Entangle, əntaŋg’l, verstrikken, verwarren, verlegen maken; subst.

Entanglement = verwikkeling, verwarring, verlegenheid, valstrik,

havenversperring.

Enter, entə, binnengaan, binnenkomen, instroomen, intreden, zich

begeven in, lid worden van, toelaten, inschrijven, boeken, aanvangen,

beginnen, inklaren (v. goederen), indringen, ingaan (fig.), indrijven:

To enter the cargo = bij de douane aangeven; To enter the church =

geestelijke worden; He entered the lists against a formidable adversary

= trad het strijdperk binnen, bond het gevecht aan met; He entered his

office = trad binnen; To enter a protest against = aanteekenen tegen;

To enter into conversation = aanknoopen; I enter into your feelings =

begrijp volkomen, deel in; To enter into the Kingdom of Heaven =

binnengaan; To enter into (on) one’s rest = de eeuwige rust ingaan; He

was entered of the Inner Temple = werd lid van; A new actor entered on

the scene = trad op; She entered to him = zij kwam bij hem op het

tooneel; Entered to national account = geboekt voor het rijk; To enter

upon the joys of Heaven = deelachtig worden; He entered upon his office

= aanvaardde zijn ambt.

Enteric, ənterik, darm...: Enteric fever = typheuse koorts; Enteritis,

entəraitis, ingewandsontsteking; Entero..., entərou (in

samenstellingen), ingewands..., buik...

Enterclose, entəklous, doorgang tusschen twee kamers.

Enterprise, entəpraiz, subst. onderneming, waagstuk, speculatie,

energie, ondernemingsgeest; ook verb.; Enterprising = ondernemend,

vermetel.

Entertain, entətein, onthalen, zich onderhouden, bezighouden,

handhaven, voeden of koesteren, in overweging nemen, vermaken: I do not

entertain the idea of it = ik denk er niet over; To entertain an offer,

an overture = op een aanbod (voorstel) ingaan; To be entertained at

(to) dinner = de gast zijn; Entertainer = onderhouder, patroon,

gastheer: I am the entertainer = ik betaal; Entertaining = amusant;

Entertainment = onthaal, gastvrijheid, feestmaal, vermaak,

geestesgenot, koesteren (van gedachten).

Enthral, ənthrôl, tot slaaf maken, onderwerpen, betooveren; subst.

Enthralment.

Enthrone, ənthroun (Enthronize, ənthrounaiz), ten troon verheffen,

zetelen, wijden (een bisschop); subst. Enthralment.

Enthuse, ənthjûz, in geestdrift (in vuur) geraken, vol geestdrift zijn

(Am.): To Enthuse over; Enthusiasm, ənthjûziazm, geestdrift, overdreven

ijver; Enthusiast = geestdriftig, vurig bewonderaar of vereerder; adj.

Enthusiastic(al).

Entice, əntais, verlokken of verleiden; subst. Enticement.

Entire, əntaiə, adj. geheel, volkomen, oprecht, onbetwist, zuiver;

subst. bier (direct v. de brouwerij), niet gecastreerd paard; subst.

Entireness = Entirety.

Entitle, əntait’l, aanspraak of recht geven op, betitelen, noemen.

Entity, entiti, zijn, aanwezen, bestaand iets: That remarkable entity,

the French people = dat merkwaardig geheel.

Entoil, əntôil, verstrikken.

Entomb, əntûm, (levend) begraven; Entombment = begrafenis.

Entomologic(al), entəməlodžik(’l), entomologisch; Entomologist =

entomoloog; Entomology, entəmolədži, insectenleer.

Entozoön, entəzouən, ingewandsworm.

Entrails, entreilz, ingewanden, binnenste.

Entrain, əntrein, ten gevolge hebben, meesleepen; inladen (in een

trein): The troops entrained for Kimberley.

Entrammel, əntram’l, verwarren, verstrikken.

Entrance, entr’ns, binnenkomst, intrede, intocht, optreden,

aanvaarding, toelating, ingang, monding, inklaring: His entrance into

his office = het aanvaarden van zijn ambt; Entrance-examination =

toelatingsexamen; Entrance-duty = invoerrecht; Entrance-fee =

inleggeld, entrée(geld); Entrance money = toegangsprijs; Entrance

subscription = entree (bij het lid worden.)

Entrance, əntrâns, verrukken, in geestverrukking brengen; subst.

Entrancement.

Entrant, entr’nt, optredende, deelnemer.

Entrap, əntrap, in eene val vangen, verstrikken.

Entreat, əntrît, smeeken, dringend verzoeken: Entreative words =

smeekbeden; Entreaty = dringend verzoek, smeekbede.

Entrée, Fr. uitspr., toegang; Entrées = Entremets, Fr. uitspr.,

tusschengerechten (in Engel.).

Entrench, əntrenš, verschansen (m. loopgr.); subst. Entrenchment.

Entrepot, Fr. uitspr., hoofdstapelplaats, magazijn, entrepôt.

Entrust, əntrɐst (Zie Intrust): He was entrusted with your interests =

hem werden toevertrouwd.

Entry, entri, ingang, (binnen)komst, intocht, optreden, steeg, boeking,

post, inklaring, declaratie, inbezitneming: To make one’s entry = zijn

intocht houden; To make an entry = declareeren (van goed); Will you

make an entry of this = dit opschrijven? The entries were six in all =

deelnemers; (Book-keeping by) Double, Single entry = dubbel, enkel

boekhouden; Bill of entry = lijst der voor invoer in te klaren

goederen; Entry-money.

Entwine, əntwain, Entwist, əntwist, omwinden, omslingeren.

Enucleate, injûklieit, ontwarren, ophelderen; subst. Enucleation.

Enumerate, ənjûməreit, optellen, opnoemen; Enumeration = optelling,

lijst; adj. Enumerative.

Enunciate, inɐnšieit, uiten, uitspreken, verklaren; Enunciation =

uitdrukking, bewoordingen, uitspraak, verklaring; adj. Enunciative.

Envelop, ənveləp, omringen, omwikkelen, verbergen; Envelope, envəloup,

omslag, enveloppe; de coma (zie dit woord) van een planeet, omhulsel,

versterkte wal: A visiting-card is carried in an open envelope for one

centime — kan worden verzonden; Envelopment = inwikkeling, omslag.

Envenom, ənvenəm, vergiftigen, verbitteren.

Enviable, enviəb’l, benijdenswaardig; Envied, envid, benijd; Envious,

enviəs, afgunstig: The envious flood = de boosaardige golven (vloed);

subst. Enviousness.

Environ, ənvair’n, omringen, omgeven, insluiten; Environs ook envir’nz,

omstreken, omgeving; subst. Environment.

Envisage, ənvizidž, onder de oogen zien, beschouwen.

Envoy, envôi, afgezant, bode; slotstrophe welke een opdracht bevat (ook

ənvôi); Envoyship = ambt v. envoy.

Envy, envi, subst. nijd, afgunst, voorwerp van afgunst;

kwaadaardigheid; Envy verb. benijden, misgunnen: In envy = uit

jaloerschheid, nijd.

Enwrap, ənrap, omwikkelen, inwikkelen, omhullen.

Enwreathe, ənrîdh, be-, omkransen.

Eolian, ioulj’n, Eolic, iolik, Eolisch.

Eon, îən, eeuw, eeuwigheid.

Eostre, îəstə, Angelsaksische godin.

Epact, îpakt, epakt, epacta.

Eparch, epək, gouverneur, bisschop (Grieksche kerk); Eparchy =

provincie; diocees.

Epaule, əpôl, hoek van een bastion; Epaulement = epaulement,

borstwering.

Epaulet(te), epôlet, epaulette.

Epenthesis, ipenthisis, epenthesis.

Ephemera, ifemərə, ééndagsvlieg, ding van één dag; Ephemeral,

kortstondig, ephemeer; Ephemeris, ifeməris (Meerv. Ephemerides,

îfemeridîz), sterrekundige tafel, astronomische almanak; Ephemeron,

ifeməron, = Ephemera.

Ephesian, ifîž’n, subst. Ephezer; adj. van Ephesus, efəsɐs.

Ephialtes, efialtîz, nachtmerrie.

Ephod, efod, rijk en kort opperkleed der Joodsche (hooge)priesters.

Ephor, efö, opziener; mv. Ephors of Ephori, efərai, ephoren (Sparta).

Epic, epik, adj. episch, verhalend; subst. epos, heldendicht.

Epicede, episîd, lijk- of klaagzang.

Epicene, episîn, gemeenslachtig.

Epicure, epikjuə, epicurist, gastronoom; Epicurean, epikjurîən, adj.

epicuristisch, weelderig; subst. epicurist, lekkerbek; Epicureanism,

epikjurîənizm = Epicurism = epicurisme.

Epidemic, epidemik (Epidemy, epidəmi), epidemie: An epidemic of typhoid

was raging; Epidemic(al) = heerschend, epidemisch.

Epidermis, epidɐ̂mis, opperhuid.

Epigastric, epigastrik, tot het bovendeel van den onderbuik (=

Epigastrium) behoorende.

Epiglottis, epiglotis, keelklep; adj. Epiglottic.

Epigram, epigram, puntdicht, epigram; adj. Epigrammatic(al);

Epigrammatist, epigramətist, maker van puntdichten; Epigram verb.

Epigrammatize.

Epigraph, epigraf, opschrift, motto.

Epilepsy, pilepsi, vallende ziekte; Epileptic, epileptik, subst.

epilepticus; adj. epileptisch (= Epileptical).

Epilogical, epilodžik’l, Epilogistic, epiləžistik, epilogisch, tot een

epiloog behoorend; Epilogue, epilog, epiloog.

Epiphany, əpifəni, Driekoningen (6 Jan.).

Epiphyte, epifait, woekerplant.

Epirus, epirəs.

Episcopacy, əpiskəpəsi, bisschoppelijke regeering der kerk; Episcopal,

əpiskəp’l, episcopaal; Episcopalian, əpiskəpeilj’n, subst. lid v. de

episcop. kerk; adj. bisschoppelijk; Episcopate, əpiskəpit, subst.

bisdom, waardigheid van bisschop; het episcopaat.

Episode, episoud, episode, voorval, tusschenverhaal; Episodial,

episoudj’l; Episodic(al), episodik(’l), tot eene episode behoorend,

toevallig.

Epistle, ipis’l, subst. brief, Zendbrief; gedeelte van de Zendbr., dat

bij ’t Avondmaal wordt voorgelezen; Epistle side = rechterzijde van het

altaar (als men er vóór staat) waar dit voorgelezen wordt; Epistolary,

əpistələri: Epistolary style = briefstijl.

Epistyle, epistail, architraaf.

Epitaph, epitaf, grafschrift.

Epithalamium, epithəleimj’m, bruiloftsdicht of lied.

Epithelium, epithîliəm, opperhuid, slijmhuid.

Epithet, epithet, subst. epitheton, toenaam, bijnaam.

Epitome, əpitəmî, korte inhoud, kort begrip; Epitomist = maker van een

epitome; Epitome verb. Epitomize = condenseeren.

Epoch, epok, îpok, tijdstip, tijdperk; Epoch-making; Epochal, epək’l,

opzienbarend.

Epode, epoud, epode, slotzang, refrein.

Epopee, epəpî, Epos, epos, heldendicht.

Epsom Salts, eps’msôlts, Engelsch zout.

Equability, îkwəbiliti, ekwəbiliti, gelijkmatigheid; Equable, îkwəb’l,

ekwəb’l, gelijkmatig, gelijkvormig.

Equal, îkw’l, subst. gelijke, wederga; adj. gelijk, gelijkvormig,

opgewassen tegen; Equal verb. gelijk zijn (worden, maken), evenaren:

His mental (social) equal; He is not (does not feel) equal to it = hij

is er niet tegen opgewassen; Equal to the occasion = berekend voor zijn

taak, slagvaardig; Not to be equalled = zijns gelijke niet hebben;

Equality, ikwoliti, gelijkheid, enz.; Equalization, ikwəl(a)izeiš’n,

gelijkmaking; Equalize = gelijkmaken.

Equanimity, îkwənimiti, gelijkmoedigheid.

Equate, ikweit, herleiden tot een gemiddelde, in den vorm van een

vergelijking brengen; Equation, ikweiš’n, vergelijking, equatie of

verevening: Equation of time = tijdsverevening.

Equator, ikweitə, evenaar, aequator; Equatorial, îkwətôri’l, adj.

aequatoriaal, ook subst. = bepaalde astronomische kijker; Equatorial

current = aequatoriaalstroom; Equatorial regions = de tropen.

Equer(r)y, ekwəri, ikweri, stalmeester.

Eques, îkwiz = Equites.

Equestrian, ikwestriən, subst. ruiter, kunstrijder; adj. te paard

zittend, tot het rijden behoorend: Fair equestrian = amazone;

Equestrianism = rijkunst; Esquestrienne, ikwestrien, ikwestrien,

kunstrijderes.

Equiangular, îkwiaŋgjulə, gelijkhoekig.

Equibalance, îkwibal’ns, subst. evenwicht; Equibalance verb. in

evenwicht zijn met.

Equidifferent, îkwidifər’nt, met gelijke verschillen.

Equidistant, îkwidist’nt, op gelijken afstand.

Equilateral, îkwilatər’l, subst. en adj. gelijkzijdige (figuur).

Equilibrate, îkwilaibreit, in evenwicht zijn (houden, brengen), in

evenwicht blijven; Equilibration = evenwicht; Equilibrist, ikwilibrist,

ikwilaibrist, koorddanser; Equilibrity, îkwilibriti, evenwicht;

Equilibrium, îkwilibriəm.

Equimultiple, îkwimɐltip’l, subst. en adj. met hetzelfde getal

vermenigvuldigd (getal).

Equine, îkw(a)in, paardachtig, paarde...

Equinoctial, îkwinokš’l, subst. evenachtslijn; adj. tot de e.

behoorende: Equinox, îkwinoks, ekwinoks, dag- en nachtevening: Vernal

and autumnal equinox = lente- en herfstnachtevening.

Equip, ikwip, uitrusten; Equipment = equipement.

Equipage, ekwipidž, uitrusting, stoet, gevolg, (staatsie)rijtuig.

Equipoise, îkwipôiz, evenwicht.

Equipollence, îkwipol’ns, gelijkheid van macht of kracht,

gelijkwaardigheid; Equipollent = gelijkwaardig.

Equiponderance, îkwipondər’ns, gelijk gewicht; Equiponderant,

îkwipondər’nt, van gelijk gewicht; Equiponderate, îkwipondəreit,

opwegen tegen, in evenwicht brengen.

Equitable, ekwitəb’l, billijk, onpartijdig; subst. Equitableness.

Equitation, ekwiteiš’n, rijkunst; Equites ekwtîz, de tweede adellijke

orde in het oude Rome, die oorspronkelijk de cavalerie vormde.

Equity, ekwiti, billijkheid, rechtvaardigheid; soort van

aanvullingsrecht (meer naar den geest dan naar de letter der wet) voor

gevallen waarin de oude Common Law niet voorzag: Equity of redemption =

de tijd, iemand toegestaan, om de hypotheek op zijne landerijen af te

lossen; het hem toekomende overschot na verkoop; Court of Equity =

rechtbank waar Equity-recht werd gesproken, vroeger ressorteerend onder

het oude Court of Chancery; sedert 1878 onder de Chancery Division van

het High Court of Justice.

Equivalence, ikwivəlens, gelijkwaardigheid; Equivalent = equivalent,

adj. en subst.

Equivocal, ikwivək’l, dubbelzinnig, verdacht, onzeker; subst.

Equivocalness; Equivocate, ikwivəkeit, dubbelzinnig spreken, het niet

nauw met de waarheid nemen; subst. Equivocation; Equivocator = draaier.

Equus, îkwɐs, paard.

Era, îrə, tijdperk, jaartelling.

Eradicate, iradikeit, met wortel en tak uitroeien, verdelgen; subst.

Eradication; Eradicative, iradikətiv, subst. en adj. radicaal

uitroeiend (middel).

Erase, ireis, uitschrappen, uitwisschen; Erasement = uitkrassing,

uitschrapping; Eraser = radeermesje; radeergomelastiek; Erasure,

ireižə, uitkrassing, geradeerd gedeelte.

Erasmus, irazməs.

Erastian, irastj’n, Erastiaan(sch), genoemd naar Erastus, irastəs, die

de Kerk wilde ondergeschikt maken aan den Staat.

Ere, êə, eer, vroeger dan, vóór: Ere ever = voordat; Erelong = eerlang;

Erenow = vóór dezen; Ere this = vroeger, te voren; Erewhile = vroeger.

Erebus, eribɐs, Erebus, onderwereld.

Erect, irekt, adj. rechtop, loodrecht, vast, flink; Erect verb.

oprichten, stichten, bouwen, monteeren, verheffen, uitzetten, stijf

worden, zich verheffen: To Erect a perpendicular = eene loodlijn

oprichten; Erectile, irektil, wat opgericht kan worden; Erecting-shop =

stelkamer; Erection = oprichting, verheffing, stichting; erectie;

gebouw; Erective = oprichtend; Erectness = opgerichte stand of houding;

oprechtheid; Erector = oprichter, spier, die ter oprichting dient.

Eremite, erəmait, (h)eremiet, kluizenaar; adj. Eremitic(al).

Ergo, ɐ̂gou, dus, derhalve.

Ergot, ɐ̂gət, moederkoren; Ergotism = moederkoren, vergiftiging

hierdoor.

Eric, îrik, erik.

Erica, iraikə, heidekruid.

Erie, îri: Lake Erie; Erin, îrin, Ierland: Son of Erin = Ier.

Erinnys, irinis, irainis, Erinnyen, wraakgodinnen; furiën; Erlking,

ɐ̂lkiŋ, elfenkoning.

Ermin(e), ɐ̂min, hermelijn, hermelijnen mantel; rechterlijke

waardigheid: Ermined = met rechterl. of pairs-waardigheid bekleed.

Ern(e), ɐ̂n, zee-arend.

Ernest, ɐ̂nəst.

Erode, iroud, wegvreten, invreten: Erodent = wegvretend (middel).

Eros, îros.

Erosion, irouž’n, wegvreting, weggevreten plaats; kanker; adj. Erosive,

irousiv.

Erotic, irotik, erotisch; minnedicht.

Erotomania, əroutəmeinjə, Erotomany, erətoməni, minnewaanzin,

erotomanie.

Err, ɐ̂, dwalen, een fout begaan, zondigen.

Errand, er’nd, boodschap: Bent on an errand = op een boodschap uit; To

go (on) an errand, To run errands = boodschap(pen) doen; To be sent on

a fool’s errand = voor gek loopen; Errand-boy = loopjongen.

Errant, er’nt, dolend, dwalend: Knight errant = dolende ridder;

Errantry = zwerftocht, leven van een dolenden ridder.

Errata, əreitə, Meerv. v. Erratum = fout, vergissing; Erratic(al),

əratik(’l), dwalend, doelloos, opvallend, excentriek: Erratic block =

erratisch rotsblok.

Erroneous, ərouniəs, verkeerd, onjuist; subst. Erroneousness.

Error, erə, dwaling, vergissing, fout, onregelmatigheid, zonde,

overtreding: Writ of error = bevel tot revisie van een vonnis wegens

een gebrek in den vorm.

Erse, ɐ̂s, subst. en adj. oud-Schotsch of Iersch.

Erskine, ɐ̂skin.

Erst, ɐ̂st, (superl. van ere), vroeger, eerst: Erstwhile = vroeger.

Erubescence, erubes’ns, roodworden of blozen; adj. Erubescent.

Eructation, irɐkteiš’n, oprisping; uitbarsting, uitwerpsel.

Erudite, erudait, geleerd; Erudition, erudiš’n, geleerdheid.

Erupt, irɐpt, uitbarsten; Eruption, irɐ̂pš’n, uitbarsting, eruptie,

uitval, huiduitslag; Eruptive: Eruption countenance = gezicht vol

uitslag; Eruption matter = uitgeworpen stoffen (van een vulkaan b.v.).

Ervalenta, ɐ̂vəlentə, revalenta.

Erysipelas, erisipəlɐs, roos; adj. Erysipelatous.

Esau, îsô.

Escalade, eskəleid, subst. escalade, beklimming met stormladders;

Escalade verb. met stormladders beklimmen.

Escalop, əskaləp = Scallop.

Escapade, eskəpeid, moedwillige streek, gekke kuur, kwajongensstreek.

Escape, əskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, vlucht, ontwijking,

ontduiking, reddingtoestel; Escape verb. ontsnappen, ontkomen,

vrijkomen; ontvallen, uitstroomen, ontgaan: We had a narrow escape =

ontsnapten ternauwernood; We made our escape = wij maakten ons uit de

voeten; Escape-ladder = brandladder; Escape-pipe = afvoerpijp;

Escape-valve = ventiel; Escape-warrant = bevel tot inhechtenisneming v.

een ontsnapt gevangene; Escapement = échappement, schakelrad.

Escarp, əskâp, subst. binnentalud; Escarp verb. tot eene steile helling

maken; Escarpment = steilte.

Eschalot, ešəlot, sjalot.

Eschar, eskâ, korst; Escharotic, korstvormend (middel).

Escheat, əstšit, subst. aan de kroon of aan den leenheer (door

ontbreken van erfgenamen) vervallen goed; in Amer. aan den staat;

Escheat verb. aan de kroon of den leenheer vervallen; Escheatage = het

recht van dit vervallen; Escheator = vroeger ambtenaar belast met het

toezicht op dergelijke goederen.

Eschew, əstšû, schuwen, vlieden, vermijden.

Escort, esköt, gewapend geleide; Escort, əsköt vergezellen of geleiden.

Escritoire, eskritwö, schrijflessenaar, schrijfmap.

Esculapian, eskjuleipj’n, geneeskundig.

Esculent, eskjulent, subst. en adj. eetbaar (iets), voedsel.

Escurial, əskjûriəl, Eskuriaal.

Escutcheon, əskɐtš’n, wapenschild, familiewapen; dekschild; naambord of

spiegel van een schip.

Eskimo, eskimou, Eskimo, ook adj.

Esop, îsəp; Esopian, isoupj’n, Esopic, isopik, Esopisch, van E.

Esophagus, îsofəgɐs, slokdarm.

Esoteric, esəterik, geheim, alléén voor de ingewijden, esoterisch,

duister.

Espadon, espəd’n, tweehandig Spaansch zwaard.

Espalier, əspaljə, subst. spalier, latwerk, staketsel; leiboom;

Espalier verb. eene reeks van leiboomen maken.

Especial, əspeš’l, onderscheiden, bijzonder, hoofdzakelijk: In especial

= voornamelijk.

Espial, əspai’l, spionneeren; Espier = spion.

Espinel, espinel, spinel (edelst.).

Espionage, espiənidž, spionnage.

Esplanade, espləneid, glacis, terras, vlakke wandel- of rijweg.

Espousal, əspauz’l, tot het huwelijk of de verloving behoorend;

Espousals = huwelijk, bruiloft, verloving; Espouse, əspauz, huwen,

uithuwelijken, aankleven, omhelzen.

Espy, əspai, bespeuren, ontdekken.

Esquimau, eskimou, mv. Esquimaux; Zie Eskimo.

Esquire, əskwaiə, subst. schildknaap, Weledelgeb. Heer (op adressen: G.

Bell, Esq. = Den Weledelgeb. Heer B.); Esquire verb. vergezellen,

dienen.

Essay, esei, poging, proef, verhandeling, vertoog; Essayist = schrijver

van korte verhandelingen.

Essai, əsei, pogen, beproeven.

Essence, es’ns, subst. bestaan, wezen, essence, het wezenlijke,

uittreksel, reukwerk: He is the essence of goodness = toonbeeld van;

Essential, əsens’l, wezenlijk, werkelijk, bepaald noodzakelijk,

gewichtig; subst. hoofdbestanddeel, hoofdzaak, kern: Essential-oils =

etherische oliën; Essentiality = wezenlijkheid.

Essera, esərə, netelroos.

Essoi(g)n, əsôin, subst. (Eertijds) het verontschuldigen (de

verontschuldiging) van iem. wegens niet-verschijning voor eene

rechtbank; Essoin verb. verontschuldigen wegens niet-verschijning ter

terechtzitting; Essoinee, esoinî, de niet verschenen en

verontschuldigde persoon; Essoin-day = de eerste dag van de zitting

waarop de essoins in ontvangst werden genomen.

Establish, əstabliš, vaststellen, inrichten, oprichten, stichten, zich

vestigen, vaststellen: To establish a business = eene zaak oprichten;

To establish communications (with) = in verbinding stellen; He

established himself there = vestigde zich; An established truth =

uitgemaakte waarheid; Establishment = vaststelling, bevestiging,

regeling, bekrachtiging, vestiging, handelshuis, inrichting,

établissement, huishouding, sterkte, staatskerk = The Established

Church.

Estacade, estəkeid, estacades, rivier- of havenversperringen.

Estafet(te), estəfet, renbode.

Estate, əsteit, subst. staat, toestand, rang, stand, bezit, landbezit,

bezitting, landgoed, plantage: The British legislature consists of the

estates of king (queen), lords and commons = drie (stenden) lichamen:

koning, lords en gemeenten; Second Estate = the Lords; Third Estate =

the Commons; Fourth Estate = de pers; He has come to man’s estate =

mannelijken staat; Personal estate = roerend goed; Real estate =

onroerend goed.

Esteem, əstîm, subst. achting, waardeering; Esteem verb. achten,

waardeeren, beschouwen als.

Esther, estə.

Esthetic, əs-thetik. Zie Aesthetic.

Estimable, estiməb’l, achtenswaardig; subst. Estimableness; Estimate,

estimit, subst. schatting, begrooting, meening; Estimate verb.

estimeit, schatten, ramen, begrooten, berekenen: On the extremest

estimate = naar hoogste schatting; The Army estimates were voted

unanimously = de begrooting van oorlog werd met algemeene stemmen

aangenomen; The loss is estimated at £ 5000 = wordt begroot; Estimation

= schatting, begrooting, hoogachting, meening; Estimator = taxateur.

Estival, estiv’l, istaiv’l, zomersch; Estivate, estiveit, îstiveit,

zomerslaap houden; subst. Estivation, estiveiš’n, îstiveiš’n,

zomerslaap.

Estop, əstop, belemmeren, afsluiten, uitsluiten (door een voorafgaande

handeling of verklaring); subst. Estoppel.

Estovers, əstouvəz, gerechtel. toegestane onderhoudsmiddelen,

alimentatie; gebruik van hout van den landheer door den huurder.

Estrade, əstreid, estrade.

Estrange, əstreinž, vervreemden, verwijderen, onthouden; subst.

Estrangement.

Estrapade, estrəpeid, steigeren en schoppen van een paard, om zijn

ruiter af te werpen.

Estray, əstrei, onbeheerd of weggeloopen huisdier (Jur.).

Estreat, əstrît, subst. afschrift, duplicaat; Estreat verb. een

afschrift maken.

Estuarine, estjuər(a)in, tot een estuary behoorend; Estuary, estjuəri,

wijde monding eener rivier, zeeboezem.

Esurient, isiûriənt, hongerig, begeerig.

Et caetera, etsetərə, enzoovoort; Et caeteras = en verdere dingen;

extra uitgaven.

Etch, etš, etsen; Etcher = etser; Etching-needle = etsnaald, etsstift.

Etern(e), itɐ̂n, eeuwig (dichterlijk) = adj. Eternal = eeuwig,

onveranderlijk: The Eternal = de Eeuwige, God; Eternal flower =

immortelle; Eternalize = eeuwig doen voortduren; Eternity = eeuwigheid,

onsterfelijkheid: To all eternity = tot in eeuwigheid; Eternize =

vereeuwigen, onsterfelijk maken.

Etesian, itîž’n, periodiek: Etesian wind = de “mistral” of de “bise”

aan de Middell. Zee.

Ethel, ethəl; Ethelbald, Ethelbôld; Ethelbert, Ethelbɐ̂t; Ethelwulf,

Ethelwulf.

Ether, îthə, ether; Ethereal, ithîriəl, vluchtig, etherisch, hemelsch;

Ethereality, onstoffelijkheid; Etherealize, vergeestelijken; Etherize,

met ether verdooven.

Ethic, ethik (= Ethical), ethisch; zedenleer (= Ethics): The Christian

ethics.

Ethiop, îthiop, Ethiopiër, Ethiopisch; Ethiopia = Ethiopië; Ethiopian,

subst. Ethiopiër; neger, moor; adj. Ethiopisch, zwart; Ethiopic =

Ethiopisch, Ethiopiër.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 40 / 152 段