doorsteken: At daggers drawn = klaar om te vechten; op hoogst gespannen
voet; To look daggers at a person = iemand met zijn blikken doorboren;
To speak daggers to a person = vlijmscherp toespreken; Dagger-plant =
Jucca.
Daggle, dag’l, door het slijk sleepen, door den modder loopen;
Daggle-tail = slordevos, = Daggle-tailed = slordig, bevuild.
Dago, deigou, scheldnaam voor elk Spaansch of Portugeesch sprekend
matroos.
Dagonet, dagənet.
Daguerreotype, dəgerətaip, subst. daguerreotype; Daguerreotype verb.
daguerreotypeeren.
Dahabeeyah, Dahabieh, dâhâbîə, Egyptisch vaartuig, voornamelijk voor
den Nijl.
Dahlia, dâljə, deiljə, dahlia.
Dahomey, dəhoumi.
Daily, deili, subst. dagblad; adj. dagelijksch: Daily News = naam van
een Eng. dagblad.
Daimio, daimiou, groote leenheer, vazal van den Mikado (Japan).
Daintiness, deintinəs, fijnheid, verweekelijking, kieskeurigheid,
lekkerheid; Dainty, deinti, subst. lekkernij; adj. lekker, kieskeurig,
sierlijk, fijngevoelig: My dainty = lieve; ’Don’t be dainty’ =
(opschrift op een) slabbetje; Dainty-mouthed = kieskeurig.
Dairy, dêri, subst. melkhuis, melkwinkel; Dairy-farm = melkboerderij;
Dairy-house = melkhuis; Dairymaid = melkmeid; Dairyman = melkboer.
Dais, dei-is, estrade, met een troonhemel overdekte troon.
Daisy, deizi, subst. madeliefje; adj. keurig, prima: Daisied meadow =
vol madeliefjes; Daisy-cutter = dravend paard, dat zijne pooten niet
hoog oplicht; Cricket-bal, die laag over ’t veld vliegt; Daisy-picker;
Zie Gooseberry-picker.
Dak, dak, brievenpost in Brit. Indië.
Daker, deikə, Dakir, tien stuk of paar; Daker-hen, wachtelkoning.
Dakoit, dakôit = Dacoit.
Dakota, dakoutə; adj. Dakotan.
Dalai Lama, dəlailâmə, opperpriester.
Dale, deil, dal; Dalesman = dalbewoner, vooral op de grens tusschen
Engeland en Schotland.
Dalhousie, dalhûzi; Dalkeith, dalkîth.
Dalliance, daliəns, het dartelen, stoeien; Dally = dartelen, beuzelen,
treuzelen, talmen.
Dallop, daləp, bosje (gras).
Dalmatia, dalmeišə, Dalmatië; Dalmatian = Dalmatiër, Dalmatisch.
Dalmatic(a), dalmatik(ə), dalmatica.
Dalrymple, dalrimp’l, dalrimp’l; Dalston, dôlst’n.
Daltonian, dôltounj’n, kleurenblinde; Daltonism, dôltənizm,
kleurenblindheid.
Dalzel(l), dalzel, deiel; Dalziel, deiel, diel.
Dam, dam, subst. moer, wijfje; dam; sloot (Austr.); Dam verb. stuiten,
afdammen.
Dam, dam. Zie Dawm.
Damage, damidž, subst. schade, nadeel, kosten, averij; Damage verb.
beschadigen, schade lijden, toetakelen: What’s the damage? = hoe groot
zijn de onkosten, wat ben ik schuldig? Damages = schadevergoeding;
Damageable = beschadigbaar; Damaged = beschadigd, bedorven.
Damascene, daməsîn, damasceeren; subst. damastpruim (ook Damask-plum);
adj. v. Damascus; Damascus blade = Damascener zwaard.
Damask, daməsk, subst. damast; adj. lichtrood; Damask verb. bloemen in
stoffen werken (damast weven), staal met goud of zilver inleggen,
damasceeren; Damask-steel = Damascus-staal; Damaskeen, daməskîn,
daməskîn, damasceeren; Damassin, daməsin, damast, met bloemen van goud-
en zilverdraad doorweven.
Damboard, damböd, dambord.
Dame, deim, deftige dame, vrouwe, matrone; dorpsschoolmaitres;
ouderwetsche bewaarschoolhouderes; de Dame, thans de Assistant-Master,
by wie(n) de externe leerlingen (The Oppidans) van Eton College in den
kost zijn; Dame’s-violet, Dame-wort, nachtviooltje.
Damietta, damietə, Damiette.
Damn, dam, verdoemen, veroordeelen, vloeken: It is not worth a damn =
het is geen lor waard; Damnable = verdoemelijk, vervloekt, kolossaal;
Damnation, damneiš’n, subst. verdoeming, verdoemenis; interj.
vervloekt; Damnatory = verdoemend, verdoemings...; Damnific =
schadelijk; Damnify = schade veroorzaken, beschadigen (Jur.); Damning =
verpletterend (bewijs).
Damoclean, daməklîən, van D.: Damoclean sword; Damocles, daməklîz,
Damocles.
Damon, deim’n.
Damosel, daməzel. Zie Damsel.
Damp, damp, subst. vochtigheid, nevel, uitwaseming, neerslachtigheid;
adj. vochtig, saai, neerslachtig, kil; Damp verb. vochtig maken,
verkillen, verzwakken, ontmoedigen, smoren, dempen, dof maken: His
presence threw a damp on our joy = was als een emmer koud water; Dampen
= bevochtigen; ontmoedigen; Damper = demper, sleutel (in een
kachelpijp), toondemper; ongezuurd brood (Austr.); teleurstelling,
ontmoediging: He puts a damper on every thing I do or say = hij beneemt
me den moed bij; Dampish = eenigszins vochtig; subst. Dampishness;
Dampness = vochtigheid.
Dampier, dampî.
Damsel, damz’l, jonge deern, jonkvrouw; Damsel-fly = waterjuffer.
Damson, damz’n, damastpruim: Damson cheese = conserf van deze pruimen.
Dan, dan, Heer: Dan Cupid; Daniel, Dan; From Dan to Beer-sheba
(biəšîbə, biɐ̂šibə) = overal, op alle punten.
Danaid, danəid; Danaidean, deinəidiən, danəidiən.
Dance, dâns, subst. dans, bal; Dance verb. dansen, rondspringen; laten
dansen: He danced attendance on (to) the powerful = liep de groote lui
na; Dance of death = doodendans; He led me a jolly dance = hield me
leelijk aan het lijntje; Dancer = danser; Dancing: Dancing-girl =
Indische danseres; Dancing-master; Dancing-mistress = balletmeesteres;
Dancing-room = danszaal; Dancing-school.
Dandelion, dandelaiən, leeuwetand.
Dander, dandə, subst. toorn; roos (= Dandruff); Dander verb. treuzelen,
zeuren, stotteren: He got (had) his dander (dandriff) raised = hij werd
woedend.
Dandify, dandifai, zich adoniseeren.
Dandiprat, dandiprat, dreumes.
Dandle, dand’l, liefkoozen, spelen met, laten dansen (op de knie): The
mother dandled him to rest.
Dandriff, dandrif, Dandruff, dandrəf, roos.
Dandy, dandi, fat, pronker; soort vaartuig, jolleman op den Ganges;
soort palankijn; iets keurigs; adj. fatterig; Dandy-cock (Dandy-hen) =
Bantamsche haan (hen); Dandy-horse = ouderwetsche tweewieler;
Dandy-rigged = met Dandy tuig; Dandyish = fatterig.
Dane, dein, Deen: Great Dane = Deensche dog; Danegeld, deingeld,
jaarlijksche belasting, in vroeger tijd opgelegd ter verdediging tegen
de Denen; Danelagh, deinlôg, Dane law = Deensch recht (9e eeuw), het
gebied hiervan.
Dane-wort, deinwɐ̂t, lage vlier, paarsche anemoon.
Danger, deinžə, gevaar; Danger-signal = onveilig sein (bij spoorwegen);
Dangerous = gevaarlijk; subst. Dangerousness.
Dangle, daŋg’l, slingeren, bengelen; achterna loopen; Dangler =
vrouwengek; sleepsabel.
Dan(iel), dan(j’l).
Danish, deiniš, Deensch(e taal).
Dank, daŋk, subst. vochtigheid; adj. vochtig.
Dantesque, dantesk, in den stijl van Dante, somber, verheven.
Danube, danjûb, Donau; Danubian, dənjûbj’n, Donau - -.
Dap, dap, het aas voorzichtig in ’t water neerlaten.
Daphne, dafni, Daphne; peperboompje.
Dapper, dapə, netjes, wakker, kregel.
Dapple, dap’l, subst. spikkel; adj. gevlekt; Dapple verb. bespikkelen;
Dapple-grey = appelgrauw (paard).
Darby, dâbi: Darby and Joan = de Eng. Philemon en Baucis.
Darbies, dâbiz, handboeien.
D’Arblay, dâblei.
Darbyites, dâbiaits, godsdienstige sekte, ook Plymouth Brethren
genoemd.
Dardanelles (The), dâdənelz, de Dardanellen.
Dardania, dâdeinjə, Dardanië; Dardanian.
Dare, dêə, durven, wagen; tarten, uitdagen; leeuweriken onder schot of
in ’t net brengen, door ze met behulp van een houten bord met
spiegeltjes (a dare) te verblinden: I dare say = ik durf wedden; I
daresay, dêəsei, voorwaar; I dare you to do it = tart u; Dare-devil =
waaghals; roekeloos; Daring, subst. vermetelheid; adj. onverschrokken,
moedig; Darenet, slagnet.
Darg, dâg, subst. dagwerk, dagtaak; Darg verb. een dagtaak verrichten
(Schotl.).
Darius, dəraiəs; Darjeeling, dâdžîliŋ.
Dark, dâk, subst. duisterheid, onwetendheid; adj. duister, donker,
somber, heimelijk, ontmoedigend, slecht, blind, onzeker, donker
uitziend: Dark Ages = Middeleeuwen; Darkblue = de kleur van de
studenten van Oxford (Sport); Darkchamber, Darkroom (phot.); Dark
lantern = dievenlantaarn; After dark = na donker; He rides a dark horse
= hij voert wat in het schild; Then I had my dark hour = droevig uur; I
fear I shall go dark = blind worden; I have kept it dark = geheim; He
has kept me in the dark = hij heeft mij onwetend gehouden; Darken =
verduisteren, verdonkeren, zwart maken, bezoedelen, blind maken,
duister worden: You shall darken my doors no more = komt me nooit weer
over den drempel; Darkish = vrij duister; Darkle = duister worden;
Darkling, adj. somber, droevig; adv. in het donker, blindelings; Darkly
= in ’t geheim, geheimzinnig; Darkness = duisternis, verborgenheid,
blindheid, onwetendheid; Darksome, dâks’m, somber, duister; Darky =
zwartje, neger; dievenlantaarn.
Darling, dâliŋ, subst. lieveling: My darling = lieverd; adj. geliefd.
Darn, dân, subst. stop; adj. vervloekt (Amer.); Darn verb. stoppen,
mazen: The darnest fool I ever saw = grootste gek; Darner = stopnaald,
stopper of stopster; Darning-needle; Darning-yarn.
Darnel, dân’l, dolik.
Dart, dât, subst. pijl, schicht, werpspies; sprong; Dart verb. (een
pijl) schieten, (eene lans) werpen, schieten (v. stralen), wegsnellen,
losstormen op (at, on): To dart rays.
Darwin, dâwin; adj. Darwinian; Darwinism = Darwinianism.
Dash, daš, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, élan,
kranigheid, bezieling, geestkracht, streepje (–), drupje; Dash verb.
stooten, slaan, te pletter slaan, bespatten, met water werpen,
besprenkelen, vermengen, bederven, een streep halen door,
teleurstellen, snel bewegen: Dash of the pen = pennestreek; A dash of
romance = tintje; A dash under the word = streep; A morning dash
through the Park = morgenritje; At first dash = op het eerste gezicht;
He wanted to cut a dash (figure), and lived above his income = wou bluf
slaan; I got a dash of German = een hap en een snap; I dashed at him =
vloog op hem aan; I dashed this paper off in two hours’ time = ik heb
dit artikel in twee uur op het papier gegooid; I dashed it out = ik
streek het uit; Dash it = wat duivel! Dash-board, dašböd, spatbord
(vooraan een rijtuig); Dasher = schepbord, stamper; fat; Dashing =
kranig, flink, voornaam, zwierig; Dashy = opzichtig, fijn gekleed.
Dastard, dastəd, bloodaard, lafaard; Dastardliness = lafhartigheid,
blooheid; adj. Dastardly.
Datary, deitəri, hoofd van de Dataria = afdeeling der pauselijke
kanselarij voor de uitvaardiging van bullen.
Date, deit, subst. dadel; datum, dagteekening, duur, tijd; Date verb.
dateeren, vaststellen, rekenen; beginnen (from): That is out of date,
up to date = uit den tijd, op de hoogte van den tijd; He wrote to me
under date Oct. 2; To date = totnutoe; Dateless = zonder datum;
Date-palm.
Dative, deitiv, dativus.
Datum, deit’m (Mv. Data, deitə), het gegevene, een gegeven.
Daub, dôb, subst. gemeene kalk, smeer, kladschilderij; Daub verb.
besmeren, bekladden, kladschilderen, vermommen, smakeloos opsieren,
grof vleien; Dauber = knoeier, kladschilder; grove vleier; Daubery =
knoeierij (in de kunst); valsch voorwendsel; Dauby, dôbi, kleverig,
lijmerig.
Daughter, dôtə, dochter; Daughter-in-law = schoondochter; Daughter of
Heth = zedelooze vrouw (Gen. XXVII, 46).
Daunt, dânt, dônt, schrik inboezemen, ontmoedigen; Dauntless =
onbevreesd; subst. Dauntlessness.
Dauphin, dôfin, dauphin; Dauphiness; Dauphiny = Dauphiné.
Davenant, davən’nt; Davenport, dav’npöt, kleine (dames)schrijftafel;
Daventry, dav’ntri; David, deivid; Davis, deivis; Davison, deivis’n.
Davits, deivits, davits (scheepst.).
Davy Jones, deividžounz, de booze geest der zee: To go to Davy Jones’s
Locker of Davy’s Locker = “voor de haaien” zijn.
Davy-lamp, deivilamp, daviaan, veiligheidslamp (mijnwerkers).
Daw, dô, (kerk)kauw; leeghoofd.
Dawdle, dôd’l, beuzelen, verbeuzelen, zeuren: She is a regular
dawdle(r) = echte zeur.
Dawk, dôk, subst. inkeping; wisselplaats voor dragers; posthuis (Brit.
Ind.); Dawk verb. eene inkeping maken.
Dawm, dôm, Indische munt: 1⁄40 ropij.
Dawn, dôn, subst. dageraad; Dawn verb. licht worden, dagen, aanbreken:
At dawn of day = bij het aanbreken van den dag; It dawned upon me = er
ging me een licht op, ’t werd me bewust; Dawning = dageraad; flauw
idee.
Day, dei, dag, daglicht, strijd, overwinning: Day by day = dag aan dag;
A day to order = uitgezochte; All day (long) = den geheelen dag; Every
day = alle dagen; Every other day = om den anderen dag; One day = op
een dag; One of these days = een dezer dagen; This day fortnight,
sennight = vandaag over veertien, acht dagen; For ever and a day = voor
eeuwig; To-day = vandaag; These systems have had their day = hun tijd;
We lost the day = den slag; The emperor won the day = behaalde de
overwinning; A day’s march; A several day’s journey; Day of grace = dag
der genade; Days of grace = respijtdagen; Day-bed = rustbank, sofa;
Day-blush = dageraad; Day-boarder = scholier in den halven kost;
Daybook = journaal; Daybreak = het dagen; Day-coal = bovenste
kolenlaag; Day-dream = mijmering, luchtkasteel; Day-fly = eendagsvlieg;
Day-labourer = daglooner; Daylight; Day-scholar = externe; Day-room =
zitkamer, huiskamer; Daysman = scheidsrechter (Job. IX 33); Dayspring =
dageraad; Day-star = morgenster; Day-ticket = dagkaart; In the day-time
= overdag; Day-wearied = vermoeid van het dagwerk; Daywork = dagwerk;
Day’s-work = bestek (zeeterm).
Daze, deiz, subst. verdooving, verwarring, verblinding, verstijving;
mica; Daze verb. verblinden, verdooven, verstijven, verwarren; Dazzle,
daz’l, subst. schittering; Daze verb. verblinden, verwarren,
verbijsteren.
Deacon, dîk’n, diaken (in de Apostolische kerk); geestelijke (ordained,
i.e. in Holy Orders), die van altaardienst en het toedienen der
sacramenten is uitgesloten (Engelsche kerk); Deaconess = diacones;
Deaconry = Deaconship = ambt van een deacon.
Dead, ded, dood, levenloos, doodsch, dof, mat, ongevoelig, diep,
pikdonker, beslist, volstrekt, waardeloos, onbestelbaar, verschaald,
blind, somber: He is a dead man = een man des doods; Just dead = pas
gestorven; Dead and gone = gestorven, al lang begraven; He was dead of
small-pox = gestorven aan; At dead of night = in het holle van den
nacht; In the dead of winter = in het hartje; The book fell dead-born
from the press = werd doodgezwegen; To stop dead (= To come to a dead
stop) = plotseling blijven staan (steken); The wind was dead against us
= vlak tegen; (He is) dead-alive = levend dood; uiterst vervelend; dom
(Slang); I had it a dead bargain = spotgoedkoop; Dead-beat = doodop;
Dead-broken = geruineerd; The wind fell a dead calm = het werd
bladstil; Dead capital = renteloos kapitaal; Dead certain = beslist
zeker; Dead colour(ing) = doodverf, grondeering; Dead copper = dof
koper; Dead drunk = stomdronken; It was a dead failure = het mislukte
totaal; He went off (into) a dead faint, fainted dead away = viel
geheel van zich zelf (in zwijm); Dead head = bezitter van een
vrijbiljet voor een schouwburg (stoomboot) (Amer.); The race was a dead
heat = kamp; Dead horse = vooruit betaald werk; The actor was dead
letter-perfect = volkomen rolvast; Dead letter = onbestelbare brief;
The country is a dead level = volkomen vlak; Dead lift = zware last;
Dead-lights = luiken; phosphorisch lichten van doode visch; We have him
at a dead-lock = in onze macht, tot staan, vastgezet; Things have come
to (are at) a dead-lock = de zaken (vooral politieke) zitten vast, ze
kunnen niet vooruit; Dead in love = smoorlijk verliefd; The band played
the dead-march in Saul = de marche funèbre uit Saulus; How many dead
men did you count? = ledige flesschen; Dead on end = in tegengestelden
koers; Dead-reckoning = raming; gegist bestek; The Dead Sea = de Doode
Zee; A dead security = waarborg van geen waarde (bijv. stilstaande
fabriek); The dog made dead-sets at me = venijnige aanvallen; He is a
dead shot = schiet nooit mis; We were in a dead stand = in groote
verlegenheid; I made a dead stand against him = ik verzette mij
krachtdadig tegen hem; Dead stock = renteloos kapitaal; It came to a
dead stop = hield in eens op; Dead-struck = doodelijk getroffen;
vervuld van afgrijzen; Dead wall = blinde muur; Dead-water = kielwater;
Dead-weight = doode last; zwaar gewicht, ballast; renteloos kapitaal;
voorschot van de Engelsche bank aan officieren, die op non-actief, of
gepensionneerd zijn; Deads = uitgeworpen gesteente bij het graven;
Deaden = verzwakken, verminderen, verstompen, verdooven, doen
verschalen, den glans ontnemen; Deadlihood = de staat der dooden;
Deadliness = doodelijkheid, gevaarlijkheid; Deadly = doodelijk,
vergiftig, vreeselijk: Deadly nightshade = belladonna; Deadly sin =
doodzonde.
Deaf, def, doof, onoplettend, zonder pit of kern: He is deaf-and-dumb =
doofstom; Deaf-mute = doofstomme; Deaf of an ear = doof aan één oor;
Deaf to prayers = doof voor; I am deaf with the noise = doof van het
lawaai; Deafen = verdooven, doof maken: The floor was deafened =
ondoordringbaar gemaakt voor geluid.
Deal, dîl, subst. hoeveelheid, handel; het geven (bij het kaarten),
deel (hout); Deal verb. verdeelen, geven (van kaarten), toebrengen,
handelen, zich gedragen, behandelen, te doen hebben, bestrijden: White
deal = vurenhout; Red deal = grenenhout; A deal = een hoop; A great
(good) deal of money (slechts voor enkelv. woorden) = zeer veel; The
deal is with me, I have the deal, I have to deal = ik moet geven; To
make a deal = eene overeenkomst aangaan (Amer.); What shop does he deal
at? = waar koopt hij zijne waren; Deal by others as you wish to be
dealt by = behandel anderen zooals gij wenscht behandeld te worden; He
deals in wines and spirits = handelt in; He has troublesome customers
to deal with = hij heeft met lastige klanten te doen; I deal with him =
ben bij hem in den winkel; Deal-box = spanen doos; Dealer = koopman,
handelaar; Dealing = omgang, verkeer, handeling.
Dean, dîn, deken, hoofd van een domkapittel (Engelsche kerk); Dean and
chapter = domkapittel; Rural dean = geestelijk hoofd van eenige
plattelandsgemeenten; Deanery = waardigheid, huis- of rechtsgebied van
een Deanship = ambt van een Dean.
Dear, dîə, duur, dierbaar, geliefd: Oh dear! = hemeltjelief! Dear me =
Goede Genade; There’s a dear = dan ben je een beste; My dear = lieve
(ook mv. dears); M. is such a dear = zoo’n snoes; Dear-bought =
duurgekocht; Dearly = innig, dolgraag: I should have dearly liked to go
there = had er dolgraag heen gewild; Dearness = duurte, kostbaarheid;
innigheid; Dearth, dɐ̂th, schaarschte, gebrek, hongersnood, armoede;
Deary = lieveling, schat.
Death, deth, de dood, sterfgeval, holle of hartje (van winter of
nacht): To bore to death = doodelijk vervelen; To do to death = dooden;
overdrijven; To drink oneself to death = doodzuipen; Frightened to
death, Frozen to death = doodelijk geschrokken, dood gevroren; To put
to death = ter dood brengen; To ride a free (willing) horse to death =
misbruik maken van iemands goedheid; To be in at the death =
tegenwoordig zijn bij het dooden van den vos; ook fig.: bij de
tragische ontknooping; You will be the death of me = je zult nog mijn
dood zijn, ik zal het besterven (ook van lachen); It was war to the
death with Germany = het was oorlog op leven en dood met Duitschland;
Death when it comes, will have no denial; Death is deaf, and hears no
denial = tegen den dood is geen kruid gewassen; One man’s breath is
another man’s death = den eene zijn dood is den ander zijn brood; Death
devours lambs as well as sheep = de dood maakt geen onderscheid; Death
keeps no calendar = de dood komt als een dief in den nacht; Death-bed;
Death-bell; Death-blow = doodelijke slag, genadeslag; Death-duties =
successierechten; Death-hurt = doodelijke wonde; Death-rates =
sterftecijfers; Death-rattle = gerochel; I have been at death’s door
several times = ben er na “aan toe” geweest; Death’s head = doodskop;
Deathsman = beul; Death-stroke = doodelijke slag; Death-struggle,
Death-throe = doodstrijd; Deathtrap = valluik voor een gevangene,
gevaarlijke plaats; Death-warrant = bevelschrift tot terdoodbrenging;
Death-watch = doodkloppertje (een houtkevertje, welks getik eertijds
geacht werd een zeker voorteeken van een sterfgeval te zijn); Deathful
= doodelijk: Deathless = onsterfelijk; Deathlike = als dood, doodelijk;
Deathly sick = doodziek.
Debacle, dibak’l, dibeik’l, ijsgang, moddervloed, algemeene vlucht,
ondergang, val.
Debar, dibâ, uitsluiten, den toegang beletten.
Debark, dibâk, ontschepen, aan wal gaan; subst. Debarkation.
Debase, dibeis, vernederen, verlagen; vervalschen; onteeren; subst.
Debasement; Debaser.
Debatable, dibeitəb’l, betwistbaar; Debate, dibeit, subst. debat,
woordenstrijd; Debatable verb. debatteeren, nadenken over (on, upon),
behandelen; Debating-Society = dispuut- of debatteercollege.
Debauch, dibôtš, subst. ongebondenheid, losbandigheid; roes; Debauch
verb. bederven, verleiden, demoraliseeren; losbandig zijn;
Debauchedness = liederlijkheid; Debauchee, debôšî, lichtmis; Debaucher
= verleider; Debauchery = losbandigheid, verleiding.
Debenture, dibentjə, obligatie (= Debenture Bond); betalingsmandaat;
mandaat door de douane uitgegeven voor in- of uitvoerrechten, die men
terugkrijgt: Debenture holder = obligatiehouder; Registered debentures
= obligatiën op naam; Debentured goods, goederen waarvoor men de
betaalde rechten terugkrijgt.
Debilitate, dibiliteit, verzwakken; Debilitation = verzwakking;
Debility = zwakheid.
Debit, debit, subst. debet, debetzijde; Debit verb. debiteeren: To the
debit of = ten laste van; No one could be credited or debited with any
knowledge of it = men kon niemand de eer of de schande geven, dat hij
er iets van wist.
Debonair, debənêə, beleefd, inschikkelijk.
Deborah, debərə.
Debouch, dibûš, deboucheeren (van een leger), uitloopen: The new street
is to debouch into the Strand = zal op het Strand uitkomen; subst.
Debouchment.
Debris, debrî, deibri, debri, overblijfselen, wrak, overschot.
Debt, det, schuld: An action of debt = schuldvordering; Debt on call =
opzegbare schuld; You are in my debt, head over ears in debt = bij mij
in de schuld, tot over de ooren in de schuld; To pay the debt of nature
= tol der natuur; To run into debt = schulden maken: Debtor, detə,
schuldenaar, debiteur; Debtor-side = debetzijde.
Debut, Fr. uitspr., eerste optreden, begin; Debutant(e) (Fr. uitspr.) =
debutant(e).
Decachord, dekəköd, ouderwetsche 10-snarige harp.
Decade, dekəd, tiental (van jaren, etc.).
Decadence, Decadency, dekədəns(i), dikeid’ns(i), verval; Decadent =
decadent.
Decagon, dekəgon, tienhoek.
Decahedral, dekəhîdr’l, tienvlakkig (-zijdig); Decahedron = tienvlak.
Decalcomania, dikalkəmeinjə, het decalqueeren.
Decalogue, dekəlog, decalogus, de tien geboden.
Decameron, dikaməron, Decamerone.
Decamp, dikamp, opbreken, heengaan; uitsnijden.
Decanal, dekən’l, tot eene Dean(ery) behoorend.
Decangular, dikaŋgjulə, tienhoekig.
Decant, dikant, zacht òvergieten; klaren; subst. Decantation; Decanter,
dikantə, wijnkaraf.
Decapitate, dikapiteit, onthoofden; ontslaan (Amer.); subst.
Decapitation.
Decapod, dekəpod, tienpootig: Decapods = Decapoda, dikapədə, de
tienpootigen.
Decarbonization, dikâbən(a)izeiš’n, ontkoling = Decarburization;
Decarbonize, dikâbənaiz, ontkolen = Decarburize.
Decastich, dekəstik, tienregelig gedicht.
Decasyllable, dekəsiləb’l, woord van tien lettergrepen; adj.
Decasyllabic.
Decay, dikei, subst. verval, vergaan, verwelken; Decay verb. vervallen;
vergaan, verwelken: To fall (go) to (into) decay = in verval geraken,
te gronde gaan; A decayed tradesman = achteruitgegaan; What’s put away
will soon decay = rust roest; Decayedness = toestand van verval.
Decease, disîs, subst. dood, overlijden; Decease verb. sterven: The
deceased = de overledene(n).