Frill, fril, subst. geplooide strook, kanten kraag; affectatie,

opgedirktheid (Amer.); Frill verb. plooien, van een frill voorzien; de

veeren van koude opzetten.

Fringe, frinž, subst. franje, rand; Fringe verb. met franje versieren:

To wear one’s hair in a fringe = ponnies hebben; Newgate fringe (Fringe

frill) = baard onder de kin.

Fringilla, frindžilə, vink; Fringillaceous, frindžileišəs, tot de

vinken behoorend.

Fringing, frinžiŋ, franje, rand: Fringing reef = koraalrif dat een

eiland omgeeft.

Frippery, fripəri, subst. oude kleeren, tweedehandsmeubels,

oude-kleerwinkel, prulleboel; adj. min, beuzelachtig.

Frisco, friskou = San Francisco.

Frisia, frižə, Friesland; Frisian, Fries(ch).

Frisk, frisk, subst. dartele sprong, dol, vroolijke bui; adj. levendig,

dartel, druk; Frisk verb. rondspringen, dansen, dartelen; Friskiness,

subst. van Frisky = dartel, vroolijk, uitgelaten.

Frit, frit, subst. frit, gesmolten glasmassa.

Frith, frith, mond eener rivier, vischweer; kreupelhout.

Fritillary, fritiləri, keizerskroon (bloem).

Fritter, fritə, brokje, stuk, reepje, afgesneden stukje vleesch om te

bakken; Fritter verb. in kleine stukken snijden of breken, verknoeien:

He has frittered away his money, his time = zijn geld verknoeid, zijn

tijd verbeuzeld.

Frivolity, frivoliti, beuzelachtigheid, wuftheid; Frivolous, frivəlɐs,

beuzelachtig, nietig, wuft; subst. Frivolousness.

Friz(z), friz, krullen, kroezen; subst. krul; Frizzle = krullen, op

heete kolen bakken; Frizzler = friseur, kapper; Frizzling-iron =

friseertang.

Fro, frou, alléén in: To and fro = heen en weer.

Frock, frok, pij, kleed, kiel, jurk; Frock-coat = gekleede jas;

Frock-dress = in gekleede jas.

Frog, frog, kikker, langwerpige bekleede knoop met lus tot sluiting en

versiering; verbindingstuk om op andere rails te komen; straal (aan

paardehoeven); Frog-bit = kikkerkruid; Frog-eater = Franschman (iron.);

Frog-hopper = schuimcicade; Frogs’-march = kruipen op handen en voeten,

het wegdragen door de politie van een lastigen dronken man (met het

gezicht naar beneden); Frogged = met ‘frogs’ bevestigd of versierd;

Froggy = vol kikkers.

Froise, frôiz, spekpannekoek.

Frolic, frolik, subst. dartele sprong, grap; vroolijke partij, pretje;

adj. vroolijk, dartel, dol, lustig; Frolic verb. dartelen,

rondspringen, pret maken: Frolicsome = dartel, vroolijk; subst.

Frolicsomeness.

From, from, van, vandaag, vanuit, sedert, wegens: From forth = vanuit;

He had his mission from on high = hij ontving zijne zending van boven,

uit den hemel; From my childhood = van kindsbeen af; From the sixth of

May = sedert; It’s all from his unwillingness to oblige me = het komt

allemaal door zijne ongeneigdheid om mij te helpen; From time to time =

van tijd tot tijd; Judging from this = hiernaar te oordeelen; Protected

from the rain = beschermd voor; To sift grain from chaff = kaf van

koren, waarheid van leugen scheiden; Tell it him from me = namens mij.

Frome, froum.

Frond, frond, blad van planten als varens en palmen; Frondescence,

frondes’ns, het ontplooien der bladeren; adj. Frondescent, frondes’nt;

Frondiferous, frondifərɐs, waaiervormige bladeren dragend; Frondose,

frondous, frondous, waaiervormig (waaierdragend).

Frondeur, frondɐ̂, lid der Fronde i.e. tegenstanders van de Regeering

bij de minderjarigheid v. Lodewijk XIV.

Front, frɐnt, subst. voorhoofd, gelaat, voorste gedeelte, front, gevel,

voorvertrek: brutaalheid, schaamteloosheid, toertje (valsch haar),

overhemdje, begin, voorhoede; Front verb. het hoofd bieden, staan

tegenover, met het voorhoofd gekeerd staan naar, van een front

voorzien: He changed front all at once = hij veranderde in eens v.

batterij; This man has come to the front of late = neemt in den

laatsten tijd eene eerste plaats in; They presented a united front in

this emergency = in dezen nood boden ze gezamenlijk weerstand; To stand

in front of = staan vóór; My shoes must be new fronted = ik moet laten

voorschoenen; Front-benchers = (ministers) die op de eerste bank zitten

(Lagerhuis); Front-box = loge tegenover het tooneel; Front-door =

voordeur; Front opposition bench = eerste bank, links van den Speaker,

in het House of Commons waarop de leiders der oppositie zitten;

Front-rank = eerste rang (klas); Frontage, frɐntidž, voorzijde of front

van een gebouw langs de geheele uitgestrektheid; Frontal, subst.

fronton, hoofdband, deur- of vensterboog; adj. eerste, voorste, vooraan

gelegen, tot het voorhoofd of front behoorende; Frontlet, kleine

hoofdband; Fronton, frontən, frɐntən, of Fr. uitspr., fronton.

Frontier, frontjə, frɐntjə, frontîə, subst. grens(lijn); adj. aan de

grenzen gelegen.

Frontispiece, frontispîs, frɐntispîs, frontispies, voorgevel, plaat

tegenover het titelblad, gelaat; voorzien van een frontispies.

Frost, frost, vorst, ijzel, kilheid, koele ontvangst; Frost verb.

berijpen, glaceeren, scherpen (v. paardehoeven), mat of dof maken: The

singer was a fearful frost = had niet het minste succes; This piece

will run no chance of a frost = dit zal ongetwijfeld succes hebben,

“gaan”; Frost-bitten = bevroren: A frost-bitten nose = bevroren neus;

Frost-bound = ingevroren; Frost-flower (Zie Frost-work); Frost-nail =

ijsnagel (voor paarden); Frost-work = ijsbloemen op glas, enz.; Frosted

= geglaceerd, mat: Frosted glass = ijsglas; Frosted silver = mat

zilver; Frostiness = vorstigheid; Frosting = suikerglazuur, matte

oppervlakte; Frosty = vorstig, koel, koud.

Froth, froth, subst. schuim, ijdel gesnap, gewauwel; Froth verb. met

schuim bedekken, (doen) schuimen, ijdele praat houden: Froth and

flummery = gewauwel en nonsens; Froth-spit, Zie Frog-hopper;

Frothiness, subst. van Frothy = schuimend, ijdel, onbeteekenend.

Froude, frûd.

Frounce, frauns, krul, rimpel: Frounces of phrase and style = gemaakte

zinswendingen en onnatuurlijke stijl.

Frousy, Frouzy, frauzi, vuil, slordig, muf, rans.

Froward, frouwəd, adj. weerspannig, gemelijk, onaangenaam; subst.

Frowardness.

Frown, fraun, subst. gefronst gelaat, ontevreden blik; Frown verb.

fronsen, dreigend staren: He was under the frown of power = de

machtigen staarden hem dreigend aan; He frowned us into obedience =

zijn dreigende blik deed ons gehoorzamen.

Frowzy, frauzi = Frousy.

Froze, frouz, imperf. van to freeze.

Frozen, frouz’n, bevroren, buitengewoon koud, kil; part. perf. v. to

freeze: The Frozen Ocean = de IJszee; The Frozen Zones = de

Poolstreken.

Fructescence, frɐktes’ns, rijpwording der vruchten, vruchtentijd;

Fructiferous = vruchtdragend; Fructification, frɐktifikeiš’n,

bevruchting, vruchtvorming; Fructify, frɐktifai, vruchtbaar maken,

vrucht dragen; Fructose, frɐktous, frɐktous, vruchtensuiker.

Frugal, frûg’l, matig, zuinig; Frugality, frugaliti, matigheid,

zuinigheid.

Frugivorous, frudživərɐs, vruchtenetend.

Fruit, frût, vrucht(en), fruit, kroost, gevolgen, voordeel; Fruit verb.

vruchten dragen; Fruit-bearing = vruchtdragend; Fruit-bud = vruchtknop;

Fruit-dish = vruchtenschaal; Fruit-knife = fruitmesje; Fruit-loft =

fruitzolder; Fruit-time = oogsttijd, vruchtentijd; Fruit-tree =

vruchtboom; Fruitage = ooft; opbrengst; Fruiterer = fruithandelaar;

Fruitful = vruchtbaar; subst. Fruitfulness; Fruitiness = vruchtensmaak;

Fruition, frûiš’n, vruchtgebruik, bezit, genot daaruit voortvloeiend;

Fruitive, frûitiv, genietend, gebruikend; Fruitless = vruchteloos;

subst. Fruitlessness; Fruity = met vruchtensmaak.

Frumenty, frûm’nti, tarwepap.

Frump, frɐmp, brommige, ouderwetsch of slordig gekleede vrouw; Frump

verb. bespotten, afsnauwen: Old frump = oude soes; Frumpish = lastig,

brommig, ouderwetsch, slonzig; ordinair; Frumpish ways = ouderwetsche

manier van doen; Frumpy = Frumpish.

Frustrate, frɐstreit, teleurstellen, verijdelen, tenietdoen; adj.

frɐstrit, ijdel, nutteloos; subst. Frustration.

Frustum, frɐst’m, brok, stuk: Frustum of a cone (pyramid) = geknotte

kegel (zuil).

Frutescent, frûtes’nt, heesterachtig.

Fry, frai, bakken, braden; schoteltje, baksel; lever, longen, hart,

enz. van varkens, schapen, kalveren en ossen; school (jonge visschen),

jong goedje of volkje, kleinigheden, mindere lui; Frying-pan = bakpan:

Out of the frying-pan into the fire = van den regen in den drop, van

den wal in de sloot.

Fub, fɐb, bedriegen, stelen: To fub off = onder valsche voorwendsels

uitstellen.

Fuchsia, fjûšə, foksia.

Fucus, fjûkəs, blaaswier.

Fuddle, fɐd’l, dronken maken, overmatig drinken, zuipen: He fuddled

himself; Fuddler = dronkaard.

Fudge, fɐdž, subst. malligheid, onzin; interj. och loop! onzin!; Fudge

verb. vervalschen, verzinnen; opsnijden: He fudged his reports from

another paper = flanste samen.

Fuel, fjûəl, subst. brandstof; Fuel verb. van brandstof voorzien,

voeden: That added (was as) fuel to the fire = dat was olie in ’t vuur;

Fuel-gas = kookgas.

Fuff, fɐf, subst. trekje (aan sigaar of pijp); Fuff verb. trekken,

puffen; Fuffy = opgeblazen, buiïg.

Fugacious, fjugeišəs, vluchtig; vroeg afvallend; subst. Fugacity.

Fugh, fjû, Bah! Zie Faugh.

Fugitive, fjûdžitiv, subst. vluchteling, deserteur; adj. vluchtig,

voorbijgaand, voortvluchtig, zwervend: Fugitive compositions = werken

van één dag; Fugitiveness = vluchtigheid.

Fugleman, fjûg’lmən, vleugelman, guide; leider, woordvoerder.

Fugue, fjûg, fuga; Fuguist, fjûgist, componist van fuga’s.

Fulcrate, fɐlkrit, van steunorganen voorzien; Fulcrate-stem = boom,

waarvan de takken tot de aarde reiken; Fulcrum, fɐlkr’m, steunpunt (van

een hefboom), stut, steun.

Fulfil, fulfil, vervullen, volbrengen, uitvoeren: This short note

fulfils the adage, for it is a merry one = dit korte briefje maakt het

bekende gezegde waar, want het is een vroolijk kattebelletje (i.e.

Short but merry); He was fulfilled of this pleasure = had er genoeg

van; subst. Fulfilment.

Fulgency, fɐldž’nsi, glans, schittering; adj. Fulgent.

Fulgo(u)r, fɐlgə, schittering; Fulguration, fɐlgjureiš’n, weerlicht,

fonkeling; Fulgurite, fɐlgjurait, fulguriet, bliksembuizen.

Fulham, fuləm.

Fuliginous, fjulidžinɐs, roetachtig, rookerig, vuil, duister, somber.

Fulk, fɐlk, Folkert.

Full, ful, adj. vol, verzadigd, bezet, dik, gevuld, rijp, volkomen,

krachtig; subst. volle maat, grootste uitgebreidheid, hoogste punt: The

full of the moon = de tijd, dat de maan vol is; The moon was at the

(its) full = was vol; We are full = wij hebben geen plaats meer (in

hotel of school, etc.); The dogs were in full cry = blaften alle luide;

He knows it full well = hij weet het heel goed; To the full, In full =

ten volle, geheel; Full and by = met volle zeilen, en scherp bij den

wind; Full age(d) = meerderjarig(heid); Full-armed = in volle

wapenrusting; Full-bloomed = in vollen bloei, rijp; Full-blown = geheel

ontwikkeld, volkomen rijp; Full-bottom(ed wig) = allonge pruik, lange

krulpruik (gedragen door rechters); Full-cry = samen blaffend;

Full-dress = gala; Full-drive = in vollen ren, met volle kracht;

Full-eyed = met groote oogen; Full-faced = met groot en dik gelaat; A

full-fledged socialist = ten volle ontwikkeld, overtuigd; Full-out =

geheel, voluit; Full-stop = punt, plotseling einde; Full-swing = in

vollen ren, volkomen vrij, druk bezig: We are in the full swing of

stopping managers to play our pieces = wij zijn druk bezig er een

stokje voor te steken, dat ...; Fullness = volheid: In the fullness of

time; Fully = ten volle; Fully-committed = naar de Assizes verwezen.

Full, ful, vollen; Fullage = geld voor ’t vollen; Fuller = voller;

Fuller’s earth = vollersaarde; Fullery = Fulling-mill = vollersmolen.

Fulminate, fɐlmineit, donderen, losbarsten, ontploffen;

Fulminating-powder = donderpoeder; Fulminatory, donderend; Fulminic:

Fulmic acid = knalzuur.

Fulness = Fullness.

Fulsome, fɐls’m, aanstootelijk, overdreven, grof; subst. Fulsomeness.

Fulton, fult’n.

Fulvous, fulvəs, taan- of voskleurig.

Fumble, fɐmb’l, rondtasten, tastend zoeken, onhandig doen, knoeien met,

verward zijn, morrelen aan (with), verfrommelen (up).

Fume, fjûm, subst. uitwaseming, damp, reuk, toorn, woede; Fume verb.

damp uitwerpen, in damp opgaan, rooken (van vleesch, etc.), doorgeuren,

ontsmetten (door rook en damp), woedend zijn: He was in a fume = hij

was woedend; To sleep off the fumes of a debauch = zijn roes uitslapen;

He walked up and down, fretting and fuming = knarsetandend en woedend.

Fumigate, fjûmigeit, doorgeuren, ontsmetten (door rook); Fumigation =

berooking; rook, wierook: Fumigator = rook- of damptoestelletje;

Fumitory = duivenkervel; Fumous = damp of rook veroorzakend.

Fun, fɐn, subst. pretje, grap, vroolijkheid; Fun verb. grappen maken:

That was the fun of it = dat was juist de aardigheid er van; It

wouldn’t be much fun = niet erg leuk zijn; I did it for (in) fun, for

the fun of the thing = voor de grap, voor de aardigheid; To have good

(great) fun = veel pleizier hebben; He made fun of it = hij maakte er

een grapje van; To poke fun at = voor de mal houden.

Funambulation, fjûnambjuleiš’n, het koorddansen; Funambulist.

Function, fɐŋkš’n, subst. verrichting, uitvoering, beroep, dienst (van

een bepaald orgaan), bijeenkomst, partij, feest, kerkelijk ambt;

Function verb. een plicht, dienst of beroep vervullen: That railway

functions no longer = die baan is buiten dienst; Functional-disease =

organisch gebrek; Functionary, fɐŋkš’nəri, ambtenaar, beambte.

Fund, fɐnd, subst. fonds, kapitaal, voorraad (Funds = nationale schuld,

geld, financiën) Fund verb. beleggen (van geld), een fonds bestemmen

voor; Fund-holder = actiënhouder; Funded debt = staatsschuld, die de

regeering niet op een bepaalden tijd behoeft af te lossen;

Funding-system = amortisatie-stelsel.

Fundament, fɐndəment, grondslag, benedenste, achterste; Fundamental,

fɐndəment’l, adj. den grondslag vormend, voornaamste, oorspronkelijk;

subst. basis, grondslag, grondtoon: Fundamental bass = becijferde bas,

aanduiding der accoorden door hun grondtoon.

Fundi, fɐndi, Fundungi, f’ndɐnži, West-Afrikaansch koren.

Funen, fjûnən.

Funeral, fjûnər’l, subst. begrafenis, lijkstatie; ook adj.: Funeral

pile = brandstapel; Funeral-sacrifice = doodenoffer; Funeral-sermon =

lijkrede; Funeral-train = begrafenisstoet; Funeralize = als geestelijke

dienst doen bij eene begrafenis (Amer.); Funereal, fjunîriəl,

begrafenis ..., treurig: A funereal gait = begrafenispas.

Fungacious, fɐŋgeišəs; Fungal, fɐŋg’l, spons- of zwamachtig; Fungi,

fɐnžai, zwammen; Fungivorous, fɐndživərɐs, zich met zwammen of

paddestoelen voedend; Fungoid, fɐŋgôid; Fungous, fɐŋgəs, zwamachtig;

Fungus, fɐŋgəs, zwam, sponsachtige uitwas: Fungous flesh = wild

vleesch.

Fungible, fɐnžib’l, vervangbaar.

Funicle, fjûnik’l, dun snoer, vezel, navelstreng; Funicular,

fjunikjulə, kabel- of touwvormig: Funicular railway = kabelspoorweg;

Funiculus, fjunikjulɐs = Funicle; Funiliform = vezelvormig.

Funk, fɐŋk, subst. stank, vrees, lafhartigheid, lafaard; schop,

knorrigheid; Funk verb. bang maken of zijn, schoppen of trappen (van

woede), woedend zijn: He was in a blue funk = zat vreeselijk in de

rats; You seem to funk it = gij schijnt het niet aan te durven; Funker

= bange, benauwde vent; Funky = angstig.

Funnel, fɐn’l, trechter, schoorsteen (van stoomboot of locomotief);

Funnel-form (Funnel-shaped) = trechtervormig; Funnel-net = fuik.

Funniments, fɐnimənts = grapjes; Funny, fɐni, grappig, kluchtig; subst.

soort van roeiboot; Funny-bone = elleboogsknokkel: A rap on the

funny-bone = weduwnaarspijn.

Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong,

ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; Fur verb. met

bont voeren of afzetten, beslaan (van de tong); Furbelow, subst.

geplooide rand aan japonnen of rokken; opschik, tooi; Fur verb. met

bont voeren of omzoomen; Fur-moth = mot; Fur-trimmed = met bont

omzoomd; Furred = met bont gevoerd; Furring = pelswerk, beslag op de

tong, ketelsteen, spijkerhuid; Furry = met bont gevoerd, uit bont

bestaand, bont ...

Furbish, fɐ̂biš, oppoetsen, polijsten, bruineeren; Furbisher =

polijster, zwaardveger.

Furcate(d), fɐ̂kit (-eitid), gevorkt, in twee takken gedeeld; Furcation

= vertakking.

Furfur, fɐ̂fə, roos (op ’t hoofd); Furfuraceous, fɐ̂fəreišəs, gekorst.

Furiosity, fjûriositi, krankzinnigheid; Furious, fjûriəs, woedend, dol,

geweldig, levenmakend; subst. Furiousness.

Furl, fɐ̂l, samenrollen, vastmaken (van zeilen).

Furlong, fɐ̂loŋ, ⅛ van eene E. mijl of ± 201 M.

Furlough, fɐ̂lou, subst. verlof; Furlough verb. verlof toestaan: He is

on furlough = met verlof.

Furmenty, fɐ̂m’nti. Zie Frumenty.

Furnace, fɐ̂nis, subst. oven, vuurhaard; vuurproef, martelplaats.

Furnish, fɐ̂niš, voorzien, uitrusten, meubileeren, versieren; in betere

‘conditie’ komen (rensport): They furnished him forth with the best

they could get = zij rustten hem uit met, voorzagen hem van; Furnisher

= leverancier, behanger.

Furniture, fɐ̂nitšə, uitrusting, huisraad; meubilair, tuig, sloten aan

deuren en vensters, monteering (van een kanon), masten en tuig:

Articles of furniture = meubelen; Furniture-van = verhuiswagen; The

coffin was destitute of furniture = de kist had geen zilveren hengsels,

etc.

Furrier, fɐ̂riə, bontwerker, bonthandelaar; Furriery = bontwerkerszaak,

bontwerken.

Furrow, fɐrou, subst. voor, groef, rimpel; Furrow verb. doorploegen,

groeven of rimpels trekken in; Furrow-drain = voor (om water af te

voeren); Furrow-faced = met gerimpeld gelaat.

Further, fɐ̂dhə, adj. verder, meer, buitendien, behalve, bijgevoegd;

Further verb. bevorderen; adv. bovendien, behalve: On the further side

= aan den anderen (tegenovergest.) kant; Further than this = buiten dit

alles; Furtherance, fɐ̂dhər’ns, bevordering, hulp, bijstand: In

furtherance of = ter bevordering van; Furtherer = bevorderaar;

Furthermore = bovendien; Furthermost = het verst verwijderd; Furthest,

fɐ̂dhist, adj. het verst; adv. verst: I shall come to-morrow at the

furthest = op zijn laatst.

Furtive, fɐ̂tiv, steelsgewijs, heimelijk, sluw.

Furuncle, fjûrɐŋk’l, bloedvin, zweer.

Fury, fjûri, woede, dolheid, onstuimigheid, razernij: The Furies = de

drie wraakgodinnen.

Furze, fɐ̂z, gaspeldoorn, stekelbrem; brem; Furzy = met brem begroeid.

Fuse, fjûz, smelten, vloeibaar maken, samensmelten; Fusion =

(samen)smelting, vereeniging.

Fuse, fjûz, (ook Fusee) sisser of lont.

Fusee, fjuzî, lont, windlucifer, spil (in een uurwerk); spoor van wild.

Fusibility, fjûzibiliti, smeltbaarheid; Fusible, fjûzib’l, smeltbaar.

Fusiform, fjûziföm, spilvormig.

Fusil, fjûzil, fuziel(geweer); ruit (in de heraldiek); Fusileer,

Fusilier, fjûzilîə, fuselier; Fusil(l)ade, fjûzileid, fjûzileid, subst.

geweervuur; Fusil(l)ade verb. neerschieten, fusileeren.

Fuss, fɐs, subst. lawaai; noodelooze, opzienbarende drukte; Fuss verb.

woelig en druk zijn, klateren, snel stroomen: Fuss and feathers = veel

geschreeuw en weinig wol (Amer.); The river fretted and fussed over its

bed = schuurde en klaterde; The tug fussed and fretted, tossing over

the green waves = pufte en woelde; The animal was fussing and fuming

after it = liep er puffend en woedend achteraan; Fussiness = drukte,

enz.; Fussy = drukte makend, druk: A fussy looking fellow = een

opgewonden, druk standje.

Fussock, fɐsək, dikke “moeke”.

Fust, fɐst, subst. vatlucht, muffe reuk; Fust verb. duf en muf worden;

Fusty = muf, duf, bedorven.

Fusteric, fɐstərik, fustiek, gele verfstof; Fustet = Hongaarsch geel

verfhout; Fustin = Fusteric.

Fustian, fɐstj’n, subst. fustein; bombast, gezwollen stijl; adj. van

fustein; opgeblazen, gezwollen.

Futhork, fûthök, runenalphabet.

Futile, fjût(a)il, beuzelachtig, nutteloos, waardeloos; Futility =

beuzelachtigheid.

Futtock, fɐtək, oplanger: Futtock-shrouds = puttings.

Future, fjûtšə, subst. toekomst, “aanstaande”: To read the future =

waarzeggen; In the future = in de toekomst; In future = voortaan; adj.

toekomstig: Future tense = toekomende tijd; Futurist, fjûtšərist,

iemand die gelooft dat de prophetieën der H. S. nog zullen vervuld

worden; Futurity, fjutjûriti, toekomst, toekomstige gebeurtenissen.

Fuzz, fɐz, subst. dons, kleine vezeltjes; stuifzwam; Fuzz verb. in

kleine deeltjes wegvliegen; Fuzz-ball = stuifzwam; Fuzz-wigged = met

krullige pruik; Fuzziness, donzig(vlokkig)heid; Fuzzy = vlokkig,

donzig, ruig, kroes, aangeschoten, beneveld; ongezond, verrot.

Fy, fai, foei!

Fyke, faik, fuik; Fyke-fisherman; Fyke-net (Amer.).

Fytte, fit, zang, vers.

G.

G, džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool): He

possessed no final g’s to his name = was niet vulgair, van lage kom-af;

Gael(ic); G(reat) B(ritain); G(rand) C(ross of the) B(ath); G(rand)

C(ross of St.) M(ichael and St.) G(eorge) = koloniale orde; G(rand)

C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); G(rand) D(uke); Gent(leman);

Geo(rge); Geol(ogy); Geom(etry); G(rand) L(odge); Gosp(el); Goth(ic);

Gov(ernment); Gov(ernor) Gen(eral); G(eneral) P(ost) O(ffice); Gr(ain);

Greg(ory); Gtt = druppels.

Gab, gab, subst. gewauwel, gesnap; Gab verb. praten, snappen, kakelen:

He has the gift of the gab = hij kan praten als Brugman; Gabble, subst.

luid gekakel, druk gerammel; Gabble verb. wauwelen, praten, kakelen,

rammelen, druk en onduidelijk snappen; Gabble-mill = het Congres

(Amer.); Gabby = praatziek.

Gabarage, gabəridž, grof paklinnen.

Gabardine, gabədîn, grof overkleed; kaftan.

Gaberlunzie, gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar

(Schotl.).

Gabion, geibj’n, schanskorf; Gabionade, geibjəneid, geibjəneid,

versterking van schanskorven, krib; Gabionage = schanskorven; Gabioned

= met Gabions.

Gable, geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel: Stepped gable =

trapjesgevel; Gable-roof = zadeldak; Gable-window = gevelvenster;

Gabled = van gevels voorzien.

Gabriel, geibriəl.

Gaby, geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.

Gad, gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor;

horzel; Gad verb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden: He did not

know what to say on the gad = zoo gauw; His imagination was gadding =

zijne fantasie was aan het dwalen; Gad-about = belust op rondzwerven of

uitloopen; uitlooper, uitloopster; He has a gad-about spirit = hij

houdt van doelloos rondzwerven; Gad-fly = horzel, paardevlieg; Gadder =

Gad-about; Gadling, subst. vagebond; adj. zwervend; Gaddle = aan het

zwerven of in de war brengen: That thought set all their little heads

gaddling = bracht al hunne hoofdjes op hol.

Gadelle, gədel, roode bes.

Gadhelic, gədelik, gadəlik, Keltische taal of bewoner van Schotland,

Ierland en het eiland Man.

Gaekwar, geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.

Gael, geil, Kelt; Gaelic, geilik, galik, Keltisch.

Gaff, gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater

van de laagste soort; Gaff verb. gevangen visch aan land brengen met

een ijzeren haak: To blow the gaff = verraden; Gaff-topsail =

gaftopzeil.

Gaffer, gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.

Gaffle, gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).

Gag, gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne

rol lascht; Gag verb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het

zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol); Gagger = knevelaar.

Gage, geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene

pruim; peil (Z. Gauge); Gage verb. verpanden, op het spel zetten,

peilen.

Gaggle, gag’l, snateren, kakelen.

Gaiety, geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon; Gaily,

geili, vroolijk.

Gaikwar, geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 49 / 152 段