Fatigue, fətîg, uitputting, vermoeienis, militaire corvée; Fatigue

verb. afmatten, vermoeien, kwellen; Fatigue-cap = politiemuts;

Fatigue-dress = corvée-tenue; Fatigue-duty = corvée (milit.);

Fatigue-party = troep voor eene corvée.

Fatuity, fətjûiti, sulligheid, domheid; Fatuitous, fətjûitəs, Fatuous,

fatjuəs, zwakhoofdig, ingebeeld: A fatuous smile = idiote.

Faucal, fôk’l, strot - -, keel - -; Fauces, fôsîz, strot,

achtergedeelte van den mond, besloten door de pharynx en de larynx.

Faucet, fôsət, tapkraan, tapbuis.

Faugh, fô, bah!

Faulkland, fôkl’nd.

Fault, fôlt, subst. fout, gebrek, feil, schuld, verlies van het spoor

(jacht), afbreking (van eene mijnader); Fault verb. fouten maken: Whose

fault is it? wiens schuld is het? It is my fault; He always finds fault

with me = hij heeft altijd wat op mij te zeggen; You like to find fault

= van klagen en pruttelen; The hounds were at fault = het spoor

bijster; If he is severe, his love of learning is in fault = draagt

zijne liefde voor de wetenschap de schuld; He is good to a fault = hij

is overdreven goed, doodgoed; He has faulted in several passages =

fouten gemaakt; He is a regular fault-finder = echte brompot;

pruttelaar; Fault-finding = bedilziek; Faultiness = onnauwkeurigheid,

gebrekkigheid; Faultless = onberispelijk; subst. Faultlessness; Faulty

= gebrekkig, schuldig.

Faun, fôn, faun, boschgod.

Fauna, fônə, fauna.

Faustina, fôstainə; Faustus, fôstəs; Faversham, favəš’m.

Favour, feivə, subst. gunst, begunstiging, steun, beschermeling,

vergiffenis, souvenir, roset, strikje, brief, gelaat; Favour verb.

begunstigen, vriendelijk gezind zijn, gemakkelijk maken, vereeren,

gelijken op: Orange favours = oranjestrikken; I received your favour of

the 1st inst. yesterday = uwe geëerde letteren van den eersten dezer; I

have lost favour in your eyes = ben bij u uit de gratie; By (with) your

favour = met uw verlof, welnemen; I have done it in your favour = te

uwen behoeve; To be in favour with (out of favour) = in (uit) de gunst

zijn bij; A challenge to the favour = het wraken van een jurylid,

wegens veronderstelde partijdigheid; Under favour of the night =

begunstiging; Favourable = gunstig, genegen, bevorderlijk; subst.

Favourableness; Favoured = begunstigd, lievelings...: Ill-favoured =

met ongunstig uiterlijk; Well-favoured = met knap uiterlijk; Favourite,

feiv’rit, subst. gunsteling, favoriet (rensport); adj. lievelings...:

That is my favourite dish, author = lievelingskost,

lievelingsschrijver; Favouritism = stelsel v. begunstiging.

Favus, feivəs, besmettelijk hoofdzeer.

Fawkes, fôks.

Fawn, fôn, subst. jong hert (van ’t eerste jaar); Fawn verb. jongen

werpen; Fawn-coloured = reekleurig.

Fawn, fôn, opspringen bij, likken, kruipen (v. honden), vleien, kruipen

voor: He fawned (up)on the mighty.

Fay, fei, subst. fee.

Fay, fei, ten doode opgeschreven (Schot.).

Fay, fei, aan elkaar passen, nauwkeurig passen.

Faze, feiz, plagen, verschrikken (Amer.).

Feal, fîəl, trouw: Feal and leal = houw en trouw (Schot.); Fealty =

trouw aan leenheer, vorst of regeering.

Fear, fîə, subst. vrees, angst, ontzag, eerbied; Fear verb. vreezen,

duchten, vermoeden: For rear of = uit vrees voor; No rear of that =

geen vrees daarvoor; Fearful (of) = angstig (voor), vreesachtig,

vreeswekkend; subst. Fearfulness; Fearless = onbevreesd; subst.

Fearlessness; Fearnaught = Fearnought = dikke en ruige wollen stof,

soort fries; Fearsome = angstwekkend.

Feasibility, fîzibiliti, uitvoerbaarheid, mogelijkheid; adj. Feasible.

Feast, fîst, subst. feest, lekkernij, feest- of gastmaal; Feast verb.

feestvieren, smullen, onthalen, zich verlustigen aan (on): Enough is as

good as a feast = genoeg is overvloed; Feast-day = feestdag; Feast-rite

= feestelijk gebruik.

Feat, fît, subst. daad, heldendaad, kunststukje, toer; adj. handig,

vlug, bekwaam, netjes: Feat of juggling, goocheltoer; Featness =

vlugheid.

Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door

de riemen opgeworpen water; Feather verb. bevederen, met veeren

bedekken of versieren, er als gevederte uitzien: Birds of a feather

flock together = soort zoekt soort: That’s a feather in his cap = dat

is een pluim, veer op zijne muts; She was in full feather = in gala;

had een gespekte beurs; You are in high feather to-day = je bent erg in

je “hum” vandaag; The ship cut a feather = deed het schuim opspatten

voor den boeg; To show the (a) white feather = zich lafhartig toonen;

It is but the turning of a feather between you and him = haast geen

onderscheid, verschil; His air of superiority inspired me with a desire

to tar and feather him = om hem eens flink zijn vet te geven (eig.: te

teeren, en dan op de teer veeren te strooien); That man is feathering

his nest = is bezig zijne schaapjes op het droge te brengen, voor

zichzelf te zorgen; To feather the oars = de riemen horizontaal over

het water laten glijden; Feather-bed = veeren bed: Feather-bed

conspirators = zoetsappige; Feather-boarding = planken beschieting

(overnaads); Feather-brain = wuft persoontje; Feather-broom

(Feather-brush) = plumeau; Feather-edge = scherpe kant van eene plank;

Feather-flowers = kunstbloemen (vooral voor hoeden); Feather-grass =

espartogras; Feather-headed = lichtzinnig, wuft; Feather-weight =

kleinst mogelijk (precies) gewicht, lichtste belasting (bij een

handicap); boxer van licht gewicht; Feathery = vederachtig, veeren - -

-, met veeren bedekt.

Feature, fîtšə, fîtjə, gelaatstrek, trek, voorkomen, eigenaardig

kenmerk, eigenaardigheid; bepaling (van een contract, etc.), rubriek;

Feature verb. gelijken op: This house is the feature of the street =

het meest opvallende; Ill-(Well-)featured = leelijk (knap).

Feaze, fîz, ontrafelen (van touw).

Febrifugal, fibrifjug’l, febrifjûg’l, koortsverdrijvend; Febrifuge,

febrifjûdž, koortsverdrijvend (middel); Febrile, fîbr(a)il, febril,

koortsig, koorts - -.

February, februəri, Februari; February Fill-dyke = Febr. de regenmaand.

Feces, fîsîz. Zie Faeces.

Fecit, fîsit, “hij (zij) heeft (het) gemaakt”.

Feck, fek, subst. voornaamste deel, kracht, waarde; adj. flink,

krachtig; Feckless = laf, zwak, waardeloos (Schot.).

Fecula, fekjulə, zetmeel; bladgroen.

Feculant, fekjulent, troebel, modderig, drabbig; subst. Feculence.

Fecund, fek’nd, fîk’nd, fikɐnd, vruchtbaar; Fecundate, fek’ndeit,

fîk’ndeit, fikɐndeit, vruchtbaar maken, bevruchten; subst. Fecundation;

Fecundity, fikɐnditi, vruchtbaarheid.

Federacy, fed’risi; Zie Federation; Federal, fed’rəl, federaal, bonds -

-: Federal City = Washington; Federal Diet = de Duitsche Bondsdag;

Federal Union = statenbond; Federalism = federalisme; Federalist =

federalist; Federalize = tot een bond vormen; Federate = zich tot een

federatie verbinden; Federation = federatie, statenbond; Federative =

verbonden, bonds - -.

Fee, fî, loon, salaris, honorarium, bijverdiensten (in deze gevallen

meest Meervoud); fooi; leengoed, eigendom; Fee verb. beloonen, betalen,

een fooi geven: What with doctors’ and lawyers’ fees we had a hard year

of it = door al die kosten van dokter en advocaat; Tuition (University)

fees = collegegelden; To hold in fee simple = land bezitten waarover

men bij zijn dood vrij kan beschikken; Estate in fee tail = goed, dat

op bepaald aangewezen erfgenamen moet overgaan.

Feeble, fîb’l, zwak, krachteloos; Feeble-minded = zwak van geest,

besluiteloos; subst. Feebleness.

Feed, fîd, voeden, voorzien van, verzorgen, onderhouden, laten weiden,

eten, vreten, grazen; subst. een maal, voer, maaltijd, voorraad: His

horse must have its four feeds a day = moet viermaal per dag gevoerd

worden; I am off my feed = heb mijn eetlust verloren; He feeds like a

wolf = eet als een wolf; To feed one’s cold = uitvieren; To feed the

fire = wat in de kachel doen; The operator feeds the letters into the

stamping-machine = schuift geregeld; He was feeding morsels from his

plate into his mouth, as if he was firing up an engine = hij stopte in

zijn mond; Feed-pipe = aanvoerpijp; Feed-pump = perspomp; aanvoerpomp;

Feeder = iemand, die voert of mest, iemand of iets, die of dat

bevordert, zijrivier, voedingskanaal, zijtak: Dainty feeder =

lekkerbek; Greedy feeder = veelvraat; Feeding-bottle = zuigflesch.

Feel, fîl, voelen, bevoelen, betasten, ondervinden, gevoelen; subst.

voelen, gevoel, gewaarwording: The baby feels his legs = probeert te

gaan staan; I feel for you, poor fellow = ik heb medelijden met je,

arme kerel; He felt his way after the sound = hij zocht tastende zijn

weg op het geluid afgaande; She felt her way on the subject with him =

zij polste hem over dat onderwerp; I shall try to feel him out = te

polsen; I feel up to much work = voel me geschikt voor; I feel offended

by your remark = ik acht mij beleedigd; Feeler = voeler, voelhoorn; To

put (throw) out a feeler = de publieke meening polsen door een

voorloopig bericht; Feeling = gevoelend, gevoelvol, medelijdend; subst.

gevoel, aandoening, gewaarwording, geest, stemming: He has no feeling

against you = niets (= geen wrok) tegen u; To excite bad feeling

against = haat opwekken tegen; The feelings = de aandoeningen der ziel,

hartstochten, etc.: The feelings are dangerous guides = het gevoel is

een gevaarlijk raadsman.

Feet, fît, voeten (Zie Foot): He is certain to fall on his feet

anywhere = hij komt altijd op zijn pooten terecht; With the world at

your feet = met de wereld gereed om u te dienen.

Feign, fein, veinzen, voorwenden: A feigned issue = een proces, om

eenvoudig de rechtskwestie te beslissen; Feint, feint, subst.

voorwendsel, schijnbeweging, schijnaanval, list; Feint verb. een

schijnbeweging maken: A feint of flight = voorgewende vlucht; He made a

feint of writing = deed alsof hij schreef.

Fel(d)spar, fel(d)spâ, feldspaath.

Felicitate, fəlisiteit, feliciteeren (on); subst. Felicitation;

Felicitous = gelukkig, voorspoedig, gelukkig gevonden; Felicity,

filisiti, geluk, gelukzaligheid, voorspoed, toepasselijkheid, gelukkige

manier van: Felicity in the choice of words = eene gelukkige keus.

Feline, fîl(a)in, katachtig, katten ...: Feline amenities = kattige

lievigheden.

Felix, fîliks.

Fell, fel, vel, huid; platte zoom; val of golving (van haar);

rotsachtige heuvel; adj. wreed, woest; Fell verb. vellen, omhakken;

zoomen; imperf. van to fall; Fell-monger = koopman in huiden.

Fellah, fela, (meerv. Fellaheen, feləhîn), Egyptische boer of arbeider:

The fellaheen forces = de strijdmacht der fellahs.

Felloe, felou, velg.

Fellow, felou, subst. kameraad, maat, wedergade, gelijke, kerel, vent,

jongen; lid van een college of genootschap; soort lector of tutor in ’t

genot van een Fellowship: A glove and its fellow = en de daarbij

passende handschoen; He is hail-fellow-well-met with everybody = goede

maatjes; They are fellows in office = ambtgenooten, collega’s; adj. (in

samenstellingen) mede...; Fellow-citizen = medeburger; Fellow-commoner

= student (aan Eng. Universiteiten), die met de fellows van zijn

college dineert; Fellow-countryman = landsman; Fellow-craft =

vrijmetselaar (tweede graad); Fellow-creature = medemensch;

Fellow-feeling = medegevoel; Fellow-lodger = contubernaal;

Fellow-ranker = iemand van denzelfden rang; Fellowship = vereeniging,

gemeenschap, omgang, gelijk aandeel in; het ambt van, en de toelage

voor de fellows van een universiteit: Good fellowship = collegialiteit,

kameraadschap; Rule of fellowship = gezelschapsrekening; Fellow-soldier

= krijgskameraad; Fellow-traveller = medereiziger.

Felly, feli, velg.

Felon, fel’n, subst. misdadiger; fijt; adj. kwaadaardig, verraderlijk,

wreed; Felon’s dock = beschuldigdenbank; Felonious, fəlounjəs, snood,

boosaardig, misdadig, met voorbedachten rade; Felony = zware misdaad.

Felt, felt, subst. vilt(en hoed); Felt verb. met vilt bedekken, tot

vilt maken; imperf. van to feel.

Feltre, feltə, ouderwetsch borstharnas van vilt.

Felucca, fəlɐkə, feloek (schip).

Felwort, felwɐ̂t, swertia, gentiaan, bitterwortel.

Female, fîmeil, subst. vrouwtje, wijfje; vrouwelijke plant,

vrouwspersoon; adj. vrouwelijk: Female die = holle stempel, waarin de

male die geslagen wordt; Female rhymes, Female rimes = rijmen met

ongeaccentueerde lettergreep op het einde, bijv. geven — leven; Female

screw = moerschroef; Female woman = teere, zwakke.

Feme, fem: Feme covert = gehuwde vrouw; Feme sole = ongehuwde vrouw.

Feminine, feminin, vrouwelijk, zacht, teeder, verwijfd: Feminine gender

= vrouwelijk geslacht; Femininity = vrouwelijkheid, de vrouwen;

Feminize = verwijfd maken, verweekelijken.

Femoral, femərəl, dij - -; Femur = dijbeen.

Fen, fen, moeras, moerasland; Fen-berry = veenbes; Fen colonies =

veenkoloniën; Fen-duck = soort v. wilde eend; Fen-fire = dwaallichtje.

Fence, fens, subst. heg, omheining, beschutting, het schermen,

handigheid (in ’t debat), heler; Fence verb. omheinen, beschutten,

verdedigen, versterken, schermen, pareeren; uitvluchten maken: To be

(ride, sit) on the fence = eene afwachtende houding aannemen; She

rushed at her fences = zij vloog naar de beschermde plaats, stelde zich

te weer; To fence a question = pareeren, ontwijken; He studiously

fenced round the points = hij ontweek opzettelijk de kwestie;

Fence-month = gesloten jachttijd (van 9 Juni–9 Juli); Fencer =

schermer, goed springpaard; Fencible, fensib’l, verdedigbaar: The

Fences = soort landweer; Fencing, fensiŋ, materiaal voor eene schutting

(Amer.); schermkunst, handig debat: Fencing-foil = degen;

Fencing-gloves = schermhandschoenen; Fencing-pad = borstleder (van den

Fencing-master = schermmeester).

Fend, fend, verdedigen, afweren: Let us leave him to fend for himself =

laat hij zichzelf verdedigen, zien te redden.

Fender, fendə, hek voorlangs den haard of de daardoor ingesloten

ruimte; stootmat, kurkenzak, wrijfworst (scheepst.).

Fenian, fînj’n, lid van een in 1857 te New-York opgericht geheim Iersch

verbond voor het bevrijden van Ierland; ook adj.; Fenianism =

Fenianisme.

Fennel, fen’l, venkel.

Fenny, feni, moerassig.

Fent, fent, opening of split.

Feod, fjûd. Zie Feud.

Feof, fef, subst. leengoed; Feof verb. met een leen begiftigen; Feofee,

fefî, leenman; Feofer, Feofor, fefə, leenheer.

Feral, fîrəl, Ferine, fîr(a)in, wild, ongetemd; kwaadaardig (v.

ziekten); subst. Feralness.

Fering(h)ee, fəriŋgî, Frank, algemeene naam door de Mahom. aan

Europeanen gegeven.

Ferment, fɐ̂m’nt, ferment, gisting (ook fig.).

Ferment, fəment, in gisting brengen (of zijn), beroeren; Fermentability

= gistbaarheid; Fermentable = gistbaar; Fermentation = gisting,

beroering; Fermentative, gistend, gisting veroorzakend, gistings - -,

subst. Fermentativeness.

Fern, fɐ̂n, varenkruid: Fern-owl = nachtzwaluw; Fern-seed = (onzichtbaar

makend) varenzaad; Ferny = vol varens.

Ferocious, fəroušəs, woest, wreed, roofgierig; subst. Ferociousness =

Ferocity, fərositi.

Ferret, ferət, subst. fret; woekeraar; smal groen lint; Ferret verb.

uitdrijven, fretten, uitvisschen: I have ferreted it out = ben het op

listige wijze te weten gekomen; Ferret-eyes = kleine, slimme oogen;

Ferreter = jager met een fret, speurhond (fig.).

Ferriage, feriidž, overvaart, veergeld.

Ferric, ferik, ijzer ...; Ferriferous = ijzerhoudend; Ferrugineous,

ferudžiniəs, ijzerhoudend, ijzerroestkleurig = Ferruginous.

Ferrotype, feroutaip, photographie op een gevoelige ijzeren plaat.

Ferrule, ferûl, metalen ring, koperen busje om een stok, muntring.

Ferry, feri, subst. veer, veerrecht, veerboot; Ferry verb. overzetten;

Ferry-boat = veerboot; Ferryman = veerman.

Fertile, fɐ̂t(a)il, vruchtbaar, rijk aan, vindingrijk; subst. Fertility;

Fertilization = vruchtbaarmaking, bevruchten; Fertilize, fɐ̂tilaiz,

vruchtbaar maken, bevruchten; Fertilizer = mest.

Ferule, ferûl, subst. schoolplak; Ferule verb. met de plak geven.

Fervency, fɐ̂vənsi, vuur, gloed, innigheid, ijver; adj. Fervent, fɐ̂v’nt,

subst. Ferventness; Fervid, fɐ̂vid, heet, brandend, vurig, heftig;

subst. Fervidness; Fervour, fɐ̂və, gloed, vuur, drift.

Fesse, fes, horizontale dwarsbalk of streep op een schild; Fesse-point

= het middelpunt van een wapenschild.

Festal, fest’l, feestelijk, vroolijk.

Fester, festə, subst. zweer, fistel; Fester verb. zweren, etteren,

rotten, woeden.

Festival, festiv’l, subst. feestviering; soms ook adj.; Festive =

feestelijk, feest...: Festive mirth = feestvreugde; In a festive

disposition = in feestelijke stemming; Festivity, fəstiviti,

feestelijkheid, feestvreugde.

Festoon, festûn, subst. guirlande, krans, festoen; Festoon verb. met

guirlandes, enz. tooien.

Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven,

bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I fetched

him from behind = greep hem van achteren aan; He was fetched in (out) =

gegrepen (weggevoerd); The picture will have to be fetched out = zal

wat uitgehaald moeten worden; She was fetched to = bijgebracht; To

fetch up = plotseling blijven staan, ophalen, grootbrengen, inhalen:

The flatness of the last act must be fetched up = het trekkerige van

het laatste bedrijf moet verholpen worden; To fetch a compass = een

omweg maken; To fetch a pump = eene pomp aan den gang maken; She

fetched a deep sigh = slaakte een diepen zucht; That is rather

far-fetched = nogal ver gezocht; Fetch-candle (Fetch-light) =

dwaallicht, dat naar het volksgeloof, in Wales, den dood aankondigt;

Fetching, pakkend, bekoorlijk.

Fetich, fetiš, fîtiš = Fetish.

Fetid, fetid, fîtid, stinkend; subst. Fetidness.

Fetish, fetiš, fîtiš, fetisch: Fetish-man = fetisch priester of

aanbidder; Fetishism = feticisme; Fetishist = fetisch aanbidder.

Fetlock, fetlok, vetlok, kootgewricht.

Fetter, fetə, subst. voetboei, keten, belemmering; kluister; Fetter

verb. boeien, belemmeren, binden; Fetterless = vrij, ongedwongen.

Fettle, fet’l, in orde brengen, repareeren, schoonmaken, druk werken,

voeren, bedekken, vastmaken; subst. conditie (sportt.), drukte.

Fetus, Foetus, fîtəs, ongeboren vrucht.

Feud, fjûd, vete, twist, vijandschap.

Feud, fjûd, leen; Feudal system = leenstelsel = Feudalism = feudalisme;

Feudality, fjudaliti, leenmanschap, feudaal-systeem; Feudalize =

leenroerig maken; Feudary = Feudatory = leenman.

Fever, fîvə, subst. koorts, opgewondenheid; Fever verb. koortsig maken:

In a fever of disgust = koortsachtig opgewonden van ergernis; Low fever

= binnenkoorts; Feverfew = koorts- of moederkruid; Fever-weakened =

door de koorts verzwakt; Feverish, fîvəriš, koortsachtig, gloeiend;

subst. Feverishness.

Few, fjû, weinige(n): The fewer the better = hoe minder (menschen) hoe

liever; A few = eenige; A good few = aanzienlijk getal; In few = in ’t

kort; Few and far between = hoogst zeldzaam; Fewness = gering aantal.

Fey, fei, (ge)dood, ten doode bestemd; veeg (Schotsch), ongelukkig,

vreemd, zonderling, mistroostig: You are fey, and I prophesy a headache

for you to-morrow = je bent niet gewoon.

Fez, fez, fez, Turksche muts.

Fiasco, fiaskou, fiasco, ongunstige uitslag, slecht figuur.

Fiat, faiət, fiat, “het geschiede”.

Fib, fib, subst. leugen(tje); Fib verb. jokken, afranselen: Don’t tell

fibs = jok nu niet; Fibber = jokker = Fibster.

Fibre, faibə, vezel, kracht; Fibril, faibril, fijne vezel of draad;

Fibrilose, faibrilous, faibrilous, met of van vezeltjes; Fibrous,

faibrəs, vezelachtig.

Fibula, fibjulə, kram; kuitbeen; hechtnaald.

Fickle, fik’l, wispelturig, grillig; subst. Fickleness.

Fico, fîkou, vijg; verachtelijk gebaar waarbij men den duim in den mond

of tusschen wijs- en middelvinger bracht.

Fictile, fiktil, kneedbaar; aarden: Fictile art = keramiek.

Fiction, fikš’n, verdichting, verdichtsel, prozawerk, roman; Fictitious

= verdicht, nagemaakt, onecht; subst. Fictitiousness; Fictive =

Fictitious.

Fictor, fiktə, modelleur.

Ficus, faikəs, vijgeboom; vijgewrat.

Fidalgo, fidalgou, Portugeesch edelman.

Fiddle, fid’l, subst. viool, slingerlatten (scheepst.); Fiddle verb.

vioolspelen, beuzelen, spelen, beetnemen: He played first fiddle = hij

speelde de eerste viool (ook fig.); To take first fiddle = de leiding

nemen; Fiddle-bow = strijkstok; Fiddle-bridge = kam; Fiddle-case =

kist; Fiddle-de-dee = malligheid; Fiddle-faddle, fid’lfad’l, subst.

gewauwel, kouwe drukte; adj. wauwelachtig, beuzelend; Fiddle-faddle

verb. drukte maken om niets, beuzelen; Fiddle-stick = strijkstok: I

don’t care a fiddle-stick = ik geef er geen zier om; Fiddlesticks’ ends

= geleuter; Fiddle-string = vioolsnaar; Fiddler = vioolspeler,

zesstuiverstuk.

Fide-jussion, faididžɐš’n, borgstelling; Fide-jussor = borg.

Fidele, faidîlə.

Fidelity, fideliti, getrouwheid, aanhankelijkheid, trouw.

Fidget, fidžət, subst. zenuwachtige gejaagdheid, bewegelijkheid,

zenuwachtig persoontje; Fidget verb. zich zenuwachtig bewegen,

zenuwachtig maken: Her arm seemed to have got the fidgets = niet stil

te kunnen blijven liggen, bewoog zenuwachtig heen en weer; You fidget

me by your presence = ge maakt me zenuwachtig en gejaagd door uwe

tegenwoordigheid; Fidgety = gejaagd, zenuwachtig.

Fiducial, fidjûš’l, vertrouwend, vertrouwelijk: Fiducial mark = bewijs

van vertrouwen; Fiduciary, fidjûšəri, subst. iemand, wien een pand ter

bewaring is toevertrouwd; adj. vol vertrouwen, toevertrouwd: In his

fiduciary capacity = betrekking van vertrouwen.

Fie, fai, foei!

Fief, fîf, leengoed.

Field, fîld, veld, akker, slagveld, slag, gezichtsveld,

uitgestrektheid, al de cricketspelers, de jachtstoet, aantal

deelnemende paarden; Field verb. voor fielder spelen bij cricket,

wedden op het field (i.e. tegen den favourite): He betted (laid)

against the field = hij wedde op den favourite; The field was fought,

lost, won = slag; The army took the field and kept it during the summer

= het leger trok te velde en bleef daar den ganschen zomer; A field of

ice = groote (drijvende) ijsmassa; Field of view = gezichtsveld;

Field-allowance = extratoelage aan te velde zijnde soldaten;

Field-artillery = veldartillerie; Field-bed = veldbed; Field-book =

veldboek (voor het landmeten); Field-day = dag voor velddienst, dag van

groote drukte, vertoon, etc.; Field-duck = kleine trap; Field-equipage

= velduitrusting; Fieldfare = veldjakker, kramsvogel; Field-glass =

veldkijker; Field marshal = veldmaarschalk; Field-mouse = veldmuis;

Field-officer = stafofficier; Field-piece (Field-gun) = stuk

veldgeschut; Field-practice = velddienstoefening; Field-sports =

jachtvermaak, enz.; Field-works = schansen; Fielder = een bepaald

speler bij cricket.

Fiend, fînd, booze geest, duivel; adj. Fiendish; subst. Fiendishness;

Fiendlike = duivelsch, demonisch.

Fierce, fîəs, woest, wreed, meedoogenloos, hevig, onstuimig; subst.

Fierceness.

Fieri facias, fai(ə)raifeišas, dwangbevel tegen een schuldenaar: He has

been served with a writ of fieri facias.

Fieriness, fai(ə)rinəs, vurigheid, vuur, hevigheid; Fiery, fai(ə)ri,

vurig, hartstochtelijk, opvliegend: Fiery substances = licht

ontbrandbare stoffen; Fiery-cross = vlammend kruis (in de Hooglanden

van Schotland), om de stammen te wapen te roepen.

Fife, faif, subst. fluit, pijp; Fife verb. pijpen, op eene fluit

spelen; Fifer = pijper.

Fifteen, fiftîn, (maar Fifteen boys, fiftîn bôiz), vijftien; Fifteenth

= vijftiende; Fifth, fifth, subst. en adj. vijfde (deel): Fifth

monarchy men = dweepzieke godsdienstsekte, die ongeveer 1659 ontstond

en eene vijfde monarchie profeteerde, waarin Christus duizend jaren op

aarde zou heerschen; Fifthly = ten vijfde; Fifty = vijftig: In the

fifties = tusschen ’50 en ’60; Fiftieth = vijftigste.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 44 / 152 段