Deceit, disît, bedrog, begoocheling; Deceitful = bedriegelijk, listig;

subst. Deceitfulness; Deceivable, disîvəb’l, (licht) te bedriegen;

subst. Deceivableness; Deceive, disîv, misleiden, bedriegen,

teleurstellen; Deceiver = bedrieger.

December, disembə, December; Decemberly = winterachtig.

Decemvir, disemvɐ̂, Tienman (Rome); Mv. Decemviri, disemvirai; adj.

Decemviral; Decemvirate = decemviraat.

Decency, dîs’nsi, welvoegelijkheid.

Decennary, disenəri, decennium; Decennial = decennaal.

Decent, dîsən’t, welvoegelijk, betamelijk; voldoende, behoorlijk.

Decentralization, disentrəlaizeiš’n, decentralisatie; Decentralization

verb. Decentralize.

Deception, disepš’n, subst. bedrog, misleiding; Deceptive =

bedriegelijk; subst. Deceptiveness.

Deciare, dešiâ, deciare (= 107,641 square feet).

Decide, disaid, beslissen, bepalen, overhalen, doen besluiten: He

decided me to go there = kreeg er mij toe; Decidedly true = bepaald

waar.

Deciduous, disidjuəs, vergankelijk, uit- of afvallend; subst.

Deciduousness.

Decigram(me), desigram; Decilitre, desilîtə; Decimal, desim’l, subst.

tiendeelige breuk; adj. decimaal: To calculate to five places (points)

of decimals; Decimal fraction = tiendeelige breuk; Decimal six = nul

komma zes = 0,6; Decimate, desimeit, door tien deelen, den tienden man

dooden, in grooten getale ombrengen; subst. Decimation; Decimetre,

desimîtə.

Decipher, disaifə, ontcijferen, ontwarren; Decipherable =

ontcijferbaar; Decipherer.

Decision, disiž’n, beslissing, uitslag, beslistheid; Decisive,

disaisiv, beslissend, afdoend: Decisionness = vastberadenheid.

Deck, dek, subst. dek; kaartspel (Amer.); Deck verb. tooien, versieren,

bedekken, van een dek voorzien: The decks were cleared = alles werd in

orde gebracht, tot den strijd voorbereid; Have you swept the decks =

hebt gij den inzet (den pot) gewonnen, het dek schoongeveegd (fig.);

Decked out = getooid; Deck-chair = rieten dekstoel; Deck-passenger.

Declaim, dikleim, voordragen, declameeren; uitvaren: He declaimed

against such measures = liet krachtig zijne stem hooren tegen;

Declaimer = declamator; Declamation = redevoering, voordracht,

hoogdravende rede; Declamatory = gezwollen, hoogdravend.

Declaration, dekləreiš’n, verklaring, aangifte, aanklacht; adj.

Declarative; To be declaratory of = bevestigen; Declare, diklêə,

verklaren, verzekeren, bekend maken, aangeven, constateeren: I declare

= ik moet zeggen; The result was declared as follows = bekend gemaakt;

He declared himself to her = deed haar eene liefdesverklaring; He had

not yet declared himself = nog geen partij gekozen; His name was

declared at the Exchange = werd aangeslagen op de beurs als failliet;

Anything to declare? = iets te declareeren; I have declared the

contract off = ik heb verklaard, niet te willen voortzetten; Declared =

openlijk; Declarer.

Declassed, diklâst, uitgestooten.

Declension, diklenš’n, verval, afdaling, vermindering, afwijking,

verbuiging; bedanken (Amer.).

Declinable, diklainəb’l, verbuigbaar; Declinate, deklineit, naar

beneden gebogen, met een bocht; Declination = neerbuiging, verval,

achteruitgang, helling, declinatie, afwijking: Declination of the

needle (compass); Declinator = afwijkingsmeter; Declinatory =

weigerend, afwijzend; Declinature = bestrijding van de competentie van

een hof (Schotl.).

Decline, diklain, subst. afneming, verval, vermindering, uittering;

Decline verb. afwijken, verbuigen, neerbuigen, bukken, weigeren,

vervallen, uitteren, ten einde loopen, afwijzen: To go into a decline =

uitteren; He is on the decline = gaat achteruit; Prices are declining =

gaan achteruit; Declining age = hooge ouderdom.

Declivity, dikliviti, helling, glooiing, schuinte; Declivitous =

schuin, hellend = Declivous.

Decoct, dikokt, afkoken, uittrekken; subst. Decoction.

Decollate, dikoleit, onthalzen; Decollation of St. John = 29 Aug.

Decolo(u)r(ize), dikɐlə(raiz), bleeken, Decolorant, dikɐlər’nt,

bleekmiddel; Decoloration = bleeken, kleurloosheid.

Decompose, dîk’mpouz, ontbinden, oplossen, ontleden; Decomposite,

Decomposite, veelvoudig samengesteld; Decomposition = ontbinding.

Decompound, dik’mpaund, veelvoudig samenstellen of verbinden; ook adj.:

A decompound leaf, flower = een dubbel blad, dubbele bloem.

Decorate, dekəreit, versieren, optooien; Decoration, dekəreiš’n,

versiering, sieraad, decoratie: Decoration day = 30 Mei (in Amerika),

bestemd tot versiering van de graven der in den burgeroorlog

gesneuvelden (1861–1865); Decorative = versierend, verfraaiend;

Decorator = versierder, (decoratie)schilder.

Decorous, dikôrəs, dekərɐs, gepast, welvoegelijk; subst. Decorousness;

Decorum, dikôr’m, welvoegelijkheid, decorum.

Decoy, dikôi, subst. lokmiddel, aas, krijgslist; lokeend, eendenkooi;

Decoy verb. verlokken, verleiden; Decoy-duck; Decoy-man = kooiker.

Decrease, dikrîs, dîkrîs, subst. afneming, vermindering, het vallen

(van het water); Decrease verb. dikrîs, verminderen, (langzaam)

afnemen.

Decree, dikrî, subst. decreet, verordening, voorschrift; gebod,

rechterlijke beslissing; Decree verb. bepalen, vaststellen, beslissen,

decreteeren: Decree nisi, naisai, voorwaardelijke beslissing (geldig

zoolang geen nieuw feit hiermee in strijd blijkt te zijn); To decree

levies = lichtingen uitschrijven.

Decrement, dekrim’nt, achteruitgang, vermindering.

Decrepit, dikrepit, afgeleefd, gebrekkig.

Decrepitate, dikrepiteit, calcineeren van zouten; subst. Decrepitation.

Decrepitude, dikrepitjûd, afgeleefdheid, gebrekkigheid.

Decrescent, dikres’nt, afnemend; Decrescendo, dikrəšendou, decrescendo

(Muz.).

Decretal, dikrît’l, subst. bevel (vooral pauselijk); adj. tot een

decreet behoorend.

Decrier, dikraiə, hij die decries; Decry, dikrai, laken, in discrediet

brengen.

Decumb, dikɐmb, gaan liggen; Decumbence = liggende houding; Decumbent =

liggend, bedlegerig.

Decuple, dekjup’l, subst. tienvoud; adj. tienvoudig; Decuple verb.

vertienvoudigen.

Decurrent, dikɐr’nt, afloopend; Decursive, dikɐ̂siv, afloopend.

Decussate, dikɐsit, kruisstandig; Decussate verb. dikɐseit, dekəseit =

kruiselings snijden.

Dedicate, dedikit, adj. toegewijd; Dedicate verb. dedikeit, toewijden,

opdragen, wijden; Dedicatee = wien een werk wordt opgedragen;

Dedication = toewijding, opdracht; Dedicator = die opdraagt; Dedicatory

= bij wijze van opdracht.

Deduce, didjûs, afleiden, opmaken (uit); Deducement = gevolg; Deducible

= af te leiden uit (from).

Deduct, didàkt, aftrekken, afnemen, wegleiden: Charges deducted = na

aftrek van kosten; Deduction = vermindering, afneming, gevolgtrekking;

The deductive method = de deductieve methode.

Deed, dîd, subst. daad, feit, handeling, akte; Deed verb. bij akte

overdragen (Amer.): Deed of gift = schenkingsakte; Deed of partnership

= acte v. vennootschap; Deed of sale = koopakte; Deed of trust =

volmacht; He was caught in the very deed = op heeterdaad; Deed-poll =

hoofdelijke akte (tegenover de dubbele), omdat ééne der partijen ze

maakt; Deedy = ijverig, knap.

Deem, dîm, oordeelen, denken: He deemed it an honour = achtte het eene

eer.

Deemster, dîmstə, titel van de 2 justices op het eiland Man.

Deep, dîp, subst. diepte, zee; adj. diep, diepzinnig, verdiept, laag,

achteraf, verborgen, geheim, doordringend, ernstig, zwaar, hoog,

donker, sluw: He is a deep one = een slimmerd; Of a deep blue (colour)

= donkerblauw; They have drunk deep = zwaar gedronken; He lied deep =

loog schandelijk; To play deep = hoog spelen; A deeply-bitten sketch of

the city of L. = een scherpe (scherp gelijnde) schets; The deep-mouthed

thunder = krachtige en holklinkende; Deep-read in the classics = zeer

belezen; The deep-sea water = het water der zee op meer dan 200 vademen

diepte; Deep-set = diepliggend; Deep-toned instruments = zwaar

(plechtig) klinkende; Deepen = verdiepen, donkerder (sterker) worden of

maken; Deepmost = diepste, verste; Deepness = scherpzinnigheid,

sluwheid.

Deer, dîə, hert; goedje: The small deer = het kleine grut; Deermouse =

eekhorentje (Canada); Deer-neck = dunne, slecht gevormde nek (van een

paard); Deer-stalker = hertenjager; laag hoofddeksel (soms met

oorkleppen) door deze jagers gedragen; Deer-stalking, stôkiŋ, jacht op

herten (door ze te besluipen).

Deface, difeis, schenden, misvormen, doorhalen, uit het veld slaan;

bekrassen of beschrijven van muren, etc.; subst. Defacement.

Defalcate, difalkeit, snoeien (van geld), verminderen, korten;

verduisteren; Defalcation = verkorting, verduistering, besnoeiing;

Defalcator, Defalcator = verduisteraar.

Defamation, defəmeiš’n, laster, eerrooving; adj. Defamatory; Defame,

difeim, lasteren, eerrooven.

Default, difôlt, subst. gebrek, verzuim, verwaarloozing, in gebreke

blijven, nietverschijning (voor de rechtbank); Default verb. bij

verstek veroordeelen, niet voldoen aan (een contract, eene belofte,

etc.): Judgment by default = veroordeeling bij verstek; To go by

default = bij verstek veroordeelen; door afwezigheid van een der

partijen niet doorgaan; He made (a) default = hij verscheen niet; To

suffer a default = verstek laten gaan; In default of = bij gebreke van:

A fine of £ 3, or seven days’ imprisonment in default = subsidiair 7

dagen gevang.; Defaulter = woordbreker, misdadiger, wanbetaler.

Defeasance, difîz’ns, nietigverklaring, vernietiging, opheffing;

Defeasanced = vernietigbaar = Defeasible.

Defeat, difît, subst. nederlaag, verijdeling, vernietiging, berooving,

ongeldig verklaring; Defeat verb. verslaan, verijdelen, van nul en

geener waarde maken; berooven.

Defecate, defikit, adj. gezuiverd; Defecate verb. defikeit, zuiveren,

klaren; subst. Defecation.

Defect, difekt, gebrek, onvolkomenheid; Defection = afval,

afvalligheid; Defective = gebrekkig; subst. Defectiveness.

Defence, difens, verdediging, versterking, verdedigingswerk,

bescherming: Line of defence = verdedigingslinie; Defenceless =

weerloos; subst. Defencelessness.

Defend, difend, verdedigen, beschermen: We defended ourselves against

the enemy = verdedigden ons tegen; To defend oneself from reports =

tegen praatjes; Defend me from my enemies = bewaar mij voor; Defendable

= verdedigbaar; Defendant = beklaagde, gedaagde; Defender = verdediger:

Defender of the Faith = titel van Eng. vorsten sedert Hendrik VIII

(1521); Defense = Defence; Defensibility = verdedigbaarheid; Defensible

= houdbaar; Defensive = verdedigend, verwerend: To act (be, stand) on

the defensive = een verdedigende houding aannemen; Defensor =

verdediger, beschermer; Defensory = verdedigend.

Defer, difɐ̂, uitstellen, talmen; zich onderwerpen aan; verwijzen: I

defer to your opinion = onderwerp mij aan; I defer to the sixth example

= verwijs naar; Deferred bonds = obligaties recht gevend op stijgenden

interest (tot bepaalde hoogte) in welk geval ze geconverteerd of tot

active bonds worden; Deference, defərens, eerbied, onderwerping,

eerbiediging; Deferent, defərent, geleidend; subst. geleider,

overbrenger: The air is a deferent of sound = klankgeleider;

Deferential, eerbiedig; Deferrer = uitsteller.

Defiance, difai’ns, uitdaging, uittarting: In (flat) defiance of all

rules = trots alle regelen; He bears (bids) defiance to them all = tart

ze allen; He set all the rules at defiance = hij zondigde tegen al de

regels; Defiant = trotseerend, tartend.

Deficience, Deficiency, difiš’ns(i), gebrek, tekort, deficit,

onvolkomenheid: Deficiency Bills = voorschot door de Bank of England

aan de regeering, ter inlossing der coupons; To make up for (to supply)

a deficiency = voorzien in een gebrek; Deficient: He is deficient in

that quality = hem ontbreekt, hij schiet te kort in ...: Mentally

deficient = zwakzinnigen; Deficit, defisit, dîfisit, deficit.

Defile, difail, subst. engte, pas, défilé; Defile verb. defileeren;

bevuilen, verontreinigen, bezoedelen; subst. Defilement; Defiler =

ontwijder, schender.

Definable, difainəb’l, te bepalen of begrenzen; Define, difain,

bepalen, beperken, uitleggen, beschrijven; Definite, definit, bepaald,

begrensd; subst. Definiteness; Definition = bepaling, omschrijving,

beschrijving; Definitive, subst. bepalend woord (b.v. een adjectief);

adj. beslissend, afdoend; subst. Definitiveness.

Deflagrate, defləgreit, verbranden; subst. Deflagration.

Deflate, difleit, gas of lucht uitlaten.

Deflect, diflekt, afbuigen, afwijken; Deflection = Deflexion,

afwijking, afdrijving (v. een schip).

Defloration, dîfloreiš’n, defloreiš’n, verkrachting; Deflour, Deflower,

diflauə, onteeren, schenden; Deflourer = verkrachter.

Defluxion, diflɐkš’n, ontsteking, catarrh.

Defoe, dəfou.

Deforest, diforəst, ontwouden.

Deform, diföm, misvormen; Deformation = mismaking; Deformed = mismaakt;

subst. Deformedness; Deformity = wanstaltigheid, mismaaktheid.

Defraud, difrôd, onrechtmatig onthouden, bedriegen, beetnemen;

Defrauder = bedrieger, smokkelaar.

Defray, difrei, betalen, afbetalen, vereffenen: He defrayed our

expenses = hield ons vrij; subst. Defrayment.

Deft, deft, vlug, vaardig, handig; subst. Deftness.

Defunct, difɐŋkt, overleden(e).

Defy, difai, uitdagen, tarten, trotseeren: It defies description = gaat

alle beschrijving te boven. Zie Defiance.

Degeneracy, didženərəsi, ontaarding; Degenerate, adj. ontaard, laag;

subst, gedegenereerde; Degenerate verb. ontaarden; Degeneration =

ontaarding.

Deglutinate, diglûtineit, losmaken (wat gelijmd is).

Deglutition, deglutitiš’n, dîglutiš’n, slikken.

Degradation, degrədeiš’n, dégradatie, afzetting, vernedering,

vermindering;—verb. Degrade, digreid; Degrading = onteerend.

Degree, digrî, subst. graad, rang, waardigheid, verwantschap, stand: He

took his degree = promoveerde; By degrees = trapsgewijze,

langzamerhand; Persons in their degree = van hun stand; In a degree =

tot op zekere hoogte, in zekeren zin; In no degree = geenszins; In some

degree = eenigszins; eenigermate; To a degree = in hoogen graad,

buitenmate; Honorary degree = doctorstitel honoris causa; Degree-day =

promotiedag; Degree-title = academ. graad.

Dehisce, dihis, openspringen; adj. Dehiscent; subst. Dehiscence.

Dehort, dihöt, afraden; adj. Dehortatory.

Deicide, dîisaid, Christusmoord, Christusmoordenaar.

Deific(al), dîifik’(l), vergoddelijkend; Deification = vergoddelijking,

apotheose; Deifier = vergoder; Deiform = van goddelijken vorm; Deify,

dîifai, vergoden, vergoddelijken.

Deign, dein, zich verwaardigen, toestaan.

Dei gratia, dî-ai greišiə, van Gods genade.

Deil, dîl, dil, duivel (Schotsch).

Deism, dîizm, deïsme; Deist = deïst; adj. Deistic(al); Deity, dîiti,

Godheid.

Deject, didžekt, adj. terneergeslagen (= Dejected), ontmoedigd; Deject

verb. ontmoedigen, neerslachtig maken; Dejectedness = Dejection =

neerslachtigheid, moedeloosheid; Dejectory = ontmoedigend, afdrijvend.

Delactation, dîlakteiš’n, het spenen.

Delany, dileini, deləni.

Delate, dileit, aangeven, aanklagen; subst. Delation: Espionage and

delation; Delator = verklikker.

Delay, dilei, subst. uitstel, vertraging; Delay verb. uitstellen,

rekken, uitstel geven; zich laten wachten, aarzelen, belemmeren: All is

not lost that is delayed = uitstel is geen afstel; Delayer =

uitsteller; reden van uitstel.

Del credere, delkredərə, delcredere.

Dele, dîli, subst. uitschrappingsteeken; Dele verb. uitschrappen,

wegnemen; Deleble, delib’l, uitwischbaar.

Delectable, dilektəb’l, verrukkelijk, lekker; subst. Delectableness;

Delectation = genot.

Delegate, deləgit, subst. gevolmachtigde, afgevaardigde; adj.

gevolmachtigd; Delegate verb. (deləgeit) volmacht geven, toevertrouwen,

afvaardigen; Delegation = afvaardiging, opdracht, deputatie.

Delete, dilît, uitwisschen, doorhalen.

Deleterious, dîlətîriəs, vergiftig, schadelijk.

Deletion, dilîš’n, subst. Zie Delete.

Delf, delf, Delftsch aardewerk = Delft ware.

Delhi, deli, Delhi.

Delian, dîliən, uit Delos.

Deliberate, dilibərit, adj. bedaard, overleggend, opzettelijk;

Deliberate verb. (dilibəreit) overwegen, beraadslagen; subst.

Deliberateness; It was taken into deliberation = het werd in overweging

genomen; Deliberative, dilibərətiv, overleggend.

Delicacy, delikəsi, fijnheid, keurigheid, teerheid; heerlijkheid,

lekkernij; zwakheid; Delicate, delikit, fijn, teer, lekker,

voorzichtig, kiesch, kieskeurig, fijngevoelig, zwak; subst.

Delicateness; Delicious, dilišəs, heerlijk; subst. Deliciousness.

Delict, dilikt, delict.

Delight, dilait, subst. genot, wellust, verrukking; Delight verb.

verrukken, streelen; behagen scheppen in, verheugd zijn over: To have

(take) delight in = behagen scheppen in; I am delighted with it = ik

ben er verrukt mee, over; Delightful = verrukkelijk; subst.

Delightfulness.

Delimit, dilimit, afperken, de grenzen vaststellen; Delimitation =

vaststelling (der gr.).

Delineate, dilinieit, schetsen, ontwerpen, beschrijven; subst.

Delineation; Delineator = schetser, enz.

Delinquency, diliŋkw’nsi, misdrijf, misdaad, plichtverzuim; Delinquent,

diliŋkw’nt, subst. schuldige; adj. schuldig.

Deliquesce, delikwes, smelten of oplossen door vochtopneming; subst.

Deliquescence; adj. Deliquescent.

Delirious, diliriəs, ijlhoofdig, dol van (= with): To be delirious =

ijlen; subst. Deliriousness; Delirium = delirium: In a delirium of

drink; Delirium tremens = dronkaardswaanzin.

Delitescence, delites’ns, verborgenheid; plotseling verdwijnen van

gezwel of ontsteking; adj. Delitescent.

Deliver, dilivə, verlossen, bevrijden, overbrengen, leveren, in-, op-,

uitleveren, bestellen, overgeven, uitspreken: To deliver a message =

overbrengen; To be delivered in 8 days, at B = te leveren; To be

delivered immediately = in handen (op brieven); She was -ed of a boy =

beviel van een jongen; Delivered in my trust = mij toevertrouwd; The

fortress was delivered up (over) = overgegeven; He delivered himself up

= gaf zich in handen der politie; Deliverable = te leveren; Deliverance

= bevrijding, beslissing, vrijspreking; Deliverer = verlosser,

overbrenger; Delivery, diliv’ri, verlossing, bevrijding, uitspraak,

(wijze van) voordracht, levering, bestelling; Delivery-pipe =

afvoerpijp; Delivery-window = loket.

Dell, del, nauw dal.

Deliac, dîliək, uit Delos; artistieke vaas; Delos, dîlos; Delphian,

delfiən, Delphic, delfik, Delphisch, raadselachtig.

Delphin(e), delfin, den dauphin betreffend: Delphin classics = de voor

het gebruik van den Dauphin (zoon van Lod. XIV) bestemde uitgaven der

klassieken; Delphine, delfin, tot de dolfijnen behoorend.

Delta, deltə, de Grieksche D = Δ; delta; Delta-leaved = met Δ-vormige

bladeren; Deltaic, delteiik, Delta ...; Deltification = deltavorming;

Deltoid, deltôid, deltavormig; deltaspier.

Deludable, dil(j)ûdəb’l, licht te misleiden; Delude, dil(j)ûd,

bedriegen, misleiden; Deluder = misleider.

Deluge, deljudž, subst. watervloed, zondvloed, groote menigte, ramp;

Deluge verb. overstroomen, overstelpen: After me the Deluge.

Delusion, dil(j)ûž’n, bedrog, bedriegerij, waan, begoocheling; adj.

Delusive, dil(j)ûsiv; subst. Delusiveness; Delusory, dil(j)ûsəri =

Delusive.

Delve, delv, graven, uitvorschen.

Demagogic(al), deməgodžik(’l); Demagogism, deməgodžizm, de beginselen

van een volksleider; Demagogue, deməgog, volksmenner.

Demain, dimein. Zie Demesne.

Demand, dimând, subst. eisch, vraag, behoefte; vordering; Demand verb.

eischen, vorderen: Demand and supply = vraag en aanbod; In great demand

= Much in demand = zeer gezocht, in trek; On demand = op verlangen;

Payable on demand = op zicht; Demandant = eischer; Demander =

schuldeischer, adressant.

Demarcate, dimâkeit, de grenzen vaststellen; subst. Demarcation,

dîmâkeiš’n, afpaling, grenslijn.

Demean, dimîn, (zich) gedragen of houden; (zich) vernederen of

verlagen; Demeanour, dimînə, gedrag, houding.

Dementate, dimentit = Demented = waanzinnig, krankzinnig; subst.

Dementedness = Dementia, dimenšə, krankzinnigheid, waanzin, idiotisme.

Demerara, demərârə.

Demerit, dimerit, gebrek, blaam, schuld, wangedrag, onwaardigheid.

Demersed, dimɐ̂st, onder water groeiend.

Demesne, dimîn, domein, grondbezit; gebied: The demesnes of the school

= het gebied.

Demi, demi: Demigod, halfgod; Demi-john = groote mandflesch; Demi-lance

= korte lans, licht gewapend ruiter; Demi-official = officieus;

Demi-rep (= demi-reputation), demi-mondaine; Demi-repdom;

Demi-semiquaver = 32ste noot.

Demisable, dimaisəb’l overdraagbaar; subst. Demisability; Demise,

dimaiz, subst. overlijden; overdracht; Demise verb. overdragen; nalaten

(bij uiterste wilsbeschikking = To demise by will).

Demission, dimiš’n, opgeven, laten varen; verlaging; Demit =

neerleggen.

Demiurge, demiɐ̂dž, Demiurgos, dimiɐ̂gəs, demiurgos; adj. Demiurgic.

Demobilization, dimobilizeiš’n, dimoubilizeiš’n, demobilisatie;

Demobilize, Demobilize = demobiliseeren, ontbinden (van troepen).

Democracy, dimokrəsi, volksregeering; Democrat, deməkrat, democraat;

adj. Democratic(al); Democratize = democratiseeren.

Demolish, dimoliš, afbreken, slechten, verwoesten; Demolisher =

afbreker, verwoester; Demolition, deməliš’n = het afbreken,

verwoesting.

Demon, dîm’n, demon; Demoness = duivelin; Demoniac, dimounjək,

bezetene; adj. demonisch = Demoniacal, dîmənaiək’l = Demonian,

dimounj’n = Demonic, dimonik; Demonology, dîmənolədži, demonenleer.

Demonetization, dimonitizeiš’n, subst. van Demonetize, dimonitaiz,

buiten omloop stellen van geld.

Demonstrable, dimonstrəb’l, dem’nstrəb’l, bewijsbaar; subst.

Demonstrableness; Demonstrate, dimonstreit, dem’nstreit, aantoonen,

aanwijzen, demonstreeren: Demonstration, dem’nstreiš’n, bewijs,

demonstratie; schijnbeweging; Demonstrative, dimonstrətiv,

aanschouwelijk, openhartig, overdreven, demonstratief, aanwijzend

(voornaamwoord); (brutaal, demənstreitiv); subst. Demonstrativeness;

Demonstrator = demonstrator, prosector, wijsvinger.

Demoralization, dimorəlizeiš’n, dimorəlaizeiš’n, demoralisatie;—verb.

Demoralize, dimorəlaiz.

Demosthenes, dimosthənîz; adj. Demosthenic, demosthenik = Demosthenian.

Demotic, dimotik: Demotic character = oud-Egyptisch volksschrift.

Demur, dimɐ̂, subst. aarzeling, weifeling; protest; Demur verb.

aarzelen, weifelen, excepties opwerpen: I cannot subscribe without

demur(ring) to so sweeping a sentence = ik kan zulk een algemeen

oordeel niet zonder protest aanvaarden; I demur at that = kom in verzet

tegen; He demurred to my assertion = was het niet eens met; Demurrer =

weifelaar; exceptie (jur.).

Demure, dimjûə, stemmig, zedig, preutsch; subst. Demureness.

Demurrage, dimɐridž, liggeld (v. schepen); korting van 1½ d. per ons

goud bij inwisseling van banknoten bij de Bank of England: Days of

demurrage = ligdagen.

Demy, dimai, een zeker papierformaat (56 bij 46 c.M. voor drukwerk, 48

bij 38 c.M. voor schrijven); zoogenaamde half-fellow of scholar van het

Magdalen College te Oxford; Demy-ship = beurs van 100 tot 50 £.

Den, den, subst. hol, leger, kuil; hok, gat: Daniel in the lions’ den.

Denarius, dinêriəs, oude zilveren munt (Rome) van ongeveer 8 stuivers;

een Engelsche penny: Denarius Dei = Godspenning; Denarius Sancti Petri

= St. Pieterspenning.

Denationalize, dinašənəlaiz, van de nationaliteitsrechten berooven.

Denbigh, denbi.

Dendri...., dendri...., Dendro..., dendrə..., in samenst., boom...;

Dendritic = boomachtig.

Dendrolite, dendrəlait, dendroliet, versteende boomstam; Dendrology =

boomenleer.

Denham, denəm.

Deniable, dinaiəb’l, loochenbaar; Denial, dinai’l, ontkenning,

verloochening, weigering: I will take no denial = neem geen bedankje

aan; Denier = loochenaar.

Denim, denim, grove wollen stof.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 31 / 152 段