Compend, kompend, Compendium, k’mpendj’m, kort begrip, verkorte opgaaf;

Compendious = beknopt, bevattelijk; subst. Compendiousness.

Compensate, komp’nseit, k’mpenseit, goed maken, vergoeden, opwegen;

Compensation = vergoeding, compensatie, tegenrekening: Workman’s

Compensation Act = ongevallenwet; Compensation-balance (pendulum) =

compensatieslinger; adj. Compensative = Compensatory; Compensator =

compensator.

Compesce, k’mpes, bedwingen, beteugelen.

Compete, k’mpît, wedijveren, strijden om.

Competence, kompitens, Competency, kompitensi, bevoegdheid,

welgesteldheid, gepastheid: They led a life of competence = zij konden

het goed stellen in de wereld; He has a competency = kan zich goed

redden; Competent = bevoegd, toereikend, overeenkomstig.

Competition, kompitiš’n, mededinging, wedijver, concurrentie, kooplust;

Competitive, k’mpetitiv, vergelijkend (van een examen b.v.),

mededingend; Competitor = mededinger, concurrent; Competitress =

Competitrix.

Compilation, kompileiš’n, verzameling.

Compile, k’mpail, samenstellen, samenvoegen, verzamelen; een aantal

‘runs’ maken (cricket); subst. Compiler.

Complacence, k’mpleis’ns, Complacency, k’mpleis’nsi, welbehagen,

voldoening, aangename wijze van optreden, manieren, enz.; beleefdheid;

Complacent = behaaglijk, etc.

Complain, k’mplein, subst. klacht; Complain verb. klagen, morren,

aanklagen: He complained of the boys = klaagde over; To complain to =

zich beklagen bij; Complainant = klager, lijder, eischer; Complaining =

klagend, onpasselijk; subst. klacht; Complaint = klacht, aanklacht,

kwaal, ongesteldheid.

Complaisance, kompləz’ns, kompləzans, beleefdheid, hoffelijkheid,

inschikkelijkheid; adj. Complaisant of Complaisant.

Complement, kompliment, subst. aanvulling, volle getal, volheid,

toevoegsel, het bijkomende, complement; Complement verb. aanvullen:

Three meals a day was the Homeric complement = de taks, het aantal in

de dagen van H.; The complement of the squadron = getalsterkte;

Complemental, Complementary = aanvullend, complementair.

Complete, k’mplît, adj. volledig, voltooid, af, volkomen; Complete

verb. afmaken, voltooien; subst. Completeness; Completion = voltooiing,

vervulling; Completive = volkomen makend; Completory, subst. de

completen, het deel van het Brevier, dat het officium van den dag

afsluit (Kath. Kerk); adj. vervullend, voltooiend.

Complex, kompleks, subst. het geheel; adj. samengesteld, ingewikkeld.

Complexion, k’mplekš’n, gelaatskleur, teint, voorkomen; temperament,

lichaamsgesteldheid.

Complexity, k’mpleksiti, samengesteldheid, ingewikkeldheid.

Compliance, k’mplaiəns, toegeving, toestemming, onderwerping: In

compliance with = overeenkomstig; Compliant, toegevend, inschikkelijk.

Complicate, komplikeit, adj. ingewikkeld; Complicate verb. verwikkelen,

verwarren; Complication = verwikkeling, complicatie (Med.).

Complicity, k’mplisiti, medeplichtigheid.

Compliment, kompliment, subst. plichtpleging, lof, vleierij:

Compliments of the season = Nieuwjaarswenschen; (Make) my best

compliments to = mijne hartelijke groeten aan; With the author’s

compliments = van den schrijver.

Compliment, kompliment, verb. complimenteeren, gelukwenschen,

complimenten maken; Complimental = beleefd, beleefdheids ... =

Complimentary (op boeken) = presentexemplaar.

Complin(e), komplin = Completory, de completen (Kath. kerk): To go to

Complins.

Comply, k’mplai, voldoen, toegeven aan, toestemmen: I complied with his

wishes = voldeed aan; Complying = Complaisant.

Compo, kompou, compositie; mengsel, enz.; het woord is kort voor

Composition.

Component, k’mpoun’nt, subst. en adj. samenstellend (deel).

Comport, k’mpöt, overeenkomen, overeenstemmen, zich gedragen; subst.

compôte, kompət: She comported herself with much gravity; The hangings

do not comport with the furniture = het behangsel past niet bij het

ameublement; Comportment = gedrag, houding.

Compose, k’mpouz, samenstellen, samenvoegen; bevredigen, tot bedaren

brengen, in orde brengen, voorbereiden; zetten (drukkerij),

componeeren, dichten, ontwerpen: What was it composed of? = waaruit

bestond het?; Composed = kalm; rustig; subst. Composedness; Composer =

componist; Composing draught = kalmeerende drank; Composing-frame

(-room, -machine, -stick) = zettersraam, etc. zethaak.

Composite, kompəzit, samengesteld, compositie - - (i.e. hout en ijzer);

subst. samenstelling, mengsel; Composite candle = stearinekaars;

Composite carriage = spoorwegrijtuig met verschillende klassen;

Composite number = deelbaar getal; Composition, kompəziš’n,

samenstelling, mengsel, geaardheid, opstel, arbeid, werk, schikking,

verdrag, afkooping, bevrediging, het aangenomen bedrag, het

letterzetten: A composition of a shilling in the pound = een accoord

van vijf percent; He has no fear in his composition = kent geen vrees;

Compositor = letterzetter.

Compost, kompo(u)st, subst. mengmest; pleisterkalk, gemengd nieuws;

Compost verb. mesten; bepleisteren.

Composure, k’mpoužə, kalmte, bedaardheid, bezadigdheid: He upset my

composure = hij bracht mij van mijn stuk.

Compote, kompout, compôte.

Compound, kompaund, subst. samenstelling, mengsel, massa; samengesteld

woord; erf, kampong; adj. samengesteld, gecompliceerd: Compound

fracture = dubbele breuk; Compound interest = interest op interest;

Compound leaf = sameng. blad; Compound system = stelsel om mijnwerkers

in eene afgesloten ruimte te houden.

Compound, k’mpaund, samenstellen, vermengen, vereenigen, bereiden,

delgen, schikken, accordeeren: The matter was Compounded for =

geschikt; He compounded for his escape = maakte een accoord; He

compounded the felony = hij trok de aanklacht in na schadeloosstelling;

We compounded some hot stuff = bereidden wat warmen drank; Compoundable

= aflosbaar, etc; Compounder = menger, bereider; hij, die een accoord

aangaat.

Comprador, komprədö, Chineesch handelsagent voor Europ. handelshuis.

Comprehend, komprihend, omvatten, insluiten; begrijpen;

Comprehensibility = begrijpelijkheid; Comprehensible = duidelijk,

begrijpelijk; Comprehension = bevatting, begrip; omvang; Comprehensive

= veelomvattend, uitgebreid, groot; bondig: subst. Comprehensiveness.

Compress, kompres, compres, doek.

Compress, k’mpres, samendrukken, verdichten; Compressibility =

samendrukbaarheid; Compressible = samendrukbaar; Compression =

samendrukking, bondigheid, beknoptheid; Compressive = samendrukkend;

Compressor = drukverband, soort machine, kettingstopper.

Comprise, k’mpraiz, bevatten, insluiten.

Compromise, komprəmaiz, subst. minnelijke schikking, overeenkomst;

tusschending; Compromise verb. schikken, bijleggen; compromitteeren, op

’t spel zetten: A life of compromise = van geven en nemen; I will so

far compromise the matter as to accompany you thither = ik zal er mij

dan toe laten vinden er met u heen te gaan; To compromise one’s

principles = het met zijne beginselen op een accoordje gooien; Let us

compromise opinions = laten wij het zien eens te worden.

Compromit, komprəmit, in gevaar stellen, compromitteeren.

Comptant, kaunt’nt, contant geld.

Comptoir, koŋtwö, kantoor, toonbank.

Comptroller, k’ntroulə. Zie Controller.

Compulsion, k’mpɐlš’n, dwang: On (By) compulsion = gedwongen;

Compulsory = dwingend, gedwongen, dwang - -: Compulsory attendance =

verplicht schoolbezoek; Compulsory military service.

Compunction, k’mpɐŋkš’n, wroeging, gewetensknaging; Compunctious =

berouwhebbend.

Compurgation, kompɐ̂geiš’n, vrijspraak van een beschuldigde op de

beëedigde verklaring van 12 personen; Compurgator of kəmpɐ̂gətə = iemand

die zoo’n verklaring aflegt.

Computable, kəmpjûtəb’l, kompjutəb’l, berekenbaar; Computation =

rekenen, berekening, omslag; Compute = (be)rekenen, omslaan, overwegen.

Comrade, komreid, kameraad, “burger”; Comradeship.

Con, kon, subst. het tegen: Pro and con = het vóór en tegen.

Con, kon, zorgvuldig nagaan, van buiten leeren; een schip sturen door

aanwijzingen van den roerganger: He conned over his lessons = leerde

zijne lessen van buiten; He conned thanks = betuigde zijn dank.

Concatenate, kənkatəneit, aaneenschakelen; subst. Concatenation.

Concave, konkeiv, subst. holte, (hemel), gewelf; adj. hol, concaaf;

Concave verb. uithollen; Concavity, kənkaviti, holheid; Concavo-concave

= hol aan de beide oppervlakten; Concavo-convex = hol aan de eene, bol

aan de andere zijde.

Conceal, k’nsîl, verbergen, geheim houden, wegstoppen, vermommen;

Concealable = wat verborgen kan worden; A concealed royalist =

verkapte; Concealer = verberger, heler; Concealment = geheimhouding:

Place of conceal = schuilhoek.

Concede, k’nsîd, toegeven, opgeven, toestaan, toestemmen: To concede

attention to = schenken.

Conceit, k’nsît, subst. bevatting, begrip, meening, valsche waan,

verwaandheid; eigenaardige, grillige opvatting of denkbeeld,

spitsvondige geestigheid; Conceit verb. opvatten, zich verbeelden: He

was a little out of conceit with her = hij mocht haar niet meer zoo

graag; A man of a quick conceit = vlugge bevatting; A conceited fellow

= verwaande vent; Conceitedness = inbeelding, geaffecteerdheid.

Conceivable, kənsîvəb’l, denkbaar, begrijpelijk; Conceive, k’nsîv, een

denkbeeld vormen, denken, zich voorstellen, begrijpen, bevatten,

opvatten, zwanger worden, ontvangen.

Concentrate, kons’ntreit, kənsentreit, in een punt vereenigen,

concentreeren, samentrekken op; subst. Concentration; Concentrative =

geneigd of dienend tot concentratie; Concentrativeness.

Concentre, k’nsentə, in een middelpunt samenkomen (samenbrengen);

Concentric = Concentrical = concentrisch; subst. Concentricity = de

eigenschap van of geschiktheid tot concentreeren.

Concept, konsept, begrip; Conceptual: Conceptual incongruities =

begripsverwarringen, inconsequenties; Conception = voorstelling,

begrip, opvatting, gedachte, ontwerp; ontvangenis.

Concern, k’nsɐ̂n, subst. zaak, onderneming, ding; belang, bezorgdheid,

angst; Concern verb. betreffen, aangaan; ontstellen, bezorgd maken: A

manufacturing concern = fabriekszaak; I have no concern with it = niets

mee te maken; That is no concern of any one’s = dat gaat geen mensch

wat aan; I do not care for the whole concern = ik geef niets om het

heele spul: Common concerns = alledaagsche zaken; Forget such worldly

concerns now = wereldsche zaken; I am concerned for your welfare = stel

belang in (maar maak mij ongerust over); He was greatly concerned for

the loss, his friend had suffered = hij had erg te doen met; To be

concerned in a plot = betrokken bij; I am not concerned with his

opinions = - - - gaan mij niet aan; So far as I am concerned = wat mij

aangaat; Concerning = betreffende; Concernment = zaak: He has no

concernment for it = hij bekommert er zich niet om.

Concert, konsət, overeenstemming, harmonie, concert: The European

concert; They acted by concert = één van zin; I have acted in concert

with your wishes = overeenkomstig uwe; Concert-hall; Concertize =

concerten geven.

Concert, k’nsɐ̂t, samenwerken, afspreken, een plan maken, meerstemmig

arrangeeren: The concerted works were Beethoven’s Seventh Symphony and

Schumann’s Quartet in A minor = de uitgevoerde, ten gehoore gebrachte

stukken.

Concertante, kontšɐ̂tanti, concertstuk voor solo-instrumenten;

Concertina, konsɐ̂tînə, concertina (soort v. harmonica); Concerto =

concertstuk (voor solo met begeleiding).

Concession, k’nseš’n, vergunning, concessie; Concession(n)aire, Fr.

uitspraak, Concessionary, k’nseš’nəri. Concessioner (Amer.),

concessionaris; Concessive = vergunnend, concessief.

Conch, koŋk, zeeschelp; Concha, koŋkə, oorschelp; gewelf van een

halfkoepel of nis; Conchifera, koŋkifərə, schelpdieren met twee

schelpen; Conchiferous, koŋkifərɐs, schelpen voortbrengend of

bevattend; Conchology, koŋkolədži, kennis van schelpen en hare

bewoners.

Conciliar, k’nsiljə, Concilium - - -.

Conciliate, k’nsiljeit, verzoenen, bevredigen, (voor zich) innemen: A

conciliating person = innémend mensch; Conciliation = verzoening, etc.;

Conciliative, Conciliatory = verzoenend; Conciliator = bemiddelaar.

Concise, k’nsais, beknopt, zaakrijk; subst. Conciseness.

Concision, k’nsiž’n, besnijdenis; beknoptheid.

Conclave, konkleiv, (geheime) kardinaalsvergadering; de vergaderde

kardinalen, hunne vergaderzalen, geheime zitting.

Conclude, k’nklûd, besluiten, beslissen, bepalen, opmaken uit, ten

einde brengen, vaststellen, eindigen, sluiten: To conclude alliances

(peace) = sluiten; I conclude from your words to his guilt = ik maak

uit uwe woorden op, dat hij schuldig is; To be concluded = slot volgt;

Conclusion, k’nklûž’n, besluit, einde, afloop, gevolgtrekking: I will

try conclusions with him = mij met hem meten; Conclusive, k’nklûsiv,

afdoende, beslissend: Conclusive evidence = afdoend bewijs; subst.

Conclusiveness.

Concoct, k’nkokt, samenkoken, bereiden, zuiveren, overlèggen, smeden,

beramen, verteren; Concoction = bereiding, overleg; beraming; Concocter

= bewerker.

Concomitance, k’nkomit’ns, Concomitancy, co-existentie: In concomitance

with = tegelijk met.

Concomitant, k’nkomit’nt, subst. het begeleidende of bijkomende; adj.

vergezellend, bijkomend.

Concord, koŋköd, eendracht, overeenstemming, harmonie; Concordance,

k’nköd’ns, overeenstemming, index, concordans; Concordancy =

overeenstemming; Concordant = overeenstemmend; Concordat, k’nködat,

overeenkomst, concordaat.

Concourse, kon(g)kös, toeloop, samenloop, menigte, vergadering.

Concrete, koŋkrît, kənkrît, subst. concreet begrip; beton; adj.

compact, concreet, uit beton bestaande: The floor is concrete = de

vloer is van beton; Concrete-steel = Ferroconcrete = gewapend beton.

Concrete, k’nkrît, een compacte massa vormen (daartoe vereenigen),

kristalliseeren, met beton bouwen; Concreteness = concreetheid,

geronnen of bevroren zijn, verdikking; Concretion = vastworden, vaste

massa, verharding; Concretionary = door concretion ontstaan.

Concubine, koŋkjubain, bijzit; Concubinage, k’nkjûbinidž, concubinaat.

Concupiscence, kənkjûpisens, wellust, zondige begeerte, ontucht; adj.

Concupiscent = Concupiscible.

Concur, k’nkɐ̂, samenkomen, samenvallen, overeenkomen, overeenstemmen,

bijdragen tot, medewerken: I concur in this opinion, wish = ben het

daarmede eens; To concur with the views of an author; Concurrence,

k’nkɐr’ns, Concurrency, k’nkɐr’nsi, samenvallen, overeenkomst,

vereeniging, goedkeuring, medewerking: Their entire concurrence with

our plan; We acted in concurrency = wij traden gemeenschappelijk op;

Concurrent, k’nkɐr’nt, subst. bijkomende omstandigheid, medewerker,

mededinger; adj. samenwerkend, mededingend, gelijktijdig; subst.

Concurrentness.

Concuss, k’nkɐs, schokken, dwingen (into); Concussion = schok, botsing;

afdreiging: Concussion of the brain = hersenschudding; Concussive =

schokkend.

Cond, kond, van eene hoogte de richting aanwijzen, waarin een schuit

gestuurd moet worden, met ’t oog op een naderende school visschen;

Conder, kondə, de persoon, die zulks doet.

Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonbaar of

ongeschikt verklaren, verbeurd verklaren, dicht spijkeren: Ship and

cargo were condemned = verbeurd verklaard; Condemned cells, Condemned

sermon = cellen, preek voor ter dood veroordeelden; Condemned dwelling

= onbewoonbaar verklaarde; Condemnable, k’ndemnəb’l, verwerpelijk,

strafbaar; Condemnation = veroordeeling, verwerping, afkeuring;

Condemnatory = veroordeelend, etc.

Condensability, k’ndensəbiliti, verdichtbaarheid; Condensable,

k’ndensəb’l, verdichtbaar; Condensation, kondənseiš’n, condensatie,

bekorting; Condense, k’ndens, verdikken, bekorten, condenseeren; zich

condenseeren; Condenser, k’ndensə, condensor.

Condescend, kondəsend, zich verwaardigen, zich inlaten met, zich

vernederen: He did not condescend to answer (on an answer) =

verwaardigde zich niet; Condescending = minzaam, nederbuigend;

Condescension: His condescension struck us all very favourably = zijne

minzaamheid deed ons allen aangenaam aan.

Condign, k’ndain, verdiend: Condign punishment.

Condiment, kondiment, kruiderij.

Condite, k’ndait, inleggen, konfijten.

Condition, k’ndiš’n, subst. toestand, rang, eigenschap, voorwaarde,

bepaling; Condition verb. bepalen, voorwaarden maken, bedingen, in

goeden (gezondheids)toestand brengen en houden, keuren: I am not in a

condition to feast with you = in de stemming, met u feest te vieren;

Our horses take months to condition in South Africa = om aan ’t klimaat

te gewennen; She felt herself growing quiet and conditioned again =

gezond, flink; Conditional, subst. voorwaardelijke wijs, beperking;

adj. voorwaardelijk; Conditionality = ’t afhankelijk zijn.

Condolatory, k’ndoulətəri, condoleantie...; Condole, k’ndoul,

medetreuren, betreuren: He condoled his own misery = hij had medelijden

met zichzelf; I condole with you on the loss you have suffered = ik

condoleer u met; Condolence, k’ndoul’ns: A visit of condolence;

Condolencer = hij die condoleert.

Condonation, kondəneiš’n, vergiffenis, goedvinding, het over het hoofd

zien; Condone, k’ndoun, vergeven.

Condor, kondö, Z.-Amer. gier.

Condottiere, köndotjêə, Ital. vrijbuiter of soldaat.

Conduce, k’ndjûs, leiden, strekken, bijdragen tot; Conducive,

dienstbaar, strekkend tot: May your measures be conducive to that noble

end! = mogen .... dienstbaar zijn aan ... doel; subst. Conduciveness.

Conduct, kondəkt, gedrag, leiding, houding, geleide: Safe conduct =

vrijgeleide; Conduct-roll = conduitelijst (van ambtenaren en

officieren).

Conduct, k’ndɐkt, leiden, aanvoeren, voeren, vergezellen, richten,

besturen, geleiden, gedragen: Who conducts your correspondence? =

voert; Conducted: A well conducted boy = fatsoenlijke; Conductibility =

geleidbaarheid; Conductible = geleidend; Conducting wire = geleiddraad;

Conduction = geleiding; Conductive = geleidend; Conductivity =

Conductibility; Conductor = leider, gids, bevelhebber, kapelmeester,

muziekdirecteur, conducteur (van omnibus of tram), bliksemafleider;

Conduct-money = reisgeld voor getuigen; Conductress = geleidster.

Conduit, kondit, kɐndit, waterleiding, kanaal; Conduit-pipe = buis.

Conduplicate, kondjûplikit, adj. dubbel gevouwen; Conduplicate verb.

(kondjûplikeit), dubbel vouwen; subst. Conduplication.

Condyl(e), kondil, knokkel.

Cone, koun, kegel, denappel: Cone of sugar = suikerbrood; Cone-shaped =

kegelvormig.

Confab(ulation), kənfab (konfab), kənfabjuleiš’n, gemeenzaam gesprek;

Confabulate, Confab of Confab = keuvelen.

Confect, konfekt, bonbon.

Confect, k’nfekt, inmaken, maken; Confection, subst. suikergoed, het

maken daarvan; confectie (kleeren); Confect verb. suikergoed maken;

kleederen maken: She is kind enough to confection for the poor;

Confectioner = suikerbakker; Confectionery = suikerbakkerij;

suikergoed, bonbons; kroeg (Amer.).

Confederacy, k’nfedərəsi, verbond, complot; de verbondenen;

Confederate, k’nfedərit, subst. bondgenoot; adj. verbonden; Confederacy

verb. (k’nfedereit), verbinden, een verbond aangaan; Germanic

Confederation = de Duitsche Bond (van 1815–66).

Confer, k’nfɐ̂, te rade gaan, beraadslagen; verleenen, overdragen,

vergelijken; Conferee, konfərî, lid van een conferentie (Amer.);

Conference, konfərens, beraadslaging, bijeenkomst, onderhandeling,

overdracht, verleening; Conferrable = overdraagbaar; Conferrer.

Confess, k’nfes, erkennen, bekennen, toegeven, belijden, biechten: The

priest confessed him = nam hem de biecht af; I confess to a weakness in

his favour = ik beken, dat ik een zwak voor hem heb; She stood

confessed, A maid in all her charms (Goldsmith) = bleek te zijn,

ontpopte zich als; A confessed culprit = erkend; Confessedly =

openbaar; Confession = bekentenis, erkenning, biecht: The Augsburg

confession of faith = geloofsbelijdenis; She went to confess = ging

biechten; Confessional = confessioneel; subst. biechtstoel;

Confessionary, adj. biecht..; Confessor = biechtvader, belijder.

Confidant(e), konfidant, mann. of vr. vertrouweling, boezemvriend.

Confide, k’nfaid, verb. vertrouwen, toevertrouwen: I will confide my

experiences in the public ear = aan het publiek toevertrouwen;

Confidence = vertrouwen, zelfvertrouwen, driestheid, vertrouwelijke

mededeeling: To have (place, put) confidence in; I took him into

confidence; Confidence men = soort kwartjesvinders, die de Confidence

trick toepassen door het slachtoffer over te halen om als token of

Confidence zijn kostbaarheden etc. aan hen in bewaring te geven;

Confident = vertrouwend, zeker, driest: I am confident that it is true

= overtuigd; Confidential = vertrouwd, vertrouwelijk, geheim:

Confidential clerk = procuratiehouder; Confidential position = post van

vertrouwen.

Configuration, kənfigjureiš’n, uiterlijke gedaante; Configure,

kənfig(j)ə, groepeeren.

Confinable, kənfainəb’l, begrenzend, begrensbaar; Confine, konfain,

subst. grens, rand, uiterste.

Confine, k’nfain, begrenzen, opsluiten, beperken, bepalen tot: He is

confined to his bed = hij moet het bed houden; To be confined (of) =

bevallen (van); Confinedness, begrensdheid; Confinement = opsluiting;

bevalling: Solitary confinement = eenzame opsluiting.

Confirm, k’nfɐ̂m, bevestigen, versterken, bekrachtigen; als lidmaat

aannemen, vormen: He is a confirmed bachelor = verstokte oude vrijer;

Confirmation = bevestiging; H. vormsel: Confirmation classes =

catechisaties; Confirmative = Confirmatory = bevestigend,

bekrachtigend.

Confiscable, kənfiskəb’l, confisqueerbaar; Confiscate, konfiskeit,

kənfiskeit, adj. verbeurd (verklaard); Confiscate verb. verbeuren,

verbeurd verklaren; subst. Confiscation; Confiscator of Confiscator =

verbeurd verklaarder; Confiscatory = verbeurd verklarend.

Confiture, konfitjə, bonbon, suikergoed.

Confix, kənfiks, goed bevestigen.

Conflagration, konfləgreš’n, groote brand.

Conflict, konflikt, botsing, strijd, worsteling.

Conflict, k’nflikt, botsen, strijden, worstelen, in tegenspraak zijn

met (with); Conflicting = tegenstrijdig.

Confluence, konfluens, samenvloeiing, vereeniging, toeloop; Confluent,

subst. zijrivier, bijstroom; adj. samenvloeiend; Conflux = Confluence.

Conform, k’nföm, adj. overeenkomstig; Conform verb. van gelijken vorm

maken, passend maken, (zich) schikken of voegen naar, overeenstemmen;

zich aan de Staatskerk onderwerpen: You must conform yourself to our

customs = u schikken naar; Conformable = overeenkomstig, meegaand: That

is not conform to the facts = overeenkomstig; Conformation = vorm(ing),

bouw, overeenstemming; Conformist = lid van de Anglikaansche kerk;

Conformity = gelijkheid, overeenkomst, overeenstemming (ook: met den

ritus der Anglik. kerk): In conformity with; They acted in conformity =

dienovereenkomstig.

Confound, k’nfaund, verwarren, dooreenwarren, vernietigen, verbazen,

bedremmelen, beschaamd maken: Confound it! = wat drommel; Confounded =

verward, verbaasd; verfoeilijk, vervloekt, duivelsch.

Confraternity, konfrətɐ̂niti, broederschap.

Confront, k’nfrɐnt, tegenover staan of plaatsen, het hoofd bieden,

confronteeren: I have confronted them together = hen tegenover elkander

geplaatst; I confronted him with his guilt = hield hem zijne schuld

voor; subst. Confrontation.

Confucius, k’nfjûšiəs, Confusius.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 24 / 152 段