Colocynth, koləsinth, kolokwint.

Cologne, kəloun, Keulen: Cologne-water = Eau de Cologne.

Colon, koulən, kronkeldarm; dubbele punt; Colon, kəloun, kolən

(plaatsn.).

Colonel, kɐ̂n’l, subst. kolonel; Colonel verb. (kolənel) = aanvoeren als

kolonel; aanspreken met kolonel; Colonelcy; Colonelship.

Colonnade, koləneid, zuilenrij.

Colonial, kəlouniəl, koloniaal: The colonial Dutch (Dutch colonials) =

Holl. kolonisten; Colonial-office = Min. v. Koloniën; Colonial-produce

= koloniale waren; Colonist; Colonization; Colonize.

Colophon, koləfon, koləfoun, colophoon, einde, sluitsteen: From title

to colophon = van ’t begin tot het einde.

Colophony, kəlofəni, koləfouni, colophonium (vioolhars).

Colorado(-beetle), kolərâdou(bît’l), colorado(-kever).

Colorate, kɐlərit, kolərit, gekleurd, geverfd, getint; Coloration;

Colorature, kɐləritjə, koləritjə, koloratuur; Colorific, kɐlərifik,

kolərifik, kleurgevend, kleur—.

Colossal, kəlos’l, Colossean, koləsîən, kolossaal, reusachtig.

Colosseum, koləsîəm, Colosseum.

Colossus, kəlosəs, colossus.

Colostrum, kəlostr’m, biestmelk.

Colour, kɐlə, subst. kleur, tint, verf, voorkomen, (valsche) schijn,

soort, karakter; Colour verb. verven, kleuren, tinten, doorrooken,

blozen, bedekken, bewimpelen, aanneembaar maken, overdrijven: A man of

colour = kleurling; State colour = regimentsvaandel, waarmede alleen

voor den koning wordt gesalueerd; Colours = kleuren; vlag, standaard,

insigne: In colours = opgeschikt; That is off colour = niet de ware

kleur; I am all off colour = flets, onlekker; de kluts kwijt; The off

coloured son of an Indian Civilian; Under colour of = onder het

voorwendsel van; To change, lose colour = van kleur verschieten, bleek

worden; To nail the colours to the mast = ten teeken dat men zich niet

wil overgeven; volhouden; To serve with the colours = als soldaat

dienen; To colour a pipe = doorrooken; He coloured to the eyes =

bloosde tot over de ooren; Colour-bearer = vaandeldrager; Colour-box =

verfdoos; In the oil and colour line = in oliën en verfwaren;

Colour-man = verfbereider, verfverkooper; Colour-sergeant =

onderofficier-vaandeldrager; Coloured = gekleurd (niet wit),

zwartbruin; Colouring = valsche schijn, kleur(sel); Colourless;

Colourist.

Colportage, kolpötidž, ook Fr. uitspr. colportage; Colporte(u)r,

kolpötɐ̂, kolpötɐ̂, colporteur.

Colquhoun, kəhûn.

Colstaff, kolstaf, draagstok voor watervat of last.

Colt, koult, subst. veulen (ook fig.): Colt’s foot = klein hoefblad (de

bladeren worden wel gerookt tegen asthma); Colt’s-tooth = melktand;

Colt verb. dartelen, springen (Amer.); afstraffen met een eind touw;

Coltish = dartel.

Colter, koultə. Zie Coulter.

Colton, koult’n.

Coluber, koljubə = Colubrid(e), adder; Colubrine, koljubr(a)in,

slangachtig, listig.

Columbarium, koləmbêriəm, columbarium.

Columbia, kəlɐmbjə.

Columbine, kol’mb(a)in, subst. akelei; Colombine; violette weerschijn;

adj. met de kleur van een duivenhals.

Columbus, kəlɐmbəs.

Column, kol’m, zuil, pilaar, kolom, kolonne (troepen), rij: Column of

companies = compagniescolonne; Column of route = marschcolonne;

Columnar = zuilvormig, zuil - -.

Colure, kəljûə, kouljuə, (meest mv.) coluren (sterrek.), snijpunt.

Coma, koumə, slaapziekte, diepe slaap; nevelkring van een komeet;

zaadpluisje.

Co-mate, koumeit, subst. kameraad.

Comatose, koumətous, koumətous, door slaap bevangen, slaapzuchtig.

Comb, koum, subst. kam, hekel, wolkam, hanekam, honigraat; Comb verb.

kammen, hekelen, rollen en uiteenspatten (der golven): To cut a

person’s comb = een toontje lager doen zingen; To comb some one’s head

(hair) = iemand onder den duim houden; He combed his hair with his

hands = streek met de hand door.

Combat, kombət, kɐmbət, subst. strijd, gevecht: Private, single combat

= duel; Combat verb. strijden, worstelen, bestrijden; Combatable =

bestrijdbaar; Combatant, subst. (ook: Combater) strijder; adj.

strijdend, strijdlustig; Combative = strijdlustig; Combativeness =

strijdlustigheid.

Combe, kûm, koum.

Comber, koumə, hij die kamt, wolkam(mer), lange omkrullende golf.

Combinable, kəmbainəb’l, vereenigbaar.

Combination, kombineiš’n, verbinding, vereeniging, komplot;

Combinations = hemdbroek, = Combination-garment; Combination-laws =

Eng. arbeidswetten van 1824; Combination-room = gezelschapszaal (aan de

universiteit te Cambridge); Combinative, Combinative = verbindend,

verbindings...

Combine, k’mbain, nauw verbinden, (zich) vereenigen, samenvoegen;

subst. bond, kongsie.

Combings, koumiŋz, kamharen.

Combustibility, k’mbɐstibiliti, brandbaarheid; Combustible,

k’mbɐstib’l, subst. brand(bare) stof; adj. verbrandbaar; driftig,

opvliegend; Combustion, k’mbɐstj’n, verbranding: Spontaneous combustion

= zelfverbranding.

Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren,

afloopen: Come, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; Come,

come, hope for the best = kom, kom, laten we ’t beste er van hopen;

Come, don’t be a fool; Come your ways = allo, kom mee; She was trying

to come that dodge = die bedriegerij aan te wenden; Will you come the

cruise? = tochtje meemaken; You shall not come your ghosts over me = me

niet bang maken met je spoken; To come to hand = in goede orde

ontvangen; It has come home to me = is me duidelijk geworden; That stab

came home = was raak; That word came home = maakte een diepen indruk;

To come to light = aan het licht komen; To come to pass = geschieden;

To come short = te kort schieten, falen; That is coming it strong = dat

is kras gezegd; To come true = uitkomen, waar blijken; To come undone =

losgaan; In time to come = in de toekomst; For a long time to come =

het zal nog lang duren; First come best served = die ’t eerst komt, ’t

eerst maalt; Lightly come, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen;

He’ll be sixty come next Christmas = a.s. Kerstmis; The time has come

about, round = is weer daar; How did it come about? = hoe is het

gebeurd? To come across = toevallig aantreffen, stooten op; Come along,

old man = ga nu mee; To come at = bereiken, raken, te pakken krijgen;

She was always coming backward and forward = zij was er, of ze kwam er;

The soldiers came by = kwamen voorbij; How did you come by that horse?

= kwaamt gij aan? To come down = naar beneden komen, vallen, dalen; He

came down very soon = hij bakte heel gauw zoete broodjes; They came

down handsomely = zij dokten flink op; To come down (up)on = aanpakken

(fig.); Come in = kom binnen; I just came in for the last act = ik was

nog net op tijd voor het laatste bedrijf; He came in for a good

scolding = kreeg een flink standje; We came in for a storm = werden

overvallen; Chimney-pot hats have come in again = zijn weer in de mode;

To come in = te pas komen; He has come into his own = heeft zijn

(erf)deel gekregen; He came off scot-free = hij heeft het er zonder

kleerscheuren afgebracht; When will the concert come off? = wanneer zal

het concert plaats hebben? The trial will soon come off = beginnen; My

hair is coming off = ik groei door mijn haar; The soldiers came off

duty = kwamen van de wacht; He came out with his guess prematurely =

hij raadde te vroeg; Nothing will come out of it = daar zal niets uit

voortkomen; She came out on her 18th birthday = kwam in de wereld; kwam

uit; The bankrupt has come out again = heeft zich weer (in de

maatschappij) vertoond; It came out as I told you = gebeurde; He came

out with his secret = hij verklapte zijn geheim; The truth came out;

This comes out clearly = blijkt duidelijk, komt duidelijk aan ’t licht;

The book came out = verscheen; He has come out strongly = is kranig

voor den dag gekomen; To come over to a party = overgaan bij; To come

round = komen aanrijden, vóór komen, etc.; He is sure to come round =

hij zal wel bijdraaien; The patient will soon come round again =

hersteld zijn, tot bewustzijn komen; You shall not come round me =

bepraten, inpalmen; He came to (himself) in no time = kwam dadelijk

weer bij (uit flauwte); It comes to the same thing = komt op ’t zelfde

neer; When all comes to all = alles bijeengenomen; That has come up of

late = dat is in den laatsten tijd gebruik geworden; He struck gold,

and came up by leaps and bounds = hij vond goud, en werd zeer spoedig

rijk; To come up to = beantwoorden aan; He came up to me = naderde mij;

To come up to the scratch = iemand staan, een uitdaging aannemen,

toebijten; Two travellers came up with me = haalden mij in; He came

upon me very suddenly = hij viel mij plotseling op het lijf;

Come-at-able = genaak(verkrijg)baar; Come-down = val, vernedering;

Come-off, kɐmof, kɐmof, uitvlucht, tot stand koming; Come-outer =

bekeerde; radicaal (Amer.); He has found his Come-uppance = hij heeft

zijn meerdere gevonden, hij heeft zijn man gevonden.

Comedian, kəmîdj’n, tooneelspeler, blijspeldichter; Comedietta,

komədjetə, klucht; Comedy, komədi, blijspel.

Comely, kɐmli, bevallig, knap, gepast.

Comer, kɐmə, komende, bezoeker: The first comer = de eerst komende, de

eerste de beste; Newcomer = nieuweling, vreemdeling.

Comestibles, kəmestib’lz, eetwaren.

Comet, komət, komeet, een kaartspel; Cometary = komeet - -; Cometarium

= cometarium.

Comfit(ure), kɐmfit(jə), suikergoed, bonbon. Comfit = confijten.

Comfort, kɐmfət, subst. troost, vertroosting, aanmoediging, bijstand;

soort sprei (Amer.); Comfort verb. troosten, kracht geven, opwekken,

opbeuren: We are in comfort = kunnen ons goed redden; To take comfort =

zich troosten, moed scheppen; Comfortable = subst. soort sprei of

polsmof (Amer.); adj. (= Comfy) aangenaam, gemak gevend: Now I am

comfortable = nu ben ik (voel ik mij) op mijn gemak; Comforter =

trooster; fopspeen; bouffante; de Heilige Geest (Joh. XIV, 26).

Comfy = Comfortable.

Comic(al), komik(’l), grappig; subst. Comicality, Comicalness.

Coming, kɐmiŋ, toekomstig: Coming! Sir! = aannemen! mijnheer! Coming in

= binnenkomen; inkomsten; Coming on = nadering, toeneming.

Comitia, kəmišə, volksvergaderingen; adj. Comitial.

Comity, komiti, (burgerlijke) beleefdheid, hoffelijkheid: Comity of

nations = internationale hoffelijkheid, waardoor b.v. de wetten van het

eene land erkend worden binnen de grenzen van een ander.

Comma, komə, komma: Inverted commas = aanhalingsteekens;

Comma-bacillus.

Command, kəmând, subst. bevel, gebod, macht, gezag, commando; Command

verb. bevelen, bestellen, bedingen, beheerschen, afdwingen: The Boers

of De Wet’s command = commando; Command of oneself = zelfbeheersching;

I am at your command = ben tot uw dienst; To be in command = het bevel

voeren; This hill commands (a view of) the surrounding landscape = deze

heuvel bestrijkt (geeft het gezicht op); Commandant, kom’ndânt, als

titel bij een naam; kom’ndânt = commandant; Commandeer, kom’ndîə,

requireeren in den oorlog (Zuid-Afrika): They commandeered the caffres

for military service; Commander = bevelhebber, zeeofficier met rang

tusschen Captain en First Lieutenant; stamper; Commander of the

Faithful = titel van den Sultan van Turkije; Commander-in-chief =

opperbevelhebber; Command(e)ry = kommandeurschap; Commandership =

bevelhebberschap; Commandment = gebod, bevel; Commando: The Transvaal

commandos.

Commeasurable, kəmežər’b’l = Commensurable.

Commemorate, kəmeməreit, herdenken, vieren; subst. Commemoration; adj.

Commemorative.

Commence, kəmens, beginnen, worden, een zeker karakter aannemen;

Commencement = begin, opkomst, oorsprong; de dag waarop vroeger

uitsluitend de promotie tot M. A. of Doctor plaats had te Cambridge.

Commend, kəmend, prijzen, aanbevelen, opdragen, toevertrouwen: For a

mild winter, commend me to the South of France = voor zacht winterweer

moet men het Zuiden van Frankrijk hebben; Commend me to him = doe mijne

groeten aan hem; adj. Commendable = prijzenswaardig; subst.

Commendableness = prijzenswaardigheid; Commender; Commendam = tijdelijk

beheer van een kerkelijk ambt of een leen (in 1863 afgeschaft);

Commendation = lof; Commendatory = prijzend, aanbevelings- -

(Commendatory letter); een prebende in commendam hebbend; subst.

tijdelijk beheerder van een opengevallen prebende (= Commendam) =

Commendator.

Commensurability, kəmenšurəbiliti, commensurabiliteit; Commensurable =

commensurabel: A is commensurable with B = Commensurate, kəmenšureit.

Comment(ary), kom’nt(əri), commentaar; Comment = verklarende

aanteekeningen maken bij, kritiek uitoefenen (on); Commentator =

uitlegger, verklaarder.

Commerce, koməs, handel, verkeer, omgang; een kaartspel: Commerce Union

= tolverbond; Commerce of ideas = gedachtenwisseling.

Commercial, kəmɐ̂š’l, handels ...: Commercial college = handelsschool;

Commercial education = handelsonderwijs; Commercial relations =

handelsbetrekkingen; Commercial room = monsterkamer in een hotel voor

handelsreizigers; Commercial-school = handelsschool; Commercial

traveller = handelsreiziger.

Commination, komineiš’n: Commination-service = een deel van de liturgie

der Eng. kerk, op Aschwoensdag gelezen, waarbij Gods toorn tegen

zondaars wordt uitgesproken; Comminatory = dreigend.

Commingle, kəmiŋg’l, (zich) vermengen.

Comminute, kominjût, tot gruis of poeder maken; inkrimpen; subst.

Comminution.

Commiserate, kəmizəreit, beklagen; subst. Commiseration.

Commissariat, komisêriət, subst. de intendance van het leger, de

daartoe behoorende officieren; ook adj.: All the commissariat animals

had been killed = al het slachtvee (voor het leger) was gedood.

Commissary, komisəri, gemachtigde; officier van het Commissariat:

Commissary Court = gerechtshof (van een graafschap) inzake erfenissen;

Commissary-general = generaal-intendant.

Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commissie(loon);

officiers-aanstelling (bij marine of leger): Commission verb.

machtigen, belasten, in commissie bestellen; een commission verleenen:

Ships in commission = in dienst gestelde schepen; Commission of (the)

peace = aanstelling tot vrederechter; To be put into the Commission of

Peace = benoemd worden tot vrederechter; Commission of lunacy =

commissie van onderzoek naar den toestand der geestvermogens;

Commission-agent = (Commission-merchant); Commissional = gevolmachtigd;

Commissioned officer = officier; Non commissioned officer =

onderofficier; Commissioner = gevolmachtigde, commissaris, lid van een

commissie, commissionair = Commissionaire.

Commissure, komišuə, voeg, naad.

Commit, kəmit, toevertrouwen, toewijzen, gevangen nemen, blootstellen,

compromitteeren, (zich) verbinden, doen, bedrijven, naar eene commissie

verzenden: He rarely commits himself in speaking = hij zegt zelden

domme of gekke dingen; I would not commit myself to these conclusions

without examining the affair myself = ik wou niet instemmen met

dergelijke conclusies; He committed himself to that course = besloot

tot die wijze van doen; They stand committed to that policy = moeten

volgen; Parliament has the power of committing = het recht om wetten

enz. in handen eener commissie te stellen, of een bevel tot

gevangenneming uit te vaardigen; He committed these words to memory =

leerde van buiten; To commit to paper = op papier brengen; Commitment =

verwijzing, overdracht, inhechtenisneming; Committable = te begane;

Committal = subst. toewijzing, gevangenneming, bevel daartoe, begaan;

adj. I thought of a non-committal thing to say = ik bedacht mij op

iets, dat ik gerust kon zeggen, waardoor ik mij niet bloot gaf;

Committee, kəmitî, commissie, comité; Committee, komitî, curator (van

een idioot of krankzinnige); Committer = bedrijver, lastgever.

Commode, kəmoud, hoog dameskapsel (van vroeger tijd); latafel;

stilletje.

Commodious, kəmoudjəs, geriefelijk; subst. Commodiousness; Commodity,

kəmoditi, gerief, gemak, handelsartikel, waar.

Commodore, komədö = Captain of the Fleet = rang tusschen

schout-bij-nacht en kapitein ter zee; bevelhebber van een eskader; het

voorop zeilend schip van een koopvaardijvloot.

Common, kom’n, subst. gemeenteweide, meente; adj. (al)gemeen, gewoon,

gebruikelijk, openbaar, van lagen rang, plat, onrein,

gemeenschappelijk, gemeenslachtig (van subst. en werkw.); Common verb.

gezamenlijke grondrechten hebben; samen eten: We have it in common =

gezamenlijk; He is above the common = meer dan gewoon; It is out of the

common = buitengewoon, ongewoon; Common carrier = vrachtrijder; Common

divisor = gemeene deeler; Common council(man) = gemeenteraad(slid);

Common crier = stadsomroeper; Common gender = van ’t zelfde gramm.

geslacht; Common hall = raadhuis; aula; Common law = gewoonterecht

(tegenover het geschreven recht); Common noun = gem. zelfst. nmw.;

Common Pleas = oud gerechtshof; thans opgenomen onder de Queen’s Bench

Division van het Hooggerechtshof; Book of Common Prayer = ritueel en

gebedenboek der Angl. kerk; Common sense = gezond verstand: That is a

common sense remark = van gezond verstand getuigende; Commonable =

gezamenlijk, gemeenschappelijk; Commonage = gezamenlijk bezit,

gemeenschappelijk recht; Commonalty = burgerij (wat niet tot den adel

behoort); Commoner = burger; lid van het House of Commons; iemand, die

mede recht heeft op gemeenschappelijken grond: Gentleman commoner =

betalend student, die eerst in later tijd werden toegelaten; Commonish

= vrij algemeen, alledaagsch; Commonplace, kom’npleis, subst. gewoon

onderwerp, gewone uitdrukking, gemeenplaats, memorandum; adj. gewoon,

alledaagsch; Commonplace verb. in een memorandum of commonplace-book

aanteekenen; Commons, komənz, het volk; de leden van het Lagerhuis =

House of Commons; voedsel (aan eene algemeene tafel): His cheeks were

hollow; he had been on short commons for four years = hij had het

schraal van eten gehad; Doctors’ Commons = oud gerechtshof bestaande

uit 5 hoven, vervangen door het Probate Court, thans Prob. Division van

het Hooggerechtshof; Commonty = land, aan twee of meer toebehoorende;

gemeenteweide; Commonweal, kom’nwîl, het algemeen welzijn;

Commonwealth, kom’nwelth, gemeenebest, staatslichaam, statenbond,

republiek (in Engeland onder Cromwell: 1649–1660).

Commorance, -cy, komər’ns(i), domicilie; Commorant = wonend.

Commotion, kəmouš’n, beroering, beweging, drukte, tumult.

Communal, komjun’l, kəmjûn’l, communaal; Commune, komjûn, gemeente,

commune (Fr.), communie: To hold commune (with) = spreken met,

raadplegen.

Commune, kəmjûn, komjun, spreken met, raadplegen; deelnemen aan het

Avondmaal (Amer.); de communie ontvangen (Kath. kerk).

Communicability, kəmjûnikəbiliti, mededeelbaarheid; Communicable,

kəmjûnikəb’l, mededeelbaar; Communicant, kəmjûnikənt, avondmaalsganger,

communicant; Communicate, kəmjûnikeit, mededeelen, schenken, openbaren,

omgang hebben, in verbinding staan met, deelnemen aan het Avondmaal,

communiceeren, ter communie gaan.

Communication, kəmjûnikeiš’n, mededeeling, omgang, communicatie

(middel), verbindingsweg: Communication-cord = noodrem; Evil

communications corrupt good manners = kwade samensprekingen bederven

goede zeden; Communicative = mededeelzaam; subst. Communicativeness;

Communicator = mededeeler, noodlijn; Communion, kəmjûnj’n, verbinding,

gemeenschap, omgang; Avondmaal; communie: Communion cup, table, service

= avondmaalsbeker, -tafel, -dienst.

Communism, komjunizm, eigendomsgemeenschap, communisme, socialisme;

Communist; adj. Communistic(al).

Community, kəmjûniti, gemeenschap, gemeente(wezen).

Commutability, kəmjûtəbility, vervreemdbaarheid, verwisselbaarheid;

adj. Commutable.

Commutation, komjuteiš’n, verwisseling, verandering; abonnement

(Amer.); stroomwisseling, aflossing; adj. Commutative; Commutator =

stroomwisselaar; Commute, kəmjût, verruilen, ineens betalen in plaats

van in termijnen, veranderen, wisselen: The sentence of death was

commuted into lifelong imprisonment = het doodvonnis werd veranderd in.

Compact, kompakt, verdrag, overeenkomst, verbond; Compact, k’mpakt,

adj. aaneengesloten, vast, kort, bondig, bestaand uit (of); Compact

verb. krachtig verbinden, nauw vereenigen, verdichten: A compactly

built young fellow = kort en stevig ventje; Compactness = beknoptheid,

soliditeit, stevigheid.

Companion, k’mpanj’n, subst. gezel, kameraad, makker, compagnon,

laagste graad in eene ridderorde, kampanje, kapluik (bij de trap van

eene kajuit), koekoek (uitstekend dakvenster); adj. vergezellend;

Companion verb. vergezellen: Companion-hatch = kap boven de

kajuitstrap; Companion-ladder, Companion-stairs, Companion-way =

kajuitstrap; Companionable = gezellig; Companionless; Companionship =

gezelschap.

Company, kɐmpəni, subst. gezelschap, maatschappij, gilde, genootschap,

compagnie, bemanning: I will bear, keep you company = u gezelschap

houden; To be in company with, in the company of = in gezelschap van;

Two is company, three is none = twee is gezellig, drie is te veel; He

kept company with our servant = had verkeering met onze meid; My friend

sees no company = is zéér eenzelvig; She wept for company = schreide

mee; Company verb. het gezelschap genieten van: I companied with very

interesting people.

Comparable, kompərəb’l, vergelijkbaar; Comparative, k’mparətiv,

vergelijkend, betrekkelijk; subst. comparatief; A comparatively small

sum = betrekkelijk geringe som.

Compare, k’mpêə, vergelijken, gelijkstellen, gelijk zijn, in den

comparatief zetten; zich laten vergelijken; subst. vergelijking: His

eloquence may be compared to a thunderstorm = kan worden vergeleken

bij; I cannot compare the one statesman with the other = vergelijken

met; On our comparing notes, many circumstances tallied with wonderful

exactness = toen wij onze bevindingen vergeleken (van gedachten

wisselden), kwamen vele omstandigheden merkwaardig juist overeen; You

cannot compare (You compare disadvantageously) with your friend = gij

kunt een vergelijking met uw vriend niet doorstaan; Beyond compare,

past compare = onvergelijkelijk.

Comparison, k’mparis’n, vergelijking, trappen van vergelijking: Beyond

all comparison, Out of all comparison, Without comparison =

onvergelijkelijk; By way of comparison = vergelijkenderwijze; To bear

(stand) comparison with = de vergelijking doorstaan met.

Compartment, k’mpâtm’nt, afdeeling, coupé, vak.

Compass, kɐmpəs, subst. omtrek, omvang, omweg, ruimte, grens, bestek,

bereik, kompas; Compass verb. omvatten, omringen, bekleeden,

verkrijgen, bedenken, beramen, tot stand brengen: We have boxed the

compass = zijn de rij rond geweest; He fetched a compass = hij maakte

een omweg, ging niet recht op het doel af; We speak within compass in

asserting this = wij zeggen niet te veel met dit te beweren; True as a

compass = echt waar; They compass heaven and earth to make one

proselyte = doorzoeken hemel en aarde; He compassed his end = bereikte

zijn doel; I felt resolved to compass revenge = op wraak te peinzen;

Compass-box = kompashuisje; Compass-card = kompasroos; Compass-saw =

cirkelzaag; Compass-timber = kromhout; Compass-window =

vooruitspringend boogvenster; Compasses = passer.

Compassion, k’mpaš’n, subst. medelijden; Compassion verb. beklagen,

zich erbarmen; Compassionate, k’mpašənit, adj. mededoogend,

medelijdend; Compassionate verb. k’mpašəneit, beklagen, medelijden

hebben met.

Compatibility, k’mpatibiliti, vereenigbaarheid, bestaanbaarheid;

Compatible, k’mpatib’l, bestaanbaar, passend, vereenigbaar (met with).

Compatriot, k’mpeitriot, k’mpatriot, subst. landgenoot; adj. uit

hetzelfde land; subst. Compatriotism.

Compeer, k’mpîə, subst. evenknie, gelijke, makker; Compeer verb.

evenaren.

Compel, k’mpel, dwingen, drijven, verplichten: That actor compelled

tears from his audience = dwong zijn gehoor tranen af; Compeller =

verzamelaar.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 23 / 152 段