verontrusten, belemmeren, in beroering brengen: Do not disturb the
sleeping lion = stoor niet; Disturbance = rustverstoring, stoornis,
verwarring, verhindering.
Disunion, disjûnj’n, scheiding, ophitsing, tweedracht; oneenigheid;
Disunite, disjunait, scheiden, gescheiden raken, uit elkaar gaan;
Disunity = gescheidenheid.
Disuse, disjûs, onbruik, ongewoonte: To come (fall) into disuse = in
onbruik geraken.
Disuse, disjûz, niet meer gebruiken, ontwennen, afnemen.
Ditch, ditš, subst. greppel, sloot, gracht; Ditch verb. eene sloot
graven, draineeren, met een sloot omringen: It is as dull as ditchwater
= verschrikkelijk langdradig; To die in the last ditch = zich tot het
uiterste verdedigen; I am in a dry ditch = heb mijne schaapjes op het
droge; Ditcher = slootgraver; schip dat door het Suezkanaal vaart.
Dithyramb, dithiram(b), Dithyrambus, dithirambəs, dithyrambe; adj.
Dithyrambic.
Dittander, ditandə, peperkers.
Ditto, ditou, hetzelfde: A suit of dittoes (does) = een pak kleeren van
ééne stof.
Ditty, diti, subst. liedje, deuntje; Ditty verb. zingen, neuriën;
Ditty-bag = naaizak (met naalden, garen, etc.).
Diuresis, dai-jurîsis, sterke urineafscheiding; Diuretic, dai-juretic,
urine-afscheidend (middel).
Diurna, daiɐ̂nə, dagvlinders, kapellen; Diurnal, daiɐ̂n’l, dagelijksch,
dag...; subst. dagboek.
Divagation, daivəgeiš’n, afwijking, afdwaling, weiding.
Divan, divan, staatsraad (Turkije); raadzaal; rechtszaal; Turksch
koffiehuis; rookkamer, sofa; verzameling gedichten.
Divaricate, daivarikeit, adj. gevorkt; Divaricate verb. zich vertakken,
in twee takken scheiden, zich afwenden van; subst. Divarication.
Dive, daiv, subst. duiking in het water met het hoofd vooruit,
plotselinge greep; dievenhol; Dive verb. duiken, zich verdiepen,
doordringen: He made a dive for it = hij dook (greep) ernaar; Diver =
zeeduiker; zakkenroller.
Diverge, d(a)ivɐ̂dž, divergeeren, afwijken; subst. Divergence; Divergent
opinions = afwijkende.
Divers, daivəz, daivəs, verscheidene, ettelijke; Diverse, d(a)ivɐ̂s,
daivəs, onderscheidene; Diversification, verscheidenheid, verschil,
verandering; Diversiform = van verschillenden vorm; Diversify =
varieeren, afwisselen; Diversion, d(a)ivɐ̂š’n, afleiding, uitspanning,
vermaak; schijnbeweging, verlegging: To create a diversion = eene
afleiding bezorgen; Diversity, d(a)ivɐ̂siti, verscheidenheid,
ongelijkheid.
Divert, d(a)ivɐ̂t, afleiden, afbrengen van, vermaken; eene
schijnbeweging maken; Diverting = vermakelijk; Divertisement =
amusement; Divertive = vermakend.
Dives, daivîz, de rijke man.
Divest, divest, ontdoen, berooven, ontblooten; zich afwennen (=
oneself); Dives(ti)ture, dives(ti)tjə, berooving (van bezit of recht);
Divestment = het beroofd zijn (worden).
Divide, divaid, verdeelen, deelen, verleggen, scheiden, openen,
splijten, in tweeën gaan; stemmen; subst. (water)scheiding: To divide
the House = een stemming houden (in ’t Lagerhuis); Dividend, divid’end,
deeltal, dividend: Dividend-warrant = dividendbewijs; Divider = deeler:
Dividers = passer om lijnen in een zeker aantal gelijke deelen te
verdeelen.
Divination, divineiš’n, voorspelling, voorgevoel; adj. Divinatory;
Divine, divain, subst. godgeleerde, geestelijke; adj. goddelijk,
hemelsch, buitengewoon, voortreffelijk; Divine verb. voorzèggen,
gissen, raden: Divine service = godsdienstoefening; subst. Divineness;
Divining-rod = tooverroede (om te ontdekken waar water onder den grond
wordt gevonden).
Diving: Diving-bell, daiviŋbel, duikerklok; Diving-dress = duikerspak.
Divinity, diviniti, god(delijk)heid, godgeleerdheid: A divinity
student; Divinify, divinifai, vergoddelijken.
Divisibility, divizibiliti, deelbaarheid; Divisible = deelbaar;
Division = verdeeling, verdeeldheid, deeling, afdeeling, scheiding,
schot, aandeel, divisie, stemming; Divisional = afdeelings..; Divisor =
deeler.
Divorce, divös, subst. echtscheiding; Divorce verb. scheiden (van den
echt): Divorce from bed and board = scheiding van tafel en bed (ook
Judicial separation genoemd); Bill of Divorce = vonnis van
echtscheiding; He divorced her = liet zich van haar scheiden; Divorcer
= scheidingsmotief.
Divulge, divɐldž, onthullen, openbaar maken, verspreiden.
Divulsion, divɐlš’n, vaneenscheuring.
Dizen, daiz’n, zich optooien (out).
Dizziness, dizinəs = duizeligheid; Dizzy, dizi, adj. duizelig,
duizelingwekkend; onnadenkend; Dizziness verb. duizelig maken,
ronddraaien, verwarren.
Do, dû, subst. handeling, daad, moeite, drukte, bedrog; maal; Do verb.
doen, verrichten, volvoeren, gereedmaken, voleindigen, zich gedragen,
zich bevinden, voldoende zijn, enz.: I have done my do = het mijne
gedaan; It was all a do = bedrog, afzetterij; To make a great to-do =
veel drukte maken over; There’s nothing to do but yielding = niets
anders aan te doen dan; I will have nothing to do with him = te maken
hebben; What’s to do = wat is er aan de hand? That will do = zoo is ’t
goed; These will do = zijn goed; That will not do with me = gaat bij
mij niet op; How do you do? = hoe gaat het? He did me on a wager = nam
mij beet met; Could you do me some fifty pounds? = zoowat 50 l. leenen?
We do these at a shilling a piece = verkoopen; He did himself away =
beging zelfmoord; We did away with it = schaften het af; Do by others
as you wish to be done by = doe anderen, zooals gij wenscht, dat men u
zal doen; To do for = zorgen voor, voldoende zijn; beetnemen; What can
I do for you? wat is er van uw dienst? We have done for him = He was
done for by us = wij hebben hem zijn vet gegeven, totaal verslagen; He
did me for three thousand pounds = zette mij af; These things will do
for fly-catchers = kunnen dienen als; She was done in stone =
gebeeldhouwd; Done into English = overgezet; He did off all his array =
legde ter zijde; I am not going to be done out of it = laat me niet
ontnemen; He has done me out of £ 3000 = armer gemaakt; The house was
done up = opgeknapt, gerepareerd; She has done him up = is hem te slim
af geweest; To do up a parcel = vastbinden, toebinden; To be done up
(knocked up) with the heat = kapot van; I am done with you for ever =
je hebt voor goed bij mij afgedaan; I have done with him = met hem
afgerekend; Have you done with the umbrella? = moet je de parapluie nog
gebruiken? I can do without it = kan er buiten, wel zonder; To do
battle for = strijden voor; To do the beds = doen; To do bills =
wissels realiseeren; She did her hair = maakte op; To do Hamlet =
spelen voor; Is your sister game to do the housekeeper = is uwe zuster
geschikt (heeft ze lust) om de rol van huishoudster te spelen; We did
the Isle of Wight in three days = reisden het eiland Wight rond; To do
like for like = met gelijke munt betalen; To do paper = effecten, enz.
omzetten; To do a room = doen; She was done brown = leelijk
beetgenomen; To do the grand = den heer uithangen; To do the polite =
zich zeer vriendelijk aanstellen; You do me proud = ik ben trotsch op
je; I’ll do you right (reason) = bescheid; They’ve done splendidly =
zich kranig gehouden; To do well = er goed aan doen; het goed maken;
Done = fiat, afgesproken; klaar; Have done = schei uit; We are done
(with it) = klaar; We were done at three o’clock = 3 uur waren wij
klaar; To be done to death = ter dood gebracht; The meat was done to a
turn = prachtig gebraden; A well-to-do man = welgesteld; A
never-do-well = een wildzang; A do-all = duivelstoejager; Do-nothing =
luilak, doeniet; adj. nietsdoend; subst. Do-nothingness = nietsdoen,
laissez-faire; Doing: Fine doings these! = een mooie boel! There is not
much doing aan de hand.
Do, dou, ut of do (toonschaal); verkorting van ditto: Connubial dittoes
= trouwpak.
Doat, dout: Z. Dote.
Dobbie, dobi, nar; een geest of kabouter (Noord Eng.).
Dobbin, dobin, oud werkpaard.
Dobell, dəbel.
Docible, dosib’l, Docile, do(u)s(a)il, leerzaam, handelbaar; subst.
Docility.
Dock, dok, subst. dok, stompje, pit (van de paardestaart), afgekorte
staart; zuring; bank der beschuldigden; Dock verb. afsnijden,
kortstaarten, verminderen, afschaffen, dokken (van een schip): A
(close-)docked tail; Dock-charges, Dock-dues = dok- of havengelden;
Dock-master = havenmeester; Dock-warrant = geleibiljet, ceel; Dockyard
= scheepswerf; Dockage = gelegenheid om te dokken; dokgeld; Docker =
dokwerker.
Docket, dokət, subst. korte inhoud, lijst der aanhangige rechtszaken of
uitspraken; adreskaart (aan goederen), etiket; Docket verb. een korten
inhoud maken, briefjes of nummers plakken op, den inhoud van een stuk
op de rugzijde vermelden, adresseeren: To strike a docket = eene
faillietverklaring aanvragen.
Doctor, doktə, subst. doctor, dokter, leeraar; middel om wijn te
vervalschen; Doctor verb. promoveeren, medicineeren, beter maken;
vervalschen: He doctored us in the cholera days = behandelde ons; I
live by doctor’s rule = op dieet; Doctors’ Commons, zie Commons;
Doctor’s-stuff = medicijnen; Doctoral = doctoraal; Doctorate, doktərit,
subst. doctoraat; Doctorate, doktəreit, verb. doctoreeren, promoveeren;
Doctoress = doctores; Doctorship = Doctorate.
Doctrinaire, doktrinêə, adj. doctrinair; ook subst.; Doctrinal:
Doctrinal theology = dogmatiek; Doctrine, doktrin, leer, leerstuk,
dogma.
Document, dokjument, subst. bewijsstuk, document; Document verb.
documenteeren; Documental = Documentary: Documentary evidence =
schriftelijke getuigenis; Documentary proof of one’s election =
geloofsbrieven.
Dod, dod, afsnijden, scheren (van wol).
Dodder, dodə, warkruid; Dodder-grass = trilgras.
Dodder, dodə, beven, trillen: To dodder about = rondstrompelen;
Doddering fears.
Doddle, dod’l, waggelen: A doddling old dotard = een strompelende oude
sufferd.
Dodecagon, dədekəgon, twaalfhoek.
Dodge, dodž, subst. plotselinge zijbeweging, kunstgreep, list, streek;
Dodge verb. plotseling opzij springen, ontwijken, uitwijken,
uitvluchten bedenken, voorzichtig rondsluipen, slenteren, vermijden,
als een schaduw volgen, nagaan, heen en weer bewegen, bedotten: He
worked the dodge singled-handed = voerde de zwendelarij geheel alleen
uit; He went dodging about the village = slenterde door; Dodger =
slimmerd, bedrieger, kuiper, zwendelaar; Dodgery = zwendel, uitvlucht;
adj., Dodgy.
Dodipole, dodipoul, sukkel, domkop.
Dodman, dodm’n, tuinslak.
Dodo, doudou, dodaars of basterdstruis (vroeger op Mauritius).
Dodonian, doudounj’n, uit Dodona, beroemd om haar orakel.
Doe, dou, hinde, ree; wijfje; Doeskin, douskin, hertenleder, soort
buckskin.
Doff, dof, afzetten, uittrekken.
Dog, dog, subst. hond, hondevleesch, vent, snaak; de Groote of Kleine
Hond (sterrenbeeld); duivelsklauw, mijnkarretje, haardijzer; Dog verb.
als een schaduw volgen, nauwkeurig nagaan: An artful (sly) dog = een
slimmerd; A sad dog = een snaak; Give a dog a bad name, and hang him =
als men een hond wil slaan, vindt men wel een stok = There are more
ways of killing a dog than hanging him; To go to the dogs = ten onder
gaan: Let sleeping dogs lie = maak geen - - - wakker; I call this
throwing things to the dogs = de dingen weggooien; A dog and shadow
conviction = persoonlijke; He is a dog in the manger = hij kan niet
zien dat de zon in het water schijnt; The police dogged him = ging hem
na; Dog-bee = hommel (mannetjesbij); Dog-berry = bes van de roode
kornoelje; Dog-biscuit; Dog-briar (Dog-rose) = hondsroos; Dog-cart =
twee- of vierwielig rijtuigje met twee banken (rug aan rug); Dog-cheap
= spotgoedkoop; Dog-collar = halsband; Dog-days = hondsdagen;
Dog-fancier = hondenfokker en -koopman; Dog-fennel = stinkende camille;
Dogfish = o.a. hondshaai; Dog-fox = mannetjesvos; Dog-grass = kweek;
Dog-hearted = onbarmhartig; Dog-hole = hondegat, hondenhok; hok, gat
(fig.); Dog-kennel = hok; Dog-latin = kramerlatijn; Dog’s-ear =
ezelsoor; ook verb.; Dog-sleep = hazenslaapje; Dog’s-meat = afval van
vleesch, hondenvleesch; Dog-star = hondsster, Sirius; Dog-tooth =
oogtand; Dog-trick = leelijke streek, gemeene behandeling; Dog-trot =
sukkeldrafje; Dog-vane = waker (scheepst.); Dog-violet = hondsviooltje;
Dog-watch = hondenwacht (van 4–6 of 6–8 p. m.); Dog-weary = zoo moe als
een hond; Dogwood = roode kornoelje; Dogged; = norsch, hardnekkig: It’s
dogged as does it = de aanhouder wint; subst. Doggedness; Doggish =
hondsch; subst. Doggishness.
Doge, doudž, doge; Dogate, dougit, Dogeate, doudžit, waardigheid van
een Doge.
Dogger, dogə, dogger (vaartuig).
Doggerel, dogərel, subst. rijmelarij = Doggerel rhymes.
Dogma, dogmə, leerstuk; adj. Dogmatic(al); Dogmatism = dogmatisme;
Dogmatize = dogmatizeeren.
Doily, dôili, tafelmatje, slabbetje, servetje.
Doit, dôit, duit, kleinigheid; 0,135 mGr.
Dolce, doltši, zacht, liefelijk.
Doldrums, doldr’mz, streek der windstilten: To be in the doldrums =
lusteloos, gemelijk zijn, zich vervelen.
Dole, doul, subst. portie, aalmoes; smart; marksteen; Dole verb. uit-
of ronddeelen in kleine hoeveelheden (out); Happy man be his dole =
moge hij gelukkig zijn; Doleful = smartelijk, treurig, akelig; subst.
Dolefulness; Dolesome = Doleful.
Doll, dol, pop: Doll’s eyes, dolzaiz, k(o)ralen (voor poppenoogen).
Doll, dol, Doortje = Dolly, doli.
Dollar, dolə, Amerik. munt (van 100 cents = ƒ 2,50).
Dol(l)man, dolm’n, lang Turksch gewaad; dolman.
Dollop, doləp, klonter, klomp.
Dolly, doli, Doortje; bak met geperforeerden bodem, om erts in te
wasschen; grisette; blad met bloemen en vruchten; adj. sukkelig;
Dolly-shop = stille bank van leening, lompenhandel.
Dolly Varden, dolivâd’n, lichte en gebloemde soort van polonaise
gedragen over een licht gekleurden rok; ook schuin gedragen hoed met
bloemen.
Dolorous, dolərɐs, pijnlijk, smartelijk; Dolour, doulə, smart, pijn:
Our Lady of Dolours = naam van de H. Maagd Maria.
Dolphin, dolfin, dolfijn; dolfijnvormig oor (van kanon of mortier),
ducdalf, meerboei: He felt as much out of his element as a dolphin in a
sentry-box = als een visch, die op het droge ligt.
Dolt, doult, domkop, sukkel: Doltish = dom, sukkelachtig; subst.
Doltishness.
Domain, dəmein, macht, gezag, domein, gebied.
Dombey, dombi.
Dom-boc, doumbouk, wetboek uit den tijd van Koning Alfred = Domebook.
Dome, doum, koepel, koepelvormig dak; een tempel, dom; Dome-shaped =
koepelvormig; Domed = met een koepel, gewelfd.
Domesday, dûmzdei; Zie Doomsday.
Domesman, dûmzman, vroeger rechter = Doomsman.
Domestic, dəmestik, subst. huisbediende, dienstbode; adj. huiselijk,
huishoudelijk, tam, inlandsch; Domestics = binnenl. producten (Amer.);
Domestic animals = huisdieren; Domestic economy = huishoudkunde;
Domestic peace = huiselijke vrede; Domestic quarrels = binnenlandsche
twisten; Domesticate, dəmestikeit, aan huiselijk leven gewennen,
temmen, beschaven; Domesticity, doumestisiti, huiselijkheid.
Domett, domət, katoenflanel.
Domicile, domis(a)il, subst. domicilie; Domicile verb. (zijn) domicilie
nemen, domicilieeren: A domiciliary visit = bezoek door de rechterlijke
macht, met het oog op huiszoeking; Domiciliate (= Domicile): To
domicile a bill of exchange = een wissel domicilieeren; Domiciliation =
domicilie.
Dominant, domin’nt, subst. de dominante (Muziek); adj. heerschend,
domineerend, ver zichtbaar; Dominate, domineit, heerschen, zich
verheffen boven; Domination = heerschappij; Dominator = beheerscher;
Dominative = heerschend; Domineer, dominîə, een gebiedenden,
onbeschaamden toon voeren, den baas spelen; opspelen, woedend uitvaren.
Dominic, dominik; Dominica, domənîkə, dəminikə.
Dominical, dəminik’l: Dominical letter = Zondagsletter; Dominical
prayer = het Onze Vader.
Dominican, dəminik’n, Dominicaner monnik.
Dominie, do(u)mini, schoolmeester (vaak iron.), dominé (Schotl.);
predikant van Holl. gemeente (Amer.).
Dominion, dəminj’n, oppermacht, heerschappij, gebied: Dominion Day =
nationale feestdag in Canada (1 Juli); The Dominion = Canada.
Domino, dominou, domino; dominosteen: To play at dominoes = domino
spelen; Domino-box = dominospel, mond vol tanden.
Don, don, subst. heer (vroeger titel, in Spanje), Tutor of Fellow van
een College aan een der hoogescholen; banjer; Donnish = pedant.
Don, don, aandoen.
Dona, dounja, Donna; meisje.
Donalbain, donəlbein; Donald, don’ld.
Donate, douneit, geven (Am.); Donation, deneiš’n, gave, gift,
schenking; Donative, donətiv, subst. gift, schenking, benefice; adj.
bij schenking gegeven.
Doncaster, doŋkəstə.
Done, dɐn, part. perf. van to do. Zie Do.
Donee, dounî, begiftigde.
Donegal, donəgôl, donəgôl.
Donga, doŋgə, spleet in eene rivierbedding, droge rivierb. (Z. A.).
Donjon, dɐnž’n, donž’n, slottoren, kerker.
Don Juan, dondžûən.
Donkey, doŋki, ezel; Donkeyess, doŋkiəs, ezelin; Donkey-engine = een
kleine hulpmachine aan boord; Donkey-pump = stoompomp (voor den ketel).
Donne, don; Donnybrook, donibruk, ruw, woest, (genoemd naar: Donnybrook
fair = woeste (Iersche) kermisboel); Donnybrook dance = woest gevecht;
Donnybrook row = hevige ruzie.
Don Quixote, donkwiksət.
Doodle, dûd’l, subst. beuzelaar, sukkel; Yankee Doodle = Amerik.
volkslied.
Doob, dûb, gras als voeder gebruikt (Brit. Ind.).
Dood, dûd, kameel: Dood-wallah (walə) = kameeldrijver (Brit. Ind.).
Doolie, dûli, Brit. Ind. draagstoel.
Doom, dûm, subst. oordeel, veroordeeling, lot, verdoeming; Doom verb.
veroordeelen, straffen, richten: The crack of doom = de jongste dag,
het einde der wereld; Doomsday = dag des oordeels; Doomsday-book =
kadaster, register van de landerijen (samengesteld op last van Willem
den Veroveraar); Doomster = rechter.
Doonga, dûŋgə, cano met vierkant zeil (Brit. Ind.).
Door, dö, deur, ingang: That was laid at his door = hem ten laste
gelegd; It lies at his door = het is zijne schuld; It was never proved
at his door = hem nooit bewezen; He lives next-door = in het huis
(kamer) hiernaast; Next-door to him = naast hem; We had next-door to
nothing = zoowat niets; In, within doors = binnenshuis; Out of doors =
buitenshuis; Sent out of doors = weggestuurd; He leant against a
door-casing (-case) = kozijn = Door-frame; Door-handle = kruk;
Door-hinges = hengsels; Door-keeper = portier; Door-mat = deurmat;
voetveeg (fig.); Door-nail = plaatje, waarop de klopper neervalt: He is
as dead as a door-nail = zoo dood als een pier (ook: As dead as a
door-mat); Door-plate = naamplaatje; Door-post = deurstijl: He is as
deaf as a door-post = zoo doof als een kwartel; Door-scraper = krabber;
Door-step = stoep, of = Door-sill = drempel: You shall never darken my
door(-step) again = jij zet geen voet meer over mijn drempel;
Door-stone = steenen drempel; Door-way = ingang.
Dop, dop, onderduiken; subst. diepe buiging; dop (bij het
diamantslijpen).
Dopatta, doupatə, soort sjerp (Br. Ind.).
Dopper, dopə, schimpnaam voor de ouderwetsche en meer bekrompen leden
der Geref. kerk in Zuid-Afrika.
Dor, dö, kever (bladsprietig) = Dor-beetle.
Dorado, dəreidou, dərâdou, Dorada, Zuidelijk sterrenbeeld van zes
sterren; goudmakreel.
Dorcas Society, dökəsəsaiiti, Vereeniging (van dames) tot Christelijk
Hulpbetoon (Zie Handelingen IX, 36–41).
Dorchester, dötšəstə.
Dorée, derî, dorî, zonnevisch.
Dorian, dôriən, Doric, dorik, Dorisch: Doric order = Dorische
bouwstijl.
Doring, dôriŋ, het leeuwerikenvangen met een slagnet en een spiegel.
Dormancy, döm’nsi, rust; Dormant, döm’nt, subst. slaper (groote
dwarsbalk); adj. slapend, liggend; ongebruikt, dood (Jurid.): Let us
allow the matter to lie dormant = laten rusten; Dormant partner =
stille vennoot; Dormer, dömə, verticaal venster in hellend dak (=
Dormer-window); Dormitive = subst. en adj. slaapwekkend (middel);
Dormitory, dömitəri, slaapzaal.
Dormouse, dömaus, hazel-(berg)muis.
Dorn, dön, rog, stekelrog.
Dorothy, dorəthi, Dorothea.
Dorsal, dös’l, dorsaal, rug...
Dorse, dös, jonge kabeljauw; rug.
Dorsel, dös’l, soort wollen stof.
Dorset, dösət; Dorsetshire, dösətšə.
Dorsum, dös’m, rug, heuvelrug.
Dort, döt, Dordrecht.
Dory, döri, zonnevisch (= John Dory); platboomd bootje (Amer.).
Dose, dous, subst. dosis, bittere pil (fig.); Dose verb. afmeten (van
geneesmiddelen), (een bittere pil) toedienen: They have dosed him with
liquor = veel drank toegediend, suf of dronken gemaakt.
Dosel, dos’l = Dossal = dorsale, geborduurd kleed achter het altaar;
rijke draperie.
Doss, dos, kussen, bed; slaapstee = Doss-house; Dosser = logé van een
slaapstee, landlooper; huisvader.
Dosser, dosə, kleed, wandtapijt; draagkorf.
Dost, dɐst, 2de p.s. Pres. Imp. v. to do.
Dot, dot, subst. stip, punt; kindje; huwelijksgift (Amer.); Dot verb.
stippelen: Dotted lines = stippellijnen; Dot your i’s and cross your
t’s = zet de puntjes op de i (ook fig.).
Dotage, doutidž, suffigheid (vooral van ouderdom), overdreven
teederheid, apenliefde; Dotard, doutəd, kindsche grijsaard, verliefde
oude gek.
Dotation, dəteiš’n, huwelijksgift, schenking.
Dote, dout, suffen, dol verzot zijn op: He dotes on her = is dol op
haar; Doting = kindsch; dol, gek (on); subst. Doteness.
Doth, dɐth = does.
Dottard, dotəd = Dotard.
Dottel, Dottle, dot’l, kluitje, propje (onverbrande) tabak in een pijp.
Dott(e)rel, dot’r’l, Morinel pluvier; sukkel.
Dottyville, dotivil: To be booked for Dottyville = naar “Meerenberg”
moeten.
Double, dɐb’l, adj. dubbel, in paren, gekromd, dubbelzinnig; subst.
tweevoud, duplicaat, dubbelganger, zijsprong, draai, kunstgreep; Double
verb. vouwen, verdubbelen, herhalen, omzeilen, dichtknijpen, ballen,
over elkaar slaan, doubleeren, verdubbelen van rotten (Mil.), zich
verdubbelen, op zijn weg terugkeeren, omdraaien, listig ontwijken,
bedriegen: They marched off at the double, at double-quick time = met
den looppas; The Cape was doubled = omgezeild; He doubled his fists =
balde; All the leaves were doubled down = aan alle bladen waren
ezelsooren; We doubled upon the enemy = brachten hem tusschen twee
vuren; Double-acting = dubbelwerkend (mechan.); Double-action; A
double-barrelled rifle = geweer met dubbelen loop; Double-bass =
contrabas; Double-breasted coat = jas met twee rijen knoopen;
Double-chin = onderkin; A double-dealer = dubbelhartig mensch,
bedrieger; Double-dealing, subst. en adj. dubbelhartig(heid);
Double-Dutch = koeterwaalsch; A double-dyed villain = een aartsschurk;
Double-eagle = goudstuk van twintig dollars (Amer.); Double-edged sword
= tweesnijdend; Double-entry: Book-keeping by double-entry =
Italiaansch boekhouden; Double-faced = met twee aangezichten, aan beide
kanten bruikbaar; onoprecht; Double-first = de eerste zoowel in
klassieke talen als in mathematische wetenschappen te Oxford; de graad
door zoo iemand verkregen; Double-ganger = dubbelganger; Double-handed
= met twee handvatten; Double-hearted = verraderlijk, valsch;
Double-knock = korte dubbele klop (met een deurklopper); Double-minded
= weifelend, besluiteloos; Double-railed = met dubbel spoor;
Double-shot = dubb. lading; Double-shot verb. zwaar laden, aandikken
(fig.); Double-tide = overuur; Double-tongued = uit twee monden
sprekende; Double-track = dubbelspoor; Doubleness = dubbel zijn;
dubbelzinnigheid.
Doublet, dɐblət, wambuis, buis, vest, doublette (een woord van
denzelfden stam als een ander, maar verschillend in vorm en beteek.);
Doublets = dobbelspel (soort van triktrak); hetzelfde getal op beide
dobbelsteenen.
Doubloon, dɐblûn, Spaansch en Zuid-Amer. goudstuk (± ƒ 12).
Doubt, daut, subst. twijfel, onzekerheid, aarzeling, vrees; Doubt verb.
weifelen, aarzelen, twijfelen, vermoeden, verdenken, vreezen: Beyond a
doubt = boven allen twijfel verheven; I have put it beyond doubt =
buiten allen twijfel geplaatst; No doubt = ongetwijfeld; Doubtful =
twijfelachtig, weifelend, verdacht, dubbelzinnig, onzeker; subst.
Doubtfulness; Doubtless = ongetwijfeld.
Douche, dûš, douche, stortbad.