Discountenance, diskauntən’ns, subst. koele behandeling, afkeuring;

Discountenance verb. den moed benemen, afschrikken van, afkeuren,

verlegen maken.

Discourage, diskɐridž, ontmoedigen, afschrikken; Discouragement =

ontmoediging, beletsel.

Discourse, diskös, subst. voordracht, redevoering, gesprek,

verhandeling, preek; Discourse verb. spreken over, eene redevoering

houden, handelen over; onderhouden over: To discourse music = ten

gehoore brengen; He discoursed the women about their duties =

onderhield.

Discourteous, diskɐ̂tšəs, diskötšəs, onbeleefd, lomp: Discourtesy,

diskɐ̂təsi, onbeleefdheid, lompheid.

Discover, diskɐvə, ontdekken, openbaren, onderscheiden, toonen: She

cannot discover hearts from diamonds = zij kent geen harten voor

ruiten; He discovered himself as = ontpopte zich als, bleek te zijn;

Discoverable = te ontdekken, zichtbaar; Discoverer = ontdekker;

Discovery = ontdekking.

Discoverture, diskɐvətšə, ongehuwde staat (v. vrouwen).

Discredit, diskredit, subst. oneer, schande, discrediet, slechte naam;

twijfel, ongeloof; Discredit verb. niet gelooven; in minachting

brengen; Discreditable = verkeerd, schandelijk.

Discreet, diskrît, verstandig, oordeelkundig, beleidvol; discreet: He

is discreet = kan een geheim bewaren; subst. Discreetness.

Discrepance, Discrepancy, diskrep’ns(i), verschil, tegenspraak,

inconsequentie; adj. Discrepant.

Discrete, diskrît, afgescheiden, apart; Discretive, diskrîtiv,

disjunctief, scheidend.

Discretion, diskreš’n, bezonnenheid, verstand, takt, discretie: Years

of discretion = jaren des onderscheids; The enemies surrendered at

discretion = op genade of ongenade; That is at your discretion = tot uw

dienst, zooals u verkiest; That is in your discretion = dat moet ge

zelf weten; Discretion is the better part of valour = beter een levende

hond dan een doode leeuw; Use your own discretion = handel naar

believen; Discretional = Discretionary = naar believen.

Discriminate, diskriminit, adj. onderscheidend; Discriminate verb.

(diskrimineit) onderscheiden, uitkiezen, kenmerken; Discriminating =

karakteristiek; scherpzinnig: Discriminating duties = differentiëele

rechten; Discrimination, diskrimineiš’n, onderscheiding, onderscheid,

onderscheidingsteeken; inzicht; Discriminative = kenmerkend,

onderscheidend; oordeelkundig.

Discursive, diskɐ̂siv, logisch; afdwalend; subst. Discursiveness.

Discus, diskəs, schijf.

Discuss, diskɐs, bespreken; (rechterl.) vervolgen; verorberen,

opdrinken: To discuss a bottle of wine; Discussion = discussie, debat;

vervolging.

Disdain, disdein, subst. versmading, verachting; Disdain verb.

versmaden, verachten; adj. Disdainful = verachtelijk; subst.

Disdainfulness.

Disease, dizîz, ziekte, lijden, ziekelijke toestand: Diseases

Prevention Act = Wet op Besmettelijke Ziekten; To die of disease of the

heart = aan eene hartkwaal sterven; Disease-bearer = ziektekiem;

Diseased meat = bedorven; Diseased in mind = zielsziek.

Disembark, disəmbâk, ontschepen, landen; subst. Disembarkation.

Disembarrass, disəmbarəs, bevrijden, uit de verlegenheid helpen;

Disembarrassment = bevrijding.

Disembellish, disəmbeliš, van versierselen ontdoen.

Disembodiment, disəmbodiment, subst. v. Disembody, disəmbodi, van ’t

lichaam bevrijden; afdanken (van soldaten), ontbinden.

Disembogue, disəmboug, uitstorten, uitstroomen; uitvaren.

Disembowel, disəmbau’l, van de ingewanden ontdoen; den buik

opensnijden.

Disenchant, disəntšânt, ontgoochelen; subst. Disenchantment.

Disencumber, disənkɐmbə, bevrijden, ontlasten (of, from).

Disenfranchise, disənfrantšaiz, van kiesrecht berooven; subst.

Disenfranchisement.

Disengage, disəngeidž, vrijmaken, zich losmaken, zich lostrekken,

ontbinden, ontheffen, ontwarren: I shall be disengaged to-morrow = vrij

zijn; Disengagedness = vrijheid, gebrek aan oplettendheid;

Disengagement = bevrijding, ontslaan.

Disennoble, disənoub’l, van adeldom berooven.

Disentangle, disəntaŋg’l, ontwarren, bevrijden, losmaken; subst.

Disentanglement.

Disestablish, disəstabliš, scheiden (v. Kerk en Staat);

Disestablishment = scheiding (v. Kerk en Staat).

Disesteem, disəstîm, subst. minachting; geringschatting; Disesteem

verb. minachten, geringschatten.

Disfavo(u)r, disfeivə, subst. ongenade, minachting; Disfavo(u)r verb.

gunst onttrekken, afkeuren.

Disfiguration, disfigjureiš’n, misvorming, wanstaltigheid; Disfigure,

disfigjə, misvormen, bederven.

Disfranchise, disfrantš(a)iz, van privileges of burgerrechten (vooral

van het kiesrecht) berooven; subst. Disfranchisement.

Disgorge, disgödž, uitbraken, opgeven, teruggeven; subst. Disgorgement.

Disgrace, disgreis, subst. ongenade, schande, schandvlek; Disgrace

verb. genade of gunst onttrekken, in ongenade brengen, tot schande

strekken: That boy is in disgrace = heeft straf; You are disgraced = in

ongenade gevallen, onteerd; Disgraceful, schandelijk; subst.

Disgracefulness.

Disguise, disgaiz, subst. vermomming, dekmantel, voorwendsel,

veinzerij; roes; Disguise verb. vermommen, verbergen: He did not make

the least disguise of his faults = verbloemde ze niet in ’t minst; He

was slightly disguised = lichtelijk aangeschoten; Disguisement =

vermomming; Disguiser = schijnheilige.

Disgust, disgɐst, subst. walging, ergernis; Disgust verb. walgen: I am

disgusted at that = walg ervan; Disgustful = walgelijk; subst.

Disgustfulness; Disgusting = walgelijk.

Dish, diš, subst. schotel, schaal, gerecht, schoteltje, kop, holte,

meetrog; Dish verb. opdisschen (up), uithollen, verijdelen, uit het

zadel lichten, “verlakken”: Meat dish; Made dishes = fijne schoteltjes;

Soap dish = zeepbakje; Vegetable dish; Dish-butter = tafelboter;

Dish-cover = deksel; Dish-cloth = vaatdoek, Dish-mat = tafelmatje;

Dish-warmer = heetwaterkomfoor; Dish-washer = bordenwasscher;

Dish-water = schotelwater; Dishing = hol.

Dishabille, disəbîl, disəbil, négligé.

Disharmonious, dishâmounjəs; Disharmony, dishâməni, tweedracht.

Dishearten, dishât’n, ontmoedigen.

Dishevel, dišev’l, in wanorde brengen (van haar vooral); Dishevelment =

wanorde.

Dishonest, disonəst, oneerlijk, onoprecht, bedriegelijk, schandelijk;

subst. Dishonesty.

Dishono(u)r, disonə, subst. oneer, schande; Dishono(u)r verb. onteeren,

te schande maken, niet honoreeren (wissel); Dishono(u)rable =

onteerend, eerloos.

Dishorse, dishös, van het paard werpen.

Disillusion, disil(j)ûž’n, ontgoocheling; Disillusion verb.

ontnuchteren, de illusie benemen = Disillusionize.

Disinclination, disinklineiš’n, afkeer, ongenegenheid; Disincline,

disinklain, (iemand iets) tegen maken: To be disinclined = ongenegen

zijn.

Disincorporate, disinköpəreit, eene corporatie of vereeniging

ontbinden; subst. Disincorporation.

Disinfect, disinfekt, ontsmetten; Disinfectant = ontsmettingsmiddel =

Disinfecting agent; Disinfection = ontsmetting; Disinfector =

ontsmetter.

Disingenuity, disinžənjûiti, onoprechtheid; Disingenuous,

disindženjuəs, onoprecht, sluw; subst. Disingenuousness.

Disinherit, disinherit, onterven; Disinheritance = onterving.

Disintegrable, disintəgrəb’l, scheidbaar, verweerbaar; Disintegrate,

disintəgreit, de samenstellende deelen scheiden, (doen) verweeren,

(zich) ontbinden; subst. Disintegration.

Disinter, disintɐ̂, opgraven, aan het licht brengen; subst.

Disinterment.

Disinterested, disintərestid, belangeloos, onpartijdig; subst.

Disinterestedness.

Disinthral(l), disinthrôl, van slavernij bevrijden.

Disjoin, disdžôin, ontbinden, scheiden, losspringen.

Disjoint, disdžôint, ontwrichten, ontleden, uit elkaar nemen:

Disjointed sentences = losse zinnen; Disjointedness =

onsamenhangendheid.

Disjunct, disdžɐŋkt, gescheiden; Disjunction = scheiding; Disjunctive =

scheidend.

Disk, disk, schijf, discus.

Dislike, dislaik, subst. afkeer, weerzin; Dislike verb. niet houden

van, afkeerig zijn van: Likes and dislikes = sympathieën en

antipathieën; He took a dislike to me = kreeg een hekel aan mij; I do

not dislike it = ik mag het wel.

Dislocate, disləkeit, ontwrichten, verschuiven; verhuizen (Amer.);

Dislocation = ontwrichting, verschuiving, verdeeling (v. troepen).

Dislodge, dislodž, van eene plaats verwijderen, uit eene stelling

verdrijven, opjagen, verjagen, opbreken; subst. Dislodgment.

Disloyal, dislôiəl, adj. ontrouw, plichtvergeten; subst. Disloyalty.

Dismal, dizm’l, somber, droevig, treurig, ijselijk: A dismalized

account of the circumstances = treurig; subst. Dismalness.

Dismantle, dismant’l, ontdoen van, onttakelen, ontmantelen.

Dismask, dismâsk, ontmaskeren.

Dismast, dismâst, van mast(en) berooven.

Dismay, dismei, subst. verslagenheid, schrik; Dismay verb.

verschrikken, moedeloos maken.

Disme, dîm, tiende.

Dismember, dismembə, ontleden, stuk snijden, verscheuren, verbrokkelen;

subst. Dismemberment.

Dismiss, dismis, wegzenden, ontslaan, afdanken, verstooten, afwijzen,

ontzeggen; uit elkander gaan: I was dismissed his house = zijn huis

werd mij ontzegd; He was dismissed (from) that office = ontslagen uit;

The appeal will be dismissed = geweigerd; The judge dismissed the

plaintiff’s suit = wees... af; Dismissal = Dismission = ontslag, etc.;

A dismissive letter = ontslagbrief.

Dismount, dismaunt, afwerpen, uit het zadel lichten, demonteeren, tot

zwijgen brengen; uit elkaar nemen; afstijgen.

Disobedience, disəbîdj’ns, ongehoorzaamheid; adj. Disobedient; Disobey,

disəbei, niet gehoorzamen: I will not be disobeyed = ik duld geen

ongehoorzaamheid.

Disoblige, disəblaidž, onbeleefd, oninschikkelijk zijn.

Disorder, disödə, subst. wanorde, verwarring, tumult, overtreding,

ongesteldheid, kwaal, gekrenktheid (van geest), uitspatting; Disorder

verb. verwarren, derangeeren, ziek maken; Disordered = gekrenkt,

liederlijk, bedorven; Disorderly = wanordelijk, ongeregeld, oproerig,

liederlijk.

Disorganization, disögən(a)izeiš’n, desorganisatie; Disorganization

verb. Disorganize.

Disown, disoun, verloochenen, niet erkennen, verstooten.

Disparage, disparidž, verkleinen, kwaadspreken van; subst.

Disparagement.

Disparate, disparit, ongelijk, ongerijmd; Disparity, dispariti,

verschil, ongelijkheid.

Dispart, dispât, scheiden, deelen, klooven, vizier en as van geschut

parallel maken, zich scheiden, splijten; Dispart-sight = vizier

(korrel).

Dispassionate, dispašənit, onpartijdig, kalm, leuk.

Dispatch, dispatš. Zie Despatch.

Dispel, dispel, verdrijven, verstrooien, verbannen.

Dispensability, dispensəbiliti, subst. v. Dispensable, dispensəb’l,

vatbaar voor dispensatie, toelaatbaar; ontbeerlijk; subst.

Dispensableness; Dispensary, dispensəri, armen-apotheek, polikliniek: I

hate dispensary stuff = wat uit de apoth. komt; Dispensation =

dispenseiš’n, uitdeeling; Godsbeschikking (= Dispensation of

Providence), ontheffing, vrijstelling, vergunning (tot het hebben van

twee betrekkingen, tot het wonen buiten zijn district of gemeente,

etc.); Dispensatory, subst. de pharmacopœa; adj. de macht bezittend om

vrijstelling te verleenen; Dispense, dispens, uitdeelen, toedienen,

recepteeren, toepassen, beschikken, vrijstellen, kunnen ontberen: I can

dispense with that now = ik kan er nu wel buiten, ik kan het missen;

Dispenser = uitdeeler, apotheker: He did, as if he were the dispenser

of life and death = beschikker over; Dispensing-power = het koninklijk

prerogatief om de wet (b.v. door gratie te schenken) buiten werking te

stellen.

Dispeople, dispîp’l, ontvolken.

Dispermous, daispɐ̂məs, tweezadig.

Disperse, dispɐ̂s, verstrooien, verspreiden, uit elkander jagen,

uiteengaan; Dispersal = verspreiding; Dispersion, dispɐ̂š’n,

verstrooiing, breking (van licht in verschillende kleuren); Dispersive

= verspreidend.

Dispirit, dispirit, ontmoedigen, bang maken.

Displace, displeis, verplaatsen, verleggen, verschuiven; afzetten,

ontzetten; verdringen, vervangen; subst. Displacement = ook

waterverplaatsing (v. schepen).

Display, displei, subst. vertooning, vertoon, tentoonstelling;

ontvouwing; Display verb. ontvouwen, ontwikkelen, tentoonspreiden,

vertoon maken: A display of fireworks.

Displease, displîz, onaangenaam zijn, mishagen; Displeased = boos

(with, at); Displeasing, displîziŋ, onaangenaam; subst.

Displeasingness; Displeasure, displežə, subst. misnoegen, ongenade.

Disport, dispöt, subst. spel, tijdverdrijf; Disport verb. spelen,

dartelen, zich vermaken.

Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling,

schikking, controle, beschikking: I am at your disposal = tot uw

dienst, te uwer beschikking; The disposal in marriage = uithuwelijking;

The disposal by sale = verkoop; Dispose, dispouz, schikken, regelen,

uitdeelen, bestemmen, bewegen, beschikken, disponeeren; verkoopen: Man

proposes, God disposes = de mensch wikt, God beschikt; It was disposed

of by will = vermaakt bij testament; This house will be disposed of by

valuation = is te koop voor de geschatte waarde; He disposed of his

house for half the value = deed van de hand; How will you dispose of

yourself? = wat ga je uitvoeren? He disposed on them for the amount of

£ 500, to his own order = trok op hen - - -; Disposed = geneigd,

gezind, gestemd: I am not disposed to it = niet voor gedisponeerd; He

has a disposing mind for it = neiging; Disposition, dispəziš’n, subst.

schikking, indeeling, gesteldheid, beschikking, neiging, gezindheid,

aard, aanleg: The house is at your disposition = te uwer beschikking; I

had the worst Dispositioned donkey = kwaadwilligste ezel.

Dispossess, dispəzes, uit het bezit verdrijven, berooven, bevrijden: He

was dispossessed from (of) the throne by his brother; subst.

Dispossession.

Dispraise, dispreiz, subst. blaam, verwijt; Dispraise verb. laken,

berispen, verwijten.

Disproof, disprûf, weerlegging.

Disproportion, disprəpöš’n, subst. wanverhouding, onevenredigheid;

Disproportion verb. onevenredig maken; Disproportionable =

Disproportional = Disproportionate = ongelijk, onevenredig; subst.

Disproportionality = Disproportionateness.

Disprovable, disprûvəb’l, weerlegbaar, berispelijk; Disprove, disprûv,

weerleggen.

Disputable, dispjutəb’l, dispjûtəb’l, betwistbaar; twistziek;

Disputant, dispjut’nt, subst. disputant, opponens; adj. betwistend,

strijdig; Disputation, dispjuteiš’n, woordentwist; Disputatious =

twistziek, tot opponeeren geneigd; Dispute, dispjût, subst.

woordentwist, debat, geschil; Dispute verb. twisten, debatteeren,

betwisten, verdedigen: Beyond (Past, Without) dispute = zonder kwestie;

To arrange (settle) a dispute = bijleggen; He disputed for the empire =

hij betwistte een ander het bezit van; Disputed = betwist.

Disqualification, diskwolifikeiš’n, onbevoegdverklaring, uitsluiting,

onbevoegdheid; Disqualify, diskwolifai, onbevoegd (onbekwaam) verklaren

(maken), uitsluiten.

Disquiet, diskwaiit, subst. angst, onrust; Disquiet verb. verontrusten,

kwellen; Disquietous = angst- of onrustwekkend; Disquietude =

onrustigheid, ongerustheid.

Disquisition, diskwiziš’n, verhandeling, onderzoek; Disquisitional,

onderzoekings....

Disraeli, disreili.

Disregard, disrigâd, subst. minachting, verwaarloozing; Disregard verb.

geringschatten, in den wind slaan, negeeren; adj. Disregardful.

Disrelish, disreliš, subst. afkeer, tegenzin; Disrelish verb. geen zin

hebben in, een afkeer hebben van; tegen maken.

Disrepair, disripêə, verval, bouwvalligheid.

Disreputable, disrepjutəb’l, berucht, schandelijk; Disrepute,

disripjût, subst. slechte naam, oneer, schande: To bring into disrepute

= To bring disrepute upon = in discrediet brengen; To fall (sink) into

disrepute = in kwaden reuk komen.

Disrespect, disrispekt, subst. geringschatting, minachting,

oneerbiedigheid; Disrespect verb. geringschatten; Disrespectability =

onwaardigheid, onsoliditeit; Disrespectable = onwaardig, onsolide;

Disrespectful = oneerbiedig, onbeleefd, minachtend.

Disrobe, disroub, uitkleeden, berooven.

Disroot, disrût, ontwortelen.

Disrupt, disrɐpt, adj. verbroken; Disrupt verb. scheiden, verbreken;

Disruption = scheiding, splitsing, verbreking, breuk; Disruptive

discharge = plotselinge ontlading.

Dissatisfaction, disatisfakš’n, ontevredenheid; Dissatisfactory =

onbevredigend; Dissatisfy = mishagen, niet voldoen, ontevreden maken,

teleurstellen.

Dissect, disekt, ontleden, scherp en kritisch onderzoeken;

Dissecting-room (Dissecting-table) = snijkamer (snijtafel); Dissection

= sectie, nauwkeurig onderzoek; Dissector = anatoom, prosector.

Disseise, disîz, uit het bezit stooten; Disseisee = de onwettig uit

zijn bezit gestootene; Disseisin, disîzin, wederrechtelijke

inbezitneming; Disseisor, disîzə, onwettig bezitnemer; vr.

Disseisoress.

Dissemble, disemb’l, verbergen, veinzen, huichelen; Dissembler =

huichelaar; Dissembling, huichelachtig; subst. huichelarij.

Disseminate, disemineit, verspreiden, uitstrooien; subst.

Dissemination; Disseminator.

Dissension, disenš’n, tweedracht, oneenigheid.

Dissent, disent, subst. verschil (van gevoelen), afscheiding (van eene

kerk, de Dissenters); Dissent verb. verschillen (van gevoelen), zich

afscheiden; Dissenter = afgescheidene (van de Staatskerk) =

Dissentient, disenš’nt, adj. afwijkend: With one dissentient voice =

één stem tegen; Dissenting views = afwijkende meeningen.

Dissertation, disəteiš’n, verhandeling, dissertatie.

Disservice, disɐ̂vis, ondienst, nadeel, schade.

Dissever, disevə, scheiden, afsnijden, splijten; subst. Disseverance.

Dissidence, disidens, oneenigheid; scheiding; Dissident, afwijkend.

Dissilient, disilj’nt, openspringend.

Dissimilar, disimilə, ongelijk; Dissimilarity, ongelijkheid =

Dissimilitude, disimilitjûd, ook: tegenstelling.

Dissimulate, disimjuleit, veinzen; subst. Dissimulation; Dissimulator =

huichelaar.

Dissipate, disipeit, verstrooien, verdrijven, weggooien, verkwisten,

uitputten, zich verspreiden: Dissipated = liederlijk; Dissipation =

verkwisting, losbandigheid.

Dissociate, disoušieit, scheiden; afzonderen; subst. Dissociation.

Dissolubility, disəl(j)ubiliti, disoljubiliti, oplosbaarheid;

Dissoluble, disəl(j)ûb’l, disoljub’l, oplosbaar.

Dissolute, disəl(j)ût, losbandig; subst. Dissoluteness; Dissolution,

disəl(j)ûš’n, smelting, oplossing, dood; Dissolvable = oplosbaar;

Dissolve, dizolv, oplossen, scheiden, ontbinden, ophouden te bestaan,

sluiten (van vergaderingen): To dissolve partnership = ontbinden;

Dissolved in tears = wegsmeltende; Dissolvent, dizolv’nt, oplossend

(middel); Dissolving views = lichtbeelden.

Dissonance, disən’ns, wanklank; Dissonant = wanklinkend, afwijkend.

Dissuade, disweid, afraden; Dissuasion, disweiž’n, afrading, ontrading;

Dissuasive, disweisiv, ontradend; ontrading.

Dissyllabic, disilabik, tweelettergrepig; Dissyllable, disiləb’l, woord

van twee lettergrepen.

Distaff, distaf, spinrok(ken), vrouw(elijk geslacht); Distaff-side = de

vrouwelijke linie.

Distance, dist’ns, subst. afstand (ook fig.), tusschenruimte,

verschiet, tijdruimte, interval (muziek), afstand van ± 200 M. van den

eindpaal (aangewezen door den Distance-post); Distance verb.

verwijderen, ver achter zich laten: At a distance = op een afstand; In

the distance = in de verte; Out of distance = onafzienbaar ver; He

keeps his distance = hij weet waar hij staan moet; I know my distance =

weet waar ik staan moet; The jockey has saved his distance = had den

distance-post (200 M. vóór den Winning-post) bereikt, voor de winner

aan het einde der baan was (en mocht daarom verder aan de wedrennen

deelnemen); That horse was distanced = dit paard viel uit, omdat het

den distance-post nog niet had bereikt, toen zijn mededinger aan den

Winning-post was; He was distanced = legde het schandelijk af; Distant,

dist’nt, verwijderd, afgelegen, koel: He was distant and reserved = erg

op een afstand.

Distaste, disteist, subst. afkeer, walging: He took a distaste at it =

walgde ervan; Distasteful = walgelijk, onaangenaam; subst.

Distastefulness.

Distemper, distempə, subst. ongesteldheid (thans vooral bij hond, paard

en rundvee); tempera-schilderwerk, waarbij de kleuren met een

bindmiddel zijn vermengd; een zoo bereide kleurstof; Distemper verb. in

de war brengen, tempera-schilderen; Distempered, ongesteld,

getroubleerd, ontevreden.

Distend, distend, uitstrekken, rekken, uitzetten, opzwellen: To distend

a crush hat = laten uitspringen; The horse distended its nostrils =

spalkte open; Distension, Distention, distenš’n, uitzetting, omvang.

Distich, distik, distichon.

Distil(l), distil, in druppels neervallen, zacht vloeien, distilleeren,

laten druppelen: Distilled damnation = volkskanker; Distillate =

distillaat; Distillation = distillatie; Distillatory, distilleer...;

Distiller = brander; Distillery = branderij, stokerij; Distilment =

Distillate.

Distinct, distiŋkt, onderscheiden, duidelijk: As distinct from =

geplaatst tegenover; Distinction, distiŋkš’n, onderscheid,

onderscheiding, onderscheidingsteeken, aanzien, rang, voornaamheid:

Without distinction = zonder onderscheid; Distinguish, distiŋgwiš,

onderscheiden, indeelen, kenmerken, zich onderscheiden; Distinguishable

= te onderscheiden, opmerkelijk; Distinguished = onderscheiden,

aanzienlijk, uitstekend.

Distingué, distiŋgei = Distinguished, ook: regenmantel.

Distort, distöt, verwringen, verdraaien; trekken (van hout); subst.

Distortion; Distortive = verdraaid, verwrongen.

Distract, distrakt, afleiden, afwenden, verwarren, storen (v. de

geestvermogens), verbijsteren: Distracted = verward, onthutst, dol,

razend; Distractedness = Distraction, ook afleiding: He allowed himself

no distraction = hij gunde zich geene ontspanning; Distractive =

verwarrend, verontrustend.

Distrain, distrein, beslag leggen op: He threatened to distrain for the

money = beslag te zullen leggen (op het goed) om het geld te krijgen;

Distrainable = waarop beslag gelegd kan worden; Distrainer = hij die

beslag legt; Distraint = beslaglegging (on).

Distraught, distrôt = Distracted.

Distress, distres, subst. droefheid, smart, benauwdheid, ellende, nood,

tegenspoed; beslaglegging; Distress verb. benauwen, ongelukkig maken,

beslag leggen: To levy (make, put in) a distress = beslag leggen; He is

in distress for money = heeft geldgebrek; Flag of distress = noodvlag;

Warrant of distress = bevel tot beslaglegging; A distressed ship =

schip in nood; Distressful = ellendig, jammerlijk; Distressing =

rampspoedig, pijnlijk.

Distributable, distribjutəb’l, verdeelbaar; Distribute, distribjut,

verdeelen, uitdeelen, verbreiden, toebedeelen, sorteeren of

distribueeren (van letters); Distribution, distribjûš’n, verdeeling,

toebedeeling, sorteering, verbreiding; Distributive, subst.

distributief woord (b.v. ieder); adj. verdeelend.

District, distrikt, subst. gebied, streek, afdeeling, district,

provincie; District verb. in districten verdeelen (Amer.);

District-court = arrondissementsrechtbank (Amer.); District-visitor =

armenbezoek(st)er.

Distrust, distrɐst, subst. wantrouwen, verdenking; Distrust verb.

wantrouwen, verdenken; adj. Distrustful; subst. Distrustfulness.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 34 / 152 段