Denization, denizeiš’n, naturalisatie: Letters of denization; Denizen,
deniz’n, subst. bewoner, genaturaliseerd burger; Denization verb. het
burgerrecht verleenen; Denizenship.
Denmark, denmâk: Denmark satin shoes = stoffen laarsjes.
Dennis, denis, Dionysius.
Denominate, dinomineit, benoemen, aanwijzen; Denomination = naam,
benaming, sekte; Denominational education = confessioneel onderwijs;
Denominative = benoemend of benoemd; Denominator = noemer (van eene
breuk).
Denotable, te onderscheiden; Denotation of a term = omvang (ruimte) of
beteekenis eener uitdrukking; Denote, dinout, aanwijzen, aanduiden.
Denouement, Fr. uitspr., ontknooping, afloop.
Denounce, dinauns, dreigen met, dreigend verklaren, aanklagen,
aanbrengen, opzeggen (a treaty); subst. Denouncement; Denouncer =
aanbrenger.
Dense, dens, dicht, bekrompen, dom; The denseness of the public is
something wonderful = domheid; Density = dichtheid.
Dent, dent, indruk, deuk; tand; Dental, subst. tandletter; adj.
tand...: Dental formula = tandformule; Dental surgeon = tandmeester;
Dentate(d), denteit(id), Dented, getand; Denticulate(d),
dentikjul(e)it(id), met tandjes; met kalfstanden (bouwk.); subst.
Denticulation; Dentiform, dentiföm, tandvormig; Dentifrice, dentifris,
tandpoeder; Dentist, dentist, tandmeester; Dentistry = tandheelkunde;
Dentition, dentiš’n, het tandenkrijgen; tandstelsel; Dentolingual,
dentəliŋgw’l, subst. en adj. (consonant) door tong en tanden gevormd;
Denture, dentjə, tandenrij; kunstgebit.
Denudation, denjudeiš’n, ontblooting, berooving:—verb. Denude, dinjûd.
Denunciation, dinɐnšieiš’n, Denunciate, dinɐnšieit; Denunciator. Zie
Denounce.
Deny, dinai, ontkennen, tegenspreken, weigeren, (ver)loochenen: To deny
oneself = belet geven; He denied himself every pleasure = ontzeide zich
elk genot; She was denied = zij kreeg “belet”.
Deobstruct, diobstrɐkt, purgeeren; Deobstruent = subst. en adj.
zuiverend of purgeerend (middel).
Deodorization, dioudərizeiš’n, dioudəraizeiš’n, ontsmetting, reukeloos
maken;—verb. Deodorize, dioudəraiz; Deodorizer = ontsmettingsmiddel.
Deontology, diontolədži, Bentham’s leer der zedelijke verplichting.
Deo volente, dîə vəlenti, als God het wil.
Deoxidate, dioksideit, Deoxidize, dioksidaiz, reduceeren; subst.
Deoxidation.
Depaint, dipeint, afschilderen, malen.
Depart, dipât, vertrekken, heengaan, sterven, opgeven, afzien van,
afwijken, verlaten: The statesman departed this life on the 20th =
scheidde uit het leven, stierf; He departed from his house = ging heen;
Our dear departed = overledene(n); The departed = de overledenen;
Departure, dipâtšə, vertrek, dood, afwijking, richting, wending: He
took his departure = vertrok; That is quite a new departure = heel wat
nieuws, een geheel nieuwe richting; He took a new departure at 40 = op
40-j. leeftijd werd hij een ander man.
Department, dipâtm’nt, afdeeling, werkkring, departement; Departmental
= afdeelings- -.
Depauperization, dipôpərizeiš’n, subst. v. Depauperize, dipôpəraiz, uit
de armoede opheffen.
Depend, dipend, neerhangen, afhangen, vertrouwen op, rekenen op: It
(All) depends = dat hangt er vanaf; They are people to be depended upon
= ver- en betrouwbare menschen; Depend upon it = reken daarop; Every
man must depend upon himself = zelf is de man; Dependable = vertrouwd:
To employ dependable tradespeople; Dependance, Dependence, Dependency =
afhankelijkheid, verband: Dependencies = toebehooren; wingewest,
kolonie; Dependent = afhangend (on), neerhangend (from), afhankelijk,
onbeslist, berustend op; subst. dienaar, vazal; Depending, onbeslist of
hangende (van eene rechtszaak).
Depict, dipikt, afschilderen, malen = Depicture.
Depilate, depileit, ontharen; Depilation, ontharen, uitvallen van
haren; Depilatory, ontharend; Depilatories = ontharingsmiddelen.
Deplete, diplît, ledigen, aderlaten, uitputten; subst. Depletion,
aderlating, uitputting.
Deplorable, diplôrəb’l, betreurenswaard, jammerlijk; subst.
Deplorableness; Deplore, diplö, betreuren, beweenen.
Deploy, diplôi, (doen) ontplooien, ontwikkelen: The troops deployed
into line = kwamen in bataille; subst. Deployment.
Deplume, diplûm, van vederen berooven.
Depone, dipoun, onder eede bevestigen; Deponent, dipoun’nt, subst.
getuige; werkwoord met passieven vorm en actieve beteekenis; adj
passief van vorm en actief van beteekenis.
Depopulate, dipopjuleit, ontvolken; subst. Depopulation.
Deport, dipöt, deporteeren: To deport oneself = zich gedragen;
Deportation, deportatie; Deportment = houding, gedrag.
Deposable, dipouzəb’l, afzetbaar; Deposal = afzetting; Depose, dipouz,
afzetten; onder eede bevestigen (verklaren, verhooren).
Deposit, dipozit, subst. neerslag, storting, pand, deposito; Deposit
verb. leggen, neerleggen, bijzetten, storten, toevertrouwen, in
bewaring geven: Deposit at call, Deposit at notice (zonder, met
opzegging); In (on) deposit = in deposito (van gelden, etc.);
Depositary, dipozitəri, bewaarder; Deposition, depəziš’n, dîpəziš’n,
neerslag, getuigenisaflegging, verklaring, onttroning, afzetting,
deposito; Depositor, hij die deponeert; Depository, dipozitəri,
bewaarplaats.
Depot, dîpou, depou, dipou, depot, bergplaats, stapelplaats; station
(Amer.): Coal and Cattle Depot.
Depravation, deprəveiš’n, verdorvenheid, bederf; Deprave, dipreiv,
bederven, demoraliseeren: Depravedness = Depravity, dipraviti,
verdorvenheid.
Deprecate, deprikeit, door smeeken trachten af te wenden, krachtig
opkomen tegen, ernstig afkeuren; Deprecation; Deprecatory looks =
smeekende blikken.
Depreciate, diprîšieit, de waarde verminderen (Amer.); geringschatten,
onderschatten; Depreciation = waardevermindering; onderschatting,
geringschatting; Depreciative, diprîšiətiv, Depreciatory, diprîšiətəri,
minachtend, gering-, onderschattend.
Depredate, deprideit, (uit)plunderen, verwoesten, verslinden; subst.
Depredation; Depredator, plunderaar; Depredatory = verwoestend,
plunderend.
Depress, dipres, neerdrukken, neerslaan, buigen, vernederen, matigen,
verlagen, lager richten (van geschut), neerslachtig maken, in waarde
doen dalen; Depressed = gedrukt, flauw; Depression, dipreš’n,
(neer)drukking, indruk, depressie, neerslachtigheid, uitputting, slapte
(in zaken): Depression of spirits = melancholie; Depressionist =
pretbederver, vreugdeverstoorder; Depressive = drukkend.
Deprivation, depriveiš’n, berooving, verlies, ontzetting uit een ambt;
Deprive, dipraiv, berooven, ontdoen, ontzetten: She was deprived of her
membership = lidmaatschap.
Deptford, detfəd.
Depth, depth, diepte, hoogte, breedte, donkerheid (bij eene kleur),
afgrond, zee, hartje (van den winter), holle (van den nacht),
diepzinnigheid, onmetelijkheid: In the depth(s) of winter; Ten feet in
depth = tien voet diep; I am out of (within) my depth here = ik voel
hier geen (nog) grond, kan hier (niet) staan (ook fig.); Depthless =
ondiep; onpeilbaar.
Depurate, depjureit, reinigen; subst. Depuration; Depurative =
bloedzuiverend (middel).
Deputation, depjuteiš’n, afvaardiging, deputatie: In, by deputation =
bij volmacht; Depute, dipjût, subst. gevolmachtigde (Schotsch); Depute
verb. afvaardigen; Deputy, depjuti, subst. afgevaardigde,
gevolmachtigde, plaatsvervanger, helper: Deputy-chairman (Deputy-judge)
ondervoorzitter (rechter-plaatsvervanger).
Deracinate, dirasineit, uitroeien, verdelgen.
Derail, direil, (laten) derailleeren; uit den trein laden (van
troepen): The train got derailed = derailleerde; subst. Derailment.
Derange, direinž, verstoren, krenken (van geest of lichaam); Deranged =
gek; Derangement = storing, krenking.
Deray, direi, wanorde, tumult.
Derby, dɐ̂bi, dâbi, Derby; stijve, ronde hoed met smallen rand (Amer.):
Derby-day = de dag bestemd voor de Derby races = wedrennen te Epsom (in
Mei).
Derelict, derəlikt, subst. onbeheerd goed, verlaten schip; aangeslibd
land; adj. onbeheerd, verlaten (Jur.); Dereliction = verzaking, het
onbeheerd laten, landaanwinning door aanslibben: A serious dereliction
of duty = een ernstig plichtsverzuim.
Derham, derəm.
Deride, diraid, bespotten, uitlachen; Derision, diriž’n, spot, hoon;
Derisive, diraisiv, spottend: subst. Derisiveness; Derisory, diraisəri,
spottend, hoonend.
Derivable, diraivəb’l, afleidbaar; Derivation, deriveiš’n, afleiding,
afwijking; Derivative, dirivətiv, afgeleid, voortkomend, bijkomend;
subst. afgeleid woord, afleiding; Derive, diraiv, afleiden, verkrijgen
(door schenking of overdracht), trekken uit, voortkomen uit.
Derm, dɐ̂m, Derma, dɐ̂mə, huid; Dermal, dɐ̂m’l, huid- -; Dermatology,
dɐ̂mətolədži, leer der huidziekten.
Dermestes, dɐ̂mestîz, knotssprietigen.
Derogate, derəgeit, afbreuk doen (from one’s honour, dignity = aan),
benadeelen, schenden, verkleinen; subst. Derogation; Derogatory =
benadeelend, nadeelig, verslappend.
Derrick, derik, laadboom, kraan.
Derringer, derindžə, pistool met korten loop, doch van groot kaliber
(Amer.).
Dervis(e), dɐ̂vis, Dervish, dɐ̂viš, derwisch.
Descant, deskn’t, discant, meerstemmig lied; gedachtenwisseling.
Descant, deskant, sopraan zingen, vibreeren; breedvoerig van gedachten
wisselen over (on, upon).
Descend, dəsend, neerdalen (-vallen, -stroomen), dalen, afdalen,
invallen, neervallen, tendeelvallen, zich vernederen, afstammen, komen
aan: He descended in his price = sloeg af; He descended into
particulars = daalde af tot; Descendant = afstammeling; Descendent =
afstammend, nederdalend; Descension, dəsenš’n, neerdaling, vernedering;
Descent, dəsent, neerdaling, helling, val, vernedering, landing,
aanval, afstamming: Descent-theory = afstammingstheorie.
Describable, diskraibəb’l, beschrijfbaar; Describe, diskraib,
beschrijven; Describer = beschrijver; Describent = beschrijvend:
Describent surface (wisk.); Description, diskripš’n, beschrijving,
klasse, soort; Descriptive geometry = beschrijvende meetkunde.
Descry, diskrai, bespieden, ontdekken.
Desecrate, desikreit, ontheiligen, ontwijden, profaneeren; subst.
Desecration.
Desert, dezət, subst. woestijn, woestenij; adj. woest, onbewoond;
Desert-bird = pelikaan.
Desert, dizɐ̂t, subst. verdienste, verdiende loon (gew. Meerv.): He got
(was brought to) his deserts = hij kreeg zijn verdiende loon.
Desert, dizɐ̂t, verlaten, deserteeren, afvallig worden van; Deserter =
deserteur, afvallige; Desertion, dizɐ̂š’n, verlatenheid, wanhoop,
desertie.
Deserve, dizɐ̂v, verdienen, waardig zijn: He has deserved well of his
country = heeft zich verdienstelijk gemaakt jegens; Deservedly =
terecht; The deserving poor man = fatsoenlijke arme; Deserving of a
better cause = eene betere zaak waardig.
Deshabille, dezəbîl = Dishabille.
Desiccant, disik’nt, desik’nt, subst. en adj. opdrogend (geneesmiddel);
Desiccate, desikeit, disikeit, opdrogen; subst. Desiccation;
Desiccative, disikətiv = Desiccant.
Desiderate, dəsidəreit, wenschen, noodig hebben, missen: I could have
desiderated a fuller treatment of that subject = eene vollediger
behandeling ware wenschelijk geweest; A desiderated reform = gewenscht,
maar niet verkregen; Desiderative, dəsidərətiv, subst. en adj.
gewenscht(e zaak); Desideratum, desideratum.
Design, dizain, disain, subst. schets, plan, ontwerp, voornemen,
bedoeling, aanslag, dessin; Design verb. schetsen, ontwerpen, bedoelen,
aanwijzen: Industrial design = vakteekenen; A school of design =
ambachtsteekenschool; Through design = opzettelijk; Designedly =
opzettelijk; Designer = ontwerper, intrigant; Designing, subst. het
ontwerpen van dessins, etc.; adj. intrigeerend, listig.
Designate, designeit, aanwijzen, onderscheiden, noemen, bestemmen voor;
subst. Designation.
Desilver(ize), disilvə(raiz), ontzilveren; subst. Desilverization.
Desirable, dizairəb’l, wenschelijk; subst. Desirableness =
Desirability; Desire, dizaiə, subst. begeerte, wensch, verlangen;
Desire verb. verlangen, begeeren, verzoeken: He is not all that can be
desired = hij kon wel beter zijn; I desired him to walk upstairs =
verzocht hem; Desirous = begeerig: Desirous of praise = begeerig naar
lof.
Desist, disist, dizist, ophouden, nalaten, afzien van (from); subst.
Desistance.
Desk, desk, subst. lessenaar, lezenaar: Desk-work = schrijfwerk,
zittend werk.
Desolate, desəlit, adj. verlaten, droevig, somber, eenzaam, woest;
Desolate verb. (desəleit), verwoesten, eenzaam maken, ontvolken,
vernietigen; subst. Desolateness; Desolater, Desolator, deseleitə,
verwoester; Desolation = verwoesting, eenzaamheid, troosteloosheid.
Despair, dispêə, subst. wanhoop; Despair verb. wanhopen: In despair =
wanhopig; His life was despaired of = er werd gewanhoopt aan.
Despatch, dispatš, subst. verzending, wegzending, afdoening, spoed,
bericht; Despatch verb. afzenden, afmaken, volbrengen, afdoen, dooden:
Happy despatch = de Jap. Harakiri; Despatch-box = portefeuille,
schrijfmap; Despatch-goods = ijlgoederen; Despatch-money = premie op
vlug laden of lossen; Despatcher = dispacheur.
Desperado, despəreidou, dolle waaghals, wanhopige schurk, woesteling.
Desperate, despərit, adj. vertwijfeld, wanhopig, verloren, hopeloos,
roekeloos, geweldig: Desperate of = wanhopend aan; subst. Desperateness
= vertwijfeling, razernij; Desperation = vertwijfeling.
Despicable, despikəb’l, verachtelijk, laag, gemeen, waardeloos; subst.
Despicableness; Despise, dispaiz, verachten, versmaden.
Despite, dispait, subst. boosaardigheid, spijt, verachting; He did it
(in) despite of warning = trots alle; Despiteful = boosaardig; subst.
Despitefulness.
Despoil, dispôil, berooven, plunderen; Despoliation, despoulieiš’n,
dispoulieiš’n, plundering, berooving.
Despond, dispond, moedeloos of hopeloos worden, wanhopen; Despondency =
moedeloosheid; adj. Despondent = Desponding.
Despot, despot, alleenheerscher, tiran; adj. Despotic(al); Despotism =
despotisme.
Despumation, despjumeiš’n, afschuiming.
Dessert, dəzɐ̂t, dəsɐ̂t, dessert; Dessert-dish; Dessert-spoon.
Destination, destineiš’n, bestemming; Destine, destin, bestemmen (to,
for); Destiny, destini, bestemming, lot, noodlot: The Destinies = de
drie Parcae of Schikgodinnen.
Destitute, destitjût, ontbloot van, behoeftig, verlaten, hulpeloos; ook
subst.; Destituteness = verlatenheid; Destitution = groote armoede.
Destroy, distrôi, vernietigen, verwoesten, afbreken, dooden, verdelgen:
Never destroy anything = doe nooit iets weg; Destroying angel =
worgengel.
Destructibility, distrɐktibiliti, vernietigbaarheid; adj. Destructible;
Destruction, distrɐkš’n, vernieling, verdelging, verwoesting,
ondergang; Destructive, distrɐktiv, subst. radicale hervormer; adj.
vernietigend, verderfelijk; subst. Destructiveness.
Desudation, desjudeiš’n, overmatig zweeten.
Desuetude, deswitjûd, (in) onbruik (raken).
Desulphurate, disɐlfjureit, ontzwavelen = Desulphurize.
Desultoriness, desəltərinəs, subst. v. Desultory, des’ltəri,
onsamenhangend, vluchtig, oppervlakkig, van den hak op den tak.
Detach, ditatš, scheiden, losmaken, afkeerig maken, detacheeren: The
Free Staters will not be detached from their alliance = zich niet
losmaken; Detachable = scheidbaar; Detached house = vrijstaand;
Detachment = scheiding, onbevangenheid, detachement.
Detail, diteil, dîteil, subst. omstandig verhaal, omstandigheid,
bijzonderheid, afdeeling manschappen (voor speciale diensten): In
detail = omstandig, stuk voor stuk; He entered into details = trad in
bijzonderheden; Further details = nadere bijzonderheden, details.
Detail, diteil, omstandig verhalen, in bijzonderheden mededeelen; voor
speciale diensten aanwijzen: A detailed account = omstandig verslag.
Detain, ditein, afhouden, ophouden, terughouden, onthouden, gevangen
houden: A writ of detainer was issued against them = bevel tot
verlengde gevangenhouding werd tegen hen uitgevaardigd; Forcible
detainer = gewelddadige inbezithouding.
Detect, ditekt, ontdekken, betrappen, aan ’t licht brengen; Detectable
of Detectible = ontdekbaar; Detecter (Detector) = indicateur; Detection
= ontdekking, betrapping; Detective = subst. geheime agent; ook adj.:
The detective force = geheime politie.
Detent, ditent, lichter, drukker, trekker.
Detention, ditenš’n, terughouding, uitstel, opsluiting; het nablijven:
Detention-colony = strafkolonie; Detention-work = strafwerk; House of
detention = huis van bewaring.
Deter, ditɐ̂, afschrikken, afhouden; Deterrent = afschrikkend (middel of
voorbeeld).
Deterge, ditɐ̂dž, eene wond zuiveren; Detergent = reinigend (middel).
Deteriorate, ditîriəreit, ontaarden, verergeren; subst. Deterioration.
Determinability, ditɐ̂minəbiliti, subst. v. Determinable, ditɐ̂minəb’l,
bepaalbaar, beslisbaar; Determinate, ditɐ̂minit, bepaald, beperkt,
beslist; Determination, ditɐ̂mineiš’n, einde, beslissing, bepaling,
besluit, vaststelling, beslistheid, vastberadenheid; Determinative =
bepalend; Determine, ditɐ̂min, bepalen, beperken, besluiten, beslissen,
vergewissen; Determinism, ditɐ̂minizm, determinisme.
Detest, ditest, verfoeien; Detestability = Detestableness =
verfoeielijkheid; Detestation, dîtəsteiš’n, verfoeiing, walging.
Dethrone, dithroun, onttronen; subst. Dethronement.
Detinue, detinjû: Action of detinue = actie tot teruggave van onwettig
onthouden goederen.
Detonate, detəneit, (doen) ontploffen: Detonating cap, gas, powder =
slaghoedje, knalgas, donderpoeder; Detonation = explosie; Detonator,
slaghoedje, knalsignaal (= Detonating fog-signal), donderbus.
Detour, ditûə, kromming, omweg, omhaal, wijking.
Detract, ditrakt, wegnemen, smaden, verkleinen, belasteren: That does
not detract from my wish to serve you = dit belet niet, dat ik wensch;
subst. Detraction; adj. Detractive = Detractory; Detractor, smaler,
lasteraar; aftrekspier.
Detrain, ditrein, uit een spoortrein laden, uitstijgen.
Detriment, detriment, schade, nadeel; Detrimental; adj. nadeelig,
schadelijk; subst. jongmensch, dat meisjes het hof maakt, en ernstige
aspiranten daardoor afschrikt.
Detroit, ditrôit.
Detruncate, ditrɐŋkeit, knotten, afsnijden; subst. Detruncation.
Deuce, djûs, twee (op dobbelsteenen of kaarten), beide spelers 3 slagen
(Lawntennis); duivel, droes, drommel: I had the deuce’s own trouble
with him = drommels veel moeite met; The deuce is in it = daar speelt
de duivel mee; He is the deuce to talk = hij is een vervelende
babbelaar; Deuced difficult = verduiveld moeilijk; Deuce-ace = de één
en twéé bij het dobbelen.
Deus ex machina, dîəseksmeikinə.
Deuteronomy, djûteronəmi, Deuteronomium.
Deuxponts, djûpoŋ, Tweebruggen.
Devastate, devəsteit, verwoesten; subst. Devastation; Devastator =
verwoester.
Develop, diveləp, (zich) ontwikkelen, verduidelijken, ontvouwen;
Developer = ontwikkelaar; Development = ontwikkeling, ontvouwing.
De Vere, də vîə; Devereux, devərû.
Devest, divest, vervreemden (van recht of titel); verloren gaan: Zie
Divest. He devested himself of his power = hij legde af.
Deviate, dîvieit, afwijken, afdwalen; subst. Deviation.
Device, divais, subst. plan, oogmerk, devies, motto, list, vinding;
Full of devices = vindingrijk, slim.
Devil, dev’l, subst. duivel, drukkersloopjongen, scheurmachine (in
lompenfabrieken); sterk gekruid vleeschgerecht; Devil verb. aan flarden
scheuren (van lompen), sterk kruiden of peperen; handlangen: What comes
over the devil’s back, goes under his belly = onrechtvaardig verkregen
goed gedijt niet; Devil’s bones = dobbelsteenen; Devil’s books =
speelkaarten; Devil’s dirt = duivelsdrek; Devil’s Own = het 88e
linie-regiment; Devil’s tattoo = het trommelen met de vingers op eene
tafel, etc.; Between (the) devil and (the) deep sea = tusschen Scylla
en Charybdis; He must needs go whom the devil drives = wie den duivel
aan boord heeft moet met hem varen; Devil take the hindmost = loope wie
loopen kan; He gave the devil his due = hij heeft hem recht laten
wedervaren; The boy plays the devil with his teachers = plaagt
verschrikkelijk; It is enough to kill the devil = je zou er des duivels
van worden; That is the devil of it = dat is het beroerde van de zaak;
What the devil do you want? = wat duivel moet je; Devil a bit I care =
het kan me geen zier schelen; A devil-may-care fellow = onverschillig,
roekeloos; Devilish = duivelsch, verduiveld; Devilment = schurkerij:
There’s devilment in him = hij heeft leelijke streken; Devil(t)ry =
duivelsche slechtheid, streken.
Devious, dîvjəs, afwijkend, afdwalend: Devious path (way) = omweg;
Devious step = misstap; subst. Deviousness.
Devisable, divaizəb’l, bedenkbaar; vermaakbaar; Devise, divaiz, subst.
erflating; testament; Devise verb, verzinnen, overleggen, overwegen,
nalaten (by will); Devisee, devizî, wien de grondbezittingen worden
vermaakt; Deviser = plannenmaker; Devisor = erflater.
Devitrification, dəvitrifikeiš’n, subst. v. Devitrify, divitrifai, tot
matglas maken.
Devocalize, divoukəlaiz, stemloos maken.
Devoid, divôid, ontbloot (of).
Devoir, Fr. uitspr., plichtpleging.
Devolution, devəl(j)ûš’n, toevallen bij erfenis; verwijzing naar eene
commissie (Parl.).
Devolve, divolv, overdragen, overgaan, toevallen, tebeurtvallen,
neerkomen op: It devolves on you = komt op u neer; subst. Devolvement.
Devon, dev’n = Devonshire; Devonian = uit D.; Devonport; Devonshire:
Devonshire colic = loodkoliek.
Devote, divout, verb. wijden, offeren, doemen; Devoted = gewijd,
gedoemd; innig verknocht; subst. Devoteness; Devotee, devətî,
aanbidder, enthousiast; bekrompen dweper, kwezel; Devotion, divouš’n,
toewijding, opoffering, godsvrucht, godsdienstoefening, gebed,
gehechtheid, vurige liefde: Devotions = gebeden, godsdienstige
plichten, godsdienstoefening; Devotional = godvruchtig, vroom,
stichtelijk.
Devour, divauə, verslinden, verteren, vernietigen.
Devout, divaut, vroom, innig, oprecht; subst. Devoutness.
Dew, djû, subst. dauw; Dew verb. bedauwen, bevochtigen; Dew-beater =
dauwtrapper; voet; Dew-berry = dauwbraam; Dew-dropping = dauwend, zacht
neervallend als dauw; Dewlap = kossem, halskwabbe; Dew-point =
dauwpunt; Dew-worm = aardworm, pier; Dewy = bedauwd.
D’Ewes, djûz.
Dexter, dekstə, rechtsch, ter rechter (Herald.); Dexterity, deksteriti,
handigheid, vaardigheid; Dext(e)rous, dekstrəs, (dekstərɐs), handig,
vaardig.
Dextrine, dekstrin, dextrine.
Dey, dei, (Turksche titel voor) stadhouder.
Dhobi(e), doubi, Brit. Ind. waschvrouw; Dhole, doul, wilde hond;
Dhotee, Dhoti, douti, lendendoek (Brit. Ind.).
Dhow, dau, Arabisch vaartuig.
Dhurra, dɐrə, Indisch en Egypt. gierst.
Diabetes, daiəbîtîz, suikerziekte; adj. Diabetic: Diabetic sugar =
druivensuiker.
Diablerie, Diablery, diabləri, diâbləri, = Devilry; Diabolic(al),
daiəbolik(’l), duivelsch, kwaadaardig; subst. Diabolicalness;
Diabolism, daiabəlizm, duivelachtigheid, bezetenheid.
Diaconal, daiakən’l, een deacon betreffend; Diaconate = decanaat.
Diacritic, daiəkritik, onderscheidend; subst. onderscheidingsteeken;
adj. Diacritical.
Diadem, daiədem, diadeem; Diadem spider = kruisspin.
Di(a)eresis, daiîrisis, daierisis, diaeresis.
Diagnose, daiəgnouz, daiəgnous, de diagnose bepalen; Diagnosis,
daiəgnousis, diagnose; Diagnostic = kenmerkend (teeken); Diagnostics =
diagnostiek.