Elzevir, elzəvɐ̂ elzəviə, een van de Elzevier-uitgaven der klassieken

gedurende de 16e en de 17e eeuw te Amsterdam en Leiden: Elzevir

editions.

’Em, əm, samentrekking van them.

Emaciate, imeišieit, vermageren, wegkwijnen; subst. Emaciation.

Emanant, emən’nt, voortkomende uit; Emanate, eməeit, voortkomen uit;

The emanations of radium = uitstraling.

Emancipate, imansipeit, vrij maken, emancipeeren; subst. Emancipation;

He was an emancipationist = voorstander van de vrijverklaring der

slaven; Emancipator = bevrijder; Emancipist = vrijgelaten gedeporteerde

(Austral.).

Emarginate, imâdžinit, uitgerand, uitgetand.

Emasculate, imaskjuleit, ontzenuwen, castreeren; subst. Emasculation.

Embale, əmbeil, emballeeren.

Embalm, əmbâm, balsemen, doorgeuren, bewaren; subst. Embalmment.

Embank, əmbaŋk, indijken, van eene kade voorzien; Embankment =

indijking, dijk, kade.

Embargo, əmbâgou, subst. beslag (op schepen), verbod, belemmering;

Embargo verb. beslag leggen en tegenhouden.

Embark, əmbâk, (zich) inschepen, zich wagen of begeven in: He embarked

his fortune in trade = stak ... in; Don’t embark in such a trade = laat

u niet in met; Embarked in litigation = in een proces gewikkeld; subst.

Embarkation, embâkeiš’n.

Embarrass, əmbarəs, beletten, in moeielijkheden brengen, verlegen

maken, verwarren; Embarrassment = verwarring, verlegenheid,

moeielijkheid.

Embassador. Zie Ambassador.

Embassy, embəsi, gezantschap, zending, gezantschapshotel.

Embattle, əmbat’l, in slagorde scharen; van kanteel en voorzien:

Embattled fields = slagvelden.

Embed, əmbed, als in een bed leggen, bedelven.

Embellish, əmbeliš, verfraaien, versieren; subst. Embellishment.

Ember, embə: Ember days = Woensdag, Vrijdag en Zaterdag van een

bepaalde week in ieder jaargetijde, waarop vasten en onthouding is

voorgeschreven; quatertemper; Ember-fast; Ember-tide.

Ember, embə, ijsduiker = Emberdiver, Ember-goose.

Embers, embəz, gloeiende asch of sintels.

Embezzle, əmbez’l, verduisteren; subst. Embezzlement; Embezzler =

verduisteraar.

Embitter, əmbitə, verbitteren.

Emblaze, əmbleiz, in brand zetten, verlichten, doen schitteren;

blazoeneeren; Emblazon, əmbleiz’n, blazoeneeren, schitterend versieren,

verheerlijken; Emblazement, Emblazery, heraldieke versiering.

Emblem, embl’m, subst. zinnebeeld, attribuut; Emblemata, əmblemətə,

losse figuurtjes van goud of zilver, waarmede de ouden hunne gouden en

zilveren vaten plachten te versieren; Emblematic(al) = zinnebeeldig;

Emblematize, əmblemətaiz, embləmətaiz, zinnebeeldig voorstellen.

Emblements, embləments, opbrengst van bouwland, oogst.

Embodiment, əmbodiment, belichaming; Embody, əmbodi, belichamen,

vereenigen, omvatten, organiseeren.

Embolden, əmbould’n, aanmoedigen, verstouten.

Embolism, embəlizm, inlassching van eene maand, embolie, verstopping in

een bloedvat; Embolus, embəlɐs, klontertje dat embolie veroorzaakt.

Emboss, əmbos, reliefwerk maken, drijven; Embossed = gedreven.

Embouchure, Fr. uitspraak, monding, mondstuk.

Embowed, əmbaud, gewelfd, gebogen.

Embowel, əmbau’l, de ingewanden uitnemen, ontweien; subst. Embowelment.

Embower, əmbauə, in een lustwarande verblijven of verbergen.

Embrace, əmbreis, subst. omhelzing; Embrace verb. omhelzen, gretig

aangrijpen, aannemen, omvatten, bevatten; trachten om te koopen (van

jury); Embrace(o)r = omkooper; Embracery = poging om eene jury om te

koopen; Embracive = alles omvattend: That is an embracive title.

Embrangle, əmbraŋg’l, verwarren, dooreenhaspelen: To embrangle

messages.

Embrasure, əmbreižə, schietgat of opening; schuinsche verbreeding van

deur- of vensteropening.

Embrocate, embrəkeit, een pijnlijk lichaamsdeel met een smeersel

wrijven; Embrocation = wrijving, smeersel.

Embroider, əmbrôidə, borduren (ook fig. = fantaseeren); Embroidery =

borduurwerk, kunstmatige versiersels (ook fig.): Embroidery frame =

borduurraam.

Embroil, əmbrôil, verwarren, verwikkelen: Embroiled with each other =

met elk. gebrouilleerd; subst. Embroilment.

Embryo, embriou (Embryon, embriən), embryo, kiem: In embryo = in den

eersten en onvolkomen toestand; Embryonal = kiem- -; Embryonic =

embryonaal.

Emend, imend, emendeeren, verbeteren = Emendate, îməndeit, subst.

Emendation; Emendator, emendeitə, îməndeitə = emendator; adj.

Emendatory.

Emerald, emər’ld, smaragd, bep. Eng. drukletter: Emerald green =

smaragdgroen; Emerald Isle = Ierland.

Emerge, imɐ̂dž, oprijzen uit, zich verheffen, te voorschijn komen,

ontstaan; subst. Emergence, ook Emergency = plotselinge verschijning,

onverwachte gebeurtenis, moeilijkheid, dringende noodzakelijkheid: In

case of emergency = geval van nood; In an emergency = desnoods;

Emergency-door = nooddeur; Emergency-loan; Emergency-man = noodhulp,

ook bij geboycotte Iersche landheeren; Emergent = opduikend, ontstaand,

dringend.

Emeritus, imeritɐs, emeritus: Pastor emeritus = emeritus predikant.

Emerods, emərodz, aambeien.

Emersion, imɐ̂š’n, oprijzing; emersie.

Emerson, eməs’n.

Emery, eməri, amaril: Emery-paper = schuurpapier; Emery-wheel =

slijprad.

Emetic, imetik, subst. en adj. braakwekkend (middel): Tartar emetic =

braakwijnsteen.

Emeu, îmju. Zie Emu.

Emigrant, emigr’nt, subst. landverhuizer; ook adj.; Emigrant-ship;

Emigrate, emigreit, uit het land verhuizen; subst. Emigration.

Emilia, imîljə; Emily, emili.

Eminence, eminens, verhevenheid, hoogte, hooge rang, beroemdheid,

onderscheiding, eminentie; Eminent = verheven, uitstekend; Eminently =

in hooge mate.

Emir, imîə, îmə, emir.

Emissary, emisəri, subst. (geheime) gezant, bespieder.

Emission, imiš’n, uitstraling, uitstrooming, emissie, uitgifte, het

bedrag in omloop gebracht; Emissive = uitstralend, uitzendend =

Emissory.

Emit, imit, uitzenden, uitstralen, (laten) uitstroomen, uiten,

uitwerpen, uitgeven, in omloop brengen.

Emma, emə; Emmanuel, əmanjuəl.

Emmet, emət, mier.

Emollient, imolj’nt, subst. en adj. weekmakend, verzachtend (middel).

Emolument, imoljument, emolument, nut, voordeel, salaris.

Emotion, imouš’n, aandoening, ontroering, gisting; Emotional =

ontroerend, gemoeds...

Empale, əmpeil, omheinen, met palen omgeven; spietsen.

Empan(n)el, əmpan’l, subst. lijst van de gezworenen; Empale verb. zulk

een lijst maken, hen oproepen.

Emperil, əmperil = Imperil.

Emperor, empərə, keizer: Purple Emperor = pauwenoog (kapel); Emperor

paper = grootst formaat teekenpapier, 165 cM. bij 118 cM.

Emphasis, emfəsis, nadruk, klem: I wish to emphasize this fact = den

nadruk te leggen op; Emphatic = nadrukkelijk: Emphasis form = de vorm

van een bevestigend werkwoord met to do.

Empire, empaiə, keizerrijk, rijk, heerschappij, macht: The Empire City

= (bijnaam van) New-York; Empire Day = 24 Mei (geboortedag van Koningin

Victoria); Empire gown.

Empiric, əmpirik, empirisch (= Empirical); subst. empiricus,

kwakzalver; Empiricism, əmpirisizm = empirie; kwakzalverij.

Employ, əmplôi, subst. bezigheid, beroep, dienst; Employ verb.

gebruiken, besteden, aanwenden, bezig zijn met: He has many men in his

employ = aan ’t werk; To be employed = in dienst zijn; He employed

himself actively whilst there = werkte hard; Employable = bruikbaar;

Employee = emplôi-î, employé; Employer = werkgever, principaal;

Employment = bezigheid, beroep, plaatsing, belegging: Thrown out of

employment = werkloos.

Emporium, əmpôriəm, handelscentrum, stapelplaats, entrepot, bazaar,

magazijn.

Empower, əmpauə, machtigen, in staat stellen.

Empress, emprəs, keizerin.

Emptiness, em(p)tinəs, ledigheid, holheid, waardeloosheid.

Empty, em(p)ti, adj. ledig, leeg, hongerig, leegstaand, vergeefsch,

ijdel, nutteloos, woest en ledig; Empty verb. ledigen, uit- of

weggieten, leeg worden, zich ontlasten: The room was empty of

everything but a lamp = er was niets in de kamer dan; The empties =

alle ledige dingen (zooals bussen, flesschen, zakken, kisten, enz.); He

got (they gave him) the empties = den bons; Empty-handed = met leege

handen; Empty-headed = onwetend; Empty-hearted = harteloos; Emptyings =

droesem van bier, cider, etc.; gist (Amer.).

Empurple, əmpɐ̂p’l, purperrood kleuren.

Empyreal, əmpiriəl, empirîəl, den hemel betreffend; hemelsch, vurig =

Empyrean, empirîən, əmpiriən, subst. hoogste hemel, firmament.

Ems, emz.

Emu, îmjû, casuaris (Australië); Emu-wren = klein Australisch vogeltje.

Emulate, emjuleit, wedijveren met, nastreven: He emulated popularity;

Emulation = wedijver, naijver, concurrentie; Emulator = wedijveraar.

Emulgent, imɐldž’nt, subst. en adj. afvoerend (middel).

Emulous, emjulɐs, wedijverend, naijverig.

Emulsion, imɐlš’n, emulsie; amandelmelk; Emulsive = geschikt voor

emulsie, verzachtend.

Emunctory, imɐŋktəri, afscheidend.

Enable, əneib’l, in staat stellen, machtigen.

Enact, ənakt, vaststellen, bepalen, tot wet verheffen; voorstellen,

spelen, volvoeren: To enact a part = eene rol spelen; Enactment =

wetsbekrachtiging, wet, verordening; Enactor = wetgever; Enacture =

volbrenging.

Enamel, ənam’l subst. email, glazuur; Enamel verb. emailleeren,

glazuren, opsmukken; Enamellar, adj. op email gelijkend, glad, glanzig;

Enameller = emailleerder, brandschilder.

Enamour, ənamə, verliefd maken, bekoren: To be enamoured of = verliefd

op.

Encamp, ənkamp, (laten) kampeeren; subst. Encampment.

Encase, ənkeis, in een koker sluiten, omsluiten: Encased in black silk

= gestoken, gedost.

Encash, ənkaš, in baar geld uitbetalen (ontvangen), incasseeren.

Enceinte, Fr. uitspr., subst. wal, ringmuur; adj. zwanger.

Enchafe, əntšeif, sarren, boos maken.

Enchain, əntšein, ketenen, boeien; Enchainment = aaneenschakeling.

Enchant, əntšânt, bekoren, verrukken, betooveren: Enchanted ring =

tooverkring; Enchanter = toovenaar, betooveraar; Enchantment =

betoovering; Enchantress = heks, betooverende vrouw.

Enchase, əntšeis, zetten (b.v. van juweelen in goud), ciseleeren;

drijven, sieren; Enchaser = graveur, ciseleur.

Encircle, ənsɐ̂k’l, omringen, omgeven, omarmen, omsluiten.

Enclasp, ənklâsp, omvatten, omsluiten.

Enclitic, ənklitik (= Enclitical), enklitisch, onafscheidelijk

verbonden.

Enclose, ənklouz, omgeven, omringen, omheinen, insluiten: The enclosed

= bijgaande (ingesloten) stukken; Enclosure = omheining, afsluiting,

insluiting.

Encomiast, ənkoumiast, lofredenaar; Encomiastic = lovend; Encomium,

ənkoumj’m, lof, loftuiting.

Encompass, ənkɐmpəs, omringen, omgeven; subst. Encompassment.

Encore, âŋkö, verb. bisseeren: To give an encore = biscouplet geven;

Encore! = bis!

Encounter, ənkauntə, subst. ontmoeting, treffen, gevecht; Encounter

verb. (onverwacht) ontmoeten, stooten op, beloopen worden door, het

hoofd bieden.

Encourage, ənkɐridž, aanmoedigen, steunen; subst. Encouragement;

Encourager = begunstiger.

Encroach, ənkroutš, inbreuk maken op (on), benadeelen, indringen,

inbreuk maken, misbruiken: He encroached on my kindness = maakte

misbruik van; Encroachment = inbreuk, benadeeling, aanmatiging.

Encrust, ənkrɐst, incrusteeren, (zich) omkorsten.

Encumber, ənkɐmbə, belemmeren, versperren, nauwer maken, met schulden

belasten; Encumbrance = hindernis, last, hypotheek: Married people, no

encumbrance = zonder kinderen tot hun last; Encumbrancer =

hypotheekhouder.

Encyclic(al), əns(a)iklik(’l), subst. rondgaand schrijven, encycliek;

adj. rondgaand.

Encyclop(a)edia, ənsaikləpîdjə, encyclopedie; Encyclop(a)edian =

Encyclopedic(al), ənsaikləpîdik(’l), ənsaikləpedik(’l), encyclopedisch;

Encyclopedist, ənsaikləpîdist, encyclopedist (1750–1770 in Frankrijk).

End, end, subst. einde, eindje, stukje, besluit, uitslag, dood, grens,

oogmerk, doel, resultaat, nut; End verb. eindigen, ophouden, een einde

maken aan, besluiten, voleindigen: The end justifies the means = het

doel heiligt de middelen; The end is not yet = het einde is niet te

voorzien; There’s an end of the matter = daar is de zaak mee uit; At an

end = ten einde, uit; At the end = ten slotte; At one’s wit’s (wits’)

end = ten einde raad; In the end = bij slot van rekening; No end =

vreeselijk, erg, enorm: No end of a fool (fun, a row, time) = een

groote dwaas (veel, hoogloopend, zeer veel); For a fortnight on end =

veertien dagen aan één stuk; This train runs 80 miles on end = zonder

stoppen; His hair stood on end = was te berge gerezen; To no end =

vergeefs; To this end = met dit doel; World without end = van

eeuwigheid tot amen; To come (draw) to an end = afloopen; He cannot

make both ends meet = hij kan niet rondkomen (vergel. Joindre les deux

bouts); He put an end to it (to himself) = maakte er een einde aan (aan

zijn leven); He roamed to the ends of the earth = zwierf tot de

uiterste grenzen der aarde; All’s well that ends well = eind goed, al

goed; End-all = slot, einde voorgoed; Ending = einde, uitgang; Endless

= eindeloos; subst. Endlessness; Endlong = rechtuit; Endmost = laatst,

uiterst; Endways, Endwise = overeind, rechtop, in de lengte.

Endanger, əndeinžə, in gevaar brengen, aan schade blootstellen.

Endear, əndîə, bemind of dierbaar maken; Endearing, dier, lief:

Endearing terms = lieve namen of woorden; Endearment = toegenegenheid,

teederheid, bekoring.

Endeavour, əndevə, subst. poging, inspanning; Endeavour verb. pogen,

trachten.

Endecagon, əndekəgon, elfhoek.

Endemic, əndemik (= Endemical), subst. endemie, locale ziekte; adj.

inheemsch, endemisch.

Endirons, endaiənz, standaards waarin het spit draait, of die dienen om

de houtblokken te steunen.

Endive, endiv, andijvie.

Endocardium, endəkâdj’m, binnenste hartvlies; Endocarditis =

hartvliesontsteking.

Endogamy, əndogəmi, huwelijk onder de leden van denzelfden stam; adj.

Endogamous: Endogamous marriage.

Endogastritis, endəgastraitis, maagvliesontsteking.

Endorse, əndös, endosseeren, in omloop brengen, bevestigen,

onderschrijven: These typewriters are endorsed as the best = verklaard

de beste te zijn; Endorsee = iemand aan wien een wissel, etc.

geëndosseerd is; Endorsement = endossement, giro, bevestiging; Endorser

= endossant.

Endow, əndau, begiftigen, doteeren; Endower = schenker; Endowment =

huwelijksgift, schenking, dotatie; talent, gave.

Endue, əndjû, aantrekken, bekleeden met.

Endurable, əndjûrəb’l, verdraaglijk; Endurance, əndjûr’ns, duur,

voortduring; lijden, lijdzaamheid, geduld, uithoudingsvermogen; Endure,

əndjûə, duren; verdragen, dulden, uithouden: He was very enduring = kon

het lang uithouden.

Endymion, əndimiən; Eneid, îniid, de Eneïde.

Enemy, enəmi, vijand, tegenstander: The Enemy = de Duivel; de tijd; How

goes the enemy? = hoe laat is het; The hands of the enemy = wijzers v.

d. klok.

Energetic (= Energetical), enədžetik, krachtig; Energetics, enədžetiks,

de leer van het arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig,

werkzaam; Energize, krachtig werken (handelen), energie verleenen;

Energy, enədži, energie, nadruk, beweging: Conservation of energy = de

leer van het behoud van het arbeidsvermogen.

Enervate, ənɐ̂veit, enəveit, verzwakken, ontzenuwen; subst. Enervation.

Enfeeble, ənfîb’l, verzwakken; subst. Enfeeblement.

Enfeoff, ənfef, met een leen of eene schenking begiftigen, overdragen;

Enfeoffment = begiftiging, leenbrief.

Enfilade, enfileid, subst. bestrijking overlangs; Enfilade verb.

overlangs bestrijken: Enfilading fire = overlangsch vuur; This window

enfilades the park = geeft uitzicht op het park in zijn geheele lengte.

Enfist, ənfist: The book enfists the reader = pakt, bindt.

Enforce, ənfös, doorzetten, dwingen, opleggen, opdwingen, doen

eerbiedigen: The law was enforced = werd streng toegepast; Enforced

absence = gedwongen; subst. Enforcement.

Enfranchise, ənfranš(a)iz, vrijmaken, vrij laten, het burgerrecht

verleenen, het kiesrecht geven; subst. Enfranchisement: Enfranchisement

of copyhold lands = het veranderen van deze in freeholds.

Engage, əngeidž, verbinden, engageeren, bespreken, in dienst nemen, in

dienst treden (Engage oneself), bewegen tot, verplichten, zich bezig

houden met, aan den gang brengen, wikkelen (in een strijd), slaags

raken, zich begeven in, op zich nemen, zich verbinden: I am engaged =

ben bezet, niet te spreken, heb al eene uitnoodiging; They engaged in

general conversation = het gesprek werd algemeen; Engagement =

afspraak, verplichting, verloving, aanstelling, bezigheid; gevecht: A

general and close engagement = algemeen gevecht van man tegen man; I am

under an engagement to him = ik ben jegens hem gebonden; To break,

enter into, stand by an engagement = eene verbintenis verbreken,

aangaan, houden; Meet your engagements = betaal uwe schulden;

Engaged-wheels = in elkander grijpende raderen; het drijvende rad heet

engaging, het gedrevene engaged wheel; Engaging = innemend, boeiend.

Engender, əndžendə, voortbrengen, telen, veroorzaken.

Engine, endžin, machine, locomotief (= Fire-engine, Locomotive-Engine);

Engine verb. van machines voorzien: Light engine = losse machine;

Engine-driver = machinist; Engine-hose = brandspuitslang(en);

Engine-house = machineloods, brandspuithuisje; Engine-man = machinist,

spuitgast; Engine-wright = locomotiefconstructeur.

Engineer, endžinîə, subst. ingenieur, machinist v. een trein (Amer.),

officier of soldaat van de genie, technicus, machinist (op een schip);

Engineer verb. aanleggen, op touw zetten, klaarspelen: Civil engineer;

Electric engineer; Practical engineer = werktuigkundige; Then the

Dreyfus case was engineered = op touw gezet; With a little tact it

could be engineered = met een beetje tact kon het wel klaargespeeld

worden; Civil and Military engineering = burgerlijke en militaire

bouwkunde of genie; Engineering-drawing = machineteekenen.

Engird, əngɐ̂d, omgorden = Engirdle.

England, iŋlənd; Englander = Brit, Engelschman: A Little Englander =

tegenstander van de uitbreiding van het rijk.

English, iŋgliš, Engelsch, ook subst.; English verb. verengelschen, in

het E. overbrengen; She (He) is English = zij (hij) is een(e)

Engelsche(-man); The King’s (Queen’s) English = zuiver Engelsch;

Englishman = Engelschman; Englishwoman = eene Engelsche; Englishry =

bewoners (in een ander land) van Engelschen stam.

Engorge, əngödž, gulzig verslinden; Engorged = volbloedig; Engorgement

= vraatzucht; congestie.

Engraft, əngrâft, enten, indrukken, inplanten; subst. Engraftment.

Engrail, əngreil, kartelen, versieren; Engrailment = gekartelde of uit

een kring van puntjes bestaande rand op een geldstuk.

Engrain, əngrein, in de wol verven, drenken in, inwortelen: Engrained

with filth = door en door vuil.

Engrave, engreiv, graveeren, inprenten, indrukken; Engraver (on copper,

on steel, on stone, on wood); Engraving = gravure, houtsnee.

Engross, əngrous, geheel innemen of bezitten, geheel in beslag nemen,

aan zich trekken, in ’t groot opkoopen; in ’t net schrijven; Engrosser

= copiïst; subst. Engrossment.

Engulf, əngɐlf, verzwelgen, verzwolgen worden, zich uitstorten,

verdwijnen (onder de aarde).

Enhance, ənhâns, verhoogen, verheffen, vermeerderen, verzwaren; subst.

Enhancement.

Enid, înid.

Enigma, inigmə, raadsel; Enigmatic(al), ook enigmatik(’l),

raadselachtig, duister; Enigmatize = in raadselen spreken.

Enisle, ənail, tot eiland maken, isoleeren.

Enjoin, əndžôin, opleggen, bevelen, verbieden, vermanen (met on).

Enjoy, əndžôi, genieten, zich verheugen over, zich laten smaken,

bezitten; zich vermaken (= Enjoy oneself): Did you enjoy your holiday =

hebt ge plezier gehad in de vacantie? Enjoyable = genietbaar, genotvol;

Enjoyer = bezitter, genieter; Enjoyment = genot, vreugde.

Enkindle, ənkind’l, aansteken, doen ontvlammen, opwekken.

Enlace, ənleis, omstrengelen, omgeven.

Enlard, ənlâd, lardeeren.

Enlarge, ənlâdž, grooter maken, verwijden, uitzetten, uitweiden over,

in vrijheid stellen, grooter worden: Such an education enlarges the

heart = maakt het hart ontvankelijker; subst. Enlargement.

Enlighten, ənlait’n, verlichten, beschaven, duidelijk maken, inlichten;

subst. Enlightenment.

Enlink, ənliŋk, aaneenschakelen.

Enlist, ənlist, inschrijven, registreeren, in dienst nemen, winnen

voor, werven, dienstnemen (into): I got him enlisted into my company; I

enlist my pity in your behalf = ik heb medelijden met u; subst.

Enlistment: Voluntary enlistment.

Enliven, ənlaiv’n, verlevendigen, opwekken, opvroolijken; Enlivener =

opwekkend middel.

Enmesh, ənmeš, in een net vangen, omstrikken.

Enmity, enmiti, vijandschap, vijandige gezindheid.

Ennea..., eniə (in samenstellingen), negen: Enneagon, eniəgon,

negenhoek; adj. Enneatic(al): Enneatic(al) days = iedere negende dag

van eene ziekte; Enneatic(al) years = ieder negende jaar van een

menschenleven.

Enniskillen, eniskilən.

Ennoble, ənoub’l, adelen, veredelen, verheffen; subst. Ennoblement.

Enoch, înok.

Enormity, inömiti, kolossaalheid, buitengewoonheid, gruwelijke misdaad,

wreedheid, afschuwelijkheid; adj. Enormous; subst. Enormousness.

Enough, inɐf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold, enough = schei

uit, ’t is genoeg; That is an easy pillow enough = zeer gemakkelijk;

That’s right enough = volkomen juist; Sure enough = voorzeker,

inderdaad; It is true enough = maar al te waar; Well enough = vrij

goed, voldoende; Enough and to spare = meer dan genoeg; Enough is as

good as a feast = de tevredenheid gaat boven alle schatten.

Enow, inau = Enough.

Enquire, əŋkwaiə = Inquire.

Enrage, ənreidž, woedend maken, vertoornen.

Enrapt, ənrapt, verrukt; subst. Enrapture, ənraptšə.

Enravish, ənraviš, verrukken; subst. Enravishment.

Enrich, ənritš, verrijken, tooien, vruchtbaar maken; subst. Enrichment.

Enrobe, ənroub, (be)kleeden, tooien.

Enrockment, ənrokm’nt, steenstorting, hordenwerk voor havenhoofden,

wallen, dammen, enz.

Enrol(l), ənroul, inschrijven, registreeren, opnemen, aanmonsteren:

They enrolled themselves members of the university = lieten zich

inschrijven als; They were prepared to enrol themselves = bereid dienst

te nemen; Enrolment = inschrijving, register, oorkonde.

Enroot, ənrût, doen wortel schieten.

Enschedule, ənšedjûl, opteekenen, inschrijven.

Ensconce, ənskons, zich verbergen, zich neerzetten: They ensconced

themselves on one of the sofas = zij doken in; Ensconced in an angle =

verscholen, verdekt opgesteld.

Enshrine, ənšrain, wegsluiten (als iets heiligs), koesteren (met

heilige liefde).

Enshroud, ənšraud, omhullen, bedekken.

Ensiferous, ensifərɐs, zwaarddragend; Ensiform, ensiföm, zwaardvormig.

Ensign, ensain, vlag, standaard, signaal, vaandrig,

(onderscheidings)teeken, insigne, verhuurbordje, uithangbord;

Ensign-bearer = vaandeldrager; Ensigncy, Ensignship = vaandrigrang.

Ensilage, ensilidž, subst. ingekuild voeder, inkuiling van groen

veevoeder en vruchten; Ensilage verb. inkuilen = Ensile.

Enslave, ənsleiv, tot slaaf maken, onderwerpen; subst. Enslavement.

Ensnare, ənsnêə, in eene val lokken, verstrikken, verlokken.

Ensphere, ənsfîə, omringen, een bolvorm geven aan.

Ensue, ənsiû, volgen, voortkomen; Ensuing: Ensuing ages = het

nageslacht.

Ensure, ənšûə. Zie Insure.

Entablature, əntablətjuə, Entablement, ənteib’lm’nt, entablement,

architraaf, fries en kroonlijst samen.

Entail, ənteil, subst. = Entailed estate, grondbezit, dat van vader op

zoon moet overgaan; de regeling van de overdracht van goederen; Entail

verb. vermaken (zóó, dat het vermaakte onvervreemdbaar is), na zich

sleepen, meebrengen, leiden tot: My property has got no entail on it =

ik kan vrij beschikken over; To cut off the entail = The Estate in Tail

veranderen in een Estate in Fee Simple, waarover de erflater vrij

beschikken mag; subst. Entailment.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 39 / 152 段