zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen: To gain the
day = de overwinning behalen; They have gained ground of late = zij
hebben in den laatsten tijd veld gewonnen; They gained the other side =
bereikten; That will gain us time = daardoor zullen wij tijd winnen; We
have gained the wind of that ship = wij hebben dat schip de loef
afgestoken; I have gained him into that act = er toe overgehaald; My
good behaviour gained on him = nam hem voor mij in; I shall try to gain
him over to our side = voor onze partij zien te winnen; The enemy
gained upon us = inhalen, voordeel behalen op; Gainer = winner; Gaining
= het winnen of verkrijgen; Gainings = behaalde winst.
Gainsay, geinsei, geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen;
Gainsayer = loochenaar; Gainsaying = tegenspraak, ontkentenis.
Gainst, genst, geinst, verk. van against.
Gairdner, gâdnə: Gairdner Lake.
Gait, geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof: The
pictures went off at a rattling gait = gingen grif van de hand; Gaited,
in samenstell.: Heavy gaited = langzaam.
Gaiter, geitə, subst. slobkous; valsche speler; Gaiter verb. van
slobkousen voorzien.
Gal, gal = girl.
Gala, geilə, gala, feestelijkheid; Gala-day = feestelijke dag;
Gala-dress = galakleeding.
Galactometer, galəktomətə, melkmeter; Galactophorous, galəktofərɐs,
melkhoudend.
Galage, galidž, klomp, overschoen.
Galantine, galənt(a)in, galantine.
Galatia, gəleišə, Galatië; Galatian, bewoner v. Galatië.
Galaxy, galəksi, melkweg, schitterende groep.
Gale, geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid,
periodieke rentebetaling; Gale verb. snel zeilen: Great events are in
the gale = in de lucht, op til; Gale-day = rentedag.
Galenic(al), gəlenik(’l), volgens de geneeswijze van Galen (Grieksch
geneesheer, 131–200).
Galicia, gəlišə, Galicië; Galician, gəliš’n, subst. Galiciër; adj.
Galicisch.
Galilean, galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot
Galileo (1564–1642) behoorend; Galilee, galilî, Galilea, voorportaal of
kapel aan den ingang eener kerk.
Galimatias, galimatiəs, galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.
Gal(l)iot, galiət, galjoot.
Gall, gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot;
schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale
plek (in den oogst), laag, moerassig land; Gall verb. met (gal) doen
doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen,
vertoornen, kwetsen; Gall-bladder = galblaas; Gall of glass (Zie
Sandiver); Gall-fly = galwesp; Gall-nut = galnoot; Gall-sickness =
galkoorts; Gall-stone = steen (in de blaas).
Gallant, gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant,
hoofsch, hoffelijk; Gallant verb. het hof maken, hoofsch behandelen;
Gallantly = galant.
Gallant, gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig;
Gallantly = dapper; Gallantry = dapperheid, uiterlijk vertoon;
hoffelijkheid, galanterie.
Galleon, galj’n, galjoen.
Gallery, galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling,
schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune
of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel
van een schip; tent: Shooting-gallery = schiettent; He is playing to
the gallery = hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.
Galley, gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis;
zetraam: The article went straight from the galley to the stone = werd
ongecorrigeerd gedrukt; Galley-foist = vroegere staatsiesloep van den
Lord Mayor; Galley-pepper = kolenasch; Galley-slave = galeislaaf;
Galley-worm = soort. v. duizendpoot; Galley-west: That knocked the
mystery galley-west in a second = toen was het in eens met alle
geheimzinnigheid gedaan (Amer.).
Gallia, galiə, Gallië; Gallian, galiən, Gallisch.
Galliard, galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk,
vlug, dartel; Galliardise, galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.
Gallic, galik, Gallisch, Fransch (ook: Gallican); uit galnoten
getrokken; Gallicism, galisizm, Fransch idioom; Gallicize =
verfranschen.
Galligaskins, galigaskinz, wijde broek.
Gallimaufry, galimôfri, ragout; mengelmoes.
Gallinaceous, galineišəs, hoenderachtig.
Gallipot, galipot, likkepot.
Gallium, galiəm, gallium.
Gallivant, galivant, galivant, het hof maken, coquetteeren, veel
uitgaan.
Galliwasp, galiwosp, hagedis (W.-Indië).
Gallomania, galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.
Gallon, gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud: Imperial
gallon = ± 4.54 L.
Galloon, gəlûn, lint, band, galon; Gallooned.
Gallop, galəp, subst. galop; Gallop verb. (doen) galoppeeren, snel
rijden, haasten, vluchtig doorloopen; Galloping-consumption = vliegende
tering; Gallopade, galəpeid, galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche)
galop, de dans “galop”; Gallop verb. galoppeeren, een galop dansen.
Gallow, galou, doen schrikken.
Galloway, galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.
Gallowglass, galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden
tijd).
Gallows, galouz, galg, galgebrok (= Gallows-bird); Gallowses = bretels
(Amer.); Gallows-bits = galg (op een schip); Gallows-free = van de galg
gered; Gallows-ripe; Gallows-tree = galg; Gallowsness = ondeugendheid,
boosheid.
Gally, gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). Zie Gall.
Galoche = Galosh.
Galoot, gəlût, lummel, kerel.
Galop, galəp, galop (dans).
Galore, gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed: She has jewellery
galore = zij heeft een rijkdom aan juweelen.
Galosh, gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen
vastgemaakt.
Galvanic, galvanik, Galvanisch: Galvanic-battery = Galvanische
batterij; Galvanic current; Galvanic pile (Zie Voltaic); Galvanism,
galvənizm, galvanische electriciteit; Galvanize, galvənaiz,
galvaniseeren, electriseeren.
Galveston, gavst’n, galvəst’n; Galway, gôlwei.
Gamba, gambə, gambe, soort violoncel.
Gambade, gambeid, luchtsprong, gril.
Gambado, gambeidou, slobkous; Gambadoes = aan het zadel bevestigde
rijlaarzen.
Gambeson, gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).
Gamble, gamb’l, om geld dobbelen: They gambled away their lives =
verdubbelden, vergooiden hun leven; Gambler.
Gamboge, gamboudž, gambûdž, guttegom.
Gambol, gamb’l, subst. (kromme) sprong; Gambol verb. springen,
huppelen.
Gambrel, gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout
voor ’t ophangen van vleesch; Gambrel-roof = tentdak.
Game, geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het
spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink,
moedig, bereid; lam, onbruikbaar; Game verb. spelen: A game at cards,
at dice, at (of) chess; A game of chance = hazardspel; Popular games =
volksspelen; Is that your little game? = voer je dat in je schild? That
is not my game at present = daarom is ’t mij nu niet te doen; The game
is not worth the candle = de sop is de kool niet waard; He made game of
us = hield ons voor den gek; I am game to do it = ik ben bereid; He is
game to play that part = geschikt; All hoped he would die game = dat
hij als een man zou sterven; He went to America much gamer than we
could have expected = met meer moed (flinker) dan ...; Game-bag =
weitasch; Game-birds (Game-fowls) = kempvogels; Game-cock = kemphaan;
Gamekeeper = jachtopziener, koddebeier; Game-laws = jachtwetten;
Gameful, Gamesome = dartel, vroolijk, speelsch; subst. Gamesomeness;
Gamester = speler, dobbelaar; Gaming: Gaming-debt = speelschuld;
Gaming-house = speelhuis; Gaming-table = speeltafel.
Gamin, gamin, straatjongen.
Gamma, gamə, toonladder.
Gammer, gamə, moedertje.
Gammon, gam’n, subst. gerookte ham; spel (= Backgammon); bedriegerij;
Gammon verb. ham zouten en rooken; verslaan (bij het backgammon),
bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop! No gammon
with me! = ’k laat me niet bedotten!
Gamp, gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande; Gamp verb.
bollen of uitzetten.
Gamut, gamət, toonladder, toonschaal, omvang: The gamut of human
feeling.
Gamy, geimi = Game (adj.).
Gander, gandə, gent: Sauce for the goose is sauce for the gander =
gelijke monniken gelijke kappen.
Gang, gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor
een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment: Gang-board =
loopplank, valreepsbord; Gang-cask = watervat (op een schip); Gangway =
pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad
in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der
oppositie in twee helften verdeelt; The poor fellow was brought to the
gangway = de arme kerel werd afgestraft; He sits below the gangway =
hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten
o.a. langs de gangway te bereiken); Gang-week = rondgangweek (Z.
Rogation); Ganger = opzichter van een arbeidersploeg.
Ganges, gandžis, Ganges; Gangetic, gandžetik, tot den Ganges behoorend.
Ganglion, gaŋgliən, (Meerv. Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.
Gangrene, gaŋgrîn, subst. koudvuur; Gangrene verb. het koudvuur
krijgen; Gangrenous, gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.
Ganister, ganistə, soort vuurvaste steen.
Gannet, ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.
Gantlet, gôntlət, gântlət (Gantlope, gantloup), spitsroede: He had to
run the gantlet = hij moest spitsroeden loopen; A new-comer has to run
the gantlet of the whole company = die binnenkomt staat aan de kritiek
v. het geheele gezelschap bloot; He took up the gantlet = hij nam den
handschoen op.
Ganymede(s), ganimîd, ganimîdîz, Ganymedes.
Gaol; džeil; Zie Jail; Gaoler.
Gap, gap, subst. gat, opening, bres, hiaat; Gap verb. een gat maken in;
He stood in the gap for all his friends = hij sprong in de bres voor;
We had to stop the gap = moesten het gat stoppen (ook fig.);
gap-toothed = met holten tusschen de tanden.
Gape, geip, subst. geeuw, het geeuwen; Gape verb. gapen, geeuwen,
verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan: The chickens have got the
gapes = hebben de gaapziekte; We were gaped at by all = werden
aangegaapt; They are gaping for (after) it = zij snakken er naar.
Gar, gâ, geep; Gar verb. dwingen, veroorzaken.
Garage, garâž, garage.
Garb, gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren): Nature’s
garb; Garbed = gekleed.
Garbage, gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets;
Garbaged = van ingewanden gereinigd.
Garble, gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige
manier; Garbler = schifter, vervalscher.
Garboard, gâböd, gaarboord (scheepst.).
Garboil, gâbôil, subst. oproer, wanorde; Garboil verb. onderstboven
gooien, storen.
Garden, gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend; Garden verb.
tuinieren, een tuin aanleggen; Garden City = Chicago; The Garden = de
markt (= Covent Garden in Londen); Garden-glass = tuinspiegel;
Garden-house = tuinhuisje; Garden-mould = tuin- of teelaarde;
Garden-plot = deel van den tuin met bloemen, enz.; Garden-stuff =
groenten, enz.; Garden-tools = tuingereedschap; Gardener = tuinier.
Gardenia, gâdînjə, gardenia.
Gare, gêə, grove wol op schapepooten.
Garfish, gâfiš, geep.
Gargantuan, gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.
Gargery, gâdžəri.
Garget, gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.
Gargle, gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk; Gargle verb. gorgelen,
kweelen.
Gargoyle, gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).
Garibaldi, garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en
zijne troepen werd gedragen.
Garish, gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.
Garland, gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing;
provisienet; Garland verb. met kransen tooien.
Garlic, gâlik, knoflook; Garlic-eater = scheldnaam voor Joden; Garlicky
= knoflook bevattend.
Garment, gâm’nt, kleedingstuk, kleeding: The garmentage of life = het
uiterlijke des levens.
Garner, gânə, subst. graanzolder; Garner verb. opstapelen (van koren),
verzamelen.
Garnet, gânət, granaatsteen.
Garnish, gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel);
fooi; Garnish verb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst.
Garnishment.
Garniture, gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende
onderdeelen.
Garret, garət, vliering, zolderkamertje; Garret-master = meubelmaker,
die thuis werkt voor magazijnen of bazen; Garreteer, garətîə,
vlieringbewoner, arme broodschrijver.
Garrison, garis’n, subst. garnizoen, vesting; Garrison verb. in
garnizoen leggen, bezetten.
Garron, gar’n, klein Schotsch paard.
Garro(t)te, gərot, gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door
worging); Garro(t)te verb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van
het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken; Garro(t)ter
= straatroover.
Garrulity, gərûliti, praatachtigheid; Garrulous, garəlɐs, praatziek,
snapachtig.
Garter, gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde; Garter verb. met een
kouseband bevestigen; die orde verleenen; Knight of the Garter = Ridder
van den Kouseband.
Garth, gâth, hof, vischweer.
Garum, gêr’m, Romeinsche vischsaus.
Gas, gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf; Gas verb. wauwelen,
bluffen: How he was gassing = wat was hij aan ’t opsnijden; Gas-buoy =
gasboei; Gas-bracket = gasarm; Gas-coal; Gas-condenser =
gascondensator; Gas-cooker = gasfornuis; Gas-engine = gasmotor;
Gas-fitter; Gas-fitting = gasaanleg; Gasholder = gashouder; Gas-jet =
gasvlam, gaspit; Gas-lamp = lamp, lantaarn; Gas-light; Gas-main =
hoofdleiding; Gas-mantle = gloeikousje; Gas-meter = meter; Gas-motor;
Gas-pipe; Gas-range = gaskookkachel; Gas-regulator = gasregulateur;
Gas-retort; Gas-tar = koolteer; Gas-works = gasfabriek; Gasalier,
Gaselier, gasəlîə, gaskroon; Gaseity, gesîiti, gasachtigheid; Gaseous,
geisiəs, geiziəs, gasiəs, gaziəs, gasachtig, vluchtig; Gasiform =
gasvormig; Gasify = in gas veranderen; Gasoline, gasəlîn, gasoline;
Gasometer, gəsomətə, gəzomətə, gashouder; gasometer; Gasometry = meten
van gas; Gassy = gasachtig; opgeblazen.
Gascon, gaskən, Gascogner, bluffer; Gasconade, gaskəneid, subst.
blufferij, snoeverij; Gascon verb. snoeven, grootspreken; Gasconader =
bluffer, “opsnijer”; Gascony, gaskəni, Gascogne.
Gash, gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede; Gash verb. eene
gapende wonde maken: I gash myself asunder from the king = ik breek
geheel met den koning.
Gasket, gaskət, seizing (scheepst.).
Gaskins, gaskinz = Galligaskins.
Gasp, gâsp, subst. snik; Gasp verb. snakken (naar adem), vurig
verlangen, hijgend uitbrengen: At the last gasp = bij den laatsten
snik, op sterven; With a gasp = verbaasd (als naar adem snakkend); It
made me gasp = ik stond paf.
Gastric, gastrik, tot de maag behoorend; Gastric-abscess;
Gastric-catarrh = maagcatarrh; Gastric-fever = gastrische koorts;
Gastric-juice = maagsap; Gastriloquy, gastriləkwi, buikspraak;
Gastritis, gastraitis, maagontsteking; Gastronomer, gastronəmə,
Gastronomist, gastronəmist, lekkerbek; Gastronomy, gastronəmi, kunst en
lust om lekker te eten; Gastrotomy, gastrotəmi, maagsnede voor het
inbrengen van voedsel.
Gat, gat, nauwe doorvaart.
Gate, geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans
(The Gate = Billingsgate = Londensche vischmarkt); Gate verb. binnen de
poorten houden: That opened the gate for all abuses = zette de deur
open voor; Gate of horn = de poort van hoorn (in het droomhuis),
waardoor ware visioenen komen; Gate of ivory = de poort van ivoor,
waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.); Gatehouse =
portierswoning; Gateman = portier, tolgaarder, baanwachter; Gateway =
poort; Gated = met poorten.
Gather, gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen,
plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter
worden; afleiden; subst. vouw, plooi: I gathered it from what he said =
maakte het uit zijne woorden op; The harvest was gathered in = werd
binnengehaald; He was gathered to his fathers = tot zijn vaderen
verzameld; He gathered himself up = kwam tot zichzelf; Then we had time
to gather breath = om op adem te komen; To gather flowers; She gathered
her powers = verzamelde; Gatherer = verzamelaar, oogster; Gathering =
verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.
Gatling gun, gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.
Gaucho, gôkou, Z. Amer. Cowboy.
Gaud, gôd, versiering, snuisterij; Gaudiness, subst. van Gaudy =
opzichtig, bont: Gaud-day = Gaudies = feest(dag).
Gaudeamus, gôdieiməs, drinkgelag, feest.
Gauffer, goufə, fijn plooien.
Gauge, geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas,
maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven; Gauge verb. meten, schatten,
peilen, ijken: I have your gauge = ik snap je, doorzie je; I have
gauged your feelings; Gaugeglass = peilglas; Gauger = roeier of
wijnpeiler; kommies; Gauging: Gauging-rod = peilstok = Gauging-rule.
Gaul, gôl, Gallië, Galliër.
Gault, gôlt, subst. een soort van mergel; Gault verb. klei brengen (op
land); Gault-mill = kleimolen (voor steenbakkerijen).
Gaunt, gônt, gânt, schraal, mager: That’s the gaunt, bare truth = dat
is de naakte waarheid.
Gauntlet, gôntlət, gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen: He
threw down the gauntlet, and my friend took it up = hij wierp den
handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.
Gauntree, gôntrî, stellage voor vaten.
Gauze, gôz, gaas; Gauze-wire = ijzerdraadgaas; Gauzy = gaasachtig.
Gave, geiv, imperf. van to give.
Gavel, gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht;
Gavelkind = erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land
gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld; Gavelman = huurder van
land onder de bepalingen van gavelkind.
Gavelock, gav’lok, breekijzer, werpspies.
Gaveston, gavəst’n.
Gavial, geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).
Gavot(te) gəvot, gavot, gavotte.
Gawk, gôk, koekoek, zot; Gawkiness, subst. van het adj. Gawky =
lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.
Gay, gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd,
opgewonden (van drank), losbandig; subst. Gayness; adj. Gaysome.
Gayal, gaiəl, geiəl, soort rund (Brit. Ind.).
Gaze, geiz, subst. blik, aanblik; Gaze verb. staren: At gaze = starend,
en face; Gaze-hound = windhond; Gazing-stock = voorwerp van afschuw of
nieuwsgierigheid.
Gazebo, gazîbou, belvedère.
Gazelle, gəzel, gazelle.
Gazette, gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant;
Gazette verb. in de staatscourant (dus: officieel) bekend maken: To be
in the gazette = bankroet zijn; He was gazetted = aangesteld,
bevorderd; Gazetteer, gazətîə, redacteur van een staatsblad,
dagbladschrijver; geographisch woordenboek.
Gazogene, gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.
Gazon, gəzûn, grasperk.
Gean, gîn, Spaansche kers.
Gear, gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen,
zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel,
mechaniek, tandrad; Gear verb. tuigen, aan den gang brengen: It was
thrown out of gear = de koppeling werd verbroken, de zaak werd
bedorven; My ships are out of gear = onttakeld; Gearing = tuig, harnas,
stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.
Geck, gek, nar, spot; Geck verb. bespotten.
Gecko, gekou, gecko.
Gee, dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan: Gee up,
Gee Woo = vooruit! The horse gee-up’d = het paard ging vooruit; Gee-gee
= paard (in de kindertaal).
Geelong, gîloŋ.
Geese, gîs, ganzen.
Gehenna, gəhenə, Gehenna, Hel.
Geikie, gîki.
Geisha, geiša.
Gelatine, dželətîn, gelatine; Gelatinous, džəlatinɐs, gelatine- of
geleiachtig.
Geld, geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust; Gelder =
snijder; Gelding = het snijden; ruin, gesneden dier.
Gelid, dželid, ijskoud; subst. Gelidity.
Gem, džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog; Gem verb. met
edelgesteenten tooien, ontbotten; Gemmy = vol edelgesteenten,
schitterend, rijk, fijn, net.
Gemara, gəmârə, tweede deel van den Talmud.
Geminate, džeminit, adj. in paren: Geminate-leaves = tweelingbladen;
Gemination = verdubbeling.
Gemini, džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).
Gemma, džemə, bladknop; Gemmate, džemit, knoppen hebbende; Gemmation,
džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming; Gemmiferous,
džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend =
Gemmiparous, džəmipərɐs.
Gemman, džem’n, samentrekking van gentleman; mv. Gemmen.
Gemmule, džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.
Gemote, gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).
Gemsbok, gemzbok, Kaapsche gems.
Gendarme, džendâm, gendarme; Gendarmery.
Gender, džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.
Genealogic(al), dženiəlodžik(’l), džîniəlodžik(’l),
geslachtrekenkundig; Genealogical-tree = stamboom; Genealogist =
geslachtkundige; Genealogy = geslachtrekenkunde, stamboom.
Genearch, dženiâk, džîniâk, stamvader.
Genera, dženərə, meervoud van Genus.
General, dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald,
gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de
infanterie); meid alleen: In general = in of over het algemeen; In a
general way = in algemeenen zin, over het algemeen; The general public
= het groote publiek; General assembly = wetgevende vergadering
(Amer.); General dealer = iemand die in allerlei dagelijksche artikelen
handelt; General invitation = uitnoodiging eens voor al; General
practitioner = geneeskundige; General servant = meid alleen; General
warrant = bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen;
Generalism = algemeene conclusie; Generalissimo, dženər’lisimou,
opperbevelhebber; Generality = algemeenheid, meerderheid, groote hoop:
The general of people = de menschen in ’t algemeen; Generalization =
generalisatie; Generalize = algemeen maken; generaliseeren; Generalship
= generaalschap, beleid, handigheid.
Generate, dženəreit, voortbrengen, telen; Generating station =
centrale; Generation = voortbrenging, geslacht, nakomelingen: Noah was
perfect in his generations (Bijbelsch: Zie Gen. VI, 9); Generative =
voortbrengend; vruchtbaar: Generation power = voortbrengend vermogen;
Generator = voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel;
Generic(al) = een genus omvattend of betreffend, geslachts ...
Generosity, dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid; Generous,
dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.
Genesis, dženəsis, voortbrenging, Genesis.
Genet, džənet, genetkat, ook: dženət, soort paard.
Genetic(al), džənetik’(l), genetisch; ontstaans...: Genetic affinity =
geslachtsverwantschap.
Geneva, džənîvə, jenever; Genève: The Lake of Geneva = Meer v. G.;
Geneva bible = bijbel van 1560; Geneva cross = het roode kruis voor
ambulances, enz.; Geneva gown = toga (v. Presb. geestelijken); Genevan,
subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch; Genevese,
dženəvîz, dženəvîs; Zie Genevan.
Genial, džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht;
geslachts ...; Geniality, džînialiti, opgewektheid.
Geniculate(d), džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst.
Geniculation.
Genie, džîni, genius; mv. Genii, džîniai.
Genista, džənistə, genista, Duitsche brem.
Genital, dženitəl, geslachts - -; Genitals = geslachtsdeelen.
Genitival, dženitaiv’l: Genitival relation = eene genitiefverhouding of
-betrekking; Genitive, dženitiv, subst. genitief; adj. van den
genitief.
Genius, džîniəs, (Meerv. Geniuses, džîniəsiz) genie, talent (for);
Genius (Meerv. džîniai); geest, genius.
Genoa, dženouə, Genua; Genoese, dženouîz, dženouîs, subst. Genuees;
adj. van Genua.
Gent, džent, heer, snuiter; verkorting van gentleman.
Genteel, džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk;
subst. Genteelness.
Gentian, dženšən, Gentiaan.
Gentile, džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj.
heidensch, ongeloovig; Gentilism, džentilizm, heidendom.