Ethnographer, əthnogrəfə, ethnograaf; Ethnographic(al),
ethnəgrafik(’l), ethnographisch; Ethnography, əthnogrəfi, ethnographie;
Ethnologic(al), ethnəlodžik(’l), ethnologisch; Ethnologist,
əthnolədžist, ethnoloog; Ethnology, əthnolədži, ethnologie.
Ethyl, ethil, aethyl.
Etiolate, îtiəleit, (doen) verbleeken, bleek worden (door onthouding
van licht); subst. Etiolation.
Etiology, etiolədži, îtiolədži, leer der (ziekte) oorzaken.
Etiquette, etiket, etiket, etiquette: It is not etiquette for ladies =
contrary to etiquette = tegen de etiquette.
Etna, etnə, Etna; soort snelkoker.
Eton, ît’n; Etonian, itounj’n, leerling van de school te Eton; ook adj.
Etruria(n), itrûriə(n), Etrurië(r); Etruscan, itrɐsk’n, Etrurisch,
Etruriër.
Etui, ətwî, etui.
Etymologic(al), etiməlodžik(’l), etymologisch; Etymologist,
etimolədžist, etymoloog; Etymologize, etimolədžaiz, woorden afleiden,
aan woordafleiding doen; Etymology, etimolədži, etymologie; Etymon,
etimon, grondwoord, stamwoord.
Eucalyptus, jûkəliptəs, eucalyptus, blauwe gomboom.
Eucharist, jûkərist, Eucharistie, het Sacrament des altaars, de H.
Hostie; Eucharistic = avondmaals..., dank...; Eucharistica =
overpeinzingen en gebeden bij het Heilig Avondmaal.
Euchre, jûkə, Amer. kaartspel (op Whist gelijkend); Euchre verb.
beetnemen.
Euclid, jûklid, Euclides; meetkunde; adj. Euclidean, jûklidîən,
Euclidian, juklidiən.
Eudoxia, judokšiə; Eugene, jûdžin, judžîn.
Eugenics, judženiks, rasverbetering.
Eulalia, juleiljə.
Eulogist, jûlədžist, lofredenaar; adj. Eulogistic(al); Eulogium,
juloudž’m = Eulogy, jûlədži, lofspraak; Eulogize, jûlədžaiz, loven.
Eumenides, jumenidîz, de Furiën.
Eunuch, jûnək, eunuch; Eunuchism, het eunuch wezen, castreeren; Eunuch
verb. Eunuchize, castreeren.
Eupepsia, jupepšiə = Eupepsy, jupepsi, jûpepsi, normale spijsvertering;
Eupeptic = met goede spijsvertering.
Euphemism, jûfimizm, verzachtende uitdrukking; adj. Euphemistic(al).
Euphonic(al), jufonik(’l), Euphonious, jufouniəs, welluidend;
Euphonism, jûfənizm, harmonie der klanken; Euphonize, jûfənaiz,
welluidend maken; Euphony, jûfəni, welluidendheid.
Euphrasy, jûfrəsi, oogentroost.
Euphrates, jufreitîz.
Euphues, jûfjuîz; Euphuism, jûfjuizm, gemaakte, gezochte, overdreven
sierlijke manier van uitdrukken; adj. Euphuistic(al).
Eurasia, jureišə, jureižə, Europa en Azië; Eurasian =
Europeesch-Aziatisch; een uit het huwelijk van een Europeaan en Aziate
geborene.
Eureka, jurîkə, Eureka: Eureka overcoat = piekfijne.
Europe, jûrəp; European, jûrəpîən, Europeaan; Europeesch; Europeanize,
jûrəpîənaiz = invoeren van Europeesche zeden, enz.
Eurus, jûrəs, (Zuid)oostenwind.
Eustace, jûstis; Eustachian, justeikj’n: Eustachian tube =
Eustachiaansche buis; Eustatia, justeišə.
Euston, jûst’n.
Euterpe, jutɐ̂pi, Euterpe; palmsoort; kapellensoort; adj. Euterpean.
Euthanasia, jûthəneižə, Euthanasy, juthanəsi, zachte dood; middel
daarvoor.
Euxine (The), dhəjûksin, de Zwarte Zee.
Eva, îvə, Eva.
Evacuant, ivakjuənt, subst. en adj. purgeerend (middel); ventiel;
Evacuate, ivakjueit, ontruimen, purgeeren, uitwerpen, ledigen;
Evacuation = stoelgang, ontruiming.
Evade, iveid, ontduiken, ontwijken, ontgaan, ontglippen, verijdelen,
uitvluchten maken: To evade the law = ontduiken.
Evan, ev’n; Evans, ev’nz.
Evanesce, evənes, verdwijnen; subst. Evanescence; Evanescent =
verdwijnend, voorbijgaand, oneindig klein.
Evangel, ivanž’l, evangelie; Evangelic, îv’ndželik, evangelisch =
Evangelical, ook subst. een aanhanger van de Low Church; Evangelism,
ivanžəlizm, evangelieprediking; Evangelist; Evangelization =
evangelisatie; Evangelize, ivanžəlaiz, het evangelie prediken,
evangeliseeren.
Evangeline, ivanžəl(a)in.
Evanish, ivaniš, verdwijnen; subst. Evanishment = Evanition.
Evaporable, ivapərəb’l, verdampbaar; Evaporate, ivapəreit, verdampen,
uitwasemen, drogen, verdwijnen, luchten (van toorn, b.v.); Evaporation,
verdamping; Evaporative = verdampings...; Evaporator =
verdampingstoestel; Evaporometer, îvapəromətə, verdampingsmeter.
Evasion, iveiž’n, ontduiking, ontwijking, uitvlucht; Evasive, iveisiv,
vol uitvluchten, ontwijkend.
Eve, îv, Eva; avond, vóóravond: She was on the eve of her marriage =
het was onmiddellijk vóór haar huwelijk, aan den vóóravond van.
Evelina, evəlainə; Eveline, Evelyn, evəlin.
Even, îv’n, adj. gelijk, effen, even, kalm, onpartijdig, rond; adv.
zelfs, juist, zooeven, ook, bovendien; Even verb. effenen, gelijk
maken: Even and odd = even en oneven; To be even with a person = niets
meer schuldig zijn; To come even with = betaald zetten; To meet on even
ground = strijden met gelijke kansen; To be even with the times = met
zijn tijd meegaan; He told me even as much = precies hetzelfde; Even as
I said it = juist toen; Even now = zoo pas nog; Even if = Even though
he came = al kwam hij ook; I saw him even yesterday = ik heb hem
gisteren nog gezien; Their even Christians = mede-christenen; His
even-handed dealing with all = onpartijdige handelwijze jegens;
Even-handedness; On an even keel = achter en voor even diep liggend;
Even-minded = gelijkmoedig; Even money = ronde som; Even-tempered =
gelijkmatig van humeur (= Of an even temper); Evener = gelijkmaker;
zwengelhout (Amer.). Evenness = vlakheid, gelijkheid, gelijkmoedigheid,
onpartijdigheid.
Even, îv’n, avond; Evenfall = avondstond; Evensong = vesper, avondlied;
Eventide = avondtijd.
Evening, îv’niŋ, avond: The evening crowns the day = einde goed alles
goed; Six in the evening = zes uur ’s avonds; Evening-dress = rok en
witte das; Evening-gun = avondschot; Evening song = avondlied;
Evening-star.
Event, ivent, gebeurtenis, afloop, gevolg, (sport)nummer: Double event
= zevenstoot (bilj.); Treble event = negenstoot; At all events = in elk
geval; In the event of = voor het geval dat; In the event = ten slotte;
Eventful = belangrijk, gewichtig; Eventual, iventjuəl, gebeurlijk,
eindelijk; Eventuality = mogelijkheid.
Ever, evə, ooit, in eenig opzicht, in eenige mate: For ever = voor
goed; For ever and a day = voor eeuwig en altijd = For ever and aye; Or
ever = voordat (verbasterd uit Ere ever); Not ever = never = nooit: I
cannot ever repent of it = ik heb er volstrekt geen berouw van; Aren’t
you ever coming? = kom je haast? As soon as ever she comes here =
zoodra ze maar hier komt; Ever and again = telkens weer; Ever and anon
= nu en dan; gedurig; Ever since that time = van dien tijd af aan; I
waited for ever so long = een eeuwigen tijd; He may rail ever (never)
so much = zooveel hij verkiest; Still tremendously hot! It is ever so
much in the shade = ’k weet wel niet hoeveel graden; With ever so
slight a foreign accent = een ‘ietsje’, ‘tikje’; It’s ninepence for
ever such a little tin = voor nog zoo’n klein blikje; He would veto
your taking ever such a little glass = de geringste hoeveelheid;
Everglade = moerassige steppe in Oost-Florida; Evergreen = plant, die
het geheele jaar door groen blijft; Ever-lasting, evəlâstiŋ,
altijddurend, eeuwig; subst. eeuwigheid; sterke stof voor laarsjes: The
Everlasting = de (eeuwige) Godheid; Everlastings = immortellen;
Everlasting flower = stroobloem; Life everlasting = het eeuwige leven;
Evermore = altijd door, steeds weer, voor eeuwig.
Ever(h)ard, evərəd; Everett, evərət.
Eversion, ivɐ̂š’n, omkeering, naar buitenkeering; Eversion verb. Evert,
ivɐ̂t.
Every, ev’ri, ieder, elk: Every bit = volkomen, geheel: Her every
gesture = elk harer gebaren; Every now and then = van tijd tot tijd,
telkens; Every other day = om den anderen dag; My every word = elk
mijner woorden; Everybody = iedereen; Everything = alles; Everyway = in
elk opzicht; Everywhere = overal.
Evesham, îvz(h)əm.
Evict, ivikt, uitzetten (uit een huis, b.v.), ontnemen, verdrijven;
Eviction = uitzetting, ontneming.
Evidence, evidens, subst. bewijs, bewijsmateriaal, klaarblijkelijkheid;
Evidence verb. bewijzen; In this novel the clergy are in evidence =
komen veel geestelijken voor; Mr. and Mrs. N. were both in evidence =
tegenwoordig; Circumstantial evidence = bewijs (Jur.); These
circumstances are opposed to the evidence = druischen tegen alle
waarschijnlijkheid in; He gave evidence = legde getuigenis af; To turn
King’s (Queen’s) evidence = getuigenis afleggen tegen de
medeschuldigen; Evident, evid’nt, duidelijk, klaarblijkelijk:
Self-evident = zonneklaar; Evidential = duidelijk bewijzend;
Evidentness = klaarblijkelijkheid.
Evil, îv’l, subst. kwaad, onheil, ellende, zonde, kwaal; adj. kwaad,
boos, snood, slecht, zondig: The Evil one = de duivel; The king’s evil
= klierziekte; The evils of war, social evils = rampen; Stomach evils =
maagkwalen; This bodes evil = voorspelt kwaad; Evil-affected = kwalijk
gezind; Evil case = rampzalige toestand; Evil-doer = boosdoener,
zondaar; Evil-eye = kwaad oog (dat op bovennatuurl. wijze kwaad
berokkent); Evil-eyed = met evil eye; afgunstig; Evil-favoured = met
een ongunstig uiterlijk; Evil-minded = boosaardig; subst.
Evil-mindedness; Evil-smelling = kwalijk riekend; Evil-speaking =
laster(end); Evil-worker = boosdoener.
Evince, ivins, bewijzen, aan den dag leggen.
Eviscerate, ivisəreit, ontweiden (van wild); verknoeien; subst.
Evisceration.
Evocate, evəkeit, oproepen; Evocation = oproeping, bezwering.
Evoke, ivouk, oproepen, uitlokken, voor een andere rechtbank brengen.
Evolution, evəl(j)ûš’n, îvəl(j)ûš’n, evolutie, ontwikkeling,
worteltrekking, militaire beweging; Evolutional = ontwikkelings =
Evolutionary = evolutie...; Evolutionism = evolutieleer.
Evolve, ivolv, ontvouwen, ontplooien, ontwikkelen, zich ontwikkelen;
Evolvulus, ivolvjulɐs, evolvulus, zekere klimplant.
Ewart, jûwət.
Ewe, iû, ooi: Ewe cheese = schapekaas; Ewe-lamb; Ewe-neck = hertenhals
(van paarden).
Ewer, jûə, lampetkan, waterkan.
Ewing, jûwiŋ.
Ex, eks, (in samenst.), vroeger, gewezen: The ex-king Milan.
Exacerbate, əgzasəbeit, verbitteren, verergeren; subst. Exacerbation.
Exact, əgzakt, adj. nauwkeurig, precies, methodisch, stipt; Exact verb.
eischen, vorderen, afpersen: In exactest sort = in de puntjes; Exactly
so = precies; Exacting, veeleischend, streng; Exactingness causes much
misery = veeleischendheid; Exaction = afpersing, buitensporige eisch;
Exactitude = Exactness = nauwkeurigheid.
Exaggerate, əgzadžəreit, overdrijven, vergrooten; subst. Exaggeration;
adj. Exaggerative.
Exalt, əgzôlt, verheffen, verhoogen, verrukken; Exaltation,
egzolteiš’n, verheffing, verrukking, geestvervoering; Exalted = hoog,
verheven; Exaltedness = exaltatie.
Examination, əgzamineiš’n, onderzoek, ondervraging, verhoor, examen
(ook verk. tot Exam, əgzam): Examination on paper = Written examination
= The writing part of an examination; Vivâ voce examination = vivâ
voce; To enter, (to pass, to present oneself for, to retire from) an
examination; Examination-paper = examenopgaaf; Examination-in-chief =
ondervraging van de(n) hoofdgetuige; Examinational: The old
examinational system = examenstelsel; Examine, əgzamin, onderzoeken,
ondervragen, verhooren, examineeren: I examined into the thing = deed
onderzoek naar de zaak; Examinee = examinandus; Examiner = examinator,
onderzoeker, inspecteur, rechter v. instructie.
Example, əgzâmp’l, voorbeeld, patroon, model, opgave: For example = bij
voorbeeld; By way of example = als, bij wijze van; I will set (give)
you a good example = u een goed voorbeeld geven; Take example from (by)
your brother = neem een voorbeeld aan, uw broeder tot voorbeeld;
Exampler = model, voorbeeld.
Exanthema, eksanthîma, huiduitslag; koorts, die daarmee gepaard gaat;
meerv. Exanthemata, eksanthîmətə, eksanthemətə.
Exarch, eksâk, Legaat v. den Patriarch; onderkoning (in Italië) van de
Byzantijnsche keizers; Exarchate, eksâkit, eksâkit, exarchaat.
Exasperate, əgzaspərit, adj. verbitterd, getergd; Exasperate verb.
(əgzaspəreit) verbitteren, tergen, verergeren; subst. Exasperation.
Excalibur, ekskalibə.
Excavate, ekskəveit, uithollen, uitgraven; Excavation = uitholling,
holte, uitgraving, doorgraving; Excavator = graafmachine.
Exceed, əksîd, overtreffen, overschrijden, meer zijn dan, te ver gaan,
te buiten gaan: I’ll take good care that you don’t exceed = u niet te
buiten gaat; I have exceeded already = ik heb al boven mijn “taks”
gedronken (gegeten), etc.; Exceeding(ly) = buitengewoon.
Excel, əksel, overtreffen, uitmunten; Excellence, eksəlens,
uitstekendheid, voortreffelijkheid; Excellency, eksəlensi, excellentie:
In a degree of Excellency = voortreffelijk; Excellent = voortreffelijk.
Excelsior, əkselsiö, excelsior.
Excentric, eksentrik. Zie Eccentric.
Except, əksept, Except verb. uitzonderen, tegenwerpingen maken; prep.
buiten, behalve; conj. tenzij, zonder; Excepting = uitzonderend,
uitgezonderd; Exception, eksepš’n, uitzondering, tegenwerping,
ontkenning: I take exception to such words = ik keur af, neem kwalijk,
werp op een exceptie tegen; Bill of Exception = lijst van excepties
tegen een rechterlijk besluit; Exceptions prove the rule = de
uitzonderingen bevestigen den regel; Exceptionable = berispelijk,
betwistbaar; Exceptional = bij wijze van uitzondering = Exceptive.
Excerpt, əksɐ̂pt, excerpeeren, een uittreksel maken; subst. (eksɐ̂pt),
excerpt.
Excess, əkses, overtolligheid, overdaad, buitensporigheid, onmatigheid:
He eats and drinks to excess = buitensporig veel; Excess fare = boete
(op spoorwegen): To pay excess fare; Excessive = overdadig,
buitensporig, buitengewoon, onmatig.
Exchange, əkstšeinž, subst. (uit)wisseling, ruiling, beurs; Exchange
verb. ruilen, wisselen, uitwisselen: To apply for an exchange =
overplaatsing verzoeken; Arbitration of exchange = wisselarbitrage;
Bill of exchange = wissel(brief); Course of exchange = wisselkoers;
Foreign and domestic exchanges = buiten- en binnenlandsche
wisselkoersen; List of exchanges = koersnoteeringen; The Exchange = de
Beurs; At to-day’s exchange = ter beurze van heden; Exchange it for
another = vervang het, ruil het; Exchange-broker = wisselmakelaar;
Exchangeability = wisselbaarheid; Exchangeable = inwisselbaar,
uitwisselbaar; Exchanger = wisselaar.
Exchequer, əkstšekə, schatkist, kas: Exchequer Bills =
schatkistbiljetten; Chancellor of the Exchequer = kanselier van de
schatkist.
Excisable, əksaizəb’l, belastbaar; Excise, əksaiz, subst. accijns,
impost; adj. accijns...; Excise verb. belasten, veraccijnzen;
Excise-duties = accijnzen; Exciseman = ontvanger der accijnzen;
Excise-office = accijnzenkantoor.
Excise, eksaiz, uitsnijden, uithollen, schrappen; Excision, əksiž’n,
uitsnijding, amputatie, uitsluiting; excommunicatie.
Excitability, əksaitəbiliti, prikkelbaarheid; Excitable, əksaitəb’l,
prikkelbaar; Excitant, əksait’nt, eksit’nt, subst. en adj. prikkelend,
opwekkend (middel); Excitation, eksiteiš’n, opwinding, opgewondenheid;
Excitative = prikkelend; Excite, əksait, opwekken, aanzetten, opwinden,
prikkelen, aan den gang brengen, gevoelig maken; Excitement =
opwinding, opgewondenheid, prikkel.
Exclaim, əkskleim, uitroepen, luide uitvaren (against), luid jammeren
(on); Exclaimer = ijveraar; Exclamation, ekskləmeiš’n, uitroep, kreet,
geschreeuw, het uitvaren (tegen): Note of exclamation = uitroepteeken;
adj. Exclamatory, əksklamətəri.
Exclude, əksklûd, uitsluiten, buitensluiten, uitzonderen; Exclusion =
uitsluiting; Exclusive, əksklûsiv = uitsluitend, met uitsluiting van
(of), exclusief: Exclusive dealing = begunstiging van bepaalde personen
(om politieke of relig. redenen); He has exclusive sources of
information = aparte, bijzondere; His comforter was three yards long,
exclusive of the fringe = buiten de franje; subst. Exclusivism.
Excogitate, əkskodžiteit, uitdenken, verzinnen; subst. Excogitation.
Excommunicate, ekskəmjûnikeit, excommuniceeren; subst. ekskəmjûnikit =
een geëxcommuniceerde; Excommunication, ekskəmjûnikeiš’n,
excommunicatie: The lesser excommunication = uitsluiting van deelneming
aan het avondmaal; The greater excommunication = algeheele kerkban;
adj. Excommunicative.
Excoriate, əkskôrieit, villen, de huid afschaven; subst. Excoriation.
Excrement, ekskrəment, uitwerpsel(en); adj. Excremental.
Excrescence, əkskres’ns, uitwas, wrat; Excrescent = overtollig.
Excrete, əkskrît, afscheiden; Excretion, əkskrîš’n, afscheiding;
Excretory, əkskrîtəri, ekskrətəri, afscheidend: Kidneys are excretory
organs = afscheidingsorganen.
Excruciate, əkskrûšieit, martelen, folteren; Excruciating =
ondragelijk, ijsselijk; Excruciation = marteling.
Exculpate, ekskəlpeit, əkskɐlpeit, verschoonen, verontschuldigen,
vrijspreken, rechtvaardigen; subst. Exculpation; Exculpatory =
verontschuldigend.
Excursion, əkskɐ̂š’n, afwijking, afdwaling, uitstapje: Excursion-ticket
= uitstapkaart; Excursion-train = pleiziertrein; Excursionist =
tourist; Excursive, doelloos, afdwalend; subst. Excursiveness;
Excursus, əkskɐ̂səs, aanhangsel met nadere uitwerking van een in den
tekst genoemd punt.
Excusable, əkskjûzəb’l, verschoonbaar; subst. Excusableness; Excuse,
əkskjûs, verontschuldiging, uitvlucht, ontheffing.
Excuse, əkskûz, vrijpleiten, vergeven, vrijstellen, verontschuldigen:
He is excused all the hard work in the house = vrijgesteld van; He
excused himself on that score = verontschuldigde zich; Excuse me for
doubting it = neem me niet kwalijk, dat ...
Exeat, eksiat, verlof aan een (Engelsch) student tot tijdelijke
afwezigheid; afwezigheidsverlof aan een geestelijke.
Execrable, eksikrəb’l, verfoeilijk; subst. Execrableness; Execrate,
eksikreit, verfoeien, vervloeken, verwenschen; subst. Execration; adj.
Execrative = Execratory.
Executable, eksəkjûtəb’l, əksekjutəb’l, uitvoerbaar; Execute, eksikjût,
uitvoeren, volvoeren, verrichten, passeeren, ten uitvoer leggen,
voltrekken, terdoodbrengen: To execute a deed = eene acte passeeren; To
execute a will = een testament uitvoeren; Executer = executeur;
Execution, eksikjûš’n, uitvoering, volbrenging, voordracht, spel,
uitwerking, bevel tot voltrekking (= Writ of execution), executie,
beslag, voltrekking der doodstraf: To put a thing into execution = iets
ten uitvoer brengen; An execution was put into our house for rent = om
de huur werd er beslag gelegd op het meubilair; To take in execution =
bij executie laten verkoopen; Executioner, eksikjûšənə, beul;
Executive, əgzekjutiv, subst. uitvoerende macht; adj. uitvoerend,
volvoerend; Executor, egzekjutə, executeur; Executionership = ambt van
executeur; Executory = executoir; Executrix = executrice.
Exegesis, eksidžîsis, exegese; Exegete, eksidžît, exegeet;
Exegetic(al), eksidžetik(’l), exegetisch; Exegetics, eksidžetiks,
uitlegkunde.
Exemplar, əgzemplə, model, voorbeeld; Exemplariness, əgzemplərinəs,
eksəmplərinəs, voorbeeldigheid; Exemplary, əgzempləri, eksəmpləri,
egzəmpləri, voorbeeldig, uitstekend; Exemplification, əgzemplifikeiš’n,
verklaring, bewijsplaats; afschrift; Exemplify, əgzemplifai, met een
voorbeeld aantoonen, als voorbeeld dienen, een afschrift maken.
Exempt, əgzemt, subst. vrijgestelde; adj. vrij, bevrijd; Exempt verb.
vrijstellen, excuseeren; Conscientious exempts = v. dienst
vrijgestelden wegens gemoeds- of godsdienstbezwaren; Exemption,
əgzemš’n, vrijstelling, vrij zijn.
Exequatur, eksikweitə, exequatur, officiëele bekrachtiging; erkenning
van een consul door de regeering.
Exequies, eksikwiz, begrafenisplechtigheid.
Exercise, eksəsaiz, subst. gebruik, vervulling, beoefening,
lichaamsbeweging; oefening, godsdienstoefening, exercitie, opgave;
Exercise verb. uitoefenen, gebruiken, aanwenden, oefenen, afrijden,
drillen, beweging nemen in de open lucht, beproeven, verontrusten:
Exercise-book = schrift; To do one’s exercises = schoolwerk maken; To
hold closing exercises = eindrepetities houden; You can take exercise
every day in that climate = je alle dagen in de open lucht bewegen; To
claim and exercise a right = eischen en uitoefenen; They were much
exercised on that subject = ze hielden zich ernstig bezig met dat
onderwerp; You were exercised that we should know her = gij deedt uw
best, steldet er belang in; I was painfully exercised in my mind at the
way in which he ruined his children = had er erg mee te doen; maakte me
ongerust; I was seriously exercised in my mind as to the possibility of
doing it = ik zat er ernstig over in; He exercises me strangely = maakt
het mij zeer moeielijk; Exerciser.
Exert, əgzɐ̂t, inspannen, (kracht) toonen of gebruiken: It is the
privilege of poetry to exert such charms = zulke bekoringen uit te
oefenen; He exerted himself very much = spande zich zéér in; Exertion,
əgzɐ̂š’n, inspanning, krachtige poging.
Exes, eksiz, verkorting van Expenses.
Exeter, eksitə.
Exeunt, eksiɐnt, ‘zij treden af’ (tooneel).
Exfoliate, əksfoulieit, afschilferen; subst. Exfoliation.
Exhalable, əgz(h)eiləb’l, əksheiləb’l, vluchtig; Exhalation,
eksəleiš’n, ekshəleiš’n, egzəleiš’n, uitwaseming, damp; Exhale,
əgzheil, əksheil, əgzeil, uitademen, uitwasemen, in damp opgaan, doen
verdampen.
Exhaust, əgz(h)ôst, uitputten, leegmaken, luchtledig maken: The fifth
edition is exhausted = uitverkocht; Exhausted receiver = leeggepompte
klok (van eene luchtpomp); Exhaust-pipe = afvoerpijp (v. stoom);
Exhaust-valve = afvoerklep; Exhauster = exhauster, oppomper, opzuiger;
Exhaustible = uitputtelijk; Exhaustion, əgz(h)ôstj’n, uitputting,
vermoeienis, uitpompen, uitstroomen; Exhaustive = volledig,
alleruitvoerigst: He sent me Exhaustive information about that subject
= volledige inlichtingen; Exhaustless = onuitputtelijk.
Exhibit, əgz(h)ibit, subst. uitstalling, tentoongesteld voorwerp,
bewijsstuk, staat; Exhibit verb. tentoonstellen, uitstallen, vertoonen,
formeel indienen of overleggen; voorschrijven (van geneesmiddelen);
Exhibition, eks(h)ibiš’n, tentoonstelling, vertooning, indiening of
overlegging van bewijsstukken, studiebeurs, openbare les met
prijsuitdeeling; het voorschrijven (van geneesmiddelen); lijftocht: He
made an exhibit of himself = hij stelde zich belachelijk aan; He has an
interesting collection on exhibit = heeft ... ingezonden; Exhibit-room
= tentoonstellingszaal; Exhibiter, eksibišənə, iemand, die van eene
beurs studeert; Exhibitist = executant; Exhibitive = voorstellend;
Exhibitor = vertooner, exposant; adj. Exhibitory.
Exhilarant, əgz(h)ilər’nt, subst. en adj. vervroolijkend of opbeurend
(middel); Exhilarate, əgz(h)iləreit, opvroolijken, verblijden; subst.
Exhilaration = opvroolijking, vroolijkheid.
Exhort, əgz(h)öt, vermanen, waarschuwen, aanzetten, aansporen; subst.
Exhortation, eks(h)öteiš’n; Exhortative; Exhortatory = vermanend;
Exhorter = vermaner.
Exhumation, eks(h)jumeiš’n, opgraving; Exhume, əgz(h)jûm, opgraven.
Exigence, eksidžens, Exigency, eksidžensi, noodzakelijkheid, urgentie,
behoefte, benoodigd bedrag, vereischte; adj. Exigent.
Exiguity, eksigjûiti, kleinheid, onvoldoendheid; Exiguous, əgzigjuəs,
gering, klein, schraal.
Exile, eksail, egzail, subst. balling, verbanning; Exile verb.
verbannen: To pass sentence of exile on.
Exist, əgzist, zijn, bestaan, leven; Existence = bestaan, zijn;
Existent.
Exit, eksit, het heengaan (v. het tooneel), aftreden, uitgang,
verscheiden, dood: He made his exit = hij trad af, stierf.
Exmouth, eksmɐth.
Exodus, eksədɐs, Exodus: General exodus = algemeene uittocht.