoonten en zeden der Zigeuners, bedrog.
Giraffe, džiraf, giraffe.
Girandole, džir’ndoul, kandelaar met armen, vuurrad (stuk vuurwerk).
Girasol, džirəsol, Europeesche heliotroop; girasol (edelgesteente).
Gird, gɐ̂d, subst. kneep, steek, sarcasme, hoonlach; Gird verb.
doorsteken, spotten met of lachen om (at); omgorden, vastbinden,
aangorden; Girder = spotter; dwarsbalk; Girdle, subst. gordel, band,
omtrek, boog; Gird verb. omgorden, insnijding om een boomstam maken,
omvatten: He had (held) the people under his girdle = hij hield het
volk er onder.
Girl, gɐ̂l, meisje, dienstmeisje; tweejarige reebok; Girl-friend =
vriendin(netje); Girlhood = de meisjesjaren; Girlish = meisjesachtig,
meisjes - -; subst. Girlishness.
Girondist, džirondist, Girondijn.
Girt, gɐ̂t, P.P. en P. Imp. van to gird.
Girth, gɐ̂th, buikriem, band, omvang; Girth verb. omgorden, omgespen.
Gisborne, gisbən, Gislebert, giz’lbət, Gijsbert(us).
Gist, džist, hoofdpunt (v. redeneering of vraag): I told him the gist
of my errand = doel van mijne boodschap; That is the gist of it = dat
is de kern der zaak; Here lies the whole gist of the matter.
Giusto, džustou, in de maat (muziek).
Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen,
veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het
meegeven: The kindly give of the trigger = het zacht meegeven van den
trekker; Give and take is the only possible rule in marriage = geven en
nemen; That is a give and take (exchange) = dat is een billijke ruil; A
fight of a give-and-take character = waarin beide partijen veeren
laten; The weather (frost) gives = verandert, het begint te dooien; I
felt the bar give a little = voelde, dat de stang boog; I’ll give it
you = ik zal je wel! To give battle = slag leveren; To give a call =
een bezoek brengen; To give chase = nazetten; To give the cold shoulder
= met den nek aanzien; To give ear to = het oor leenen aan; To give
good day = goeden dag wenschen; To give ground = wijken; To give a
guess at = raden naar; To give in charge = in (verzekerde) bewaring
geven; I give you joy = ik feliciteer u; To give judgment = uitspraak
doen; To give the lie = logenstraffen, heeten liegen; To give a lift =
een handje helpen, laten meerijden; To give place to = wijken voor; To
give sentence = vonnis vellen; To give the slip = laten zitten,
uitknijpen; You ought to give me something = iets vóór geven (bilj.);
To give a start = opschrikken; To give suck = zoogen; To give tongue =
aanslaan (van honden); To give warning = den dienst opzeggen; To give
way to = wijken voor; Here the crew began to give way = begonnen met
alle kracht te roeien; To give a yawn = gapen, geeuwen; The bride was
given away by her brother = de bruid werd door haar broeder aan den
bruidegom overgegeven; His ears give him away = aan zijn ooren kun je
wel zien, wat een ezel hij is; Don’t give yourself away = gooi jezelf
niet weg, verklap jezelf niet; I hope you didn’t give me away = mij
niet hebt verklapt; That is a dead give-away = dat is enkel geld
weggooien; The enemy gave back pell-mell = week in verwarring; It was
given forth by everybody = het werd door iedereen verteld; You must
give in to me that you were wrong = mij toegeven; To give on = uitkomen
op (tuin of straat); To give out = uitdeelen, aankondigen; uitgeput
zijn of raken; To give out a text = voor- of oplezen; He gives himself
out for something bigger than he is = zich voordoen als, uitgeven voor;
It was given out publicly = publiek aangekondigd, bekend gemaakt; The
lamp gave out a flickering light; To give out lessons = opgeven; The
ammunition gave out = raakte op; I had given it over = het opgegeven;
He gave himself over to drinking = hij verslaafde zich aan den drank;
He was given up by the doctors = de geneesheeren hadden hem opgegeven;
He gave himself up to the police = hij leverde zichzelf in handen der
politie; To give up an establishment = eene zaak opheffen, likwideeren;
He gave himself up to that delight = gaf zich over aan ...; Quebec gave
itself up = gaf zich over; He preferred to give up work before work
gave him up; He is given to study = hij wijdt zich aan, houdt veel van
studie; He is not much given to talk = houdt niet van veel praten; A
given-name = doopnaam (Amerika).
Gizzard, gizəd, krop: He frets his gizzard = hij ergert zich.
Glabrate, gleibrit, glad, kaal, onbehaard = Glabrous, gleibrəs.
Glacial, gleišəl, bevroren, ijs..., gletscher...; Glaciate, gleišieit,
bevriezen, tot ijs worden; subst. Glaciation; Glacier, glasiə, gleišə,
gletscher.
Glacis, gleisis, schuinte, glooiing.
Glad, glad, adj. blij, verheugd, vroolijk; schitterend; Glad verb. blij
maken of worden: I am glad of it = ik ben er blij om; I shall be glad
to do it = het zal mij aangenaam zijn; He was glad at finding us = dat
hij ons vond; Gladden = verblijden; subst. Gladness adj. Glad-some.
Glade, gleid, open ruimte in een bosch; wak in ’t ijs (Amer.).
Gladiate, gladiit, zwaardvormig; Gladiator, gladieitə, zwaardvechter,
strijder; adj. Gladiatorial; Gladiole, gladioul, zwaardlelie =
Gladiolus, gladaiəlɐs, gladiouləs.
Gladstone, gladst’n, Gladstone; soort rijtuig; valies = Gladstone bag;
Gladstonian = aanhanger van G.; ook adj.
Glair, glêə, subst. eiwit, eiwitachtige stof; Glair verb. vernissen,
bestrijken met; adj. Glairy.
Glaive, gleiv, zwaard.
Glamis, glâms, glamis.
Glamour, glamə, subst. betoovering, oogenbegoocheling, tooverspreuk;
Glamour verb. begoochelen, betooverend schilderen: He glamoured the
mountains with a fascination that none could resist = hij schilderde de
bergen onweerstaanbaar betooverend.
Glance, glâns, subst. lichtstraal, flikkering, blik, oogopslag, lichte
aanraking, lonk, wenk; Glance verb. stralen schieten, schieten langs;
vluchtig aanzien, kortelijk vermelden, aanblikken: To glance an eye on
= een blik werpen op; To Glance off = afschampen; To Glance over =
vluchtig doorzien; He hardly glanced upon it = roerde het haast niet
aan; Glance-coal = glanskool, anthraciet.
Gland, gland, klier, cel; Glanders, glandəz, droes (paardenziekte);
Glandered = behept met kwaden droes; Glandiferous, glandifərɐs, eikels
voortbrengend; Glandiform, glandiföm, eikelvormig; Glandula,
glandjul(ə), kliertje; Glandular, glandjulə, klierachtig, klier ...;
Glandule = Glandula.
Glans, glanz, eikel, nootvormige vrucht.
Glare, glêə, subst. schitterende glans, valsche gloed, schittering,
doordringende blik; Glare verb. met schitterend en verblindend licht
schijnen, woest staren, vlammende blikken werpen (at); Glaring =
fonkelend, verblindend, openbaar, onbeschaamd, schandelijk,
schreeuwend; Glary = fonkelend, schitterend.
Glasgow, glasgou.
Glass, glâs, subst. glas, drinkglas, lens, spiegel, kijker, zandlooper,
barometer, thermometer, (sterke) drank; adj. van glas; Glass verb.
(af)spiegelen, met glas omhullen, verglazen: Glasses = bril; A pair of
glasses = lorgnet; Glass-blower = glasblazer: Glass-blower’s lamp;
Glasscoach = staatsiekoets, glazen koets; Glass-house = glasblazerij;
Glass jar = klok, inmaakflesch; Glass-metal = gesmolten glas;
Glass-painting = het schilderen of schilderwerk op glas; Glass-paper =
glas-(schuur-)papier; Glass shade = stolp, glazen lampekap;
Glass-staining = het kleuren van en schilderen op glas; Glass-ware,
Glass-work = glaswerk; Glass-works = glasblazerij; Glassful; Glasslike;
Glassy = van glas, als glas, glad, spiegelglad: Glassy eyes = doffe,
glazige oogen.
Glastonbury, glâst’nbəri: Glastonbury chair = een soort leuningstoel;
Glastonbury thorn = tweestijlige meidoorn.
Glaucescence, glôses’ns, zeegroene kleur; Glaucescent, glôses’nt,
Glaucous, glôkəs, zeegroen.
Glaucoma, glôkoumə, grauwe staar; adj. Glaucomatous.
Glaucus, glôkəs.
Glaze, gleiz, van glazen, vensters of spiegels voorzien, met glas
bedekken, in glas zetten, verglazen, satineeren, glaceeren; subst.
glazuur: Glaze-kiln = verglaasoven; Glaze-board = soort van pap,
waartusschen het papier glanzend gemaakt wordt; gladhout; Glazed
book-cases = van glas voorziene; (Cf. Glazed windows); With glazed eyes
= glazige; Glazed frost = ijzel; Glazed hat = met geolied linnen
overtrokken; Glazed tiles = verglaasde pannen; Glazer = verglazer,
polijster; poleerschijf; My coat is glazy at the seams = glimmend aan
de naden.
Glazier, gleižə, glazenmaker; Glazier’s-diamond.
Gleam, glîm, subst. straal, schittering; Gleam verb. stralen, stralen
schieten, schitteren; Gleamy = stralend, fonkelend.
Glean, glîn, subst. nasprokkeling; Glean verb. nalezen, opzamelen,
verzamelen, aren lezen. gappen; Gleaner = sprokkelaar; To go a-gleaning
= nalezen.
Glebe, glîb, pastorie-landen, bouwland, aarde; Glebe-house = pastorie;
Glebe-land = pastorie-landen.
Glede, glîd, wouw of zwaluwstaart.
Glee, glî, vroolijkheid, muziek, zang, lied (soort v. canon): In high
glee = zeer vroolijk; Glee-club = (mannen)zangvereeniging; Glee-maiden
= rondreizende liedjeszangster; Gleeman = minstreel; Gleewood = een
ouderwetsch muziekinstrument.
Gleet, glît, etter; Gleet verb. etteren; Gleety = dun, etterig.
Gleig, gleg.
Glen, glen, nauw dal, bergengte.
Glencoe, glenkou; Glendower, glendauə, glendûə.
Glene, glîn, oogappel, oog; ondiepe gewrichtsvlakte of pan.
Glenlevit, glenlîvit.
Glib, glib, glibberig, vloeiend (van spraak), welbespraakt: A glib
tongue; subst. Glibness.
Glide, glaid, subst. het glijden, overgang (van de eene letter op de
andere); Glide verb. zacht glijden of voortbewegen, zweven; Glider.
Gliff, glif, korte tijd, schrik; Gliff verb. schrikken.
Glim, glim, licht, kaars: Douse the glim = doe het licht uit; Glimmer =
glimmen, schemeren, zwak, schemerachtig licht verspreiden; subst. zwak,
onzeker licht; mica; Glimmering = schijnsel, zwakke glans, zwakke
opflikkering (van bewustheid, kennis enz.), schijntje, flauw begrip.
Glimpse, glimps, subst. zwak licht, glimp, spoor, voorbijgaand genot,
kort bestaan, tint; Glimpse verb. blikken, voor een oogenblik
verschijnen, vluchtig zien of toonen: I caught a glimpse of him = ik
zag hem met een glimp.
Glint, glint, subst. lichtstraal, vluchtige blik; Glint verb.
schitteren, flikkeren: I knew him at the first glint = dadelijk; The
train rushed on over the glinting rails = de glinsterende rails.
Glissade, gliseid, subst. glijpad voor het afdalen van gletschers, de
afdaling zelve; een danspas; Glissade verb. naar beneden glijden;
glissen.
Glisten, glis’n, flikkeren, schijnen, glanzen; subst. flikkering =
Glister, glistə, verb. en subst. glanzen.