Forgivable, fögivəb’l, vergeeflijk; Forgive, fögiv, vergeven,

vergiffenis schenken, kwijtschelden, door de vingers zien; subst.

Forgiveness; Forgiving = vergevingsgezind; subst. Forgivingness.

Forgo, fögou, opgeven, laten varen, verliezen, inboeten.

Forgot(ten), fögot(’n), imp. en p.p. van forget.

Fork, fök, subst. vork, gaffel, scheiding van een weg, etc.,

moeilijkheid, lastig geval, stemvork; Fork verb. met eene vork opheffen

en aangeven, omspitten, scherpmaken, zich vertakken, stelen, kapen: You

shall fork it over (out) first = je zult het eerst overgeven, eerst

opdokken; Fork-head = gevorkte pijlspits; Fork-tail = naam voor visch

met gevorkten staart; Forked = gevorkt, zigzag: Forked lightning =

zigzag bliksemstralen; Forky = gevorkt.

Forlorn, fölön, verlaten, hulpeloos, ongelukkig, eenzaam; vervallen,

vermagerd: Forlorn-hope = troep soldaten, die voor een uiterst

gevaarlijken post zijn aangewezen; gevaarlijke post, wanhopig geval,

laatste redmiddel; subst. Forlornness.

Form, föm, (uiterlijke) vorm van iets, vorm (drukken), gedaante,

stelsel, leest, model, formulier, gelijkheid, plichtpleging, schoolbank

(zonder rugleun.), klasse (in school), leger (v. een haas),

geschiktheid, goede figuur; Form verb. vormen, scheppen, oefenen, zich

richten of vormen: To be bad form = onnet, ongepast; To be in good form

= netjes, zooals het behoort; The horse was not in form to-day = niet

“in conditie”; The prime minister was in splendid oratorical form = des

eersten ministers redenaarstalenten kwamen prachtig uit; They went

through the form of dining = voor den vorm deden ze, alsof; They formed

for a dance = zij traden aan om te dansen; They formed in front = zij

plaatsten zich in de voorhoede in ’t gelid; Formal = vormelijk,

precies, stellig, stijf, vol plichtplegingen, naar den vorm: His

evidence was of a formal order = zijne getuigenis betrof slechts

feiten; Formalism = vormendienst; Formalist = vormelijk mensch,

formalist; Formality, fömaliti, vormelijkheid; uiterlijke schijn;

formaliteit; Formation = vorming, samenstelling of afleiding, formatie;

Formative = vormend, niet tot den stam behoorend; Former = Schepper,

vormer, vorm, model.

Former, fömə, voorafgaand, vroeger, eerste; Formerly = vroeger, te

voren.

Formic, fömik, van mieren; Formic-acid = mierenzuur; Formication =

jeuking.

Formicant, fömik’nt, zwak en onregelmatig (van den pols).

Formidable, fömidəb’l, geducht, vreeswekkend; subst. Formidableness.

Formula, fömjulə, formule, recept: Formularize = formuleeren;

Formulary, subst. = formulier, formule; adj. voorgeschreven,

vastgesteld naar den ritus; Formulate = Formularize = Formulize.

Fornicate, fönikeit, hoereeren; Fornication, fönikeiš’n, ontucht,

bloedschande, overspel, afgodendienst; Fornicator = hoereerder,

afgodendienaar.

Fors Clavigera, föz klavigərə (of klavidžərə).

Forsake, föseik, verzaken, verlaten, begeven; Forsaken = part. perf.;

Forsook, fösuk, imperf. van to forsake.

Forsooth, fösûth, voorwaar, zeker (dikwijls ironisch).

Forspeak, föspîk, beheksen (Schotl.).

Forspend, föspend, verkwisten, afmatten.

Forswear, föswêə, afzweren, bij eede ontkennen: You are forsworn = gij

hebt uw eed gebroken; You have forsworn yourself = gij hebt een meineed

gedaan.

Forsyth, fösaith.

Fort, föt, subst. sterkte, vesting, kasteel, iemands sterke zijde; adj.

sterk, machtig.

Fortalice, fötəlis, klein buitenwerk.

Forte, föt, iemands sterke zijde; forto; bovenkling (schermen).

Forth, föth, vooruit, buiten, uit, voorwaarts, de grenzen te buiten

gaande, voort: To be forth-coming, föthkɐmiŋ = gereed of op ’t punt te

verschijnen, verschijnend; subst. te voorschijn komen: No confirmation

of the report was forth-coming = het gerucht werd niet bevestigd;

Forth-going, föthgouiŋ, uitgaand, voortzettend; subst. uitgaan;

Forth-issuing = uitkomend; Forthright = recht vooruit, oprecht;

Forthrightness of phrase = juistheid van uitdrukking; Forthwith,

föthwidh, föthwith, föthwith, onmiddellijk, op staanden voet.

Fortieth, fötiəth, subst. en adj. veertigste (deel).

Fortification, fötifikeiš’n, versterking, fort; Fortify, fötifai,

versterken, bevestigen; Fortitude, fötitjûd, lichamelijke of

zielskracht, vastberadenheid, moed, geduld.

Fortnight, fötnait, veertien dagen; Fortnightly = alle veertien dagen;

veertiendaagsch.

Fortress, fötrəs, vesting, kasteel, sterkte.

Fortuitous, fötjûitɐs, toevallig; Fortuitousness, toevalligheid;

Fortuity, fötjûiti, toeval.

Fortunate, fötšənit, gelukkig, gunstig; subst. Fortunateness; Fortune,

fötš’n, subst. geluk, fortuin, lot, groote rijkdom, bezit; Fortune

verb. begunstigen, gebeuren: By fortune = toevallig; Fortune favours

the bold = wie waagt, wint; As fortune would have it = toevallig (’t

was of het spel sprak); He came into his fortune = hij kreeg zijn

erfdeel; Fortune-book = voorspellingsboekje; Fortune-hunter = iemand,

die bij het trouwen op geld uit is; Fortune-hunting = het zoeken van

eene rijke vrouw; Fortune-tell = waarzeggen; Fortune-teller =

waarzegger; Fortune-telling = waarzeggerij.

Forty, föti, veertig: In forty seconds = in minder dan geen tijd; I’ll

take my forty winks = een dutje doen; The roaring forties = streek op

40° tot 50° Z.B., met steeds krachtigen W.N.W. wind.

Forum, fôr’m, forum, rechtbank.

Forward, föwəd, subst. een vooraan geplaatst speler bij football; adj.

voorste, vroeg, ver gevorderd in, vroegtijdig, niet achterlijk,

wijsneuzig, brutaal, vooruit; adv. (Forwards) vooruit, voorwaarts;

Forward verb. bevorderen, aansporen, verhaasten, overzenden; interj.

voorwaarts! The book is in a forward state = het boek is een heel eind

op weg; I beg to forward this letter = ik ben zoo vrij u dezen brief te

doen toekomen; From this day forward = in het vervolg; Forwarder =

verzender, expediteur = Forwarding agent; Forwarding firm =

expeditiezaak; Forwarding note = vrachtbrief (Amer.); Forwardness =

vroolijkheid, vroegrijpheid, wijsneuzigheid, brutaliteit.

Fosbroke, fosbruk.

Fosse, fos, vestinggracht, halte.

Fossick, fosik, verlaten goudmijnen of waschplaatsen nasnuffelen;

lastig en druk zijn, aanhoudend zoeken; Fossicker (Austr.).

Fossil, fosil, subst. delfstof, versteend lichaam; iemand ten achteren

bij zijn tijd; adj. opgedolven, verouderd: Fossiliferous =

versteeningen bevattend; Fossilization = versteening; Fossilize,

fosilaiz, versteenen, verouderen.

Fossroad, fosroud, een der 4 groote heirbanen door de Romeinen

aangelegd, met slooten aan beide kanten, ook Foss(e)way geheeten.

Foster, fostə, voeden, zoogen, kweeken, aanmoedigen, koesteren;

Foster-brother = zoogbroeder; Foster-child = voedsterkind;

Foster-daughter = pleegdochter; Foster-father = pleegvader;

Foster-mother = zoogmoeder; Foster-sister = zoogzuster; Foster-son =

pleegzoon; Fosterer = voedster, zoogster, bevorderaar.

Fother, fodhə, wagenvracht; ook verb.: To fother a leak = stoppen.

Fotheringay, fodhəriŋgei.

Fotmal, fotmâl, 70 Eng. ponden (31,751 K.G.) lood.

Fought, fôt, imperf. en part. perf. van to fight.

Foul, faul, vuil, onrein, stinkend, heiligschennend, gemeen, zondig,

misdadig, onwettig, onbillijk, storm- of regenachtig, bewolkt,

belemmerend; subst. aanrijden, aanvaren, ongeoorloofde slag; Foul verb.

bevuilen, besmetten, in botsing komen, vuil worden, verward raken: Foul

means = oneerlijke; A foul pipe = vuile; Foul play = valsch spel,

bedrog; I had a foul taste in the mouth; Foul wind = tegenwind; We fell

(ran) foul of a rock = stieten op eene rots; These two persons fell

foul of each other = kregen samen twist; He fouled my course and

received all my weight = hij kwam mij in den weg, en kreeg mijne

geheele zwaarte op zich; Foul-anchor = onklaar anker; Foul-proof =

vuile proef; Foul-mouthed, Foul-spoken, Foul-tongued = vuile taal

sprekend; Foulness = vuilheid, etc.

Foulard, fulâd, zijden (hals)doek.

Found, faund, imp. en p.p. van to find.

Found, faund, metaal gieten; stichten, grondvesten, oprichten,

begiftigen; Foundation, faundeiš’n, grondslag, fundeering, stichting,

begiftiging, fundatie (Foundationer = alumnus); Foundation-muslin =

stijf gaas; Foundation-school = door corporaties of privaat-personen

gestichte school; Foundation-stone = eerste steen; Founder, subst.

metaalgieter; stichter, maker, begiftiger: He is the founder of the

feast = aanlegger; vr. Foundress; Foundry = metaalgieterij;

Foundry-goods = gietijzeren artikelen.

Founder, faundə, verb. zinken, zakken, vergaan, mislukken; doen zinken,

vallen, kreupel worden of maken (van paarden): A foundered copy =

slecht uitziend (onderhouden) exemplaar; I am foundered with cold =

stijf van koude.

Foundling, faundliŋ, vondeling: Foundling-hospital = vondelingshuis.

Fount, faunt, bron, fontein, put; Fountain, fauntin, bron, fontein,

waterreservoir; Fountain-head = oorsprong of bron v. eene rivier (ook

fig.); Fountain-pen = vulpen.

Four, fö, vier: To form fours = in vieren opmarcheeren; To be folded in

fours = in vieren; We are (run) on all fours = wij zijn (loopen) op

handen en voeten; They go on all fours = zij stemmen volkomen overeen;

That is on all fours with it = dat komt er geheel mede overeen; To

place on all fours with = gelijkstellen; Four-ale = goedkoop bier (4d.

het quart): Fourfold, adj. viervoudig; subst. viervoud; Fourfold verb.

verviervoudigen; Four-footed = viervoetig; Four-handed = vierhandig;

Four-horse = door vier paarden getrokken; Four-in-hand, subst. rijtuig

met vier paarden; adj. door vier paarden getrokken; Four-legged = met

vier pooten, viervoetig; Fourpenny, Fourpence = vierstuiverstukje;

Four-poster = groot ledikant met stijlen aan de vier hoeken; Fourscore

= tachtig; Foursquare = vierkant, vast gegrond, vast staand: The Eiffel

tower stands foursquare on feet of solid masonry = staat onwrikbaar

vast op; Four-wheeler = vigelante; Fourteen = veertien; Fourteenth =

veertiende; Fourth = vierde; Fourth-rate = vierklassig (bij de marine);

Fourthly = ten vierde.

Fourbisseur, fûəbisɐ̂, zwaardveger.

Fourgon, fûəgon, fourgon, ammunitie- of bagagewagen.

Fourierism, fûriərizm, het socialistisch stelsel, aanbev. door Charles

Fourier.

Fowl, faul, subst. gevogelte, het vleesch daarvan, gezamenlijke vogels,

haan, kip; Fowl verb. vogels vangen of schieten; Fowler = vogelaar;

Fowling-piece = ganzenroer; Fowling-shot = ganzenhagel.

Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; Fox verb. zuren (bij ’t gisten),

rood of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen,

voorschoenen aanzetten (Amer.); Fox-brush = vossestaart; Fox-chase

(Fox-hunt) = vossenjacht; Fox-earth = vossenhol; Fox-evil = kaalheid;

Fox-glove of Folks’-glove = vingerhoedskruid; Fox-grape = Amerikaansche

wijnstok; Fox-hound = hond voor vossenjacht; Fox-tail = vossestaart;

Fox-trap = vossenval; Fox-trot = sukkeldraf (van een paard); Foxed,

fokst, verkleurd, gevlekt; met gestikt bovenleer versierd (Amer.);

Foxing, subst. bovenleder; adj. verkleurend; Foxlike; Foxy = sluw,

rossig.

Fracas, freikəs, lawaai, ruzie.

Frack, frak, gretig, vaardig, krachtig.

Fracted, fraktid, gebroken; Fraction, frakš’n, breking (vooral met

geweld), gebroken getal, breuk, brok; het breken van het brood bij het

H. Avondmaal; Fractional, frakšən’l, tot eene breuk behoorend,

gebroken, klein, nietig: Fractional certificate = scrip certificaat;

Fracture, fraktšə, breuk (met geweld), gebroken deel; Fracture verb.

breken: Simple fracture = eenvoudige been- of armbreuk; Compound

fracture = gecomplic. breuk (beschadiging v. het weefsel).

Fractious, frakšəs, twistziek, kribbig; subst. Fractiousness.

Fragile, fradžil, broos, zwak, teer; Fragileness = Fragility,

frədžiliti, broosheid, zwakheid.

Fragment, fragm’nt, brokstuk; Fragmental, frəgment’l, Fragmentary,

fragm’ntəri, uit brokken bestaande, zonder verband.

Fragrance, Fragrancy, freigr’ns(i), geur, welriekendheid; Fragrant,

freigr’nt, geurig, welriekend.

Frail, freil, subst. bies (voor manden), biezenmandje of mat (voor

vijgen of rozijnen).

Frail, freil, bros, broos, teer, besluiteloos, onvast, zwak, zondig:

The frail sex; Frailness = Frailty = zwakheid, broosheid.

Fraise, freiz, subst. frees, halskraag, stormpaal (onder een hoek van

45°); spekpannekoek; drukte; Fraise verb. fraiseeren, met stormpalen

beschermen: The battalion was fraised = het bataljon stond met gevelde

bajonet.

Frame, freim, subst. samenstel, lichaamsgestel, steiger, geraamte,

lijst, raam, borduurraam, broeiraam (broeibak), etc.,

gemoedsgesteldheid, gietvorm; Frame verb. bouwen, samenvoegen, regelen,

ordenen, vormen, overlèggen, omlijsten, in elkander zetten: Out of

frame = in wanorde; His frame of mind = gemoedsstemming; Who framed

that story = bedacht; Frame-bridge = brug op jukken; Frame-building =

Frame-house = houten huis; Frame-timbers = inhouten van een schip;

Framework = geraamte, lijstwerk, kader, omlijsting, inrichting.

France, frâns, Frankrijk: Isle of France = Mauritius; The Franco-German

war.

Frances, fransəs, Francisca; Francis, fransis, Franciscus, Frans.

Franchise, franš(a)iz, subst. voorrecht, recht, vrijplaats,

vrijmoedigheid, edelmoedigheid, stemrecht (= Elective franchise);

Franchise verb. vrijdom verleenen.

Franciscan, fr’nsisk’n, subst. Franciskaner (grijze) monnik; adj.

Franciskaansch.

Franconia, fraŋkouniə, Frankenland; Franconian = Frankisch; Frank.

Frangible, franžib’l, licht breekbaar; bros; Frangibility = broosheid.

Frangipane, franžipein, amandelgebak: Frangipane gloves =

geparfumeerde.

Frank, fraŋk, openhartig, oprecht, vrij; subst. Frank, franc, brief

vrij van port; Frank verb. zonder vracht of port verzenden (door

“Dienst” of “O. H. M. S.” en de handteekening van den verzender);

Franking (of letters); Frankish = Frankisch; Frankly = ronduit;

Frankness = openhartigheid.

Frankincense, fraŋkinsens, soort v. geurige hars, wierook.

Frantic(al), frantik(’l), dol, krankzinnig, woest, razend; subst.

Franticness.

Frap, frap, spannen (van eene trom); sjorren.

Fraternal, frətɐ̂n’l, broederlijk; Fraternity, frətɐ̂niti, broederschap;

Fraternization, fratənizeiš’n, freitən(a)izeiš’n = verbroedering;

Fraternize, fratənaiz, freitənaiz, vertrouwelijk en vriendschappelijk

omgaan; Fratricide, fratrisaid, broedermoord(er).

Fraud, frôd, bedrog, bedrieger, list; Fraudulence, Fraudulency =

bedriegelijkheid, bedriegerij, bedrog; Fraudulent, frôdjulent,

bedriegend, bedriegelijk.

Fraught, frôt, beladen, geladen, overvloedig: Fraught with sorrow = vol

smart, van smart overstelpt.

Fray, frei, subst. strijd, gekrakeel, twist, rafel, kale plek (in

laken, b.v.); Fray verb. verslijten, rafelen, afslijten door wrijven

(van horens van een jong hert): Frayed ropes = uitgerafelde touwen.

Freak, frîk, subst. gril, kuur; Freak verb. bont maken, streepen of

stippels trekken: Freak of nature = wangedrocht.

Freckle, frek’l, subst. (zomer)sproet, vlekje; Freckle verb. met

sproeten bedekken of teekenen; Freckle-faced = met sproeten in ’t

gezicht = Freckled; subst. Freckledness; Freckly = Freckled.

Fred, fred, verk. v. Frederick, fredərik, Frederik.

Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig,

oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; Free

verb. bevrijden, verlossen, uithoozen, lens pompen: Free-and-easy,

ongedwongen; subst. gezellige familiare bijeenkomst; You are free to

jump my claim = moogt gerust ... negeeren; Wine was free to all takers

= ieder, die wou, kon vrijelijk wijn drinken; He is free of the

goldsmiths’ company = hij is lid van het goudsmidsgilde; You are as

free of the house as anybody = gij kunt even vrij het huis binnen gaan

als ieder; I am free to admit that = ik erken dit gaarne; To get free =

vrij komen; To go free = met gevierde schooten zeilen; He was made free

of the City = hem werd het eereburgerschap der City aangeboden; They

made free with his wine = dronken ongegeneerd; He did not offer to free

me = mij van mijn woord te ontslaan; This ticket will free you over

every line of the country = met dit kaartje kunt ge voor niets langs

elke spoorlijn in het land reizen; Free-bench = weduwengoed; Freebooter

= vrijbuiter; Free chase = vrije jacht; Free church = kerk zonder

Staatscontrole of met vrije zitplaatsen; de in 1843 afgescheiden

Schotsche kerk; Free-city = vrije Rijksstad; Free-fighter = guerilla

soldaat, franc-tireur; Free grace = Vrije Genade; Free-hand = uit de

vrije hand; Free-handed = edelmoedig, mild, royaal; Free-hearted =

openhartig, weldadig; Freehold, subst. grondbezittingen, waarover men

vrijelijk testamentair mag beschikken = Freehold estate in land;

Free-holder = bezitter van een freehold; Free-lance = krijgsknecht;

“wilde” (Parl.); Free-list = lijst van hen, die vrijkaarten krijgen

(hebben); Free-liver = smulpaap, iemand die groot leeft; Free love =

vrije liefde; Freeman = vrije, stemgerechtigd burger, lid van een City

Company; Free-mason = vrijmetselaar; Free-masonry, masonry =

vrijmetselarij; Free-minded = met onbekommerd gemoed; Free-pass =

vrijbiljet; Free-port = vrijhaven; Free-school = kostelooze school; He

wanted Free and open sittings in church = wenschte, dat ieder vrijelijk

de onbezette plaatsen zou mogen innemen; His talents had Free space to

work = konden zich vrij ontplooien; Free-spoken = vrijmoedig;

Free-stone = zandsteen, arduin; Free-states = die Staten van de Unie,

waar reeds voor den burgeroorlog geene slavernij meer bestond;

Free-talk and knowing innuendos = familiare gesprekken en slimme

wenkjes; Free-thinker = vrijdenker; Free-trade = vrijhandel;

Free-trader = voorstander van vrijhandel; Free-wheel; Free-will = vrije

wil; adj. (meest frîwil) vrijwillig; Free wind = gunstige wind;

Freedman = vrijgemaakte lijfeigene; Freedom = vrijheid, vrijdom, al te

groote vrijheid, gemakkelijkheid: I shall take the liberty to speak

with freedom = ik zal zoo vrij zijn ronduit te spreken; He was offered

the freedom of that town = hem werd het eereburgerschap van die stad

aangeboden; Freer = bevrijder.

Freeze, frîz, subst. vorst, het vriezen; Freeze verb. vriezen,

bevriezen, stollen: To freeze out = wegkijken; To freeze to = hangen

aan, dol zijn op; To freeze up = koel en strak worden (Amer.);

Freezing-point = vriespunt.

Freight, freit, subst. vrachtprijs, goederentrein, vracht of lading

(Amer.); Freight verb. laden, bevrachten: We have sent the trunk by

slow freight = als vrachtgoed; Freight-train (Amer.) = goederentrein;

Freight-waggon = goederenwagen; Freightage = vrachtprijs, vracht;

Freighter = bevrachter; Freightless = zonder vracht.

French, frenš, subst. en adj. Fransch(e taal), Fransch(e volk): What is

the French for William = wat is Willem in het Fransch? Guillaume is

French for William; French-bean = snijboon; French-chalk =

kleermakerskrijt; French-curve = teekenmal; French-horn = waldhoorn; To

take French leave = met de noorderzon vertrekken; Frenchman =

Franschman; French-polish, subst. wrijfwas; French-polish verb.

frenšpoliš, politoeren; een vernisje geven (fig.); French-roll =

broodje; French-window = openslaande glazen deur; Frenchwoman =

française; Frenchify, frenšifai, verfranschen; Frenchlike = op zijn

Fransch; Frenchy = Fransoos.

Frenzy, frenzi, subst. waanzin; Frenzy verb. waanzinnig maken.

Frequency, frîkw’nsi, herhaald voorkomen, herhaling; Frequent,

frîkw’nt, gedurig, herhaald; subst. Frequentness.

Frequent, frikwent, dikwijls bezoeken, omgaan met; subst.

Frequentation; Frequentative, frikwentətiv, subst. en adj.

frequentatief (werkwoord).

Fresco, freskou, subst. waterverfschildering op versche kalk; Fresco

verb. schilderen op die wijze.

Fresh, freš, frisch, versch, verfrischt, zoet, ongezouten, nieuw,

onervaren; subst. riviertje of stroompje bij de zee, overstrooming,

zoetwaterstroom, die een eind in zee doorloopt, dooi weder: As fresh as

a daisy, As fresh as paint = zoo frisch als eene roos, als een hoen; We

shall have to gather fresh way = wij zullen wat moeten opstoomen, wat

meer spoed moeten bijzetten; Fresh-blown = pas ontloken; Fresh-fish =

nieuweling; Freshman = groen, nieuweling; Fresh-run = in den tijd van

het kuitschieten de rivieren opkomen; Fresh-water = zoet water; Freshen

= opfrisschen, verfrisschen, verlevendigen, ontzouten of ontpekelen,

aanwakkeren, kracht krijgen; Freshes, frešiz: het brakke water aan de

monding van rivieren; Freshet = overstrooming (door zwaren regen of het

smelten van sneeuw); Freshness = frischheid, etc.

Fret, fret, subst. het in- of wegvreten, zweer, gisting, kwelling,

schaving (van de huid), lijstwerk, ornamentwerk; Fret verb. wegvreten,

invreten, afwrijven, schoonwrijven, aantasten, beschadigen, kwetsen;

kwellen, beroeren, gemelijk zijn, kniezen; versieren (m. snijwerk),

beitelen of beeldhouwen, van toetsen voorzien, tokkelen; Fret-saw =

figuurzaag; Fret-work = snijwerk, netwerk; Fretful = gemelijk, knorrig,

gerimpeld; subst. Fretfulness; Pock Fretten, fret’n, van de pokken

geschonden; Fretty, met snijwerk versierd.

Freya, fraiə, eene Godin.

Friability, fraiəbiliti, brokkeligheid, brosheid; Friable, fraiəb’l,

bros, brokkelig; subst. Friableness.

Friar, fraiə, frater, broeder, monnik; plaatsen in een proef waar de

inkt niet geraakt heeft; Friar’s-balsam = monniksbalsem;

Friar’s-lantern = dwaallicht; Friary = klooster.

Fribble, frib’l, subst. beuzelaar, beuzelarij; adj. beuzelachtig;

Fribble verb. beuzelen; Fribbler = beuzelaar.

Fricassee, frikəsî, subst. fricassee, schotel v. gehakt vleesch met

pikante saus; Fricassee verb. eene fricassee maken.

Fricative, frikətiv, subst. schuringsgeluid; adj. schurend.

Friction, frikš’n, subst. wrijving, kleine oneenigheid; adj. wrijvend;

Friction-match = lucifer; Friction-wheel = wiel, dat door wrijving in

beweging brengt of gebracht wordt; Frictional-electricity =

wrijvingselectriciteit; Frictionize = wrijven.

Friday, fraidi, Vrijdag: Good Friday = Goede Vrijdag.

Friend, frend, vriend, kennis, bloedverwant, vriendin, beschermer,

bevorderaar, Kwaker: A friend in need is a friend indeed = in den nood

leert men zijne vrienden kennen; Friends = bloedverwanten; Society of

Friends = de sekte der Kwakers (17e eeuw gesticht); To have friends in

(at) court = vrienden aan het hof, invloedrijke vrienden hebben; I’ll

never again make a friend = ik sluit nooit weer vriendschap; Let us

make friends with him = laten wij ons met hem verzoenen; Friendless =

zonder vrienden; subst. Friendlessness; Friendlike = als van een

vriend, welwillend; Friendliness, subst. van Friendly =

vriendschappelijk, goedaardig, gunstig gezind: Friendly Societies =

(arbeiders) vereenigingen tot wederzijdschen bijstand in ziekte en

nood; Friendship = vriendschap, goede gezindheid: That’s in friendship

= dat blijft onder ons.

Friese, frîz, Fries, Friezin; adj. Friesian, frîž’n; Friesland,

frîzlənd.

Frieze, frîz, fries (bouwk.); fries, een grove wollen stof.

Frigate, frigit, fregat; Frigate-bird = fregatvogel; Frigatoon,

frigətûn, Venetiaansch fregat.

Fright, frait, vrees, schrik; ook verb. = Frighten: In a fright =

verschrikt; You look a fright, if you do not do yourself up = ge ziet

er uit om van te schrikken, als ge u niet blanket; To put in a fright =

doen schrikken; He took fright = hij schrikte; It is the thunder that

frights, and the lightning that smites; Frighten = schrik aanjagen;

ontstellen: I was frightened to death, out of my wits = doodelijk

verschrikt; Frightful = verschrikkelijk; subst. Frightfulness.

Frigid, fridžid, koel, koud, kil, vormelijk; vervelend: Frigid zones =

de Poolstreken tusschen de Polen en de Poolcirkels; Frigidness =

Frigidity, frîdžiditi, koelheid, enz.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 48 / 152 段