= loop heen, ’klets’; In full fig = in groot tenu, poesmooi, goed op
dreef; I don’t care a fig for what you say = geef geen zier; Fig-eater
(Fig-pecker) = vijgeneter; Fig-leaf = vijgeblad: This poet’s works have
been subjected to the fig-leaf and knife = zijn gecastreerd en
besnoeid; Fig-shell = schelp in den vorm eener vijg of peer.
Fight, fait, subst. gevecht, strijd; Fight verb. vechten, strijden,
bevechten, laten vechten: A hand-to-hand fight = man tegen man; A
running fight = het nazetten van en vuren op een vluchtenden vijand;
Single fight = tweegevecht; To make a brave fight = zich kranig houden;
To show fight = de tanden laten zien, zich te weer stellen; I will
fight you = ik daag je uit; To fight shy of = uit den weg gaan,
vermijden; To fight a battle = slag leveren; To fight a duel =
duelleeren: To fight the tiger = dobbelen (Amer.); He fought his way
through the crowd = baande zich met geweld een weg; We will fight it
out together = het samen uitvechten; Fighter = vechter, vechtersbaas,
boxer; Fighting-alliance = of- en defensief verbond; Fighting-cock =
kemphaan; The fighting efficiency of our fleet = vechtvermogen;
Fighting-top = mars (op een oorlogschip).
Figment, figm’nt, vinding, verdichtsel.
Figuline, figjul(a)in, pottebakkersaarde, vaas van kunstaardewerk.
Figurant(e), figjurânt, figurant (ook fig.).
Figurate, figjureit, gefigureerd; Figuration, figjureiš’n,
voorstelling, afbeelding, type; Figurative, figjurətiv, figuurlijk,
zinnebeeldig, bloemrijk.
Figure, fig(j)ə figuur, vorm, voorkomen, gedaante, gestalte, beeld,
afbeelding, persoonlijkheid, voorbeeld, pracht, prijs, cijfer, de
passen (bij het dansen); Figure verb. vormen, afbeelden, voorstellen,
figuurlijk gebruiken, figureeren, figuren vormen, met figuren
versieren, becijferen, cijferen: What a figure you are = wat zie jij er
uit! What is the figure? = op hoeveel komt dat? Trustworthy figures =
vertrouwbare cijfers; To be bad at figures = een slecht rekenaar zijn;
He cuts (makes) a good (poor) figure = een goed (treurig) figuur; To go
the whole figure = al het mogelijke doen; He lives in figure = hij
voert een grooten staat; To sell at a great figure = voor hoogen prijs;
I will not sell it under three figures = onder £100 (= 3 cijfers); He
figured down several couples with his amiable partner = hij danste (in
den country-dance) tusschen de rij der dansers door; We have figured it
out = het uitgerekend; It is easy to figure these sums up = op te
tellen; Figure-head = vóórsteven- of galjoenbeeld; Figure-maker =
modelleur; Figure-weaver = damastwever; Figured = gebloemd, met
figuren; Figurette, figjuret = Figurine, figjurîn, beeldje.
Fiji, fîdži: Fiji Islands; Fijian, fîdžiən, (bewoner, taal) van F.
Filament, filəment, vezel, draad, meeldraad; Filamentous = vezelig,
draderig.
Filander, filəndə, filandə, soort van kangoeroe; soort ingewandsworm;
Filanders = ziekte bij valken.
Filbert, filbət, hazelaar, hazelnoot; Filbert-nails = bolle, spits
toeloopende, sierlijke nagels.
Filch, filš, stelen, kapen; Filcher = dief.
File, fail, subst. snoer, draad, rist papieren (met datum, korte
inhoud, etc. op de rugzijde), lijst, catalogus, rot (mil.); vijl,
geslepen vent; File verb. aanrijgen aan een file, deponeeren in ’t
archief, indienen van stukken, in rotten marcheeren, vijlen, afvijlen,
glad maken; The rank and file = het kader en de manschappen; On file =
stelselmatig gerangschikt; Indian (Single) file = eendenmarsch; The
soldiers filed off = marcheerden af in eene rij achter elkaar; File,
please = wil de zaak als afgedaan beschouwen; File-cutter = vijlmaker;
File-leader = voorste soldaat van een File; Filings = vijlsel.
Filial, filj’l, kinderlijk: Filiation = affiliatie.
Filibeg, filibeg = Kilt.
Filibuster, filibɐstə, subst. vrijbuiter, roover; obstructionist (Amer.
= Filibusterer); Filibuster verb. op roof of buit uitgaan: A
filibustering expedition = rooftocht.
Filices, filisîz, orde der varens; Filical = tot de varens behoorende;
Filiciform = varenvormig; Filicoid = fern-like.
Filiform, filiföm, draadvormig, dun.
Filigree, filigrî, subst. filigraan; ook adj. Filigreed = met filigraan
versierd.
Fill, fil, subst. bekomst, hoeveelheid tot vulling; Fill verb. vullen,
volstoppen, verzadigen, bevredigen, bezetten, bekleeden, volbrassen;
vol worden: I have eaten and drunk my fill = volop gegeten en
gedronken; She has fretted her fill = is uitgemokt; To gaze one’s fill
at = zich zat zien aan; Two fills of tobacco = pijpjes tabak; To fill
the bill = aan alle eischen voldoen; To fill an order = een bestelling
uitvoeren; To fill parts = rollen bezetten; To fill sails = zeilen doen
zwellen; To fill teeth (Amer. voor to stop); To fill in = dichtstoppen,
dempen, aanvullen: The article was filled in = het artikel werd
geplaatst; His face filled out = werd dikker; Shall I fill you out a
glass = vullen? To fill up = geheel innemen, vol maken of worden;
dempen: To fill up a vacancy (a canal); The loan was filled up = werd
volteekend; The ship filled up with water there = nam daar voldoenden
watervoorraad in; Filler = vuller, trechter, vulsel, stopwoord;
Filling-in pieces = vulstukken.
Fillet, filət, subst. band (om het hoofd of om het haar), filet;
lendestuk, vleesch zonder been (als schijf of rollade opgediend),
lijst; Fillet verb. met een hoofdband omringen of binden, versieren,
tot een schijf of rollade maken, met lijsten versieren.
Fillibeg, zie Filibeg; Fillibuster, zie Filibuster.
Fillip, filip, subst. knip (voor den neus); aansporing; Fillip verb.
knippen (met de vingers): To give a fillip = aanzetten.
Filipeen, filipîn, filipîn, filippine.
Filly, fili, merrieveulen, wildebras.
Film, film, subst. vlies, film (phot.); Film verb. met een vlies
bedekken: The pools were filmed with frost = er lag een vliesje ijs op;
subst. Filminess; adj. Filmy = vliezig, zeer dun, fijn; Filmy-fern =
schildvaren.
Filter, filtə, subst. filter, filtreer, zeef; Filter verb. filtreeren,
ziften; Filtering-bag = doorzijgzak; Filtering-machine =
filtreermachine; Filtering-paper = filtreerpapier; Filtering-stone =
poreuze steen.
Filth, filth, vuiligheid, vuilnis, ook fig. = Filthiness; adj. Filthy.
Filtrate, filtreit, subst. filtraat; Filtrate verb. filtreeren; subst.
Filtration.
Fin, fin, vin: Pectoral and ventral fin = borst- en buikvin;
Fin-footed, Fin-toed = met zwemvliezen aan de pooten.
Finable, fainəb’l, beboet- of bekeurbaar.
Final, fain’l, laatste, eind..., slot..., beslissend, finaal; subst.
beslissingswedstrijd: Final-cause = einddoel: He does not believe in
final-causes = hij ontkent de teleologie; Final decision =
eindbeslissing; Final proof = afdoend bewijs; Final success = succes
ten slotte; Finality, fainaliti, eindtoestand, volkomenheid; Finally =
ten slotte.
Finance, f(a)inans, fainəns, subst. financiewezen: Finances =
geldmiddelen, fondsen; Finance verb. de financiën besturen, geldelijk
ondernemen of steunen: He finances the paper = hij neemt de geldelijke
uitgaven op zich; Many people financed the movement = steunden de
beweging geldelijk; He financed his nephew = voorzag van geld;
Financial, finanš’l, geldelijk; Financialist = Financier, fa(i)nansîə,
finansîə.
Finch, finš, vink: A finch-backed cow = (op den rug) gestreepte of wit
gevlekte koe.
Find, faind, subst. ontdekking, vondst; Find verb. vinden, ontdekken,
bevinden, verklaren, uitspraak doen, enz.: Will you find me a pen =
voor mij zoeken? She was to find linen = zou zorgen voor; We took
furnished apartments, only finding plate and linen = moesten alléén
voor eigen zilver en tafellinnen zorgen; I could not find it in my
heart to do it = ik kon het niet over mijn hart verkrijgen; The jury
found for the defendant = de gezworenen spraken den aangeklaagde vrij;
A bill was found for the case = er werd in de zaak (door de Grand Jury)
rechtsingang verleend; She could not find herself in dresses out of
that money = zij had niet genoeg kleedgeld; I will find you in
pocket-money = ik zal je zakgeld geven; This small sum has to find me
in everything = van dit sommetje moet ik alles bekostigen; He is well
found in everything = hij zit goed in z’n spulletjes; B. is well found
in hotels = goed voorzien van; Our privateers were not so well found as
the enemy’s = waren niet zoo goed van alles voorzien; I will try to
find it out = ontdekken; Then the young scholar found himself = toen
vond de jonge geleerde een hem passenden werkkring; Find-fault =
bedilal; Find-spot = vindplaats; Finder = vinder, zoeker (kijker),
visiteur, speurhond; Finding = resultaat, uitspraak; Findings = (vooral
schoenmakers) benoodigdheden, enz., waarvoor de werkman zelf moet
zorgen (Am.); Finding-store = winkel voor schoenmakersbenoodigdheden
(Amer.).
Fine, fain, subst. einde; geldboete; Fine verb. beboeten: In fine =
kortom, ten slotte.
Fine, fain, fijn, teer, dun; schoon, elegant, uitstekend, sluw, scherp,
spits, zuiver; helder, klaar; Fine verb. klaren (down), zuiveren,
frisschen, affineeren: A fine whist-player = goed; The fine flower of
the aristocracy; I have run it very fine = ik heb het er precies
afgebracht, het was “er aan toe”; Fine arts = fraaie kunsten; Fine-draw
= een scheur haast onzichtbaar stoppen; dun uitrekken; Fine-drawn = erg
gezocht (fig.); Fine-spoken = fraaie woorden gebruikend; met gladde
tong; Fine-spun = fijn (uit)gesponnen; Fine-still = distilleeren uit
bijprodukten der suikerraffinaderij; Fine-stuff = pleisterkalk;
Fineness = fijnheid, zuiverheid, etc.; Finer = frisscher; Finery =
mooie kleeren, opschik, opzichtigheid; affinerie; Fining-pot =
affineerkroes.
Finesse, fines, subst. sluwheid, handigheid, list; Finesse verb. list
gebruiken.
Finger, fiŋgə, subst. vinger, vingerbreedte, (-lengte),
vingervaardigheid; Finger verb. betasten, bevoelen, ontfutselen, met de
vingers bespelen: He has his finger in it = hij is erbij betrokken; He
has his finger in every man’s pie = heeft overal de hand in; I have it
at my finger-ends (fingers’ ends) = ik ken het op mijn duimpje; He
shook his finger at me = dreigde mij met opgeheven vinger; I won’t stir
a finger = ik steek geen hand uit; He was Fingering his watch-chain =
beuzelde met; Finger-alphabet, Finger-and-sign-language = vingerspraak;
Finger-board = nek van een snaarinstrument, manuaal (van piano of
orgel); Finger-bowl (Finger-glass) = vingerglas (om na het diner de
vingers in af te spoelen); Finger-plate = deurplaat; Finger-post =
handwijzer; Finger-prints = vingerindrukken; Finger-reading = lezen
door blinden; Finger-stall = vingerling; Fingered = gevingerd: The
fingered gentry = de Heeren dieven; Fingering = aanraken met de
vingers, fijn werk voor de vingers, vingerzetting.
Fingerling, fiŋgəliŋ, jonge forel.
Finial, finiəl, kruisbloem, Gothische puntversiering, krullen (bij ’t
schrijven).
Finical, finik’l, Finicking (Finikin), finikiŋ(n), gemaakt, overdreven,
kieskeurig.
Finis, fainis, einde, slot.
Finish, finiš, eindigen, voltooien, besluiten, de laatste hand leggen
aan, afwerken, apprêteeren, opgebruiken, opeten, uitdrinken, zijn
bekomst geven, dooden, ophouden; subst. afwerking, voltooiing, einde
(van den wedstrijd), laatste hand aan iets; pleisterkalk; It was a
fight to the finish = tot de beslissing viel = They fought to a finish;
That finished him = toen had hij genoeg, was hij dood; Finishing-coat =
derde of laatste laag (verf of pleister); Finishing-school =
meisjeskostschool waar de laatste hand aan de opleiding wordt gelegd.
Finite, fainait, subst. persoonsvorm (tegenover den Infinitive) van een
werkwoord; adj. eindig; subst. Finiteness.
Finland, finland; Finlander = Finn = Fin; Finnic = Finnish = Finsch,
Finlandsch.
Finnikin, finikin, soort van gekuifde duif.
Finny, fini, gevind.
Fionia, fiounjə, Funen.
Fions, faiənz, half-mythische krijgslieden in Ossian’s gedichten.
Fiord, fjöd, fjord.
Fir, fɐ̂, den, denneboom, zilverspar; Fir-apple, Fir-cone = pijnappel;
Fir-poles = juffers; Fir-tree.
Fire, faiə, subst. vuur, brand, hitte, licht, gloed, hartstocht, het
schieten, hel; Fire verb. in brand steken, afvuren, afschieten,
aanvuren, stoken, bakken (van porselein), ontbranden, ontvlammen, een
carillon luiden: The house is on fire = in brand; We were under fire =
aan ’t vuur (des vijands) blootgesteld; To catch fire = vuur vatten;
The piece hangs fire = heeft geen succes; He went off to sleep, but I
hung fire = maar ik kon den slaap niet vatten; The affair hung fire =
hokte; My gun missed fire = ketste; They opened a raking fire =
begonnen moorddadig te vuren; To set on fire (= To set fire to) = in
brand steken; He will never set the Thames on fire = hij heeft het
buskruit niet uitgevonden; To silence the enemy’s fire = de batterijen
van den vijand tot zwijgen brengen; To take fire = vuur vatten, in
brand raken; I took fire = vatte vuur, stoof op; Fire! = vuurt; To fire
a gun, a mine, a shot; This fired my blood = maakte mijn bloed aan ’t
koken; Fire away! vooruit maar, begin maar!; A gun-boat was fired upon
= er werd gevuurd op eene kanoneerboot; He is fired up = woedend;
St.-Anthony’s fire roos; Greek fire = Grieksch vuur; Kentish fire = een
rhythmisch applaus; Running fire = snelvuur; Fire-alarm = brandschel;
Fire-annihilator, ənaihileitə, extincteur; Fire-arm = vuurwapen;
Fire-ball = brandbom; vuurbol (meteoor); Fire-balloon = luchtballon
(met heete lucht), ballon met vuurwerk, dat boven in de lucht ontvlamt;
Fire-basket = soort komfoor; Fire-bavin = rijsbundel op branders
(schepen); Fire-blast = brand, ziekte in hop; Fire-board =
schoorsteenscherm; Fire-box = vuurkast (van een locomotief); Fire-brand
= brandend stuk hout; stokebrand; Fire-brick = vuurvaste steen;
Fire-brigade = brandweer; Fire-brush = haardveger; Fire-bucket =
brandemmer; Firebug = brandstichter (Amer.); Fire-clay = vuurvaste
klei; Fire-cock = brandkraan; Fire-company = assurantiemaatschappij;
Fire-cracker = voetzoeker; Fire-dog = haardijzer; Fire-drill = vuurring
gebruikt door de Austral. inboorlingen bij ’t maken van vuur door
wrijving van twee stukken hout; oefeningen van een brandweercorps;
Fire-eater = vuurvreter; ijzervreter; Fire-engine = brandspuit;
Fire-escape = reddingstoestel (bij brand); Fire-extinguisher =
extincteur; Fire-fly = glimworm; Fire-hook = brandhaak; Fire-hose =
brandspuitslang; Fire-insurance = brandassurantie; Fire-irons = schop,
tang en pook; Fire-kiln = vuurvaste oven; Fire-lighter = vuurmaker;
Fire-lock = geweerslot; snaphaan; Fireman = brandweerman; stoker (Am.);
Firemaster = brandmeester (Amer.); Fire-new = fonkelnieuw; Fire-office
= brandassurantiekantoor; Fire-place = haard; Fire-plug = brandkraan;
Fire-policy = brandpolis; Fire-proof = tegen het vuur bestand;
Fire-raising = brandstichting (Schot.); Fire-screen = vuurscherm;
Fire-ship = brander; Fire-shovel = kolenschop; groote mond; Fireside =
haard; Fire-station = brandweerkazerne; Fire-stick = wrijfstokje om
vuur te maken; Fire-tube = kleine vlampijp (stoomketel); Fire-ward(en)
= brandmeester; Fire-water = naam bij de Roodhuiden voor spiritualiën;
Fire-wood = brandhout, brandstof; Firework = vuurwerk: To hold a grand
display of fireworks = een groot vuurwerk afsteken; Fireworks will be
let off = er zal vuurwerk afgestoken worden; Fire-worship =
vuuraanbidding: Firing, fairiŋ, het vuren, brandstof, uitbranden (van
eene wond): Fire-iron = brandijzer.
Firkin, fɐ̂kin, (boter)vaatje v. 25,4 K.G.
Firm, fɐ̂m, vast, hard, hecht, standvastig, vastberaden, trouw; subst.
firma; subst. Firmness.
Firmament, fɐ̂məment, firmament; Firmamental, fɐməment’l, hemelsch, tot
het uitspansel behoorende.
Firman, fɐ̂m’n, fɐ̂mân, ferman, verlofbrief, pas, schriftelijk bevel (van
Oostersche vorsten).
First, fɐ̂st, eerste, voornaamste: This was the first I had heard of it
= de eerste maal dat; To be first with a person = iemand vóór zijn;
First come first served = die ’t eerst komt, die ’t eerst maalt; First
and foremost = in de allereerste plaats; First and last = gemiddeld,
alles bijeengenomen; First or last = vroeg of laat, te eeniger tijd; At
(the) first = in den beginne, oorspronkelijk; He had resolved it from
the first = van den aanvang af; First-begot(ten), First-born =
eerstgeboren(e); First-call = ochtendbeurs; First-chop = eerste
kwaliteit; First-class = eerste klasse, uitstekend: He got a
first-class = den hoogsten graad (bij examens); Firstcomer = de eerste
(de beste); First-cost = inkoopsprijs; First-day = naam voor den Zondag
bij de Quakers; First-floor = tweede verdieping (Engeland), eerste
verdieping (Am.); First-foot = eerste bezoeker in ’t Nieuwe jaar
(Schot.); First-fruits = eerstelingen, eerste vruchten, annaten of
jaarrechtgelden (= opbrengsten van een geestelijk ambt gedurende het
eerste jaar; vroeger aan den Paus, thans aan de fondsen van het Queen
Anne’s Bounty overgedragen); First-hand = stuurman op een
visschersvaartuig; eerste hand: To buy (at) first; First-mate = eerste
stuurman; First-mover = oorspronkelijke beweegkracht; First-nighter =
première, iemand die zulke opvoeringen geregeld bijwoont; First-proof =
eerste proef (drukw. en alcohol); First-rate = A. 1. = (schip) van de
eerste klasse, eerste rang: He is a first-rate second-rate actor = hij
is een uitstekend acteur van den tweeden rang; First-water = (van het)
eerste water; Firstling, fɐ̂stliŋ, eerstgeborene.
Firth, fɐ̂th, Zie Frith.
Fiscal, fisk’l, adj. fiskaal; subst. fiskaal; ambtenaar van het O.M.
(Schot.).
Fish, fiš, subst. visch, fiche, lasch; Fish verb. visschen, afvisschen,
opvisschen, uitvisschen: He’s like a fish out of water = niet in zijn
element; I have other fish to fry = ik heb wel wat anders (en beters)
te doen; All is fish that comes to net = wij kunnen van alles
gebruiken; That is a pretty kettle of fish = dat’s een mooie boel!
(ironisch); A loose fish = pierewaaier; A strange fish = rare snaak;
Fish-bladder = vischblaas; Fish-bone = graat; Fish-carver = vischmes;
Fish-culture = vischteelt; Fish-curer = vischzouter, etc.; Fish-fag =
vischwijf; Fish-flake = zwemblaas; Fish-fly = kunstvlieg (voor het
visschen); Fish-garth = hekken aan den kant van een rivier om het
vangen van visch te vergemakkelijken; Fish-gig = elger; Fish-glue =
vischlijm; Fish-hawk = vischarend; Fish-hook = vischhaak; Fish-market =
vischmarkt; Fish-maw = zwemblaas; Fishmonger = vischkooper; Fish-oil =
traan; Fishpond = vischvijver; Fish-slice = Fish-sound = zwemblaas van
een visch; Fish-spear = harpoen; Fish-strainer = vischschotel;
Fish-tackle = vischgerei; Fish-tail-burner = vleermuis (gasbrander);
Fish-torpedo; Fish-trowel = Fish-weir = Fishgarth; Fishwife (Fishwoman)
= vischvrouw; He fished for a compliment = hij vischte naar; He has
fished it out = het uitgevischt; Fisher = visscher, ijsvogel,
Canadeesche marter; Fisher-boat = visschersboot; Fisherman = visscher,
visschersschuit; Fishery = visscherij: The fisheries = de
visscherijtentoonstelling; Fishiness = vischachtigheid, verdachtheid;
Fishing-boat = visschersschuit; Fishing-line = vischsnoer; Fishing-net
= vischnet; Fishing-rod = hengel-roede; Fishing-smack = visscherspink;
Fishing-tackle = vischtuig; Fishlike = vischachtig; Fishy =
vischachtig, vischrijk, dof, ongeloofelijk, verdacht: This looks fishy
= ziet er verdacht uit.
Fisk, fisk, druk zijn.
Fissile, fis(a)il, splijtbaar; Fission, fiš’n, splijting; Fissiped,
fisiped, zoogdier met gespleten teenen (b.v. kat of beer); Fissure,
fišə, subst. kloof, spleet, splijting, fistel; Fissure verb. splijten:
Fissure needle = hechtnaald.
Fist, fist, vuist; Fist verb. met de vuist slaan, aanpakken: Close
fisted = vrekkig; A fistic fight = vuistgevecht; Fisticuffs: To be at
fisticuffs = Engaged in fisticuffs = aan het bakkeleien.
Fistula, fistjulə, fistel: Fistula lachrymalis = ontsteking van de
traanklier; Fistular = hol (als riet); Fistulous = buisvormig;
fistelachtig.
Fit, fit, aanval, stuip, gril: By fits and starts = bij buien, met
tusschenpoozen; Beaten all to fits = lam geslagen; To frighten into
fits = vreeselijk doen schrikken; She went into fits = kreeg het op de
zenuwen, viel in onmacht; Fitful = grillig; subst. Fitfulness.
Fit, fit, geschikt, passend, bereid, bevoegd, in goede ‘conditie’; ook
subst.; Fit verb. passend (geschikt, bekwaam) maken, uitrusten,
monteeren, passen, zitten, gepast of passend zijn: More than is fit =
ongepast veel; I am as fit as a fiddle = volkomen goed, gezond; To be
fit for = geschikt; Fit for service = geschikt voor den dienst; To
think fit = het geschikt achten; To be a bad fit = slecht zitten of
passen; To be an exact fit = als gegoten zitten; To be a tight fit = er
net in kunnen; It doesn’t fit in with my plans = strookt niet met; A
fleet was fitted out = werd uitgerust; The house was fitted up =
gemeubileerd, bewoonbaar gemaakt; That fits him like a glove, to a T. =
het is hem als aan het lichaam gegoten, dat past precies op hem; It
fits it like a plug = het past precies; Fitness = geschiktheid, enz.;
Fit-out = uitrusting; Fitter = monteur, kolenkoopman, leverancier;
Fitting = gepast; passen, monteering: Fitings = noodzakelijke artikelen
voor huis, winkel of schip, monteerbenoodigdheden; Fitting-out =
uitrusting; Fitting-up = inrichting.
Fitch, fitš = Fitchet = bunzingvel; Fitchew, fitšû, bunsing.
Fitz, fits, zoon (slechts in samenstell.); onwettige zoon van een
koning of een prins van den bloede.
Five, faiv, vijf; Fivefold = vijfvoudig; Fiver = een bankbiljet van
vijf pond (of dollar); alles wat voor vijf telt; Fives, faivz, een
soort v. balspel, de vuist (alle vijf): Bunch of fives = de vuist;
Fives-ball = bal gebruikt bij het balspel, ‘Fives’ genoemd; Fives-court
= plaats, baan voor dit spel.
Fix, fiks, subst. moeielijkheid, klem; Fix verb. bevestigen,
vastzetten, vastmaken, vaststellen, fixeeren, monteeren, richten,
vestigen; bezorgen, in orde maken (Am.); zich vestigen, vast worden,
besluiten tot, kiezen: To fix bayonets = opzetten; To fix a mast, a
pole = overeind zetten; They fixed themselves there = vestigden zich
daar; To fix in = in passen; We have fixed on Sunday for the meeting =
wij hebben bepaald; I must try to fix it up with you = in orde te
maken, bij te leggen; Fixable = bevestigbaar, enz.; Fixation =
bevestiging, fixeering, enz.; Fixative = fixeermiddel; Fixed = vast,
strak, niet vluchtig: Fixed bodies = vaste lichamen; Fixed oils = niet
vluchtige oliën; Fixed point = vaste post (van een soldaat of
politie-agent); Fixed stars = vaste sterren; subst. Fixedness; Fixings
= uitrusting, versieringen, inrichtingen, tooi, kleeren; Fixity =
vastheid, stabiliteit: Fixity of purpose = vastheid van doel; Fixture =
vaste datum (sport), al wat spijkervast is: He is a fixture = is
stoelvast, een familiestuk (fig.); The autumn fixtures = de voor den
herfst vastgestelde wedrennen.
Fiz-gig, fizgig, vuurregen; elger; coquet meisje.
Fizz, fiz, subst. gesis, gezoem, gebruis; champagne; soda-water
(Amer.); Fizz verb. sissen, bruisen; Fizzle, subst. gesis, gebruis,
gezoem; mislukking (wat met een sisser afloopt), zakken, steken
blijven; Fizz verb. sissen, zoemen, bruisen: To fizzle out = uitgaan,
volkomen mislukken.
Flabbergast, flabəgast, verbazen, verbluffen.
Flabbiness, flabinəs, slapheid, weekheid, zwakheid; adj. Flabby: A
flabby face.
Flabbellate, fləbelit, Flabbelliform, fləbeliföm, waaiervormig.
Flaccid, flaksid, slap, zacht; subst. Flaccidity = Flaccidness.