verbijsteren; Confusion = verwarring, verlegenheid, warboel, herrie,
onduidelijkheid, ondergang: Confusion! = verduiveld! It was confusion
worse confounded = het was eene onbeschrijfelijke verwarring.
Confutable, k’nfjûtəb’l, weerlegbaar; Confutation = weerlegging;
Confute, k’nfjût, weerleggen, verijdelen.
Congeal, k’ndžîl, doen stollen of stremmen; Congealable = bevriesbaar;
Congealment = Congelation.
Congee, konži, kɐnžî, subst. ontslag, afscheid; rijstwater (Indië). Zie
Conjee.
Congelation, konžileiš’n, bevriezing, stremming.
Congener, konžənə, verwant, gelijksoortig iets; adj. verwant,
gelijksoortig = Congenerous, k’nženərɐs.
Congenial, k’ndžînj’l, verwant, in geest en aard overeenstemmend,
sympathiek; subst. Congeniality.
Congenital, k’ndženit’l, aangeboren, natuurlijk.
Conger, koŋgə, zeepaling (-aal); Conger-eel = (In Calif.) een soort
lamprei.
Congeries, k’ndžîriiz, samenhooping, verzameling.
Congest, k’ndžest, ophoopen (van bloed, b.v.); Congestion = ophooping
(van bloed), congestie: Congestion of the brain.
Conglobate, kongləbeit, kəngloubeit, Conglomerate, k’ngloməreit; adj.
bolrond; subst. conglomeraat; Conglobate verb. tot een bal of bol
verzamelen; Conglomeration = conglomeraat.
Conglutinate, kənglûtineit, samenlijmen, samenkleven, verbinden; subst.
Conglutination.
Congo, koŋgou, Congo; ook = Congou.
Congou, koŋgû, zwarte thee.
Congratulate, k’ngratjuleit, gelukwenschen, zich verheugen met (on):
Congratulation = gelukwensch; Congratulator = gelukwenscher;
Congratulatory = felicitatie - -: Congratulatory letters.
Congregate, koŋgrigeit, verzamelen, samenkomen; Congregation =
vergadering, (kerkelijke) gemeente, broederschap; Congregational = een
gemeente der Independenten betreffend; Congregationalism = kerkel. zelf
bestuur of leer der Independenten; Congregationalist = lid dier
gemeenten.
Congress, koŋgres, vergadering, congres; Congress-man = lid van het
congres (Amer.); Congressional, Congres - -.
Congreve, koŋgrîv: Congreve impression = Congrevische druk; Congreve
match = lucifer; Congreve rocket = Congrevische vuurpijl.
Congruence, koŋgruens, Congruency, koŋgruensi, Congruity, k’ŋgrûiti,
overeenstemming, gepastheid, congruentie; Congruent (with), Congruous
(to, with) = overeenstemmend, samenpassend.
Conic, konik, kegelvormig, kegel - -; subst. kegelsnede = Conic-section
= kegelsnede; Conics = leer van de kegelsneden; Conical = Conic (adj.);
subst. Conicalness = kegelvorm.
Conifer, kounifə = conifeer (den, etc.); Coniferous = kegelvormige
vrucht dragend: Coniferous tree = Conifer.
Conjectural, k’ndžektšurəl, vermoedelijk; Conjecture, k’ndžektšə,
subst. gissing, onderstelling, conjectuur; Conjecture verb. gissen.
Conjee, kondžî, rijstwater.
Conjoin, k’ndžôin, samenvoegen, (zich) vereenigen: This, conjoined with
his silence = in verband met zijn stilzwijgen; Conjoint = vereenigd,
mede - -; subst. Conjointness.
Conjugal, kondžug’l, echtelijk; Conjugal knot = huwelijksband.
Conjugate, kondžugit, subst. woord van denzelfden oorsprong als een
ander; adj. in paren vereenigd; Conjugate verb. (kondžugeit),
vervoegen; Conjugation = verbinding, vervoeging; adj. Conjugational:
Conjugational system.
Conjunct, k’ndžɐŋkt, vereenigd, verbonden; Conjunction = vereeniging,
verbond, voegwoord, conjunctie; Conjunctive = subst. aanvoegende wijs;
adj. nauw verbonden, vereenigd, verbindings ...; Conjunctly =
vereenigd, gezamenlijk; Conjuncture, k’ndžɐŋktjə, vereeniging,
samenloop (van omstandigheden), crisis: Conjunction (Conjuncture) of
circumstances.
Conjuration, kondžureiš’n, bezwering, tooverformule.
Conjure, k’ndžûə, bezweren, verzekeren, onder eede bevestigen.
Conjure, kɐndžə, tooveren, heksen, betooveren: To conjure up =
bezweren, oproepen; You are no conjurer = gij hebt ook het buskruit
niet uitgevonden; I have not got a conjurer’s cap = ik ben (daarin)
geen heksenmeester; Conjurer = goochelaar; Conjuring-trick =
goocheltoer.
Connate, koneit, kəneit, aangeboren, verwant, samengegroeid.
Connatural, kənatšərəl, nauw verwant, aangeboren (to).
Connaught, konôt.
Connect, kənekt, verbinden, vereenigen, (zich) aansluiten, in
verbinding staan: In a connected form = vereenigd, saamgevoegd;
Connected by marriage = geparenteerd; To be aristocratically connected
= van aristocratische familie zijn; Connecting-rod = drijf-,
koppelstang; Connection, kənekš’n, verband, verbinding,
(bloed)verwantschap, bloedverwant, connectie, aansluiting (van
spoorwegen), vereeniging, aantal klanten of clienten: In this
connection = in verband hiermede; I bought a connection in that part of
London = ik nam (voor geld) de practijk van een dokter (met diens
patienten) over; Connections = handelsbetrekkingen; Connective =
verbindingswoord; adj.: Connective tissue = bindweefsel.
Connecticut, kənetikɐt.
Connexion, kənekš’n = Connection.
Connivance, kənaivəns = Connivence = oogluikende toelating; Connive,
kənaiv, oogluikend toelaten, opzettelijk door de vingers zien (met at);
Conniver = hij, die toelaat.
Connoisseur, konišûə, konisɐ̂, (kunst)kenner; Connoisseurship =
Connoisseurschap.
Connotation, konəteiš’n, (bij)beteekenis, kenteeken; Connotative of
Connotative, ook beteekenend, bijbeteekenissen hebbend; Connote,
kənout, tegelijk beteekenen.
Connubial, kənjûbj’l, huwelijks..., gehuwd: Connubial bliss =
huwelijksgeluk; Connubiality = echtelijke staat; Connubialities =
echtelijke liefkoozingen.
Conoid, kounôid, conoïde; adj. kegelvormig.
Conquer, koŋkə, veroveren, onderwerpen, overwinnen; Conquerable =
overwinnelijk; Conqueror: The Conqueror = Willem de Veroveraar;
Conquest, koŋkwəst, verovering, onderwerping, overwinning.
Conrad, konrad; Conrade, konreid.
Consanguineous, konsangwinjəs, verwant in den bloede; Consanguinity =
bloedverwantschap.
Conscience, konš’ns, geweten: In conscience = redelijkerwijs; In all
conscience = voorzeker; Conscience clause (= Cowper-Temple clause) =
bepaling in de Education Act (1870), dat ouders hun kinderen kunnen
vrijstellen van het godsdienstonderwijs in de Elementary Schools;
Conscience-keeper = iemand die als ons ‘uitwendig’ geweten fungeert;
zielverzorger; Conscience money = vrijwillig gezonden bedrag als men te
weinig belasting heeft betaald; Conscience-proof = verhard;
Conscience-smitten (Conscience-stricken) = gekweld door; Conscientious,
konšienšəs, nauwgezet, gewetens - -: subst. Conscientiousness;
Conscionable, konšənəb’l, redelijk, billijk; Conscious, konšəs, bewust,
gewaar, schuldbewust, zelfbewust: I am not conscious of any guilt = ik
ben mij niet bewust van; subst. Consciousness.
Conscript, konskript, subst. iemand, die aangeloot is voor den
krijgsdienst; adj. op de dienstrol geplaatst: Conscript fathers =
senatoren (van Rome), raadsleden; Conscription = verplichte
krijgsdienst.
Consecrate, konsəkrit, adj. geheiligd, gewijd; Consecrate verb.
konsəkreit, heiligen, wijden, inwijden, consacreeren; Consecration =
wijding, inzegening; Consecrator = inwijder; Consecratory = heiligend,
wijdend.
Consecution, konsikjûš’n, opvolging, reeks, gevolgtrekking;
Consecutive, k’nsekjutiv, geregeld, opvolgend, volgend; Consecutiveness
= ’t op elkaar volgen.
Consensual, k’nsenšuəl, reflex - -; Consensus, k’nsensəs, overeenkomst,
-stemming, sympathie.
Consent, k’nsent, subst. overeenstemming, berusting, toestemming;
Consent verb. instemmen, berusten, toegeven: Silence gives consent =
die zwijgt stemt toe; By (with) one, By common consent = éénstemmig;
The age of consent = 14 jar. leeftijd in Engel.; Consentaneity,
konsentənîiti, onderlinge overeenkomst; Consentaneous, konsenteinjəs,
overeenstemmend, gelijktijdig; subst. Consentaneousness; Consentient,
k’nsenšiənt, eenstemmig.
Consequence, konsikwens, gevolg, uitwerking, gewicht: In (By)
consequence of = ten gevolge van, dientengevolge; That is of no
consequence = van geen belang; He gave a bottle to keep up his
consequence = hij schonk eene flesch voor zijn fatsoen; A man of
consequence = van invloed; To play consequences = protocollen maken;
Consequent = daaruit volgend, consequent; subst. gevolg; Consequential
= consequent, gewichtig doende.
Conservancy, k’nsɐ̂v’nsi, behoud, bewaring: Thames Court of Conservancy
= College ter bescherming van en toezicht op de visscherij en de
scheepvaart op de Theems onder presidium van den Lord Mayor.
Conservation, konsəveiš’n, behoud: Conservation of force, energy =
behoud van arbeidsvermogen; Conservatism = conservatisme; Conservative
= subst. behoudsman; adj. behoudend, behoedzaam.
Conservatoire, konsɐ̂vətwö, muziekschool.
Conservator, konsəveitə, konsəveitə, bewaarder, conservator;
Conservatrix, k’nsɐ̂vətriks.
Conservatory, k’nsɐ̂vətəri, broeikas, serre; muziekacademie (Amer.);
adj. conserveerend, conservatief.
Conserve, konsɐ̂v, conserf.
Conserve, k’nsɐ̂v, conserveeren, goed houden; Conserver = inmaker.
Consider, k’nsidə, overwegen, beschouwen, waarnemen, bedenken,
beloonen: Consider the end = let op; He put on his considering-cap =
hij begon te overleggen; Considerable = aanzienlijk, gewichtig; subst.
Considerableness; Considerate = attent, zorgvuldig, kiesch, omzichtig;
subst. Considerateness; Consideration, k’nsidəreiš’n, overweging,
aanzien, onderscheiding, achting, beweeggrond, invloed, vergoeding,
premie, valuta, welwillendheid: He sold the picture for a consideration
= voor iets meer dan den kostenden prijs; In consideration of = ter
vergoeding van, met het oog op; Out of consideration for your interests
= met het oog op; That is a consideration to me = een heele som voor
mij; He extended his consideration to me = behandelde mij met
consideratie; To take into consideration = in aanmerking nemen;
Considerative = beschouwend, peinzend; Considering = in aanmerking
nemende, lettende op, wat betreft.
Consign, k’nsain, overdragen, toevertrouwen, overmaken, consigneeren,
toewijzen, onderwerpen: Consigned to happiness, to fetters = gewijd
aan, verwezen tot; Consignation, konsigneiš’n, endossement,
deponeering, consignatie; Consignee, konsainî, factor; geconsigneerde,
geadresseerde; Consigner, k’nsainə, consigneerder, vervrachter =
Consignor, k’nsainə, konsinô; Consignment, k’nsainm’nt, consignatie;
geconsigneerde artikelen.
Consist, k’nsist, bestaan, voortbestaan, bestaanbaar zijn met:
Happiness consists in contentment = het geluk is gegrond in de
tevredenheid; What does it consist of? = waaruit bestaat het? Such
things cannot consist together = zijn niet met elkander bestaanbaar;
Consistence = samenstelling, dichtheid; Consistency = overeenstemming,
volharding, consequentie: His idol was consistency = consequentie;
Consistent, adj. vast, consequent, zich-gelijk-blijvend.
Consistory, konsistəri, kənsistəri, vergadering, consistorie,
kerkeraad.
Consolable, k’nsouləb’l, troostbaar; Consolate = To console;
Consolation = troost; Consolatory = troostend, troost...
Console, k’nsoul, troosten, bemoedigen, tot berusting aansporen: I hope
she will be consoled = dat zij zich zal schikken in haar lot; Consoler
= trooster.
Console, konsoul, console; Console-table = consoletafeltje.
Consolidate, k’nsolideit, tot eene vaste en krachtige massa vereenigen,
samentrekken, consolideeren; Consolidated fund = de gezamenlijke
staatsinkomsten van Engeland en Ierland; Consolidated Stocks = Consols
= werkelijke schuld; Consolidation = verdichten, vast worden,
combinatie.
Consols, kənsolz, konsolz, Engelsche staatspapieren (Werkelijke
Schuld).
Consonance, Consonancy, konsən’ns(i), overeenstemming, harmonie;
Consonant = subst. medeklinker; adj. gelijkluidend; overeenstemmend;
Consonantal = medeklinker...
Consort, konsöt, gemaal, makker: Prince Consort = Prins Gemaal.
Consort, k’nsöt, omgaan met (with), overeenstemmen, passen bij,
vergezellen, escorteeren.
Conspectus, kənspektəs, overzicht, synopsis.
Conspicuous, k’nspikjuəs, duidelijk zichtbaar, buitengewoon, opzichtig:
To be conspicuous by one’s absence = schitteren door afwezigheid; He
made (rendered) himself conspicuous = maakte, dat de aandacht op hem
viel; subst. Conspicuousness.
Conspiracy, k’nspirəsi, samenzwering, complot; Conspirator, k’nspirətə,
samenzweerder; Conspire, k’nspaiə, samenzweren, beramen.
Constable, kɐnstəb’l, konstabel, slotvoogd, connetable: County
constable = veldwachter; He has been outrunning the constable = heeft
te groot geleefd; Constableship = ambt van - -; Constabulary,
k’nstabjuləri, subst. de gezamenlijke konstabels, de geheele
politiemacht; adj. politie - -: Constablary force.
Constance, konst’ns, Constanz; Constantia.
Constancy, konst’nsi, standvastigheid, volharding, trouw; Constant =
onveranderlijk, voortdurend, standvastig, trouw.
Constantia, k’nstanšiə, soort wijn; Constantine, konst’ntain,
konst’ntain, Constantijn; Constantinople, k’nstantinoup’l,
Constantinopel; Constantinopolitan, adj. en subst.
Constellate, konstəleit, kənsteleit: The constellated sky = de met
sterren bezaaide lucht; To be constellated = door zijn geboortester
voorbestemd tot; Constellation = gesternte, sterrenbeeld.
Consternate, konstəneit, doen ontstellen; Consternation, konstəneiš’n,
ontsteltenis.
Constipate, konstipeit, verstoppen; Constipation = hardlijvigheid.
Constituency, k’nstitjuənsi, de gezamenlijke kiezers; Constituent,
subst. wezenlijk bestanddeel, lastgever, afgever, kiezer; adj. vormend,
samenstellend, hoofd.., grond.., kies..: Constituent body =
kieslichaam; Constitute, konstitjût, samenstellen, vormen, uitmaken,
machtigen, benoemen: The constituted authorities = gestelde, wettige
machten; We constituted ourselves the champion of the coloured races =
wij wierpen ons op als; Constitution = inrichting, samenstelling,
aanstelling, ziels- of lichaamsgesteldheid, regeeringsvorm, grondwet,
staatsregeling; Constitutional = lichaams - -, geestes - -, gemoeds -
-; constitutioneel; subst. wandeling: Constitutional government =
grondwettelijke regeering; He went for a constitutional every day =
maakte eene wandeling voor de gezondheid; Constitutive = Constituent:
Constituent power = wetgevende macht.
Constrain, k’nstrein, dwingen, weerhouden, bedwingen, noodzaken,
binden; Constrainable = bedwingbaar; Constrained = gedwongen:
Constrained demeanour = gedwongen houding; Constraint = dwang,
beperking, verlegenheid.
Constrict, k’nstrikt, samentrekken, samenkrimpen; subst. Constriction;
Constrictor = sluitspier: Boa constrictor = reuzenslang.
Constringent, k’nstrinžənt, samentrekkend.
Construct, k’nstrɐkt, bouwen, opbouwen, vormen, plaatsen, construeeren,
verklaren; Construction = samenstelling, maaksel, bouw, inrichting,
uitlegging, constructie: What construction shall I put upon your words?
= welke uitlegging moet ik - - -? The building was in course of
construction = in aanbouw; Constructive = vormend, opbouwend; afgeleid,
aangenomen: Constructive contempt (trust) = aangenomen smaad
(vertrouwen); Constructor = bouwer, maker.
Construe, k’nstrû, konstrû, verklaren, uitleggen, vertalen,
prepareeren.
Consuetudinal, konswitjûdin’l, Consuetudinary, konswitjûdinəri, door de
gewoonte geijkt.
Consul, kons’l, consul; Consular, konšulə, consulair; Consulate =
consulaat = Consulship.
Consult, k’nsɐlt, raadplegen, beraadslagen, letten op, overleggen: They
consulted together = staken de hoofden bij elkaar; Consultation =
beraadslaging, consult: Writ of Consult = verwijzing weer naar het
eerste gerechtshof; Consultative = raadplegend; Consulting-room =
spreekkamer (van een dokter).
Consumable, k’nsiuməb’l, verteerbaar, verbruikbaar; Consume, k’nsiûm,
vernietigen, uitroeien, verteren, uitteren, gebruiken, afzetten:
Consumedly = kolossaal, verduiveld; Consumer = verbruiker, afnemer.
Consummate, k’nsɐmit, adj. volkomen, volmaakt: Consummate verb.
kənsɐmeit, konsəmeit, voltooien, afmaken: Consummate scoundrel =
doortrapte schurk; Consummation = voltooiing, vervulling, dood;
huwelijksgemeenschap.
Consumption, k’nsɐmš’n, uittering, vertering, verbruik, tering;
consumptie: To be (go) in (into) a consumption = de tering hebben
(krijgen); Far gone in consumption; Consumptive, teringachtig, tering -
-; teringlijder.
Contact, kontakt, aanraking, voeling, contact, vereeniging: To come in
contact with the law; Angle of contact = hoek, gevormd door een kromme
lijn en de tangens daarvan; Point of contact = raakpunt.
Contagion, k’nteiž’n, besmetting, pest, smetstof, gif; Contagious =
besmettelijk, giftig: The Contagious Diseases Acts = Wetten op
Besmettelijke Ziekten; subst. Contagiousness; Contagium = smetstof.
Contain, k’ntein, bevatten, omvatten, insluiten, bedwingen, (zich) goed
houden: We contained the enemy until nightfall; I could not contain my
laughter = inhouden, bedwingen; Containable = te bevatten; Container =
vat, bak.
Contaminate, k’ntaminit, adj. bevlekt, besmet, bedorven: Contaminate
verb. k’ntamineit, bevlekken, besmetten, bezoedelen, bederven:
Contaminated fish; Contamination = besmetting, bederf; Contaminative =
besmettend.
Contango, k’ntaŋgou, opgeld, betaald om de betaling der gekochte
stukken tot over 14 dagen (Settlement-day) te mogen uitstellen (het
tegengestelde van Backwardation); Contango-day = afrekeningsdag.
Contemn, k’ntem, verachten, geringschatten.
Contemplate, kont’mpleit, k’ntempleit, beschouwen, overpeinzen, van
plan zijn, op het oog hebben, ernstig denken over; Contemplation =
beschouwing, nadenken, droomerij: This is in contemplation =
overweging; Contemplative = nadenkend, beschouwend, speculatief; subst.
Contemplativeness; Contemplator, Contemplator = denker, etc.
Contemporaneous, kəntempəreinjəs, gelijktijdig; subst.
Contemporaneousness; Contemporary (with), k’ntemp’rəri, gelijktijdig;
subst. tijdgenoot, persoon (blad, tijdschrift) van denzelfden
(leef)tijd.
Contempt, k’ntemt, verachting, geringschatting: Contempt of Court =
beleediging van het (gerechts)hof; In contempt of = in weerwil van; To
hold in contempt = verachten; Contemptible = verachtelijk, nietig;
subst. Contemptibleness; Contemptuous, k’ntemtjuəs, smalend,
onbeschaamd; subst. Contemptuousness.
Contend, k’ntend, betwisten, betoogen, beweren, strijden, worstelen,
streven (met for); Contending = tegenstrijdig.
Content, k’ntent, subst. voldaanheid, berusting; Content verb. tevreden
stellen; adj. tevreden, voldaan; vóór (stemmer in het House of Lords):
To one’s heart’s content = naar hartelust; I am content = ik stem het
toe, ben er voor; Not content = (ik stem) tegen; To content oneself =
zich vergenoegen; Contented(ness) = tevreden(heid) = Contentment:
Contentment is above riches = tevredenheid gaat boven rijkdommen.
Content, k’ntent, kontent, inhoud: Table of contents = inhoudsopgave;
Content bill = inhoudsopgave van sommige couranten.
Contention, k’ntenš’n, strijd, twist, naijver, argument, bewering: My
contention is, that.... = ik beweer, durf volhouden, dat....;
Contentious, twistziek; subst. Contentiousness.
Conterminous, k’ntɐ̂minɐs, dezelfde grenzen hebbend, aangrenzend.
Contest, kontest, strijd, twist, geschil.
Contest, k’ntest, betwisten, strijden om, worstelen, wedijveren:
Contested election = verkiezing, waarbij meer dan één candidaat voor
ééne plaats is; To contest a borough = als candidaat optreden voor;
Contestable = bestrijdbaar, strijdig; Contestant = mededinger.
Context, kontekst, samenhang; Contesture, k’ntekstjə, samenweefsel,
samenstelling, samenhang, bouw.
Contiguity, kontigjûiti, samenhang, nabijheid; Contiguous, k’ntigjuəs,
aangrenzend, nabij (met to).
Continence, kontinens, Continency, kontinensi, matigheid,
zelfbeheersching, maat, kuischheid.
Continent, kontinent, subst. vastland, Europa (behalve Engeland),
stoffelijk omhulsel, aarden vat; adj. kuisch, matig, onafgebroken,
bevattend; Continental = continentaal; subst. bewoner van het
Continent: The Continental Powers = de Europeesche mogendheden (behalve
Engeland); The Continental system, van Napoleon I; Continentalize =
zich naar vastelandsgewoonten schikken.
Contingency, k’ntinž’nsi, gebeurtelijkheid, toevallige gebeurtenis: In
a certain contingency = onder bepaalde omstandigheden; Contingencies =
onvoorziene uitgaven: Contingencies of war = krijgskans; Contingent,
k’ntinž’nt, subst. toevallige gebeurtenis, aandeel, contingent; adj.
voorwaardelijk, toevallig, mogelijk, eventueel: My promise is
contingent on your going away = ik beloof het onder voorwaarde, dat gij
weggaat.
Continual, k’ntinjuəl, voortdurend, onophoudelijk, herhaald,
voortgezet: Continual fever = aanhoudende koorts; subst. Continualness;
Continuance = onafgebroken opeenvolging, volharding, verloop, verblijf:
For a continuence = op den duur; In continuence of time = in verloop
van tijd; Continuation, k’ntinjueiš’n, voortduring, voortzetting,
vervolg, prolongatie: Continuation day = beursdag, waarop de interest
verrekend wordt; Continuation-schools = M. U. L. O. scholen;
Continuations = broek; Continuative = uitdrukking die, of koppelwoord,
dat voortduur uitdrukt.
Continue, k’ntinjû, voortduren, voortzetten, blijven, duren, vertoeven:
The weather continued fair for several days = het weer hield zich
verscheidene dagen goed (bleef droog); To be continued = wordt
vervolgd; Continued in our next = voortzetting in ’t volgend nommer;
Continued fever = hardnekkige.
Continuity, kontinjûiti, samenhang, onafgebroken verband, continuiteit;
Continuous: Continuious rains = onophoudelijke regens.
Contort, k’ntöt, adj. ineengedraaid; Contort verb. wringen, draaien;
Contortion, k’ntöš’n, verdraaiing, verminking (vooral der ledematen);
verrekking: To make contortions = zich in alle bochten wringen;
Contortionist = slangenmensch; woordverdraaier.
Contour, k’ntûə, kontûə, subst. omtrek, buitenlinie; Contour verb. een
omtrek of schets maken.
Contra, kontra, contra: Per contra = in tegenvordering; Contraband,
kontrəband, subst. smokkelhandel, verbod, smokkelgoederen (=
Contraband-goods); adj. (wettig) verboden: Contraband trade; Contraband
of war; Contrabandist, kontrəbandist = smokkelaar.
Contract, kontrakt, contract, verdrag, acte, overeenkomst; huwelijk;
huwelijksacte, aanneming (v. bouwwerken, etc.): Contract-work =
aangenomen werk.
Contract, k’ntrakt, samentrekken, verkorten, inkrimpen, verloven, zich
op den hals halen, aangaan, maken, oploopen, aannemen: To contract
friendship = vriendschap aangaan; Contractibility = inkrimpbaarheid,
samentrekbaarheid; adj. Contractible, Contractile; Contracting parties
= contracteerende partijen; Contracting price = leveringsprijs;
Contraction = samentrekking, afkorting, oploopen, aangaan van;
Contractor = aannemer, leverancier, sluitspier; Contractor-built houses
= bij aanneming gebouwde.
Contra-dance, kontradâns, quadrille.
Contradict, kontradikt, tegenspreken, ontkennen, weerspreken;
Contradiction = tegenstrijdigheid: That is a contradiction in terms =
tegenstrijdigheid in woorden; Contradictious = tegenstrijdig,
twistziek; subst. Contradictiousness; Contradictoriness =
tegenstrijdigheid; Contradictory = tegenstrijdig, onbestaanbaar met
elkander (of one another).