Exon, eksən, titel van de 4 officieren der Yeomen of the Guard, in rang
onder den Ensign.
Exonerate, əgzonəreit, zuiveren, vrijspreken; ontheffen, ontlasten;
subst. Exoneration; adj. Exonerative.
Exorbitance, əgzöbit’ns, overdrijving, buitensporigheid; Exorbitant =
buitensporig: Exorbitant bill = hooge rekening, hooge prijs.
Exorcize, eksösaiz, əgzösaiz, uitdrijven, uitbannen (van booze
geesten); Exorcizer of Exorcist = duivelbanner.
Exordium, əgzödj’m, inleidend woord, aanhef; Exordial = inleidend.
Exoteric(al), eksəterik(’l), openbaar, populair.
Exotic, əgzotik, subst. en adj. niet inheemsch, buitenlandsch
(product).
Expand, əkspand, uitspreiden, ontplooien, in omvang toenemen,
ontluiken, uitzetten; Expanse, əkspans, uitgestrektheid, groote ruimte,
uitspansel; Exspansibility = uitzetbaarheid, spankracht; Expansible =
uitzetbaar; Expansion, əkspanš’n, uitzetting, spanning, verbreeding,
toeneming, vermeerdering, uitgestrektheid, ruimte: Expansion curb =
instrument tot het tegengaan van uitzetting of inkrimping (door hitte
of koude), zooals bij chronometers; Expansive = uitzettings...,
uitzetbaar, uitgestrekt, openhartig, zich licht uitend: Expansive force
= spankracht; Expansive power = uitzettingsvermogen; Expansive youths =
openhartige, gevoelige jongelui; subst. Expansiveness.
Expatiate, əkspeišieit, uitweiden (on), uitvoerig zijn; subst.
Expatiation; Expatiatory = wijdloopig.
Expatriate, əkspeitrieit, verbannen (uit het vaderland): To expatriate
oneself = het vaderland verlaten; subst. Expatriation.
Expect, əkspekt, verwachten, rekenen op, vermoeden, denken: He is not
expected to live = de dokters hebben hem opgegeven; She is expecting =
in blijde verwachting; Expectance = verwachting, hoop, opschorting;
Expectant = hoopvol, verwachtend; expectant; Expectation, ekspekteiš’n,
verwachting, vooruitzicht, belofte: To have expectations from an old
aunt = wat ‘te wachten’ hebben; Expectation of life = vermoedelijke
levensduur; Expectation week = de week tusschen Hemelvaartsdag en
Pinkster.
Expectorant, əkspektər’nt, subst. en adj. slijm losmakend (middel);
Expectorate, əkspektəreit, opgeven (bij het hoesten); Expectoration,
ophoesten, het opgehoeste; Expectoratoon = kwispedoor (Amer.).
Expediency, əkspîdj’nsi, gepastheid, raadzaamheid, geschiktheid;
utiliteitsbeginsel, zelfzucht; adj. Expedient, əkspîdj’nt, ook subst.
hulpmiddel, redmiddel.
Expedite, ekspidait, bevorderen, verhaasten; afzenden, uitvaardigen,
snel afmaken of verrichten: The revolution was expedited, instead of
delayed = verhaast; Expedition, ekspidiš’n, haast, vlugheid, spoed,
vlugge verzending; expeditie, onderneming; Expeditionary =
expeditie...: Expeditionary troops; Expeditious, ekspidišəs,
Expeditive, əkspeditiv, Expeditory, əkspeditəri, vaardig, vlug.
Expel, əkspel, uitdrijven, verbannen (from), wegzenden, uitsluiten;
Expellant, uitdrijvend middel; Expeller: Pain-expeller = pijnstillend
middel.
Expend, əkspend, uitgeven, besteden (on), verbruiken; Expenditure,
əkspenditjə, uitgaven, kosten, verbruik: That is mere expenditure of
words (breath) = slechts verlies van woorden.
Expense, əkspens, onkosten, uitgaven: At my expense = op mijne kosten;
To be at the expense of = moeten betalen; I am sorry you were put to
such expense = dat gij zooveel kosten hebt gehad; He went to great
expense = hij maakte veel kosten; Expensive = kostbaar; subst.
Expensiveness = kostbaarheid, duurte.
Experience, əkspîriəns, subst. ondervinding, ervaring; Experience verb.
ondervinden, ervaren, probeeren, beproeven, ondergaan: Of no experience
= onervaren; It was outside all our experience = zoo iets hadden we nog
nooit beleefd; Experience is the best teacher = Experience is a good
school = de onderv. is de beste leermeesteres; Experience keeps a dear
school = door schade en schande wordt men wijs; Experience teaches
fools = ervaring is de wijsheid der dwazen; He experienced religion =
werd bekeerd (Amer.); An experienced teacher = een ervaren onderwijzer;
Experiential science = ervaringswetenschap; Experiment, əksperiment,
subst. proef; Experiment verb. proeven nemen, experimenteeren (on);
Experimental philosophy = proefondervindelijke wijsbegeerte;
Experimentalize = experimenteeren; Experimenter.
Expert, ekspɐ̂t, subst. deskundige, vakman; adj. (əkspɐ̂t) deskundig,
bedreven: To get expert at = ervaren worden in; subst. Expertness.
Expey = Expensive.
Expiable, ekspiəb’l, verzoenbaar; Expiate, ekspieit, boeten, weer goed
maken; Expiation = boete, zoenoffer: Feast of Expiation = Groote
Verzoendag; adj. Expiatory: Expiatory sacrifice = zoenoffer.
Expiration, ekspireiš’n, uitademing, ademtocht, einde, dood,
vervaltijd; Expiratory = tot de uitademing behoorend: Expiratory
execution = terechtstelling door verstikking, etc.; Expire, əkspaiə,
uitademen, den laatsten adem uitblazen; afloopen, vervallen: This
ticket expired yesterday; Expiry, ekspirə, əkspairi, vervaltijd: The
expiry of the copyright = het vervallen van het copierecht.
Explain, əksplein, uitleggen, verklaren: To explain away = door
toelichting uit den weg ruimen; Explainable = verklaarbaar; Explainer =
verklaarder; Explanation, ekspləneiš’n, uitlegging, verklaring: To come
to an explanation with = het eens worden met; Explanatory notes =
verklarende aanteekeningen.
Expletive, eksplətiv, subst. stopwoord, verwensching; adj. aanvullend =
Expletory.
Explicable, eksplikəb’l, verklaarbaar; Explicate, eksplikeit,
uitleggen; subst. Explication; Explicative, eksplikətiv, uitleggend =
Explicatory; Explicit, əksplisit, duidelijk, helder, open, uitvoerig;
subst. Explicitness.
Explode, əksploud, uiteenbarsten, ontploffen, laten ontploffen,
verwerpen: An exploded notion = opgegeven denkbeeld; He exploded with
his grievances to his friend’s ear = hij uitte zijne grieven tegen zijn
vriend; Explodent = ontploffingsgeluid; Exploder = ontploffingsmiddel.
Exploit, əksplôit, subst. heldendaad; Exploit verb. exploiteeren,
uitbuiten, benutten, gebruiken (tot zijn doel); Exploitation,
eksplôiteiš’n, exploitatie, uitbuiting, verkenning; Exploiter,
uitbuiter.
Exploration, ekspləreiš’n, onderzoeking, navorsching; Explorative =
Exploratory = onderzoekend, onderzoekings—; Explore, əksplö, zorgvuldig
onderzoeken; Explorer = onderzoeker; sonde.
Explosion, əksplouž’n, uitbarsting, losbarsting; ontploffing;
Explosive, əksplousiv, subst. ontploffingsstof; klapper,
ontploffingsgeluid; adj. ontploffend, knal, schiet—; opvliegend:
Explosive cotton = schietkatoen; Explosive signals = knalsignalen;
subst. Explosiveness.
Exponent, əkspoun’nt, verklaarder, exponent; adj. Exponential:
Exponential equation = vergelijking met den onbekende als exponent;
Exponential quantity = exponentiaal grootheid.
Export, ekspöt, uitvoer, uitgevoerde artikelen; Export-duties =
uitgaande rechten; Export-trade = uitvoerhandel.
Export, əkspöt, uitvoeren; Exportable = uitvoerbaar; Exportation,
ekspöteiš’n = uitvoer; Exporter = exporteur.
Exposal, əkspouž’l. Zie Exposure.
Expose, əkspouz, blootstellen, overleveren, aan de kaak stellen,
ontblooten, openbaren, blootleggen, tentoonstellen, uitstallen,
uiteenzetten: They exposed the child = lieten ... aan zijn lot over;
Exposition, ekspəziš’n, blootstelling; blootlegging, verklaring;
tentoonstelling (Amer.); Expositor, əkspozitə, uitlegger, tolk,
woordenlijst; Expositive, Expository = verklarend; Exposure, əkspoužə,
blootstelling, blootlegging, ontblooting (= Indecent exposure),
onthulling, uitstalling, het blootgesteld zijn: Death by exposure =
doodvriezing, etc.
Expostulate, əkspostjuleit, ernstig onderhouden, vermanen;
Expostulation = vermaning, vertoog, woordenwisseling; Expostulator =
afkeurder; adj. Expostulatory.
Expound, əkspaund, verklaren, vertolken.
Express, əkspres, subst. bode, expresse, tijding, sneltrein; adj.
duidelijk, helder, uitdrukkelijk, expres, juist; Express verb.
uitdrukken, betuigen, uitpersen, per expresse verzenden (Amer.); in
beeld brengen; Express-man = beambte bij een Express-office =
expeditiekantoor (Amer.); Express-train = sneltrein; He expressed
himself very distinctly = drukte zich uit; Expressible = uitdrukbaar;
Expression = uitpersing, uitdrukking, verklaring, voorstelling: He
loves you past expression = meer dan woorden kunnen zeggen; Expressive
= vol uitdrukking, krachtig: Expressive language = krachtige, levendige
taal; Expressive of deep interest = groote belangstelling uitdrukkende;
subst. Expressiveness.
Expropiate, əksprouprieit, onteigenen, uitsluiten; (Compulsory)
expropriation = onteigening (bij de wet).
Expulsion, əkspɐlš’n, uitdrijving, verbanning; Expulsive = verbannend;
afdrijvend (middel).
Expunge, əkspɐnž, uitwisschen, uitkrabben.
Expurgate, əkspɐ̂geit, ekspɐ̂geit, zuiveren; subst. Expurgation;
Expurgator, əkspɐ̂gətə, ekspɐ̂geitə = zuiveraar; Expurgatory,
əkspɐ̂gət’ri, zuiverend: Expurgatory Index = lijst van boeken, door den
Paus verboden, zoolang zij niet van de daarin voorkomende dwalingen
zijn gezuiverd.
Exquisite, ekskwizit, uitgezocht, uitgelezen, voortreffelijk, verfijnd,
keurig, lekker; hevig, verschrikkelijk, diep; subst. fat; subst.
Exquisiteness; Exquisitism = fatterigheid.
Exsanguinity, eksaŋgwiniti, bloedarmoede; Exsangui(n)ous,
əksaŋgwi(n)ɐs, bloedarm.
Exsect, əksekt, uitsnijden; subst. Exsection.
Exsiccant, əksik’nt, subst. en adj. opdrogend (kruid of middel);
Exsiccate, eksikeit, əksikeit, op- of uitdrogen; subst. Exsiccation.
Exsuccous, əksɐkəs, saploos, droog.
Extant, ekst’nt, əkstant, bestaande, voorhanden, aanwezig; uitstekend.
Extasy, ekstəsi. Zie Ecstasy.
Extemporal, əkstempər’l, Extemporaneous, əkstempəreinjəs, onvoorbereid;
subst. Extemporaneousness; Extemporary, əkstempərəri, Extempore,
əkstemperî, onvoorbereid, voor de vuist; Extemporize, əkstempəraiz,
voor de vuist spreken, improviseeren; Extemporizer = improvisator.
Extend, əkstend, uitstrekken, uitbreiden, verspreiden, rekken,
verlengen, verwijden, vergrooten, zich uitstrekken, rekken, zich
verspreiden, beslag leggen: An invitation was extended to me = mij ook
werd eene uitnoodiging gezonden; I extend my best hopes to you =
ontvang; A more extended book = omvangrijker boek; This group requires
extended notice = het is noodig, dat wij deze groep van naderbij
bezien; He had the most extended powers = de meest uitgebreide
volmacht; Extendible = uitrekbaar; Extensibility = uitrekbaarheid; adj.
Extensible, əkstensib’l = Extensile, əkstensil, rekbaar; Extension,
əkstenš’n, uitbreiding, uitstrekking, verlenging, rekken,
uitgebreidheid; omvang; Extensionist, əkstenšənist, iemand, die vóór
extension (d.i. uitbreiding en verspreiding van universitair onderwijs)
is; Extensive, əkstensiv, uitgebreid, veelomvattend: Extensive
knowledge = uitgebreide kennis; subst. Extensiveness; Extensor,
strekspier; Extent, əkstent, uitgebreidheid, omvang, beslaglegging: To
a certain extent = tot op zekere hoogte; To the extent of = ten bedrage
van; He laughed at me to such an extent, that I got my back up = lachte
zóó om mij, dat ik boos werd.
Extenuate, əkstenjueit, verzachten, verminderen: Extenuating
circumstances = verzachtende omstandigheden; subst. Extenuation;
Extenuator = verzachter; adj. Extenuatory.
Exterior, əkstîriə, subst. buitenzijde, uiterlijk; adj. buitenste,
buiten..; uiterlijk, buitenlandsch: Exterior angle = buitenhoek;
Exteriority, əkstîrioriti, uiterlijkheid, buitenzijde, overdreven
oplettendheid voor uiterlijke dingen.
Exterminate, əkstɐ̂mineit, uitroeien, verdelgen, elimineeren; subst.
Extermination; Exterminator = verdelger; Exterminatory war =
verdelgingskrijg.
Extern, əkstɐ̂n, externe (leerling); adj. uiterlijk, uitwendig =
External, subst. uitwendig deel; Externals = uitwendige deelen,
uitwendige ceremoniën en plechtigheden, zichtbare vorm; Externality =
uiterlijkheid.
Exterritorial, əksteritôriə’l, buiten het rechtsgebied van een land.
Extinct, əkstiŋkt, uitgebluscht, uitgestorven, niet meer bestaande,
niet meer van kracht; Extincteur, əkstiŋktɐ̂, extincteur; Extinction =
blussching, uitroeiing, uitsterving, ondergang.
Extinguish, əkstiŋgwiš, uitblusschen, verstikken, verduisteren,
vernietigen, opheffen, delgen; adj. Extinguishable; Extinguisher =
uitblusscher, dompertje, een dooddoener; subst. Extinguishment.
Extirpate, əkstɐ̂peit, ekstɐ̂peit, verdelgen, uitroeien, geheel wegnemen;
subst. Extirpation; Extirpator, əkstɐ̂pətə, ekstɐ̂peitə, uitroeier, soort
eg of wieder.
Extol, əksto(u)l, verheffen, prijzen.
Extort, əkstöt, afpersen, ontwringen; subst. Extortion; Extortionary =
afpersings - -; Extortionate = onbillijk, buitensporig; Extortioner =
woekeraar.
Extra, ekstrə, subst. extra, bijgevoegd iets, enz.: An Art extra =
plaat als premie bij een tijdschrift; I took her on as extra =
(nood)hulp; adj. daarbuiten, buiten en behalve, buitengewoon: Seven and
twenty shillings a week for board and lodging: no extras = zonder
meerdere kosten; Extra pay = toelage; Extra-postage = strafport; Extra
special = extra tijding; Extra work = extra werk, strafwerk.
Extract, ekstrakt, uittreksel, extract: Extract of beef =
vleeschextract.
Extract, əkstrakt, uittrekken, trekken: To extract a tooth (To have a
tooth extracted) = trekken (laten); To extract the root of = den wortel
trekken uit; Extractable = (uit)trekbaar; Extraction = uittreksel,
afkomst, geboorte: Extraction of roots = worteltrekking; Extractive =
uittrekbaar; extract; Extractor = trekker, tang (voor (tand)artsen).
Extraditable, ekstrədaitəb’l, uitleverbaar; Extradite, ekstrədait,
uitleveren (van misdadigers, enz.); Extradition, ekstrədiš’n,
uitlevering: Law of Extradition = uitleveringswet.
Extrageneous, ekstrədžînjəs, tot eene andere soort behoorend, vreemd.
Extra-judicial, ekstrədž(j)udiš’l, buitengerechtelijk, wederrechtelijk.
Extramundane, ekstrəmɐndein, bovenaardsch.
Extra-mural, ekstrəmjûr’l, buiten de muren van stad (of universiteit).
Extraneous, əkstreinjəs, vreemd, niet behoorende bij.
Extraordinary, əkströd’nəri, buitengewoon, zeldzaam, merkwaardig.
Extravagance, əkstravəg’ns, buitensporigheid, overdrevenheid,
verkwisting, overdaad; Extravagant = buitensporig, verkwistend,
overdreven, geexalteerd; Extravaganza, əkstravəganzə, een bepaald soort
muziekstuk, een geexalteerde rede, tooverballet.
Extravasate, əkstravəseit, uit de aderen dringen of brengen (van
bloed); subst. Extravasation.
Extreme, əkstrîm, uiterst, laatste, verste, slot..; zeer groot of
hevig, zeer nauwkeurig of gestreng; subst. uiteinde, uiterste grens,
hoogste graad: Extreme unction = het Laatste Oliesel; It is ridiculous
in the extreme = het is allerbelachelijkst; To carry to extremes = op
de spits drijven; Extremes meet = de uitersten raken elkander; He was
in extremis = lag op het uiterste; Extremist, əkstrîmist,
ultraradicaal, ultra; Extremity, əkstremiti, uiterste, uiteinde,
hoogste graad, uiterste nood, buitengewone gestrengheid of heftigheid:
Driven to Extremity = tot het uiterste gedreven; The extremities = de
ledematen of extremiteiten: Nether extremities = beenen; To push
matters to extremes = op de spits drijven.
Extricable, ekstrikəb’l, ontwarbaar, vermijdbaar; Extricate,
ekstrikeit, (zich) bevrijden, losmaken, ontwarren; subst. Extrication.
Extrinsic(al), əkstrinsik(’l), uiterlijk, van buiten.
Exuberance, Exuberancy, əgzjûbər’ns(i), əksiûbərəns(i), weelderigheid,
overvloed, overdrevenheid; adj. Exuberant.
Exudation, egziudeiš’n, eksiudeiš’n, uitzweeting; Exudative =
uitzweetings - -; Exude, əgziûd, əksiûd, uitzweeten, afscheiden,
afgescheiden worden.
Exult, əgzɐlt, jubelen, juichen; Exultant (= Exulting) = juichend,
jubelend; subst. Exultation, egzɐlteiš’n, eksɐlteiš’n.
Exuviae, əgzjûviî, əksiûviî, afgeworpen huiden of schalen; Exuviation,
əgzjûvieiš’n, əksiûvieiš’n = afwerping.
Eyas, aiəs, jonge valk.
Eyder, aidə, de Eider.
Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); Eye
verb. beschouwen, aankijken, monsteren: What the eye does not see, the
heart does not grieve over; Eyes front! = Staat! (milit.); Eyes left
(Eyes right) = richt u! The eye of day (of the morning) = de zon; The
eye of a dome = ronde opening in; The eye of an egg = hanetree; The eye
of a needle; It shows to the eye of sense beautiful vistas = opent een
schoon verschiet voor het geestesoog; The eyes of a ship = kluisgaten;
I could find no favour in his eyes = ik kon geen genade vinden in zijne
oogen; I am getting my eye in now = begin er nu kijk op te krijgen;
I’ll have an eye over her = een waakzaam oog houden over; He has an eye
to (upon) my sister = hij heeft een oogje op mijne zuster; He had an
eye to my money = had het gemunt op; I have an eye to business = ik let
op de zaken, affaire; I will keep an eye on him = ik zal hem nauwkeurig
gadeslaan; He looked upon me with an evil eye = zag mij met een scheel
oog aan; He sees a thing with half an eye = met een half oog; I see eye
to eye with you = ik ben ’t met u eens, heb er denzelfden kijk op als
gij; I never set eyes on her = ze is me nooit onder de oogen gekomen;
To break the law and turn the blind eye = een oogje dicht doen;
Eye-ball = oogappel; Eye-beam = oogstraal; Eye-bolt = oogbout
(scheepst.); Eyebright = oogentroost (plant); Eyebrow = wenkbrauw;
Eye-drop = traan; Eye-flap = oogklep; Eyeglass = monocle, oogglas;
Eyehole = kijkgat; Eyelash = wimper; Eyelet = oog, vetergaatje,
reefgat; Eyelet-hole = vetergaatje; Eyelid = ooglid; Eye-opener = iets
verbazends; Eyepiece = oculair, oogglas; Eye-salve = oogzalf; Eyereach
= Eyeshot; Eye-servant = oogendienaar; Eye-service = oogendienst;
Eyeshot = gezichtsafstand: He was within (out of) eyeshot = hij was in
(uit) het gezicht; Eyesight = gezicht, gezichtsvermogen: His eyesight
begins to fail = zijne oogen worden zwak; Eyesore = gerstekorrel
(Med.); doorn in ’t oog: He is an eyesore to me; Eye-string = oogzenuw;
Eye-tooth = oogtand: I’m not going to be cheated out of my eye-teeth
here (Amer.) = ik laat me hier niet beetnemen; Eye-wash = oogwater =
Eye-water, dit ook: glasachtig lichaam (van het oog); Eyewitness =
ooggetuige.
Eyne, ain, oud Meerv. van Eye.
Eyot, aiət, riviereilandje.
Eyre, êə, vroegere rondgaande rechtbank: Justices in Eyre = rondgaande
rechters.
Eyrie, Eyry, êri, airi, îri. Zie Aerie.
Ezekiel, izîkj’l, Ezechiël; Ezra, ezrə.
F.
F. ef, F sharp = fis (muz.); Fahrenheit; fellow; f. = farthing, feet,
feminine, folio, foot; F. A. = F(ootball) A(ssociation); f. a. a. =
f(ree) of a(ll) a(verage); Fahr. = Fahrenheit; F. A. S. = F(ellow) of
the A(ntiquarian) S(ociety); F. A. S. = Fellow of the Society of Arts;
F. B. S. = F(ellow) of the B(otanical) S(ociety); F(ree) C(hurch of
Scotland); Fcp = foolscap; F(idei) D(efensor) = Verdediger des Geloofs;
Feb(ruary); Fem(inine); ff = fortissimo; F(ellow) G(eological)
S(ociety) (ook Geographical); Fig(ure); Fl(orin); F(oo)lsc(a)p;
F(atho)m; F. M. = F(ield)-M(arshal); F. O. = F(ield)-O(fficer); F. o.
b. = f(ree) o(n) b(oard); Fol(io); Fra(ncis); F(ellow) R(oyal)
A(cademy); F.R.A.S. = F(ellow) of the R(oyal) A(siatic) (Astronomical)
S(ociety); F. R. C. P. = F(ellow) of the R(oyal) S(ociety) of
P(hysicians); F. R. C. S. = F(ellow) of the R(oyal) C(ollege) of
S(urgeons); F(ellow) S(ociety) A(rts) (of Antiquaries); Ft = fort; ft =
foot, feet; F. T. C. D. = F(ellow) of T(rinity) C(ollege), D(ublin); F.
W. = F(resh) W(aterline) = een der Plimsoll merken op schepen; F. Z. S.
= F(ellow) of the Z(oological) S(ociety).
Fa, fâ, fa.
Fabaceous, fəbeišes, boonachtig, boon - -.
Fabian, feibj’n, Fabisch, talmend, traag: Fabian Society = een soc.
pol. vereeniging te Londen, opgericht in 1884, die ook
landnationalisatie beoogt.
Fable, feib’l, subst. fabel, verdichtsel, vertelseltje, praatje; Fable
verb. fabelen schrijven, leugens vertellen; Fabled animals = in fabels
besproken, alléén in de verdichting bestaande; Fabler = fabeldichter.
Fabliau, fâbliou, Oud-Fransche berijmde vertelling (12e en 13e eeuw).
Fabric, fabrik, subst. bouw, structuur, weefsel, maaksel, gebouw, stof,
fabrikaat; Fabricate, fabrikeit, bouwen, maken, vervaardigen,
samenstellen, fabriceeren, bedenken, verzinnen, vervalschen; subst.
Fabrication; Fabricator = hij die vervaardigt, enz.
Fabulist, fabjulist, fabeldichter; verb. Fabulize; Fabulous, fabjulɐs,
verdicht, fabelachtig, ongeloofwaardig, rijk aan fabelen: Fabulous age
= vóórhistorische tijd; subst. Fabulousness = Fabulosity =
fabelachtigheid.
Facade, fəsâd, fəseid, vóórgevel, vóórzijde.
Face, feis, subst. gelaat, gezicht, uiterlijk, driestheid,
onbeschaamdheid, aangezicht (fig.), redactie, voorkant, wijzerplaat,
vlak, façade; Face verb. het gezicht toekeeren, staan (zitten, gelegen
zijn, zich bevinden) tegenover, te gemoet treden, omkeeren met de
voorzijde naar boven, weerstand bieden, aanvaarden, bekleeden aan de
voorzijde, omzoomen, omboorden, zich wenden naar: Face of a coin =
beeldzijde; In the face of day = op klaarlichten dag; The faces of a
square = de zijden van een carré; This is unpardonable in face of the
facts = met het oog op de feiten; He did it in face of all that is
honourable and just = in strijd met al wat eervol en rechtvaardig is;
On the face of it = op ’t eerste gezicht; To be face to face =
tegenover elkaar staan; To fly in the face of danger = tegemoet
snellen; I laughed in his face = in zijn gezicht; I will say so before
his face, in his face = waar hij bij is; She said it with a little face
= ietwat brutaal; I could not see my hand before my face = geen hand
voor oogen; He told it me to the face = vlak in ’t gezicht; The King
accepted the poor supplicant’s face = trok zich den armen smeekeling
aan, stond zijn verzoek toe; He cut a queer face = trok een raar
gezicht; He entreated (sought) the King’s face = ’s konings gunst; He
has his face at his command = hij heeft zijn gelaat in zijn macht;
Everything has two faces = men kan alles van twee kanten beschouwen; He
made (pulled) a long face = trok een lang gezicht (fig.); He made a wry
face = trok een zuur gezicht; She can make all kinds of faces =
allerlei gezichten trekken; I’ll put a good face on it = het van den
besten kant beschouwen; He set his face against his father’s will = hij
weerstreefde zijn vader; Left face! Right face! = links-, rechtsom;
Right about face! = rechtsomkeert; He faced the card = hij keerde om;
He faced the consequences = aanvaardde; To face the enemy = het hoofd
bieden; The country-seat faces the high-road = staat met de voorzijde
naar; To face the music = de moeielijkheid moedig onder de oogen zien;
The room faces South-east = ligt op; It was more than my heart could
face = verdragen, weerstaan; To face about = zich omkeeren; He faced
his men down = overblufte; He wanted to face me down = hij wou mij door
onbeschaamdheid den blik doen neerslaan; He faced it out = hij hield
het brutaal vol; Face-ache, feiseik, Face-ague, feiseigju,
aangezichtspijn; Face and hood = driekleurig viooltje; Face-card =
heer, vrouw of boer (in ’t kaartspel); Face-cloth = doek (ter bedekking
van het gelaat) van een doode; Face-guard = masker; Facer = slag in ’t
gezicht, teleurstelling.
Facet, fasət, facet; Facet verb. met facetten slijpen.
Facetiae, fəsîši-î, fijne, geestige zetten, humorist. lectuur;
Facetious, fəsîšəs, grappig, boertig: subst. Facetiousness.