schietspoel (bij het weven), breed deel van een windwijzer, vlag,
rijtuig voor één paard, huurrijtuig; Fly verb. vliegen, snellen,
opvliegen, heensnellen, zich snel verspreiden, springen, wapperen,
verschieten, oplaten, voeren, vliegen over, ontvluchten; adj. glad, bij
de hand: As drunk as a fly = zoo dronken als een tol; There is a fly in
the honey = roet in de brij; I don’t care a fly = ik geef er geen zier
om; When I became fly to it, I was disgusted = toen ik het snapte, er
lucht van kreeg, walgde ik ervan: To let fly = aanvallen, afschieten,
slingeren, er op slaan, vieren, losgooien, loslaten; He flew at me
suddenly = hij vloog plotseling op mij aan; He flew in the face of
everything and everybody = hij beleedigde en trotseerde ieder en alles;
To fly into a passion = driftig worden; He flew out at me = hij voer
tegen mij uit; To fly the garter = een soort bokspringen; Shall we fly
our kite = onzen vlieger oplaten; geld trachten los te krijgen?
Fly-bitten = door muggen gebeten; door vliegendrek bedorven; Fly-boat =
vlieboot, snelle passagiersboot in vaarten, platboomd vaartuig;
Fly-blow, subst. vliegenei; Fly-blow verb. eieren leggen in (vleesch,
b.v.); Fly-blown = bedorven, stinkend, vuil, schunnig, met vliegendrek;
Fly-catcher = zonnedauw, vliegenvanger; gaper; Fly-cage = soort
vliegenvanger; Fly-clapper = Fly-flap; Fly-clip = blad (reep) uit een
Fly-book; Fly-fishing = hengelen (met kunstvlieg en als aas); Fly-flap
= vliegendooder; Fly-leaf = schutblad, strooibiljet; Flyman = koetsier
van een fly; Fly-powder = insectenpoeder; Fly-speck = vliegenspatje;
Fly-trap = vliegenvanger (ook de plant): Fly-wheel = vliegwiel; Flyer,
flaiə (Zie Flier); Flying, subst. het vliegen; adj. vliegend:
Flying-army (squadron, party) = vliegend leger (escader, afdeeling);
Flying-artillery = rijdende artillerie; Flying-bridge = ponton,
gierbrug; Flying colours: They entered the town with flying colours =
triomfantelijk (met vliegende vaandels); Flying-dragon = vliegende
draak = Flying-lizard; Flying-pinion = onrust van eene klok;
Flying-post-office = postwagen (in een trein).
Foal, foul, subst. veulen; Foal verb. een veulen werpen: To be in foal
= drachtig; Foal-teeth = melktanden (v. een foal).
Foam, foum, subst. schuim; Foam verb. (doen) schuimen: He foamed at the
mouth = schuimbekte van woede; Foam-crested = met schuim bedekt; Foamy
= schuimend.
Fob, fob, horlogezakje (in de broek); Fob verb. beetnemen: They were
fobbed off with a front attic = afgescheept; To fob off on = aansmeren.
Focal, fouk’l, van een brandpunt: Focal-distance = brandpuntsafstand.
Focus, foukəs, subst. middelpunt, brandpunt; Focus verb. naar een
brandpunt richten, tot brandpunt maken, samenkomen, stellen (v. een
camera): He fixed and focussed the girls = fixeerde erg; He focussed
the palace = richtte zijn kijker op; How shall he focus all the light
of his learning in one work = in één werk samenvatten, vereenigen?
Fodder, fodə, subst. veevoeder (als hooi; onderscheiden van pasture =
groen veevoeder); Fodder verb. voederen.
Foe, fou, subst. (persoonlijke) vijand, tegenstander = Foeman.
Foetid, Zie Fetid.
Fog, fog, subst. zware mist, verwarring, verlegenheid, grof gras,
etgroen; adj. dik, mollig; Fog verb. in verlegenheid (in de war)
brengen of zijn; het nagras afweiden: I am all in a fog = ik ben er
verlegen mee, het is me niet duidelijk; I am fogged = In a fog;
Fog-bank = zware mistbank; Fog-dog = heldere plek in eene Fog-bank;
Fog-horn = misthoorn; Fog-ring = zwarte mistkring; Fogginess =
mistigheid; Foggy = mistig; vol gras, mosachtig.
Fog(e)y, fougi, ouderwetsch, excentriek persoon.
Foh, fou, bah!
Foible, fôib’l, zwakke zijde, zwak punt.
Foil, fôil, subst. foeliesel (achter een spiegel), dun metaalblad onder
juweelen, om deze beter te doen uitkomen; wat iets voordeelig doet
uitkomen; loofwerk, onverwachte teleurstelling, schermdegen, spoor van
gejaagd wild; Foil verb. overwinnen, teleurstellen, verijdelen: The one
was a foil to the other = ze deden elkanders voortreffelijkheid
uitkomen = They were set off by a foil; Foil-stone = valsche steen;
Foiler = verijdelaar; Foiling = spoor van een hert op gras.
Foison, fôiz’n, overvloed, kracht, hitte, sap, vochtigheid.
Foist, fôist, onderschuiven, voor echt laten doorgaan: A foisted up
affair = zwendel.
Fo’ks’le, fouks’l. Zie Forecastle.
Fold, fould, subst. schaapskooi, kudde, de Geloovigen, het vouwen,
vouw; -voudig (in samenstellingen); Fold verb. opsluiten (in eene
kooi), vouwen, sluiten (van handen): All the leaves in your book are
folded down = hebben ezelsooren; He was received within the fold of the
church = in den schoot der kerk opgenomen; Folder = vouwbeen, vouwer; A
pair of folders = lorgnet; Folding = het opsluiten, de schaapskooi, het
vouwen: Folding-chair = vouwstoel; Folding-doors = vleugeldeuren;
Folding-net = slagnet; Folding-screen = vouwscherm; Folding-stool =
klapstoel; Folding-table = klaptafel.
Foliaceous, fouljeišəs, bladervormig, bladerig; Foliage, fouljidž,
subst. gebladerte, bladerwerk, loofwerk; Foliage verb. met loofwerk
versieren; Foliaged = met loofwerk versierd; Foliated, fouljeitid,
verfoelied, gebladerd, met loofwerk versierd; Foliation, foulieiš’n,
metaalpletting, het verfoeliën, het van loofwerk voorzien; Folio,
fouljou, subst. doorloopende pagineering, folio, pagina, copie, 72
woorden in wettelijke stukken, 90 in parlementsstukken; adj. van
foliogrootte (4 bladzijden in een vel); Folio verb. folieeren; Folious,
fouliəs, dicht met bladeren bezet, bladeren hebbende, met bloemen
vermengd.
Folk, fouk, subst. luitjes, volk: adj. tot het volk behoorend,
overgeleverd: How are the old folk(s) = hoe gaat het met de oudjes;
Folklore = het bijgeloof en de overleveringen van een volk, de studie
daarvan; Folk-medicine = huismiddeltjes; Folk-mote = volksvergadering;
Folk-rede = mondelinge overleveringen (v. bijgeloof etc.); Folkright =
gewoonterecht; Folk-song = volkslied, populair lied; Folk-tale =
volksmythe; Folklorist, fouklörist, fouklörist, kenner of beoefenaar
van folklore.
Follicle, folik’l, zaadhuisje, klier; adj. Follicular, Folliculous.
Follow, folou, volgen, nazetten, tot het gevolg behooren, nagaan, de
party kiezen van, voortkomen, opletten, gehoorzamen, een beroep
uitoefenen: Something better was to follow = het zou nog beter worden;
It does not follow that he is idle = daaruit volgt niet; We followed
(acted upon) certain lines = gingen volgens een bepaald plan te werk;
Do you follow me? = begrijpt gij mij? He follows his pleasure = jaagt
zijn genoegen na; To follow suit = kleur bekennen, navolgen; To follow
the trade of a blacksmith = uitoefenen; He followed out his principles
= handelde geheel volgens zijne beginselen; If you want to follow her
up, you must know where she lives = werk maken van; This work follows
closely upon history = dit werk volgt de geschiedenis op den voet;
Follower = volgeling, volger, leerling, dienaar, vrijer: No followers
allowed (in advertenties) = geen vrijers in de keuken; A following
breeze, sea, wind = van achteren inkomend; He has a following of rich
friends = hij heeft een aanhang van rijke vrienden.
Folly, foli, dwaasheid, domheid, verdorvenheid.
Foment, fəment, voeden, kweeken, warm betten, aanmoedigen, aanhitsen;
subst. Fomentation; Fomenter = opruier, aanstichter.
Fond, fond, dwaas, onwijs, al te teeder of lief, toegevend, verzot op,
gek met: She is fond of her children = gek met haar kinderen; Fondle =
liefkoozen, streelen, vertroetelen; lief doen; That is her fondling =
hartje, lieveling; Fondness = teederheid.
Font, font, doopvont; letterpolis, gietcedel; adj. Fontal.
Fontanel(le), fontənel, fontənel, open plek in een zuigelingsschedel;
seton, etterdracht.
Food, fûd, voedsel, spijs, voeder: One man’s food is another man’s
poison = den een z’n dood is den ander z’n brood; A daily food =
almanak met teksten voor iederen dag van het jaar; Foods =
voedingsstoffen = Food-stuffs.
Fool, fûl, subst. dwaas, malle vent, zot, zondaar (bijbelsch),
kruisbessenvlade, slachtoffer; Fool verb. voor den gek houden,
bedriegen, teleurstellen, bespotten: Abbot of fools = hoofdleider der
dwaasheden in de vroegere kerstfeestviering; Feast of fools = oud feest
op Nieuwjaarsdag; That’s a fool to it = haalt er niet bij; He has made
a fool of me = hij heeft me voor den gek gehouden, belachelijk gemaakt;
Let him play the fool = laat hem voor dwaas of grappenmaker spelen;
Don’t fool away your time = verbeuzel uw tijd niet; Fool’s-errand =
vruchteloos onderzoek: He is out on a fool’s-errand = hij jaagt het
onverkrijgbare na; Fool’s-paradise = blijdschap met eene doode musch:
He lives in a fool’s-paradise = hij leeft gedachteloos voort, belooft
zich zelf gouden bergen; Foolhardiness, subst. v. Foolhardy =
roekeloos, domdriest; Fools-cap = narrenkap; soort v. papier, omdat dit
formaat oorspronkelijk het watermerk van eene narrenkap had; Foolery =
dwaasheid, dolheid; Fooling, subst. malligheid, grappigheid; adj. voor
gek spelend; Foolish = dwaas, simpel, mal, belachelijk, beschaamd;
zondig (veroud.); subst. Foolishness.
Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte
afstand, voetvolk; Foot verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen,
een voet aanbreien, voorschoen aanzetten, opsporen, met den poot of de
klauw pakken, optellen en daaronder de som opschrijven: Foots =
bezinksel; Foot by foot; Sure of foot; On foot = te voet, gaande, op
touw; At a foot’s pace = stapvoets; To put one’s best foot forward =
zijn beste beentje voorzetten; To put one’s foot in = zich
compromitteeren; zijn mond voorbij praten; To put down one’s foot =
zich met kracht verzetten tegen; He shook the dust of his country from
his feet = verliet zijn land; I never set foot in America = heb nooit
een voet gezet; Who will set the business on foot = aan den gang
brengen, op touw zetten? To take the measure of a person’s foot =
iemand doorgronden; To foot it = loopen; These stockings must be footed
= er moeten nieuwe voeten aan deze kousen gebreid worden; The bill was
footed = de rekening werd betaald (Am.); Foot-and-mouth disease = mond-
en klauwzeer; Foot-band = troep infanterie; Foot-ball = voetbal, met
leer omgeven gummibal, gebruikt bij het spel van dezen naam;
Foot-barracks = infanteriekazerne; Foot-board = treeplank, voeteneind;
Foot-boy = loopjongen, livreiknechtje; Foot-bridge = brug voor
voetgangers; Footfall = (hoorbare) voetstap; Foot-guard =
voetbekleeding (bij paard); Foot-guards = lijfwacht te voet (Grenadier,
Coldstream en Scots guards); Foot-hold = steun voor den voet, vaste
positie, vestiging; Foot-iron = voetboei, rijtuigtrede; Foot-licker =
lage vleier; Foot-lights: He was before the foot-lights = voor het
voetlicht; Footman = voetknecht, livreiknecht; Foot-mark = voetspoor,
indruk van den voet; Foot-muff = voetenzak; Foot-note = aanteekening
onder aan de bladzijde; Footpace = wandelpas; verhoogde vloer; Footpad
= struikroover; Foot-passenger = reiziger te voet, wandelaar; Foot-path
= voetpad; Foot-plate = staanplaats op een locomotief; Foot-post =
voetbode; Foot-pound = voetpond; Foot-print = indruk van den voet;
Foot-race = wedloop; Foot-rest = voetbankje; bok; Foot-rot = rotziekte
bij schapen; Foot-rule = duimstok (30 c.M. lang); Foot-scraper =
voetenkrabber; Foot-shackles = voetboeien; Foot-soldier = infanterist;
Foot-sore = met pijnlijke (zeere) voeten; Foot-stall =
vrouwenstijgbeugel; onderstuk van eene zuil; Footstep = voetstap:
Follow his footsteps = druk zijne voetstappen, volg zijn voorbeeld;
Foot-stool = voetbankje; Foot-stove, Foot-warmer = (warm water)-stoof;
Footway = voetpad, ladder om in de mijnen af te dalen; Foot-worn = met
pijnlijke (zeere) voeten; Footed = voetig; Footer = voetbal: A
six-footer = iemand van 6 voet; Footing = steunsel voor den voet, vaste
positie, opstelling: He missed his footing = stapte mis; It is
difficult to get a firm footing there = om daar vasten voet te krijgen;
He has to pay his footing = hij moet zijne entrée betalen (van een
werkman, die voor het eerst zijn beroep aanvaardt); First footing is a
New-Year’s custom in Scotland; the person who first enters the house is
called its first foot; Footy = waardeloos, onbeduidend: This sugar is
very footy = deze suiker is onzuiver; They are little footy falderals =
kleine niets beduidende prullen.
Footle, fût’l, subst. prullewerk; adj. prullerig; Footle verb. knoeien,
onzin doen.
Foozle, fûz’l, vervelende, malle gek; Foozle verb. knoeien; Foozlified
= dronken.
Fop, fop, modegek; Foppery = kwasterij, ijdelheid (in kleederen of
vormen); adj. Foppish.
For, fö, prep, voor, gedurende, om, wegens, ten behoeve van, met het
oog op, met bestemming naar, vergeleken met, niettegenstaande: I have
done it for the best = uit bestwil; You have taken each other for
better for worse = elkaar gehuwd, wat er ook mocht gebeuren; For
convenience’ sake = gemakshalve; For example (= For instance) = bij
voorbeeld; Eye for eye and tooth for tooth = oog om oog en tand om
tand; For fear of = uit vrees van; For good and all (Once for all) =
eens vooral; A man can live for much less = van veel minder; He won’t
sleep for long = lang; Do it for my sake = om mijnentwil; A house for
sale = te koop; For shame = schaam je; I shall take this for want of
better = bij gebrek aan beter; He is a noble character for all that =
hij is toch (niettegenstaande al wat er gezegd is, b.v.) een edele
kerel; You must do it for all the world = wat de wereld er ook van
zegge; That’s it for all the world = juist, zoo is het; She didn’t
listen for all she held her tongue = al hield ze ook haar mond; For all
you know = zoo goed (gauw) als je kunt; For as much as I can say = voor
zoover ik weet; For the matter of that = wat dat betreft: For one
thing, I don’t know your name = in de eerste plaats; For ought I see =
voor zoover ik zien kan, als ik het wel heb; He was at home for a
wonder = verwonderlijk genoeg was hij thuis; I am to blame for it = ik
alléén draag daarvan de schuld; To be sorry for = spijt hebben over; I
do not care for him = geef niet om hem; I felt uneasy for him = was
ongerust over hem; To go in for an examination, a place = zich
aanmelden voor, opgaan voor, dingen naar; We sailed for the Indies =
zeilden naar Indië; I have taken you for my model = ik heb u ter
navolging gekozen; I waited for him to resume his story = ik wachte er
op, dat hij ... zou hervatten; Now for it = nu er op los, nu begint
het; Oh for a horse = ach, had ik maar een paard; I for one = wat mij
betreft; But for me he would be unhappy = zonder mij; It is not for you
to say so = het past u niet zulks te zeggen; I could not for the life
of me help saying it = ik moest het wel zeggen.
For, fö, conj. want, daar, in aanmerking nemende dat.
Forage, foridž, subst. voeder, fourage, veevoeder; Forage verb.
fourageeren, uitplunderen door requireeren van fourage; Forage-cap
(Foraging-cap) = politiemuts (van soldaten); Forage-contractor =
aannemer van het voedsel der cavaleriepaarden; Forager = fourageur.
Foraminated, fəramin(e)itid, met kleine gaatjes doorboord; Foraminous,
fəraminəs, vol kleine gaatjes.
Foray, forei, fərei, subst. rooftocht, buit; Foray verb. plunderen,
verwoesten.
Forbear, föbêə, nalaten, zich onthouden van, dulden, verdragen;
Forbearance = onthouding, geduld, zelfbeheersching, verdraagzaamheid,
duldzaamheid: Forbearance is no acquittance = uitstel is geen afstel;
Forbearingly = lijdzaam.
Forbear(s), föbêə(z), föbîəz, voorouder(s), voorzaten, nazaten.
Forbes, föbz.
Forbid, föbid, verbieden, ontzeggen, weigeren (toegang, b.v.), een
verbod uitvaardigen: God, Heaven forbid = dat verhoede God, de Hemel!
Forbidden fruit = verboden vrucht (Bijbel); Forbidding = onaangenaam,
terugstootend: Those are forbidding subjects = onaangename onderwerpen.
Forbore, föbö, Forborn, föbön, imperf. en part. perf. van to forbear.
Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis,
wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls Forces); Force verb. dwingen,
noodzaken, overweldigen, verkrachten, forceeren, trekken: By mere force
of habit = uit louter kracht der gewoonte; Conservation of force =
krachtsbesparing; Correlation of force = krachtsverhouding; External
forces = van buiten werkende krachten; Land forces; Marine forces;
Moral force = zedelijke kracht; Natural forces = natuurkrachten;
Physical force = natuurlijk vermogen; By main force = met geweld; The
scouts reported that they had discovered the enemy in force = in
grooten getale; To be of force = van kracht; The law will come into
force (be enforced) very soon = de wet zal spoedig tot uitvoering
komen; That must follow of force = dat moet er noodzakelijk uit
voortvloeien; I discovered where his force lay = wat zijn “fort” was;
To force along = voortdrijven, meeslepen; To force back = terugdrijven;
To force down the throat = doen slikken; His sword was forced from his
hand = aan zijne hand ontwrongen; He forced that word into a new
meaning = gaf eene gedwongen nieuwe beteekenis aan; He forces a passage
of Macaulay into his service = hij sleept er eene passage van M. (als
eene bewijsplaats) bij de haren bij; They were forced out = met geweld
verjaagd; The ministers forced the queen’s hand = dwongen ... zoo te
handelen; Force-meat = gehakt (en sterk gekruid) vleesch; Force-pump =
perspomp; Forced = gedwongen, gekunsteld; getrokken; subst. Forcedness;
Forceful = krachtig; Forceless = krachteloos.
Forceps, föseps, tang voor chirurgen (dentisten).
Forcible, fösib’l, krachtig, gewelddadig, hevig, onstuimig,
indrukwekkend: Forcible entry and detainer = gewelddadige inbezitneming
(Jur.); Forcible-feeble, subst. iemand, die een schijn van kracht
ontwikkelt; adj. gemaakt of slechts schijnbaar krachtig; subst.
Forcibleness.
Forcing, fösiŋ; Forcing-house = broeikas; Forcing-pump = perspomp.
Forcipitate(d), fösipiteit(id), tang- of schaarvormig.
Ford, föd, subst. doorwaadbare plaats (v. eene rivier), stroom; Ford
verb. doorwaden; Fordable = doorwaadbaar.
For(e)do, födû, verwoesten, vernietigen, overwinnen, uitputten.
Fordyce, fədais.
Fore, fö, adj. vooraan, voor, vooraf; adv. vooraan: To the fore = naar
voren toe, gereed, aanwezig, nog levend; He came to the fore = kreeg
naam; He is well to the fore = hij heeft veel naam; Fore and aft = de
geheele lengte v. het schip; Forearm, subst. voorarm; Forearm, fô-âm,
vooraf wapenen; Forewarned, forearmed = eenmaal gewaarschuwd maakt
dubbel voorzichtig; Forebode, föboud, voorspellen, een voorgevoel
hebben van; Foreboding = voorgevoel; Fore-brace, Fore-bits = betingen
der fokkebrassen; Fore-bow = zadelknop; Fore-cabin = voorkajuit;
Forecast = voorspelling, voorziening: The weather forecast =
weervoorspelling; Forecast, fökâst, voorspellen, vooraf berekenen,
ontwerpen; Forecastle, fouks’l, bak (op een schip tusschen den voormast
en den boeg); Foreclose, föklouz, tegenhouden: To foreclose a mortgager
= een hypothecair schuldenaar het recht op terugverkrijging van zijne
bezittingen ontnemen; Foreclosure = ontneming van dit recht; Foredoom,
födûm, veroordeelen, doemen: The attack was foredoomed to failure;
Foreelder = voorouder; Fore-end = eerste gedeelte; Forefather =
voorvader: Forefathers’-Day = 21 December, toen de Pilgrim Fathers in
Amerika landden (1620); Forefend, föfend, verbieden, afwenden, afweren;
Forefinger = voorvinger; Forefoot = voorpoot; Forefront = voorste deel;
Forego, fögou, afstand doen, afzien van, zich ontzeggen: That is a
foregone conclusion = dat is eene uitgemaakte zaak, spreekt vanzelf;
Foregoing = voorafgaande; Foreground = voorgrond; Foregather, fögadhə,
samenkomen; Forehand, subst. vóórhand, voorkeur; adj. naar voren,
anticipeerend; Forehead, föhed of forəd, voorhoofd; Forehold = voorste
gedeelte van het scheepsruim; Fore-horse = voorste paard van een span;
Forejudge, födžɐdž, eene klacht afwijzen wegens niet verschijnen van
den klager; Foreknow, fönou, vooraf weten; Foreknowledge, fönolidž, het
vooruitweten; Foreland = landtong, kaap; ruimte tusschen vestingmuur en
gracht; Foreleg = voorpoot; Forelock = voorlok, voorhaar; stift, pin: I
will take time by the forelock = ik zal de eerste de beste gelegenheid
aangrijpen; Foreman = eerste, eerstaanwezende, woordvoerder (van eene
jury), meesterknecht, hoofdconducteur; Foremast = fokkemast;
Foremast-man = gewoon matroos; Fore-mentioned, fömenš’nd, voormeld;
Foremost = voorste, eerste, voorop; Forename = vóórnaam; Forenamed =
voornoemd; Forenoon, fönûn, fönûn, vóórmiddag; Foreordain, fôrödein,
voorbeschikken (Bijbel); Foreordination, fôrödineiš’n, voorbeschikking;
Forepart = voorste deel; Forepast, Forepassed, föpâst, voorbij,
verleden; Fore-peak = hel (scheepst.); Fore-rank = voorste rij of
gelid, voorkant, Forereach, förîtš, winnen op (bij het zeilen, etc.);
Forereading = voorafgaande doorlezing; Forerun, förɐn, voorafgaan,
aankondigen, een voorbode zijn; Forerunner, förɐnə, förɐnə, voorbode,
voorlooper; Foresail = fokkezeil; Foresee, fösî, voorzien, vooraf
weten; Foreseeable consequences = te voorziene gevolgen; Foreshadow,
föšadou, voorbeduiden; subst. voorbeduidsel; Fore-sheet = fokkeschoot;
Fore-sheets = voorplecht; Foreshore = het gedeelte kust tusschen eb en
vloed; Fore-shorten, föšöt’n, in de verkorting teekenen (perspectief);
Foreshow, föšou, voorspellen, voorzeggen, verkondigen; Foreside =
voorzijde; Foresight = het vooruitzien, overleg; Foreskin = vóórhuid;
Foresleeve = vóórmouw; Forestall, föstôl, vooruitloopen op, berooven,
verstoppen: You forestall life with your talk = gij neemt door uw
gepraat al het aangename en belangwekkende van het leven weg; He
forestalled the market = hij joeg den prijs der goederen op door
opkooping en het verspreiden van valsche geruchten, etc. en beheerschte
de markt daardoor; They forestall my wishes = raden vooruit; Foretaste
= subst. voorsmaak; Foretaste verb. föteist, een voorsmaak hebben van;
Foretell, fötel, voorspellen, voorzeggen; Forethought = subst.
voorbedachtheid, voorzorg; adj. voorbedacht, vooraf beraamd; Fore-tooth
= vóór- of snijtand; Foretop = vóórmars; Forewarn, föwön, vooraf
waarschuwen of kennis geven (Zie Forearm); Forewind = gunstige wind;
Forewoman = vrouwelijke opzichter; hoofd van eene modezaak; Foreword(s)
= voorrede, inleiding.
Foreign, forin, buitenlandsch, vreemd, vreemd aan (to, from): Foreign
affairs = buitenlandsche zaken; Foreign attachment = beslaglegging op
het eigendom van een buitenlander in Engeland: Foreign news =
buitenlandsch nieuws; Foreign Office = ministerie van Buitenl. zaken;
Foreign Secretary = minister van B.Z.; Foreign trade; This is foreign
to our business = is vreemd aan, staat buiten, heeft niet te maken;
Foreign-built = in ’t buitenland gebouwd; Foreigner = vreemdeling.
Forensic(al), fərensik(’l), gerechtelijk; Forensic-medicine =
gerechtelijke geneeskunde.
Forest, forəst, subst. woud, bosch, koninklijk jachtveld; Forest verb.
in een bosch veranderen, met boomen beplanten; adj. boschachtig,
landelijk; Forest-fly = luisvlieg (bij paarden); Forest-laws =
boschwetten; Forest-officer = ambtenaar bij het boschwezen; Forest-walk
= schaduwrijke wandelweg; Forester = houtvester, boschbewoner,
boschwachter; Forestry = boschcultuur, boomkweeking.
Forfeit, föfit, subst. het verbeurde, boete, pand; adj. verbeurd;
Forfeit verb. verbeuren, verliezen: To cry forfeits = de panden
oproepen; They were playing (at) forfeits = waren aan het
pandje-verbeuren; Forfeiture, föfitjə = verbeuring, verlies, boete.
Forfex, föfeks, schaar.
Forge, födž, subst. smidse, smidsvuur, smederij, werkplaats; Forge
verb. smeden, maken, uitvinden, verdichten, namaken, vervalschen,
valschheid in geschrifte plegen, met kracht voortdrijven, langzaam en
moeilijk voortbewegen, vooruitwerken: He forged his way home = kwam
(ging) met moeite ...; Forge-man = smids-meesterknecht; Forger = smid,
vervalscher; Forgery = valschheid (in geschrifte), verdichting,
verzinsel; Forgetive = vindingrijk.
Forget, föget, vergeten, verwaarloozen: I forget = ik ben vergeten; I
shall forget my own name next = zal mijn eigen naam nog vergeten; To
forget oneself = zich vergeten; Forget-me-not = vergeetmenietje;
Forgetful = vergeetachtig, slordig; subst. Forgetfulness.