Facial, feiš’l, tot het gelaat behoorend: Facial angle = gelaatshoek;

Facial contractions = gelaatsverwringingen.

Facile, fasil, gemakkelijk, gedwee, gewillig, vlug, lichtgeloovig,

licht over te halen, meegaande, vriendelijk, minzaam: He wields a

Facile pen = een vlugge pen; Facilitate, fəsiliteit, vergemakkelijken,

verlichten; subst. Facilitation; Facilities, fəsilitiz, gemakken,

voordeelen; Facility, fəsiliti, gemakkelijkheid, handigheid,

meegaandheid, genaakbaarheid, minzaamheid.

Facing, feisiŋ, subst. boordsel, opslag, tressen, bekleeding van talud,

wending, zwenking (Mil.): Facing of tea = thee kleuren ter

vervalsching.

Facsimile, faksimili, subst. facsimile; Facsimile verb. eene juiste

nabootsing geven van.

Fact, fakt, daad, feit, werkelijkheid: In fact = inderdaad, feitelijk.

Faction, fakš’n, (politieke) partij, oneenigheid, onrust, tumult,

opstand; Factionist = raddraaier, oproermaker; Factious, fakšəs,

partijzuchtig, oproerig, muitend; subst. Factiousness.

Factitious, faktišəs, kunstmatig, nagebootst, onecht, conventioneel.

Factitive, faktitiv, causatief: Factitive object, zooals b.v. het woord

duke in: The queen made him a duke.

Factor, faktə, agent, facteur, factor; Factorage, faktəridž,

commissieloon; Factorship = beroep v. factor; Factory, faktəri,

fabriek, faktorij: Factories and Workshops Acts = arbeidswetten;

Factory hand = fabrieksarbeider.

Factotum, faktout’m, factotum, duivelstoejager.

Facultative, fakəltətiv, rechtgevend, naar believen, facultatief;

Faculty, fak’lti, bekwaamheid, vermogen, gave, talent, zin,

bevoegdheid, dispensatierecht, faculteit: The Faculty = medische

faculteit, de medici.

Fad, fad, liefhebberij, stokpaardje, gril; Faddish = grillig; Faddist =

iemand, die er allerlei dwaze stokpaardjes en meeningen op nahoudt;

Faddy = vol fads.

Faddle, fad’l, beuzelen.

Fade, feid, adj. zwak, mat, kleurloos; Fade verb. verwelken,

verkleuren, verschieten, verdwijnen; Fadingness = vergankelijkheid.

F(a)ecal, fîk’l, tot faeces behoorende of die bevattende; F(a)eces,

fîsîz, faecaliën, bezinksel.

Fag, fag, subst. werkezel; groen; een “pluk”, een “toer”; Fag verb.

zich afsloven, zich afmatten, groen loopen; afmatten, als werkezel

gebruiken: Fagged out = doodop; Fag-end = zelfkant, rafeleind,

uitgerafeld stuk, eindje, slot.

Fa(g)got, fagət, subst. takkebos, bundel (of iron, steel), brandstapel;

oud gerimpeld vrouwspersoon, lummel; Faggot verb. samenbinden; To smell

of the faggot = naar den mutsaard rieken; Faggot-voting, bestond

hierin, dat grondbezitters nominaal stukken land aan pachters

overdeden, die dientengevolge als grondbezitters ook mochten stemmen.

Fagin, feigin.

Fagotto, fagotou, fagot.

Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden,

verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen,

verzwakken, in den steek laten, zijn doel missen, misgaan, falen,

nalatig zijn, failleeren of bankroet gaan, verlaten, teleurstellen; ook

subst.: His heart failed him = zijn moed begaf hem; He failed to do it

= slaagde niet; They failed to do him justice = bleven in gebreke; He

failed in his usual alacrity (animation) = het ontbrak hem; He has

failed of his ambitions = zijn illusies (wenschen) zijn niet

verwezenlijkt; This work cannot fail of popularity = moet wel in den

smaak vallen; Without fail = zonder mankeeren, zeker; Failing, subst.

gebrek, zwak; adj. ontbrekend, achteruitgaand, begevend, etc.; prep.

bij gebrek van: A never failing topic of conversation = waarover men

nooit raakt uitgepraat; Failure = gebrek, slechte uitslag, gemis,

mislukking, misgewas, verval, achteruitgang, bankroet.

Fain, fein, gaarne, blij, geneigd, begeerig, genoodzaakt: He was fain

to eat black bread = hij was blij met (hij moest wel eten) roggebrood;

Fain to gain it = verlangend; He would fain = hij wou graag (liefst);

Fain of = blij met.

Faint, feint, adj. zwak, verzwakt, uitgeput, flauw, bedwelmend, zwoel,

drukkend, terneergeslagen; subst. flauwte, onmacht; Faint verb. flauw

vallen (away), afnemen, zwakker worden: Faint heart never won fair lady

= die niet waagt, die niet wint; Faint at heart = bevreesd; I have not

the faintest idea of it = er geen flauw begrip van; The book was killed

with faint praise = werd totaal vermoord door zwakke aanprijzing (die

met veroordeeling gelijk stond); A faint sound = zwak, dof; Faint with

hunger, thirst = flauw, uitgeput van; Fainthearted = moedeloos,

flauwhartig; subst. Faint-heartedness; Fainting = flauwte, bezwijming:

In a fainting fit = in een aanval van flauwte; Faintish = zwakkelijk;

subst. Faintishness; Faintness = zwakte, moedeloosheid,

onduidelijkheid.

Fair, fêə, subst. jaarmarkt, kermis; Fancy fair = liefdadigheidsbazaar;

Fairing = kermisgeschenk.

Fair, fêə, schoon, fraai, rein, vlekkeloos, ongerept, helder,

duidelijk, blond, blank, ongehinderd, vrij, gunstig, behoorlijk,

billijk, rechtvaardig, eerlijk, oprecht, zacht, vriendelijk: The fair

(sex) = het schoone geslacht; She has a fair knowledge of English =

behoorlijke, flinke; Fair play is a jewel = eerlijk duurt het langst;

That is not fair play = niet eerlijk en rond; To see fair play = zorgen

dat iets eerlijk toegaat; Fair trade = beschermde handel; He is in a

fair way to succeed = mooi op weg; Fair words butter no parsnips =

praatjes vullen geen gaatjes; Fair and square = eerlijk, rond, oprecht;

Fair and softly = zoetjes aan; He bids fair to get the place = zijne

kansen staan goed; He carried it fair towards them in public = deed

zich mooi voor; Fairly = vrijwel; geheel en al, volstrekt, werkelijk:

The book is going on fairly, sells fairly well = gaat vrij goed van de

hand; Fair-faced = met mooi gelaat; mooie praatjes makend; Fair-minded

= oprecht; Fair-spoken = innemend, hoffelijk; His Fair-weather friends

= vr. in voorspoed; Fairish = lief, tamelijk goed (mooi, etc.); vrij

wel; Fairness = schoonheid, ongereptheid, blondheid, oprechtheid,

billijkheid, duidelijkheid, etc.

Fairway, fêəwei, vaarwater.

Fairbairn, fêəbən; Fairfax, fêəfaks.

Fairy, fêri, subst. fee, toovenares; adj. feeachtig: Fairy circle

(Fairy green, Fairy ring) = kring (groener dan de omgeving) in ’t

grasveld, die naar ’t volksgeloof door het dansen der feeën ontstaan

is; Fairy fingers, Fairy glove = vingerhoedskruid; Fairyland =

feeënland; Fairy-like = als een fee; Fairy-tale = sprookje.

Faith, feith, geloof, vertrouwen, trouw, belofte, eerewoord: (In)

faith, he did it = eerlijk (waarachtig), hij deed het; In good faith =

te goeder trouw; The Faith = de Christel. godsdienst; A breach of faith

= trouwbreuk; To keep faith with = zijn woord houden jegens; To put

faith in = geloof hechten aan; Faithful = geloovig, trouw, eerlijk,

geloofwaardig: The faithful = de geloovigen; Faithfully: Yours

faithfully = uw dienstwillige; subst. Faithfulness; Faithless =

ongeloovig, trouweloos; subst. Faithlessness; Faithworthy = be- of

vertrouwbaar.

Faix, feiks, op mijn woord, waarachtig.

Fake, feik, oplappen, opknappen (met het oog op bedrog), stelen;

bedriegen; opschieten (zeeterm); subst. bocht, slag, bedrog: The old

horse was faked up for work again = werd weer opgelapt voor ’t werk;

Fakement = zwendel, diefstal, knoeiwerk; Faker = bedrieger, zwendelaar,

zakkenroller.

Fakir, fəkîə, feikîə, fakir, Brit. Ind. bedelmonnik.

Falcate(d), falkeit(id), sikkelvormig; subst. Falcation.

Falchion, fôlš’n, kort licht gekromd en breed zwaard.

Falciform, falsiföm, sikkelvormig.

Falcon, fô(l)k’n, falk’n, valk; falkonet (kanonnetje); Falconer =

valkenier; Falconet = falkonet, smelleken; Falconry = valkendressuur,

valkenjacht.

Falderals, faldəralz, snuisterijen, snorrepijperijen.

Faldstool, fôldstûl, vouwstoel; bisschopsstoel (bij het altaar), stoel

(aan de zuidzijde van het altaar) waarbij de Engelsche vorsten bij de

kroning knielen; lezenaar (in de kerk).

Falernian, fəlɐ̂nj’n, subst. en adj. (wijn) van Falernus.

Falkirk, falkɐ̂k, fôlkɐ̂k, fôkɐ̂k; Falkland, fôklənd.

Fall, fôl, subst. val, het vallen, daling, neerdaling, ineenstorting,

dood, ondergang, helling, waterval, uitwatering, herfst (Amer.),

cadans, val (zeeterm); Fall verb. vallen, zich uitstorten, instorten,

afvallen, sneuvelen, betrekken, zondigen, dalen, verminderen,

vervallen, neerkomen, aanvallen, te beurt vallen, gebeuren, geworpen

worden, enz.: The Fall = zondenval; They tried a fall (with each other)

= worstelden samen; There was a general fall of jaws = zij trokken

allen lange gezichten; He came here in the fall = in den herfst; A fall

overcoat = demisaison; Fall aboard = aanvaren, aanklampen, aanpakken;

To fall astern = achterblijven, zakken (van schepen); To fall dead from

the press = doodgezwegen worden; The wind fell a dead calm = het werd

bladstil; To fall flat = mislukken; de uitwerking missen; To fall foul

of = aanzeilen; aangrijpen, slaags raken met; stooten op; He fell from

grace = verviel tot zonde; He fell in love = werd verliefd; To fall ill

= ziek worden; To fall short = te kort schieten, niet voldoende zijn,

niet beantwoorden aan (of); To fall together = elkaar ontmoeten; To

fall to pieces = in stukken vallen; To fall to the rear = wijken; To

fall among friends = toevallig raken onder, ontmoeten; To fall away =

mager worden, tot slechtheid vervallen; To fall away from = afvallig

worden; He fell along = viel neer zoo lang als hij was; To fall back =

wijken, terug krabbelen; To fall back upon = terugkomen op (eene

bewering of argument), steun vinden of zoeken bij, in geval van nood;

To fall behind = achterblijven, zakken; His face had fallen in =

ingevallen, mager geworden; To fall in = invallen, vervallen,

aantreden, aansluiten; The lease will fall in on the first = het

huurcontract vervalt; To fall headlong into the water = voorover, hals

over kop; I fell in with his plans = keurde.. goed en deed

overeenkomstig; That fell in with my temper = kwam overeen met; We fell

in with each other = troffen elkander; To fall off = afvallen;

verminderen, afnemen; He fell on (to) his knees; To fall out =

uitvallen, oneenigheid, ruzie krijgen, de gelederen verlaten; It fell

out that ... = het gebeurde, dat; To fall through = in duigen vallen; I

advise you to fall to = ik raad u, om toe te tasten, aan te vallen; It

fell to me, my lot, my share = viel mij te beurt; The dogs fell to

biting = begonnen; The legacy fell to us = viel ons ten deel; To fall

upon (on) the ear = treffen; To fall upon = aanvallen; The war fell

within this year = had plaats; Falling-away = wegvallen, uitvallen,

vermagering, afvalligheid, ontrouw; Falling-off = vermindering,

achteruitgang; Falling-sickness = vallende ziekte; Falling-star =

vallende ster; Falling-stone = meteoorsteen; Fall-trap = valdeur,

valluik.

Fallacious, fəleišəs, bedriegelijk, sophistisch; subst. Fallaciousness;

Fallacy, faləsi, bedrog, vergissing, dwaalbegrip, drogrede.

Fallals, falalz, falalz, prullen, nietigheden.

Fallibility, falibiliti, feilbaarheid; adj. Fallible.

Fallow, falou, vaalrood, vaalgeel, onbebouwd, braak, verwaarloosd;

subst. braakland, braak; Fallow verb. braak laten liggen: He had to

rest and lie fallow = en mocht geen werk doen; Fallow-crop = oogst van

braakland; Fallow-deer = damhert; Fallow-finch = tapuit.

Falmouth, falməth.

False, fôls, adj. valsch, onwaar, ongegrond, bedriegelijk, onjuist,

onecht, vervalscht, blind, ondergeschoven: To play false = valsch

spelen, bedriegen; If my memory does not play me false = mij niet

bedriegt; He sails under false colours = hij zeilt onder valsche vlag;

False-face = masker; False-faced = huichelachtig; False fire = valsch

signaalvuur (om den vijand te misleiden); False-hearted = trouweloos;

subst. False-heartedness; Falsehood = valschheid, leugen, bedrog;

Falseness = valschheid; Falsification = vervalsching, weerlegging;

Falsifier = vervalscher, valsche munter; Falsify, fôlsifai,

vervalschen, schenden, weerleggen, de onjuistheid bewijzen; Falsity,

fôlsiti, valschheid, onjuistheid.

Falsette, fôlset; falsetto, fôlsetou, faucet-stem.

Falstaff, fôlstâf.

Falter, fôltə, stamelen, stotteren, weifelen, wankelen: Falter out =

uitstamelen; I faltered from my vow = werd ontrouw aan.

Fame, feim, gerucht, faam, roem, vermaardheid: Houses of ill-fame =

bordeelen; Famed = beroemd.

Familiar, fəmiljə, gemeenzaam, huiselijk, intiem, minzaam, ongedwongen;

subst. vertrouwde vriend, goede kennis, huisgeest: “But” is the

sceptic’s familiar = het woordje “But” heeft de twijfelaar steeds in

den mond; Familiarity, familjariti, gemeenzaamheid, nauwkeurige

bekendheid, minzaamheid: (Too great) familiarity breeds contempt = van

(al te groote) gemeenzaamheid komt verachting; Familiarities =

vrijheden; Familiarize = gemeenzaam maken, gewennen; Family, famili,

huisgezin, (vrouw en) kinderen, familie, geslacht, groep: Mr. W’s

family = de fam. W.; Family-man = huisvader; Family-medicine =

huismiddeltje; Family-tree = stamboom; Family-way: His wife is in the

family-way = in gezegende omstandigheden.

Famine, famin, hongersnood, schaarschte, gebrek; Famish, famiš,

uithongeren, verhongeren, versmachten.

Famous, feiməs, beroemd, vermaard, berucht; subst. Famousness.

Famulist, famjulist, student van ondergeschikten rang aan de

universiteit te Oxford.

Fan, fan, subst. waaier, wan, blaasbalg, prikkel; Fan verb. koelte

toewaaien, wannen, aanzetten, aanwakkeren: He fanned the racial hatred

= wakkerde aan; Fan-light = halfronde lichtschepping boven eene

huisdeur; Fan-tail = duif, met waaiervormigen staart, vleermuis

(gasbrander); kap met verlengstuk van kolendragers; Fanning-machine,

faniŋməšîn, Fanning-mill = builmolen, wanmachine.

Fanal, fənal, fənâl, fein’l, lichttoren, lichttoestel.

Fanatic, fənatik, adj. dweepziek; subst. dweper; Fanatical = fanatiek;

Fanaticism = fanatisme.

Fancier, fansiə, kweeker, liefhebber (van vogels, enz.). Fanciful,

fansiful, hersenschimmig, ingebeeld, grillig, phantastisch; subst.

Fancifulness; Fancy, fansi, subst. verbeelding, fantasie,

verbeeldingskracht, gril, lust, smaak, voorliefde, liefhebberij; adj.

ingebeeld, overdreven, elegant, mode - -, phantasie..; Fancy verb. zich

verbeelden, zich voorstellen, eene voorliefde opvatten voor, aangenaam

vinden; lusten: The fancy = in ’t algemeen sportmenschen, vooral

worstelaars, hondenliefhebbers, etc.; He took a fancy to it = hij kreeg

er zin in; Only fancy = stel je voor; If you fancy the idea, I will act

accordingly = als het denkbeeld bijval bij u vindt; Is there nothing,

that you can fancy? = is er niets, dat u bevalt, dat ge lust?

Fancy-articles, Fancy-goods = weelde-artikelen; Fancy-ball =

gecostumeerd bal = Fancy-dress ball; Fancy-fair = liefdadigheidsbazaar;

Fancy-goods = galanterieën; Fancy-man = souteneur; Fancy price =

bespottelijk hooge prijs; Fancy-shop = galanteriewinkel; Fancy-sick =

eenigszins getroubleerd van geest; Fancy-skater = kunstschaatsenrijder;

Fancy-stationer = verkooper van luxepostp., galanterieën, enz.;

Fancy-work = handwerkje.

Fandango, f’ndaŋgou, Spaansche dans.

Fane, fein, tempel, heilige plaats; weêrhaan.

Fanfare, fanfêə, fanfêə, fanfare, pocherij.

Fanfaron, fanfəron, snoever; Fanfaronade, fanfərəneid, snorkerij,

gebluf.

Fang, faŋ, slagtand, gifttand, klauw; Fangless = zonder klauwen, etc.

Fanion, fanj’n, klein vlaggetje.

Fannel, fan’l. Zie Fanon.

Fanny, fani.

Fanon, fanən, zijden vierkleurige schouderdoek, welke na het cingulum

(sjerp) over de alb wordt gelegd, een speciaal pauselijk gewaad bij

kerkdiensten; manipel; witgedekte tafel waarop de offeranden voor de

mis worden geplaatst.

Fantasia, fəntâzia, fantəzîa; muzikale fantasie; Fantastic (=

Fantastical), fəntastik(’l), fantastisch, grillig; subst. phantast;

Fantasticalness; Fantasy, fantəsi. Z. Fancy.

Fan-tods, fantodz, landerigheid: I got the fan-tods = het begon me te

vervelen, ik kreeg het land.

Fantoccini, fantoutšîni, marionetten-theater.

Far, fâ, ver, afgelegen, zeer, groot: That does not go very far = daar

komen we niet ver mee; This cocoa is best and goes farthest = en is het

voordeeligst in het gebruik; We had to go far-about = een heelen omweg

maken; Far-away = ver weg, verstrooid; To reach far back into antiquity

= ver teruggaan; Far and away = verreweg; Far and near, Far and wide =

heinde en ver, overal; Few and far between = zelden voorkomend;

Far-fetched = vergehaald, vergezocht; Far forth = heel ver; In the

far-gone = in ouden tijd; He is far-gone in that science = heeft het

een heel eind gebracht in; Far gone in love = tot over de ooren

verliefd; Far gone in drink, consumption = erg dronken, in een ver

stadium van tering; Far in with = zeer intiem met; Farmost = verst;

Far-off = op een grooten afstand; wezenloos, starend; Far other = heel

anders; You are far out = hebt het heelemaal mis; Far-reaching =

ver-reikend; Far-sighted = verziende, omzichtig; subst.

Far-sightedness; Far West = het gedeelte der Unie ten W. van den

Mississippi; By far = verreweg; So far as I am concerned = wat mij

aangaat; So far so good = tot hiertoe is het in orde.

Faradization, farəd(a)izeiš’n, behandeling van ziekten door electrische

stroomingen, ook: Faradism, naar Faraday genoemd; Faradize =

electriseeren.

Farce, fâs, klucht, kort blijspel; Farcical, fâsik’l, kluchtig,

grappig; subst. Farceness.

Farcin, fâsin, Farcy, fâsi, ziekel. aandoening der lymphklieren bij

paarden.

Fare, fêə, subst. voedsel, kost, gerecht, vracht, passagier; Fare verb.

zich bevinden, varen, gaan, zich voeden: Half fares = halve of

kinderkaarten; Regulation fare = tarief; Bill of fares = tarief (in

omnibus of huurrijtuig); Bill of fare = menu, spijskaart; Fare you well

= vaarwel; Fare-meter (for cabs) = taxometer; Farewell, fêəwel, subst.

afscheid, vaarwel: He bade farewell to his country = zeide vaarwel;

adj. afscheids... (fêəwel): A farewell address = afscheidsrede; interj.

(fêəwel) vaarwel! adieu!

Farina, fərainə, fərînə, bloem van meel; zetmeel; Farinaceous,

farineišəs, melig, meel bevattend: Farinaceous food = meelkost;

Farinose, farinous, meelhoudend, met meelachtig stof bedekt.

Farm, fâm, subst. boerderij, pachthoeve; Farm verb. pachten,

verpachten, bebouwen, den landbouw uitoefenen, kinderen uitbesteden:

This house was let to farm = verhuurd; Farm-bailiff = rentmeester;

Farm-crossing = (spoor)overweg bij een boerderij; Farm-dog = waakhond;

Farm-hand = arbeider, knecht; Farm-house = boerenwoning; Farm-labourer

= boerenarbeider; Farm-produce = landbouwproducten; Farm-stead(ing) =

boerenplaats; Farm-yard = erf; Farmer = pachter, landman; Farmery =

boerenerf met huizen, schuren enz.; Farming, subst. landbouw; adj.

landbouw...

Farnborough, fânbərou; Farne Islands, fân ailəndz; Farnham, fânəm.

Faro, fêrou, een hazardspel.

Faroe, fêrou: Faroe Isles; Farquhar, fâkwâ, fâk(w)ə.

Farrago, fəreigou, mengelmoes.

Farrier, fariə, subst. hoefsmid, paardendokter; Farriery =

hoefsmidsbedrijf, smederij.

Farrow, farou, subst. big, worp biggen; adj. gust (niet drachtig) van

eene koe (Dial. en Amer.); Farrow verb. biggen werpen.

Farther, fâdhə, Farthest, fâdhist, comp. en superl. van far;

Farther-more = bovendien.

Farthing, fâdhiŋ, ¼ penny; Farthing’s-worth = waarde van een farthing.

Farthingale, fâdhiŋgeil, soort hoepelrok (16de en 17de eeuw).

Fasces, fasîz, bundel, fasces (Oud-Rome): Fasces of flowers.

Fascia, fašiə, band, gordel, vooruitstekende lijst, zwachtel;

Fasciation, fašieiš’n, zwachtelen, verband; Fascicle, fasik’l,

bundeltje, aflevering; Fascicular, fəsikjulə, Fasciculate(d) = tot een

bundeltje vereenigd.

Fascinate, fasineit, betooveren, verrukken, bekoren, boeien; subst.

Fascination.

Fascine, fəsîn, fascine, bundel rijshout voor milit. doeleinden.

Fash, faš, hinderen, plagen, lastig zijn (Dial.).

Fashion, faš’n, subst. fatsoen, aard, wijze, vorm, patroon, mode,

trant, kleederdracht, chic, voornaamheid; Fashion verb. vormen,

fatsoeneeren, gepast maken voor: The fashion = de groote wereld;

Fashions = de heerschende modedracht; After a fashion, In a fashion =

tot op zekere hoogte; In the fashion = in de mode; Fashionable = naar

de mode, chic, beschaafd, welopgevoed; subst. Fashionableness;

Fashionist = modegek; iemand, die aan den vorm hangt; Fashion-monger =

fat, modepop; Fashion-sheet = modeplaat.

Fast, fâst, vast, onbewegelijk, bevestigd, gehecht, getrouw; snel,

vóórloopend, vlug, los, geëmancipeerd; losbandig: My watch is fast =

vóór; You are a little fast = je horloge gaat wat voor; You go too fast

= je oordeelt wat haastig; He plays fast and loose with his principles

= hij is niet beginselvast; He is as fast asleep as a church = hij

slaapt als een otter; Fast beside = vlak naast; Fast by = dichtbij;

Fast colours = “waschecht”; Fast freight = ijlgoed; Fast friends =

dikke vrienden; Fast man, woman = roué, wufte, geëmancipeerde vrouw;

Fast-sailing = snelzeilend; Fast train = sneltrein; Fasten, fâs’n,

vastmaken, bevestigen, sluiten, vestigen, opleggen, zich hechten of

vastklemmen: He can fasten an article on any journal = kan ... in ieder

tijdschrift geplaatst krijgen; I have fastened a fib on him = ik heb

hem wat wijs gemaakt; He fastened a quarrel on his opponent = zocht

ruzie met; Fastener = knijpertje; Fastening = slot, grendel, sluiting;

Fastness = snelheid; losbandigheid, versterking, fort.

Fast, fâst, vasten; subst. vasten, vastentijd: I hope I shall fast my

illness off = ik hoop, dat ik door onthouding (vasten) er weer bovenop

kom; I am obliged to fast from reading = mij van lezen te onthouden,

spenen; Fast-day = vastendag; Faster = vaster.

Fasti, fastai, Romeinsche kalender of registers.

Fastidious, fəstidjəs, kieskeurig, moeilijk te voldoen; subst.

Fastidiousness.

Fastigiate(d), fəstidžit(-eitid), naar boven spits toeloopend.

Fat, fat, vet, dik, vleezig, rijk, voedzaam; subst. vet, room, beste

deel; Fat verb. mesten, vet worden: The fat is in the fire = de poppen

zijn aan ’t dansen, de heele boel is overhoop, vernield; There is

plenty of fat in that part = er zit een heele kluif aan die rol; To

live on the fat of the land = het vette der aarde genieten;

Fat-brained, (Fat-headed, Fat-witted) = dom, suf; Fat-head = domkop;

Fat-guts = dikzak; Fatling = jong gemest dier; Fatness = vetheid,

vruchtbaarheid; Fatten, fat’n, vet mesten, mesten, zich mesten, vet

worden; Fattiness = vetheid; Fatty = vettig: Fatty degeneration =

vetziekte.

Fata Morgana, fâtəmögânə, Fata Morgana.

Fatal, feit’l, noodlottig, rampspoedig, onheilspellend, doodelijk;

Fatalism = fatalisme; Fatalist = fatalist; adj. Fatalistic; Fatality,

fətaliti, noodlottige gebeurtenis; Fatalities = ongelukken.

Fate, feit, noodlot, lot, dood: The Fates = schikgodinnen; As sure as

fate = zoo zeker als wat; Fated = voorbestemd; Fateful = noodlottig.

Father, fâdhə, subst. vader, voorvader; Father verb. aannemen (als

kind), zich uitgeven voor den maker van, iemand iets op den hals

schuiven: Adoptive father = aangenomen vader; Putative father =

vermoedelijke vader; Fathers of the Church = Kerkvaders; Conscript

fathers = Romeinsche Senatoren; Father-in-law = schoonvader,

stiefvader; Father-long-legs = langbeen (mug); He fathers the works of

others, and wishes to father his anonymous books on me = hij geeft zich

voor den maker van de werken van anderen uit, en tracht mij voor den

schrijver van zijne anonieme boeken te doen doorgaan; Fatherhood =

vaderschap; Fatherland = vaderland: The Fatherland = Duitschland;

Fatherliness = vaderliefde; Fatherly = vaderlijk; Fathership.

Fathom, fadh’m, subst. vadem (1.828 M., of 6.1163 M3); Fathom verb.

vademen, omvatten, begrijpen, doorgronden; Fathom-line = loodlijn;

Fathomless = ondoorgrondelijk, bodemloos.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 43 / 152 段