dough-faced fellow = jabroer, polit. weerhaan (Amer.); Dough-kneaded =
zoo zacht als deeg (Amer.); Doughnut = soort pannekoek; Doughy = week,
bleek.
Doughtiness, dautinəs, manhaftigheid, flinkheid; adj. Doughty = flink.
Douglas, dɐgləs.
Dour, dûə, hard, streng, onbuigzaam (Schotl.).
Douse, daus, adj. ernstig, eerbaar; Douse verb. plotseling
onderdompelen of in ’t water vallen; ineens vieren of neerlaten;
uitdooven; ranselen.
Dove, dɐv, duif, duifje (fig.); Dove-cot(e), Dove-house = duivenhok,
duiventil; Dove’s-foot = fijnblad ooievaarsbek; Dovetail, subst.
zwaluwstaart; Dovetail verb. vast verbinden, samenvoegen met
zwaluwstaarten: His own work and the quoted passages dovetail into one
another = sluiten in elkander.
Dover, douvə: The Straits of Dover = het Nauw van Calais; Dover Court =
een luidruchtige bijeenkomst.
Dowager, dauidžə, douairière: Queen dowager = koningin-weduwe (moeder).
Dowden, daud’n.
Dowdy, daudi, subst. ouderwetsch of slordig gekleede vrouw, slons; adj.
ouderwetsch, slonzig = Dowdyish.
Dowel, dau’l, subst. houten pen of nagel; Dowel verb. met pennen
verbinden.
Dower, dauə, subst. weduwengoed; Dower verb. een uitzet geven;
Dowerless = zonder bruidschat, arm.
Dowlas, dauləs, grof linnen goed.
Dowl(e), daul, pluim, veder.
Down, daun, subst. dons, nestveeren; zaadpluimpje; zacht haar; duin,
schapenweide: The Downs = een groote reede aan de kust v. Kent; Downy =
donzig, piekfijn.
Down, daun, beneden, naar beneden, onder; af, van de hoofdstad of van
een hoofdstation weg; terneergeslagen, koest (tegen honden), etc.; Down
verb. neerdrukken, ontmoedigen, neerdalen: Down the country = weg van
de hoofdstad; Down the sound = in de richting van de ebbe zeewaarts;
Down the stream = stroomafwaarts; Down town = naar het centrum
(handelswijk) der stad; To be down at heel = afgetrapt; To be down for
a club = vóórhangen; To be down in the mouth = neerslachtig = Down on
one’s luck = in moeielijkheden; Down the wind = met den wind mee; I
like her down to the ground = dolgraag; That part suits you down to the
ground = is geknipt voor je; From the mayor down to the meanest citizen
= tot den geringsten burger toe; To be down on = uitvaren tegen; I’ll
be down upon you = ’k zal je wel krijgen; To be down with the influenza
= aangetast door, te bed liggen met; Down with him = weg met hem; To
feel down = somber, neerslachtig; To go down into the country = naar
buiten gaan; That will not go down with me = dat wil er bij mij niet
in; He has gone down = is met vacantie naar huis gegaan (v. studenten);
The wind is down = is gaan liggen; To look down upon = neerzien op; To
pay down = kontant; To turn upside down = onderste boven keeren; In
writing for children, be careful not to write down too much = niet te
kinderachtig te schrijven; He is not to be downed by censure = laat
zich niet ontmoedigen; To downbear = drukken, verdrukken; A downcast
look = sombere blik; Downcome = plotselinge val, omverwerping; He is a
down-Easter = iemand, in de Oostel. staten wonend (soms New-Eng. of
Maine); Downfall = instorting, val (van water), plotselinge val,
ondergang; Downhaul = touw om een zeil neer te halen; Downhearted =
neerslachtig; Downhill = bergafwaarts: Downhill work = gemakkelijk
werk; Down-line = spoorlijn (van de hoofdplaats of het middelpunt af);
Down-passenger = passagier met een Down-train; Downpour = plasregen;
Downright = rechtstreeks, rondweg, echt, volslagen, plotseling,
dadelijk, loodrecht, openhartig, grondig: A Downright fool = gek in
folio, echte dwaas; subst. Downrightness; Downstairs = (naar) beneden,
het dienstpersoneel betreffend; She was down-thump on him = pakte hem
(te) hard aan; Down-stroke = neerhaal, neergaande beweging; Down-train
= trein (van de hoofdplaats of het middelpunt af); Down-trod(den) =
platgetreden, overheerscht; Down-weed = roerkruid, viltkruid; Downy =
sluw.
Dowry, dauri, huwelijksgift, uitzet; hoop.
Dowse, daus. Zie Douse.
Doxological, doksəlodžik’l, lofzingend; Doxology, doksolədži, lofzang.
Doxy, doksi, liefje; snol.
Doze, douz, subst. dutje, sluimering; Doze verb. sluimeren, dutten,
suffen.
Dozen, dɐz’n, dozijn: A baker’s dozen = dertien.
Doziness, douzinəs, slaperigheid; droomerij; adj. Dozy.
Drab, drab, subst. slons; zoutbak; muisvale stof, geelgrauwe kleur
(Drabs = broek van die stof); adj. muisvaal, geelgrauw; saai,
kleurloos, conventioneel; vuil, goor; zwak: The republic is too drab to
last = te zwak; Drabbish = vuil, geelgrauw; Drabby = vuil, slonzig.
Drabble, drab’l, bemodderen, vuil maken; naar barbeelen visschen met
een grondangel.
Dracaena, drəsînə, drakenbloedboom.
Drachm, dram, Drachma, drakmə, drachma; oud-Grieksche munt;
nieuw-Grieksche munt van ± 50 cts.; oud-Grieksch gewicht.
Draco, dreikou, drakenkop, sterrenbeeld; lichtende uitwaseming van den
bodem; vliegende draak = Draco volans, soort van hagedis (Indië en
Afrika); Draconian, drəkounj’n, Draconic(al), drəkonik(’l), Draconisch.
Dracunculus, drəkɐŋk(j)ulɐs, slangenwortel; pitvisch of
schelvischduivel.
Draff, drâf, spoeling, draf: Chaff and draff = volkomen waardeloos
iets.
Draft, drâft, subst. wissel, traite, stille uitslag, goed gewicht,
rafactie; detachement, afdeeling; schets, concept, waterdiepte noodig
voor een schip; Draft verb. concipieeren, schetsen, uitzoeken,
detacheeren: Finnish battalions will be drafted into the Russian
regiments; He was drafted off with others to work in the mines = hij
werd aangewezen; Draft bill = concept. Zie ook Draught.
Drag, drag, subst. dreg, zware eg, rem, remschoen, slede (Amer.),
sleepende beweging, laag voertuig of kar, lange hooge wagen doorgaans
met vier paarden; Drag verb. sleepen, trekken, eggen, dreggen,
uitbaggeren, met een sleepnet visschen, langzaam vooruitkomen, niet
vlotten: The affair Dragged = vlotte niet; Drag-bar = koppelstang;
Drag-chain = remketting; Drag-hunt, Zie Anise; Dragman = visscher, die
een sleepnet (Drag-net) gebruikt; Drag-rope = trektouw.
Draggle, drag’l, door het slijk of den modder sleepen, bevuilen: A
draggle-tail, a draggle-tailed woman = eene slons, slordige vrouw;
Draggled skirts = vuile rokken.
Dragoman, dragəm’n, Turksche (of Oostersche) tolk (gids).
Dragon, drag’n, draak; pistool (van de dragoons in de 17de eeuw);
sterrenbeeld, lichtende uitwaseming; dragon, slangenkruid,
keizersalade; Dragon’s-blood = drakenbloed (roode kleurstof);
Dragon-fish = pitvisch; Dragon-fly = paardebijter, waterjuffer;
Dragon’s-head = drakenkop (plant); klimmende knoop (Astron.);
Dragon-tree = drakenbloedboom; Dragonet = kleine draak.
Dragonnade, dragəneid, dragonade (onder Lodewijk XIV en XV); Dragonnade
verb. onderdrukken met behulp van troepen; Dragoon, drəgûn, subst.
dragonder; Dragoon verb. door dragonades onderwerpen, plagen, négeren,
vervolgen: The military vice of dragooning is unsuited to civic life =
van “donderen”.
Drain, drein, subst. verlaat, sluis, greppel, riool, slokje; Drain
verb. draineeren of droogleggen, rioleeren, laten leegloopen,
onttrekken, uitputten, uitdrinken, filtreeren, wegvloeien: That is a
heavy drain on my purse = dat kost veel geld; Drains = korrels uit de
brouwerskuip; Drainable = wat gedraineerd kan worden; Drainage,
dreinidž, drooglegging, waterafvoer, het drooggelegde land;
Drain(age)-pipe = draineerbuis; Drainer = vergiet, schep;
Draining-engine = pompmachine (voor waterafvoer); Drain(ing)-tiles =
draineerpannen; Draining-well = zinkput; afvoerput.
Drake, dreik, woerd: Drake-stone = steentje, om over het water te
keilen.
Dram, dram, subst. drachme (60 greinen of ⅛ van een ounce), kleine
hoeveelheid, slokje, borreltje; Dram verb. zich aan het gebruik van
sterken drank overgeven, trakteeren: Not a dram = geen zier;
Dram-drinker = borrelaar; Dramshop = kroeg.
Drama, drâmə, drama; Dramatic, drəmatik, dramatisch: The dramatic speed
of a railway-train = de werkelijke snelheid van een trein; Thrown
Dramatically together = bont doorééngeworpen; Dramatis Personae,
dramətis pɐ̂sounî = handelende personen; Dramatist = tooneelschrijver;
The dramatization of a novel = het omwerken tot een tooneelstuk (The
novel was dramatized); Dramaturgist = dramaturg; Dramaturgy =
tooneelschrijfkunst.
Drape, dreip, drapeeren, bekleeden, hullen in; Draper = lakenhandelaar:
The Drapers’ Company = een der twaalf groote Londensche gilden; Drapery
= lakenfabricage, lakenhandel; lakensche goederen; drapeering,
draperie; Drape verb. drapeeren.
Drastic, drastik, subst. en adj. krachtig werkend(middel).
Drat, drat: Drat the boys = die “duivelsche” jongens.
Draught, drâft, subst. trek, span, trektouw, slok, vangst, teug,
drankje; tocht, zuiging, trek, luchtstroom; schets, eerste ontwerp,
klad; het spannen van een boog; detachement, diepgang; wissel; Draughts
= damspel; Draught verb. ontwerpen, concipieeren: At a draught = in één
teug; A boat with a light draught = met geringen diepgang; Ale on
draught = bier van het vat; Draught and bottled ale = bier van ’t vat
en op flesschen; Draught-animals = trekdieren; Draught-board = dambord;
Draught-dog = trekhond; Draught-hole = trekgat (voor smeltovens, etc.);
Draught-ox = trekos; Draught-screen = tochtscherm; Draughtsman =
teekenaar; Draughty = tochtig.
Draw, drô, subst. trek, haal, vangst, successtuk, getrokken lot,
beweegbaar deel van eene brug, voelhoren, onbeslist spel; Draw verb.
trekken, uithalen, sleepen; optrekken, terugtrekken, maken, aantrekken,
wekken, ontlokken, inzuigen, slaken, aftappen, vergieten, langzaam
bewegen, rekken, uittrekken, uitstrekken; teekenen, schetsen, malen;
leiden (door zedelijken invloed), overhalen; diepgang hebben: The draw
of the concerts was immense = trokken ontzaglijk veel menschen; She was
a sure draw = trok veel menschen; The game ended in a draw = bleef
onbeslist; To draw a bead upon = mikken op; To draw blood = een
bloedende schram of wonde veroorzaken; To draw bridle = stilhouden; To
draw a covert = het wild opsporen en uit zijn schuilplaats jagen; To
draw a curtain = dicht trekken; To draw a fox = doen ‘uitvaren’; To
draw a letter = opstellen; To draw the long bow = met spek schieten; To
draw a man = door list (vleierij) aan ’t praten krijgen; Draw it mild =
maak ’t niet te erg; To draw money = trekken, opnemen; To draw a
parallel; He draws a straight furrow = hij is een eerlijke kerel
(Amer.); What water do you draw = hoe diep ligt gij? The ship draws
twenty feet (of water) = heeft een diepgang van; To draw along =
voorttrekken; To draw back = zich terugtrekken, achteruit wijken; To
draw forth = uittrekken, ontlokken; To draw in = intrekken, aantrekken,
inkrimpen, invallen, iemand bewegen of verlokken tot iets: The evenings
are drawing in = de dagen worden langer; The time draws near = nadert;
His negligence drew on much danger = veroorzaakte; Your confidence will
be able to draw him out = zal hem voor zijne gevoelens doen uitkomen; I
led off on that subject to draw out my guest = om mijn gast aan ’t
praten te krijgen; They don’t draw well together = harmoniëeren niet;
They were drawing together = er ontstond toenadering; A report was
drawn up = opgesteld; To draw up a scheme = een plan maken; The
coachman drew up instantly = hield dadelijk stil; He drew upon me as
often as he had a chance = hij trok een wissel op mij, maakte gebruik
van mij (mijn geld, mijn tijd, mijne krachten, enz.); The train drew up
at the station = hield stil voor; The soldier drew himself up = nam de
militaire houding aan, zette zich in postuur; The troops were drawn up
in array of battle = opgesteld in slagorde; She draws kindly with him =
harmoniëert goed; Drawback, drôbak, schaduwzijde, nadeel, bezwaar;
teruggave van betaalde rechten, uitvoerpremie: Being young is a
drawback which disappears in time = een gebrek; The drawback is, that -
- = er is tegen, dat...; Draw-bar, drôbâ, koppelstang; Draw-bridge,
drôbridž, ophaalbrug; Draw-gear, drôgîə, tuig; koppeling; koppelstang;
Draw-net, drônet, vogelnet; Draw-plate, drôpleit, stalen plaat met
conische gaatjes, waardoor metaaldraad wordt getrokken om het te
verdunnen of te rekken; Draw-well, drô-wel, put met ketting; Drawee,
drô-î, hij op wien een wissel getrokken wordt; Drawer = trekker,
putter, tapper, trekdier, lade: A pair of drawers = onderbroek;
Bathing-drawers = zwembroek; Chest of drawers = latafel; Drawing,
drôiŋ, trekking, trekken, teekenen, teekening, ontvangst: Out of
drawing = slecht geteekend; Drawing-board = teekenplank; Drawing-book;
Drawing-chalk; Drawing-knife = polijststaal; snijmes; Drawing-master =
teekenleeraar; Drawing-paper; Drawing-pen = trekpen; Drawing-pin =
punaise, stiftje; Drawing-room = salon, ontvangzaal: The Queen’s
drawing-room = de receptie voor dames en heeren in Buckingham-Palace; I
feel drawn to that conclusion = voel mij getrokken tot: A drawn battle
(game) = onbeslist; Drawn butter = gewelde; A drawn fowl =
schoongemaakte vogel; A drawn and wrinkled face = strak.
Drawcansir, drôkansə, bluffer, snoevende grootspreker (genoemd naar een
persoon in Buckingham’s Rehearsal).
Drawl, drôl, subst. temerige spraak; Drawl verb. temerig spreken; adj.
Drawly.
Dray(-cart), drei(kât), sleeperswagen; Dray-horse; Drayman = sleeper;
Drayage = gebruik en huur van een dray.
Dread, dred, subst. vrees, schrik, ontzag; adj. gevreesd,
verschrikkelijk, ontzagwekkend; Dread verb. vreezen, duchten:
Dreadnought, drednôt, durfal, groot pantserschip, dikke duffel(sche
jas); Dreadful = vreeselijk, ontzagwekkend: Penny dreadfuls = goedkoope
sensatieromans; subst. Dreadfulness; Dreadless = onbevreesd; subst.
Dreadlessness.
Dream, drîm, subst. droom; Dream verb. droomen, in een droom zien, zich
verbeelden: Dreams go by contraries = komen altijd anders uit; He
dreams away his life = hij verbeuzelt zijn leven; Dreamer = droomer;
Dreamy = droomerig.
Drear, drîə, verlaten, woest, somber; akelig, treurig; vervelend;
subst. Dreariness; Dreary = Drear.
Dredge, dredž, subst. dreg, sleepnet, baggermachine; mengsel van haver
en gerst; Dredge verb. met eene dreg of een sleepnet ophalen,
uitbaggeren; meel strooien op; Dredger = dregger, oestervisscher,
baggermachine; strooibus; Dredging: Dredgebox = strooibus;
Dredge-machine = baggermolen.
Dree, drî, dulden: To dree one’s weird = zich schikken in zijn lot.
Dregginess, dreginəs, troebelheid, droesem; Dreggish = troebel, onrein;
Dregs, dregz, grondsel, droesem, uitschot, janhagel, schuim: To the
dregs = ten bodem toe.
Drench, drenš, doorweeken, doornat maken, verzadigen (met drank of
vocht), een drank toedienen; drenken; subst. drank (v. dieren): Christ
was drenched with vinegar; Drencher = plasregen.
Dresden, drezd’n, dreizd’n: Dresden china, Dresden-ware = Meisz(e)ner
porselein.
Dress, dres, subst. kleed, kleeding, kleederen, japon; Dress verb.
kleeden, richten, klaar maken, bereiden, verbinden, in orde brengen,
appreteeren, besnoeien, braken, garneeren, opstrijken, bekappen,
roskammen, kappen, versieren (out), africhten, mores leeren, zich
kleeden: Full dress = groot tenu, officieel kleed; High (Low) dress =
hooge (laag uitgesneden) japon; Halt, dress! = Sectie halt! Richt u!;
The ships were dressed = met vlaggen getooid; The shops were
beautifully dressed = waren mooi uitgestald; Dressed to death =
vreeselijk opgeschikt; To dress up = uitdossen, kostumeeren; Dress-ball
= galabal; Dress-box = loge avant-scène; Dress-circle = die rangen van
den schouwburg waar het publiek in rok, of gedecolleteerd is;
Dress-coat = rok; Dress-improver = tournure; Dress-jacket = ‘smoking’;
Dressmaker = naaister; Dress-shield = sousbras; Dress-stand =
costuumpop; Dress-suit = rok, enz.; Dress-sword = galadegen; Dress-vest
= ‘smoking’ (Amer.); Dresser = aanrechtbank of -tafel, dressoir, kast;
aankleeder; Dressing = kleeding, verband, mest, opvulsel (van vogels,
enz.), appretuur, enz.; Dressing-case = toilet- of kapdoos,
verbandkistje; Dressing-gown = kamerjapon, morgenjapon (voor dames),
peignoir; Dressing-room = kleedkamer; Dressing-station = plaats om
gewonden te verbinden; Dressing-table = toilettafel; Dressy =
pronkziek; fraai gekleed, chic.
Drew, drû, P. Imp. v. To draw.
Dribble, drib’l, druppelen, kwijlen, beuzelen, laten druppelen,
bekwijlen, zachtjes vooruit schoppen: Driblet = brokje, brokstukje,
kleine som, klein troepje.
Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water,
ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel,
beteekenis, voornemen, strekking, drift (zeeterm), ruimnaald,
horizontale mijngang, doorwaadbare plaats; Drift verb. drijven (uit den
koers), saamgedreven of (voort)gedreven worden, zich ophoopen, een
doorgang in een mijn maken: The drift of a current = richting en
snelheid van een stroom; He drifted about = zwierf rond; He drifted
into practice = kreeg zachtjes aan praktijk; Drift-ice = drijfijs;
Drift-sand = stuifzand; Drift-wood = drijf- of wrakhout; Driftage,
driftidž, afdrijving (van een schip); Driftless = doelloos.
Drill, dril, subst. (dril)boor, een soort zaaimachine, exercitie, dril
(= Drillling): Drill verb. doorboren, boren, drillen, exerceeren, graan
in rijen zaaien: To be at drill = aan het exerceeren: Drill-bow =
drilboog; Drill-ground exercitieveld; Drill-harrow = fijne egge;
Drill-master = drilmeester, gymnastiekleeraar; Drill-sergeant =
sergeant-instructeur.
Drily, draili, droogjes, leuk.
Drink, driŋk, subst. teug, drank, borrel; Drink verb. drinken, zich
goed laten drinken, begeerig in zich opnemen: To be in drink (= The
worse for drink) = dronken; That brute of a fellow is always on the
drink and gamble = aan ’t zuipen en dobbelen; To drink deep = sterk
drinken; To drink like a fish = als een tempelier; He took to
drink(ing) = raakte aan den drank; You cannot drink him down = onder de
tafel drinken; Drink off your glass = drink eens uit; The guinea was
drunk out = verdronken; I drink to the bride and bridegroom = drink op;
I’ll drink (to) your health = (op) uwe gezondheid; Drink-money =
drinkgeld, fooi; Drinkoffering = plengoffer; Drinkable, drinkbaar;
drank; Drinker = Hard drinker = drinkebroer; Drinking-bout = slemp- of
zuippartij: Drinking-fountain = drinkfontein; Drinking-house = kroeg,
bierhuis; Drinking-song = drinklied.
Drip, drip, subst. neervallen in druppels, dakkant, goot; Drip verb.
druppelen, laten druppelen: The dripping air of the twilight = de met
waterdeelen bezwangerde avondlucht; The dripping(s) of the meat = het
van aan ’t spit gebraden vleesch afdruppelend vet (dit wordt opgevangen
in de dripping-pan); Dripping-caves = benedenste dakrand.
Drive, draiv, ritje, oprijlaan, rijweg, drift (vee), opdrijven (v.
wild), krachtige slag: (The Drive Zie Rotten Row); Drive verb. drijven,
voortdrijven, voortstormen, jagen, doelen op, slaan naar, ijverig
werken, rijden, mennen, inslaan, aandrijven tot: Let drive, boys! =
slaat er duchtig op, jongens! To drive a good bargain = een
voordeeligen koop sluiten; You are driving a hard bargain = gij laat
ook niets vallen; To drive a trade in = handeldrijven in; They drove
the river = zij stuurden het vlot, etc. de rivier af; To drive away =
wegrijden, verdrijven, er op los gaan; I did not know what he was
driving at = waar hij heen wou (fig.); The enemies were driven in =
genoodzaakt te retireeren; They were driven off = teruggedreven; The
carriages drove off = reden weg; Drive-way = drijfpad voor vee, rijweg;
Driver = koetsier, voerman, veedrijver, machinist, rijder, de play-club
bij het golf-spel; blankofficier, uitzuiger, drijfrad; Driving:
Driving-band = drijfriem; Driving-box = bok; Driving-gear = drijfwerk;
Driving-glove; Driving-park = renbaan (Am.); Driving-wheel = drijfrad,
voorrad van een fiets; Driving-whip = zweep.
Drivel, driv’l, subst. speeksel, kwijl, gewauwel; Drivel verb.
wauwelen, suffen; kwijlen; Driveller = kwijler, suffer, dwaas,
halfwijze.
Driven, driv’n, part. perf. van to drive.
Drizzle, driz’l, subst. stof- of motregen; Drizzle verb. mot- of
stofregenen, in fijne deeltjes neervallen; Drizzly = stof- - -.
Drogheda, drogidə; Droitwich, drôitidž.
Droll, droul, subst. grappenmaker, snaak; adj. snaaksch, grappig; Droll
verb, grappig zijn, grappen maken; Drollery = snakerij; Drolly =
grappig.
Dromedary, drɐməd’ri, dromedaris.
Dromio, droumiou.
Drone, droun, subst. hommel, luiaard; gebrom, gegons, geneurie, baspijp
(v. een doedelzak); Drone verb, gonzen, brommen, opdreunen, luieren:
The monotonous drone of the wheel = gesnor; He droned out a little song
= hij neuriede een liedje; Drone-bee = mannetjesbij; luilak; Drone-fly
= bromvlieg; Drone-pipe = baspijp; Dronish = lui; subst. Dronishness.
Drool, drûl, kwijlen; druipen.
Droop, drûp, neerhangen, versmachten, kwijnen, zinken, dalen, laten
hangen; Drooping-willow = treurwilg.
Drop, drop, subst. droppel, kleine hoeveelheid, oorknopje, bonbon,
daling, valluik, valdeur, tooneelscherm of gordijn (ook het vallen
daarvan), drupsje; Drop verb, druppelen, druipen, vallen, ophouden met,
zich laten vallen, verliezen, (jongen) werpen, uitlaten, ter zijde
leggen, opgeven, enz.: Kendal Black Drop = laudanum; A library drop =
het stel schermen, dat een bibliotheek voorstelt; It was a great drop,
a fall from the stars to the mire = een diepe val; To get the drop on =
den vinger tijdig (eerder dan een tegenstander) aan den trekker hebben
(Amer.); He likes a drop = houdt van een borrel; Drops = droppels,
borreltje, prisma’s aan een luchter; bonbons: He is fond of his drops =
houdt van een borrel; The bear fell down some ten feet of drop = viel
zoowat tien voet naar beneden; To drop anchor; To drop a bill = een
wetsontwerp terugnemen; Drop me a line = schrijf me een lettertje; Let
us drop the official = het officieele laten varen; He dropped me a
post-card = zond mij eene briefkaart; We shall drop Sicily, and return
by Marseilles = niet aandoen; He dropped his voice to a whisper = liet
dalen: I never dropped a word on the subject = ik heb er nooit over
gesproken; The conversation halted, then dropped = stokte, en hield
toen op; To drop asleep = in slaap vallen; The steamer dropped astern =
zakte, bleef achter; We dropped past a steamer = dreven langzaam langs;
We dropped down the river = zakten de rivier af; Where did you drop
from = waar ben je zoo ineens vandaan gekomen; I will drop in one of
these days = wel eens aanloopen; He dropped into his place = nam zijne
plaats in; After dinner I dropped off (to sleep) = viel ik ongemerkt in
slaap; To drop on = uitvaren tegen, afsnauwen; Drop-curtain (=
Dropscene), Zie Act-drop; Dropletter = brief, geadresseerd aan iemand
in dezelfde wijk (Amer.); Drop-shutter = schuif met veer voor phot.
instant.; Dropstone = druipsteen; The Dropping of doors = zakken; A
dropping fire = ongeregeld aanhoudend geweervuur; Some dropping cases
of typhoid = alleenstaande en onverwachte; Dropping-bottle (-tube) =
druppel-fleschje; Droppings = excrementen, mest.
Dropsical, dropsik’l, waterzuchtig, gezwollen = Dropsied; Dropsy,
dropsi, waterzucht.
Dros(h)ky, droski, vierwielig rijtuig (Rusl.).
Dross, dros, droesem, slakken of schuim (van metalen), afval: Dross of
iron = hamerslag; Drossiness = onreinheid, vuil; Drossy = vol droesem
of slakken, waardeloos.
Drought, draut, droogte, dorheid; adj. Droughty; Drouth, drauth =
Drought.
Drove, drouv, P. Imp. van to drive; subst. kudde (groot of klein vee);
drom, hoop, drijfpad (voor vee, etc.), buis of nauwe greppel voor
besproeiing; Drover = veedrijver, veekooper.
Drown, draun, (doen) verdrinken (= To be drowned), onder water zetten,
uitdooven, onderdrukken, overschreeuwen, overstelpen, smoren: While
intending to drown his dog, he himself was drowned = verdronk hij zelf;
We were in danger of drowning = gevaar te verdrinken.
Drowse, drauz, subst. dutje; Drowse verb. dommelen, slaperig zijn;
Drowsiness = slaperigheid; A drowsy-headed fellow = slaapkop, sufkop.