Close, klouz, subst. besluit, einde; schermutseling, handgemeen; Close

verb. sluiten, eindigen, besluiten, aaneensluiten; overeenkomen,

handgemeen worden, worstelen: With closeed doors = met gesloten deuren;

These are closed questions now = uitgemaakt; Evening closed = de avond

viel; At this moment the scene closes in = valt het gordijn; To close

in = de gelederen sluiten; We have closed on that point = het eens

geworden; They closed round the fortress = sloten in; The passage was

closed up = afgesloten; Close up, gentlemen; we won’t go home yet =

aansluiten, Heeren! To close with = aannemen, het eens zijn, naderen.

Close, klous, subst. ingesloten of omheinde plaats, terrein bij eene

cathedraal of abdij, blinde straat of steeg, slop; adj. gesloten,

benauwd, drukkend, dicht, stilstaand, nauw, strak, compres, dicht in

elkaar, nabij, innig, vlijtig, streng logisch, zeldzaam, nabij (Close

by), ongeveer gelijk, geheim, achterhoudend, oplettend, beknopt,

getrouw, nauwkeurig, gierig, krenterig: Close corporation = een

corporatie, die vacatures zelf aanvult; Close season, Close time =

gesloten vischtijd of jachttijd; As close as wax = zoo dicht als een

pot (fig.); The air is close here = het is hier benauwd; Close is my

shirt, but closer is my skin = het hemd is nader dan de rok; To come to

close quarters = handgemeen worden; To keep oneself close = zich koest

houden; To live at close quarters = klein behuisd zijn; To sit close =

dicht opeen; Close-banded = dicht aaneengesloten; Close by (on); Close

upon = bijna; dicht bij; Close-cropped = kort geknipt; Close-fisted,

Close-handed = vrekkig, gierig; Close-grained = dicht (v. hout, steen);

A close-stool = stilletje; Close-tongued = zwijgend, “zoo dicht als een

pot”; Closely = dicht op elkaar, ijverig, grondig; Closeness =

vastheid, dichtheid, geslotenheid, bedomptheid, etc.

Closet, klozət, subst. kabinet, studeerkamer, privaat; adj. geheim,

theoretisch, kamer..; Closet verb.: To be closeted with = een geheim

onderhoud hebben met.

Closure, kloužə, subst. sluiting, slot; Closure verb. het debat

sluiten: To apply the closure het debat sluiten.

Clot, klot, subst. klonter; Clot verb. klonteren; Clotted cream = dikke

room.

Cloth, kloth, laken, wol, stof, calicot, tafellaken, gewaad: The Cloth

= de geestelijkheid; More cloth than dinner = meer vertoon dan

degelijkheid; To lay the cloth = tafeldekken; To wear the cloth = den

soldatenrok (liverei) dragen; geestelijke zijn; Cloth-shearer =

lakenscheerder; Cloth-worker = lakenmaker.

Clothe, kloudh, kleeden, bekleeden, inkleeden.

Clothes, kloudhz, kleeren, kleeding, de wasch, luiers: Bed-clothes =

bedlinnen; Long clothes = lange kinderjurk; Short clothes = korte

rokken; A suit of clothes = pak; Clothes-press = kleerkast;

Clothes-wringer = wringmachine.

Clothier, kloudhjə, lakenkooper, lakenfabrikant; lakenvoller (Amer.).

Clothing, kloudhiŋ, kleeding.

Cloture, Fr. uitspr. = Closure.

Cloud, klaud, subst. wolk, ader, groote menigte, lichte wollen sjaal;

Cloud verb. bewolken, verduisteren, somber maken, aderen, moireeren:

Every cloud has a silver lining = geen kwaad zonder baat; To be in the

clouds = droomen, absent zijn; To be under a cloud = in verlegenheid

zijn, gecompromitteerd zijn; To blow a cloud = rooken; To cast a cloud

upon = een schaduw werpen op; To drop (fall) from the clouds = uit de

lucht vallen; Cloudberry = bergbraambes; Cloud-burst = wolkbreuk;

Cloud-capped (capt) = zeer hoog, met wolken bedekt; In Cloud Cuckoo

Town = hoogst onzeker; Cloud-drift = wolkendrift; Cloud-rack = drijvend

zwerk; Cloud-wrapt = in wolken of mist gehuld; Clouded = bewolkt,

betrokken, troebel, beneveld: I got clouded out = de wolken beletten

mij te photographeeren; Cloudiness = bewolktheid enz.; Cloudless =

onbewolkt; Cloudlet = wolkje; Cloudy = bewolkt, somber, duister,

geaderd, gemoireerd.

Clough, klɐf (Arthur); Clough, klau, klɐf, ravijn; kruik; sluis;

toegift van 2 Eng. ponden op iedere honderd.

Clout, klaut, subst. lap, vod, roos van een schijf, as-plaatje: Clout

verb. oplappen, opflikken, slaan, met spijkers bevestigen: He looks as

white as a clout = zoo wit als een doek; Clout(-nail) = schoenbeslag;

Clouted = met spijkers beslagen.

Clove, klouv, kruidnagel; gewicht voor kaas en boter (± 3,6 K.G.) en

voor wol (± 3,17 K.G.); ravijn; Clove-gilly-flower = tuinanjelier;

Cloves, klouvz = een soort likeur.

Cloven, klouv’n: Cloven-footed, Cloven-hoofed = met gespleten hoef,

satanisch; There was a decided exhibition of the cloven foot = daar

kwam de aap leelijk uit den mouw kijken = He showed his cloven foot.

Clover, klouvə, klaver: To be (live) in clover = een lekker leventje

leiden; To go from clover to rye-grass = van de veeren op het stroo

komen.

Clown, klaun, boerenkinkel, hansworst; Clownish = boersch, clownachtig;

subst. Clownishness.

Cloy, klôi, overladen, tegenstaan.

Club, klɐb, subst. knots, kolfstok, uitwas, haarknoop; club, sociëteit,

vereeniging; adj. knotsvormig; Clubs = klaveren (kaartspel); Club verb.

met een knots (neer) slaan, samen betalen, geld bijeenleggen: We

clubbed (our funds) together = wij legden bij elkander wat wij hadden;

The soldier clubbed his musket = sloeg met den kolf; Clubfist(ed) =

(met) klomphand; Club-foot = horrelvoet; Club-haul = overstag gaan bij

stormweer met behulp van een anker; Club-headed = met dikken kop;

Club-house = sociëteit; Club-law = het recht van den sterkste; Club-man

= lid van een club, knotsdrager; Club-moss = wolfsklauw; Club-pigtail =

dik uitloopende pruik; Club-room; Club-suit = “smoking”; Club-train =

bliksemtrein tusschen Londen en Parijs; Club(b)able = gezellig; Clubbed

= klomp..., knotsvormig, plomp.

Cluck, klɐk, klokken, smakkend spreken als een Hottentot; Clucking-hen

= kloekhen.

Clue, klû, kluwen, (leid)draad.

Clump, klɐmp, subst. blok, brok, groep, dikke zool; Clump verb. lomp

stappen, tot groepen vormen; Clump-boots = zware vetlaarzen.

Clumsiness, klɐmzinəs, plompheid, onbeholpenheid; Clumsy = onhandig,

lomp, plomp; subst. stommeling.

Clunch, klɐnš, verharde leemlaag, weeke kalksteen.

Clung, klɐŋ, imperf. en part. perf. van To cling.

Cluster, klɐstə, subst. tros, bos, groep, troep, zwerm, menigte;

Cluster verb. in trossen groeien, scharen, zwermen, ophoopen: In

clusters = saamgehoopt.

Clutch, klɐtš, subst. greep, klauw, haak; Clutch verb. grijpen,

omvatten; Clutch-fisted = vrekkig.

Clutter, klɐtə, subst. warboel, lawaai; Clutter verb. onderstboven

gooien, eene warboel of drukte maken: Cluttered shops = drukke, volle.

Clyster, klistə, lavement; Clyster verb. een lavement zetten;

Clyster-pipe = klisteerspuit.

Co, kou, verkort voor Company; County; c/o = care of; C. O. = Colonial

Office; Commanding Officer.

Coach, koutš, subst. rijtuig, koets, diligence, personenwagen,

kapiteinshut; repetitor; Coach verb. (in) eene koets rijden, drillen,

africhten: To drive a coach and six (= horses) through (an Act of

Parliament, etc.): een uitdrukking veel gebruikt om het gebrekkige van

een wet, etc. uit te drukken. (Verg.: Door zijn geweten kan wel een

koets met 4 paarden rondrijden); They play at coaches with my money =

hangen den “heer” uit van; A slow-coach = treuzelaar; Coach-house =

koets- of wagenhuis; Coachman = koetsier; Coach-office = plaatsbureau

(van eene diligence); Coachstand; Coach-wheel = wagenrad; ‘achterwiel’

= ½ crown (= Forecoach); crown (= Hindcoach); Coachee = koetsier.

Coadjutor, kouədžûtə, coadjutor, medehelper; Coadjutorship,

coadjutorschap.

Co-agency, koueidž’nsi, medewerking; Co-agent = medewerker.

Coagulable, keagjuləb’l, strembaar; Coagulate, kəagjuleit, (doen)

stremmen (stollen); Coagulation = stremming; Coagulum, kəagjul’m,

gestolde massa, geronnen bloed.

Coak, kouk, lasch, blokbus; Coak verb. lasschen.

Coal, koul, subst. kool, steenkool; Coal verb. verkolen, van kolen

voorzien, kolen innemen: To blow the coals = de hartstochten

aanwakkeren; To haul over the coals = duchtig onder handen nemen;

Coal-backer = kolendrager; Coal-box = kolenbak; Coal-bunker =

kolenbergplaats aan boord; Coal-cake = briket; Coal-fish = koolvisch;

Coal-gas = steenkolengas; Coal-heaver = kolendrager; Coal-hole =

kolenhok; Coal-mine; Coal-mouse = zwartkopmees; Coal-pit = kolenmijn;

Coal-scuttle = kolenemmer; (Coal-scuttle bonnet); Coal-tar = koolteer;

Coal-whipper = kolenwipper; Coaling-station = kolenstation.

Coalesce, kouəles, samengroeien, samenvloeien, zich vereenigen;

Coalescence = vergroeiing, etc.; adj. Coalescent.

Coalition, kouəliš’n, coalitie.

Coaptation, kouəpteiš’n, aanpassing.

Coarse, kös, grof, ruw, onbeleefd, onkiesch; Coarse-grained = grof,

norsch; Coarsen = grof maken (worden); Coarseness, grofheid, etc.

Coast, koust, subst. kust, met sneeuw bedekte helling; Coast verb.

langs de kust zeilen, van haven tot haven zeilen; op sneeuw of ijs in

eene slede naar beneden glijden, eene helling affietsen met de voeten

op de foot-rests (Am.): He knows the coast of France = is een

smokkelaar; Coast-guard = kustwacht; Coasting-trade = kusthandel;

Coasting-vessel (= Coaster) = kustvaarder; Coastways = Coastwise =

langs de kust.

Coat, kout, subst. jas, haren, pels, veeren, laag, schil, wapen

(herald.); Coat verb. bekleeden, bedekken: Dress-coat = rok; Frock-coat

= gekleede jas; Coat of arms = familiewapen; A coat of mail =

maliënkolder; Cut your coat according to your cloth = zet de tering

naar de nering; Coat-card = Court-card; Coat-tail = rokspand; He

trailed his coat-tails over the green, and dared any one to tread on

them (een Iersche vorm van uitdaging); Coatee, koutî, nauwsluitend

jasje; Coating = overtrek, bekleeding, laag, jasstof.

Coax, kouks, vleien: To coax into = bepraten, bevleien; To coax out of

= aftroggelen; Coaxer = vleier; A Coaxing puss (= A coax) =

vleister(tje).

Cob, kob, subst. zware hit; mantelmeeuw, meelballetje voor het mesten

van vogels, spin, rond brood, steen, chignon, maïsaar, piaster, dracht

slagen; Cob verb. afranselen; Cob-loaf = rond brood; Cob-nut = kleine

hazelnoot; Cob-wall = muur van leem en stroo; Cobweb = spinneweb,

spinrag; adj. dun, fijn, waardeloos: To brush off the cobwebs = de

blommetjes buiten zetten; To have cobwebs in one’s brain = muizenissen

in zijn hoofd hebben; Cobby = kort en gedrongen.

Cobalt, koubolt, kobalt; Cobaltic, kobaltachtig.

Cobble, kob’l, subst. kiezelsteen, rond stuk kool; Cobble verb. lappen,

samenflansen: The buttonholes had been cobbled out of their original

shape = waren verknoeid; Cobbler = schoenlapper, knoeier; wijn met

vruchten en ijs, die men door een rietje opzuigt: The cobbler must

stick to (not go beyond) his last = schoenmaker, houd je bij je leest.

Cobham, kob’m.

Coble, kob’l, koub’l, soort van visschersschuit.

Cocaigne, kəkein, het land van Cocagne, luilekkerland.

Cochin-China, kotšin (koutšin)-tšainə.

Cochineal, kotšinîl, kotšinîl, cochenille.

Cochlean, kokliən, lepelvormig; Cochleate(d), kokli(e)it(id),

spiraalvormig.

Cochrane, kokrein.

Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerhaan, kraan;

hooiopper; onrust; wijzer, tong, boot, aanvoerder, opperste; het

hanengekraai, kerfje; Cock verb. overhalen, opheffen, opzetten,

optoomen, schuin (zwierig) opzetten, wenken: By cock and pie = bij kris

en kras; As the old cock crows, the young cock learns = zooals de ouden

zongen, piepen de jongen; He lives like a fighting cock = leidt een

weelderig leven; That cock won’t fight = die vlieger gaat niet op;

Cock-a-doodle (-doo) = kikeriki; That man is Cock-a-hoop = zijn haan

kraait victorie; The cock of the school = de “primus”; He is the cock

of the walk = haantje de voorste, leider; A cock and bull (A

cock-and-a-bull) story = onmogelijk verhaal; To cock the ears =

spitsen; To cock the eye = wenken; To cock the eye at = boos aankijken;

To cock the tail = hoog dragen; Cock-boat = kleine boot; Cock-brained =

onbezonnen, dwaas; Cock-broth = hanensoep; Cock-chafer = meikever;

Cock-crow(ing) = hanengekraai, dageraad; Cock-fight(ing) =

hanengevecht; Cock-eyed = loensch; Cock-horse = hobbelpaard,

stokpaardje; fier paard; trotsch, op hooge plaats, schrijlings: To ride

a cock-horse to Banbury = paardje rijden; zich trotsch, aanmatigend

gedragen; Cock-match = hanengevecht; Cockpit = hanenmat, plaats voor

hanengevechten; Cockpit deck = ziekenboeg aan boord; Cockroach =

kakkerlak; Cock-robin = roodborstje; Cock-rose = roode papaver;

Cocks-comb = hanekam, ratelaar, hoofd, fat. Zie Coxcomb; Cock’s-head =

spurrie; Cock-shut (Cocktime) = schemeravond; Cock-shy = spel, om met

stokken (Cock-shy sticks) iets op een afstand om te gooien; Cock-spur =

hanenspoor; Cock-sure, šuə, positief zeker; Cockswain, koks’n, stuurman

in een giek; Cocktail = renpaard, dat geen volbloed is; paard met fier

gedragen staart; poen: Champagne cocktail = champ. met enkele droppels

Angostura bitter; Soda cocktail = selterswater met bitter etc.;

Cock-tread = hanetree; Cocked hat = steek; driehoekig gevouwen briefje:

To knock into a cocked hat = tot moes slaan; Cockerel (Cocklet,

Cockling) = jonge haan; Cock-up = naar boven gekeerd; boven den regel

uitstekend; scheeve hoed; Cocky = onbeschaamd, pedant, aanmatigend.

Cockade, kəkeid, kokarde.

Cockatoo, kokətû, kaketoe.

Cockatrice, kokətr(a)is, basiliskus.

Cockburn, koubɐ̂n.

Cocker, kokə, subst. fokker van kemphanen; hond voor de snippenjacht;

Cocker verb. troetelen, liefkoozen: Cockered up too much; Cocker thy

child and he shall make thee afraid = vertroetel; According to Cocker =

volgens Bartjes.

Cocket, kokət, douanezegel, tolbewijs, douane (veroud.); adj. dartel,

levendig, coquet: Cocketed up in fair gowns = uitgedost; Cocket-bread =

tweede soort tarwebrood.

Cockieleekie, kokəlîki, kippesoep met look.

Cockle, kok’l, subst. mossel; bolderik, dolik; Cockle verb. rimpelen,

samentrekken: That warms the cockles of my heart = doet me innig

genoegen; Hot cockles = spel waarbij een geblinddoekte moet raden wie

hem geslagen heeft; Cockle-hat = pelgrimshoed met een Cockle-shell =

(mossel)schelp (als pelgrimsinsigne); notedop (= klein bootje);

Cockle-stairs = wenteltrap; Cockler = mosselverkooper.

Cockney, kokni, subst. (geboren en getogen) Londenaar; verwende en

verwijfde jongen; adj. wat een Cockney eigen is; Cockneydom; Cockneyfy

= tot C. maken; adj. Cockneyish; Cockneyism = aard of uitdrukking van

een C.

Cocoa, koukou, cacao; Cocoabutter; Cocoa-nib = zaadvliesje van de

cacaoboon; Cocoa-nut = kokosnoot.

Cocoon, kəkûn, cocon; Cocoonery = inrichting voor de zijdewormteelt.

Coctile, kokt(a)il, gebakken; Coction, kokš’n, koking, bakken.

Cod, kod, subst. schil, schaal, buidel, zak; Cod verb. in eene schil

besluiten.

Cod, kod, kabeljauw; Cod-liver-oil = levertraan; Codder =

visschersschuit (voor Cods); Codling = jonge kabeljauw.

Coda, koudə, coda.

Coddle, kod’l, zacht koken; troetelen, vleien: Don’t coddle yourself =

verwen je zelf niet.

Code, koud, wetboek, reglement: Code of morality = zedewet; Code-words

= afgesproken of telegramwoorden: The telegram was put into the

code-words = in dit schrift overgebracht; Codex = wetboek.

Codger, kodžə, oude vent, vrek.

Codicil, kodisil, aanhangsel van een testament; adj. Codicillary.

Codification, koudifikeiš’n, kodifikeiš’n, codificatie; Codify,

koudifai, kodifai, codificeeren.

Codilla, kədilə, ruwe hennep of vlas.

Codille, kədîl, codille (in quadrille of omber).

Codlin(g), kodliŋ, Codlin, soort appelboom; Zie Cod.

Codrington, kodriŋt’n.

Coefficient, kouəfiš’nt, medewerkend; subst. coefficient.

Coemption, kouem(p)š’n, het opkoopen of koopen in het groot.

Coequal, kouîkw’l, subst. en adj. gelijk(e); Coequality, kouikwoliti,

gelijkheid.

Coerce, kouɐ̂s, dwingen; Coercer; Coercion = dwang; Coercion-act =

dwangwet.

Coessential, kouəsenš’l, van hetzelfde wezen.

Coetaneous, kouiteiniəs, even oud.

Coeternal, kouitɐ̂n’l, eeuwig bestaand met; subst. Coeternity.

Coeval, kouîv’l = Coetaneous.

Coexist, kouegzist, gelijktijdig bestaan; subst. Coexistence; adj.

Coexistent.

Coffee, kofi, koffie: A cup of black coffee; To grind, make, roast,

take coffee; Coffee-beans (= Coffee-nibs); Coffee-mill; Coffee-pot;

Coffee-room = gelagkamer.

Coffer, kofə, subst. geldkist, kist, koffer, schat; gracht, galerij

(vestingb.), sluis (in een kanaal); Coffer verb. in eene kist

besluiten; Coffer-dam, kofədam, kistdam; Coffered.

Coffin, kofin, subst. doodkist, pasteikorst, peperhuisje, bovenste van

een paardehoef, kar van een drukpers; Coffin verb. in eene kist

besluiten, insluiten.

Cog, kog, subst. kam of tand (van een rad); kleine boot; Cog verb.

paaien, door mooie praatjes bedriegen: His dice were cogged = zijne

dobbelsteenen waren valsch (met lood aan ééne zijde bezwaard);

Cog-wheel = tand- of kamrad.

Cogency, koudž’nsi, overtuigende kracht; Cogent, koudž’nt, krachtig,

overtuigend.

Coggle, kog’l, kleine boot; Coggle-stone = afgeronde keisteen.

Cogitate, kodžiteit, denken, overpeinzen; subst. Cogitation; adj.

Cogitative.

Cognac, ko(u)njak, cognac.

Cognate, kognit, subst. bloedverwant; adj. verwant (in Schotl. vooral

van moederszijde), vermaagschapt, van denzelfden aard; Cognation =

bloedverwantschap.

Cognition, kogniš’n, kennis (door eigen ondervinding of onderzoek

opgedaan); adj. Cognitive.

Cognizable, ko(g)nizəb’l, kenbaar, vervolgbaar; Cognizance,

ko(g)niz’ns, kennis(neming), kenmerk, insigne; competentie,

(rechts)gebied: Out of the cognizance of the post; Cognizant,

ko(g)niz’nt, kennis dragend of nemend van (of).

Cognomen, kognoum’n, familienaam, bijnaam; benaming.

Cognovit, kognouvit, schriftel. erkenning door den gedaagde, dat de

eischer in zijn recht is.

Cogue, kog, nap, vaatje, emmer, slok.

Cohabit, kouhabit, (als man en vrouw) samenwonen; subst. Cohabitation.

Coheir(ess), kouêə(rəs), mede-erfgenaam.

Cohere, kouhîə, samenkleven, logisch samenhangen; subst. Coherence =

Coherency; adj. Coherent; Coherer = cohaerer, fritter (Draadl.

telegr.).

Cohesion, kouhîž’n, cohesie, samenhang, verband; adj. Cohesive; subst.

Cohesionness.

Cohort, kouhöt, krijgsbende (oudtijds 500 à 600 man).

Coif, kôif, kwof, subst. kuif, kap, kapsel; Coif verb. met eene kap

bedekken.

Coiffure, kwofûə, kapsel.

Coign(e) kôin. Zie Coin.

Coil, kôil, subst. kronkeling, bocht; vlecht: (False back coils),

rumoer, verwarring, menigte; Coil verb. kronkelen.

Coin, kôin, subst. hoek, buitenhoek, wig, muntstempel (gestempelde

munt); Coin verb. munten, smeden, bedenken, verzinnen: Current coin =

gangbare munt: To be all over coin = een bom duiten hebben; He was paid

in his own coin = met gelijke munt betaald; He is coining money = hij

verdient geld als water; He coined new words = smeedde; Coinage,

kôinidž, het munten van geld, muntstukken, het bedenken (van onware of

valsche voorstellingen); Coiner = stempelaar, valsche munter, bedenker

(van leugens, enz.).

Coincide, kouinsaid, samenvallen, overeenkomen; Coincidence = samenloop

(v. omstand.).

Coir(e), kôiə, kaiə, kokosbast (touw).

Coition, kouiš’n, conjunctie; bijslaap.

Cojuror, koudžûrə, getuige van eens anders geloofwaardigheid of

onschuld.

Coke, kouk, subst. coke(s); Coke verb. in coke(s) veranderen.

Coker-nut, koukənɐt = Cocoa-nut.

Colander, kɐl’ndə, vergiettest; Colander verb. doorzijgen.

Colchester, koultšəstə.

Cold, kould, adj. koud, huiverig, koel, zonder deelneming of

opgewektheid, bedaard: subst. koude, verkoudheid: Cold comfort =

schrale troost; It must be a cold day in August ere I ever try it again

= het zal lang duren, vóór ik het weer beproef; To be down with a bad

cold; To have (to catch) a cold; She always had the joint in cold the

second day = als koudvleesch; To leave out in the cold = in de kou

laten staan; negeeren; afschepen; Cold-blooded = koudbloedig,

koelbloedig; Cold-cream = zalfje voor barsten; Cold-served = koud

voorgediend; vervelend, saai; Cold-short = koudbroos, koudbreukig; He

gave me the cold-shoulder = negeerde mij, zag mij met den nek aan; I am

severely colded = zwaar verkouden; Coldish = wat koud; Coldness =

koude, koelheid.

Coleoptera, kolioptərə, schildvleugelige insecten.

Cole, koul: Colemouse = Coal-mouse; Colerape, koolraap; Colerape-seed =

koolzaad; Cole-wort = Cabbage.

Colic, kolik, subst. koliek, hevige buikpijn: Devonshire colic,

Painter’s colic = loodvergiftiging; Colicky = koliek...

Colinderies, kəlindəriz, koloniale producten, enz.; eene

tentoonstelling daarvan.

Coliseum, kolisîəm. Zie Colosseum.

Collaborate, kəlabəreit, samenwerken; Collaborator.

Collapse, kəlaps, subst. instorting, invalling, geheele mislukking;

Collapse verb. invallen, instorten; Collapsible tubes = samendrukbare.

Collar, kolə, subst. kraag, boord(je), halsband, halsring; Collar verb.

een halsband, enz. aandoen, bij den kraag pakken, de hand leggen op,

wegnemen, stelen; eene rollade maken: Against the collar = met

tegenzin; He slipped the collar = streek de halster (af), ging er

vandoor; He is out of collar = buiten betrekking, heeft geen werk; A

collar of brawn = eene rollade van varkensvleesch; The beef was collard

= het vleesch werd tot den vorm eener rollade gemaakt; Collar-beam =

dwarsbalk; Collar-bone = sleutelbeen; Collar-work = zwaar werk;

Collared herring = rolmops; Collarette = dameskraagje.

Collate, kəleit, vergelijken (vooral van oude handschriften of boeken),

ordenen of rangschikken, schenken, overdragen, met een kerkelijk

“benefice” begiftigen; Collation, kəleiš’n, vergelijking; lichte

maaltijd, begiftiging, geschenk; Collator, kəleitə, vergelijker,

collator, schenker.

Collateral, kəlatər’l, subst. bloedverwant in de zijlinie, adj. zij aan

zij, parallel loopend, indirect, zijdelingsch: Collateral security =

bij- of nevenborg; subst. Collateralness.

Colleague, kolîg, subst. ambtgenoot; Colleague verb. (kolîg) zich

vereenigen, samenspannen; Colleagueship.

Collect, kolekt, kort gebed, gebed voor een bepaalden tijd of dag;

vijver, waterplas (Amer.).

Collect, kəlekt, vereenigen, verzamelen, incasseeren; afhalen; door

waarneming of inlichting verkrijgen; gevolgtrekkingen maken: He

collected himself = hij herkreeg zijne zelfbeheersching; He was not

collected = bedaard, zichzelf meester; Collection = verzameling,

incasseering (v. coupons), gevolgtrekking, buslichting; Collection bag

(box) = kerkzakje; Collections = een soort tentamen (Oxf.); To make a

collection = collecteeren; Collective = verzamelend, vereenigd,

afleidend (uit): The collective body of a nation = Body Politic;

Collector = verzamelaar, ontvanger (v. belastingen enz.); een der twee

B.A.’s met de regeling der Dispuutcolleges belast (Oxf.); Collectorate,

Collectorship = ontvangersdistrict of ontvangersbetrekking.

College, kolidž, college, seminarium, universiteit, leerinrichting;

verkiezingslichaam (Amer.): College-pudding = pudding van nierenvet,

brood, rozijnen en eieren.

Collegiate, kəlîdžiit, subst. lid van een college; adj. tot een college

behoorende: Collegiate church = collegiale kerk, die door het kapittel

en de kanunikken wordt bediend en geen bisschopszetel heeft.

Collet, kolət, halsband, ringkas.

Collide, kəlaid, tegen elkander stooten.

Collie, koli, Schotsche herdershond.

Collier, koljə, kolengraver, kolenhandelaar; kolenschip; Colliery =

kolenmijn, kolenhandel.

Colligate, koligeit, verbinden; Colligation = samenhang.

Collision, kəliž’n, botsing, aanvaring; tegenstand.

Collocate, koləkeit, plaatsen, stationeeren; Collocation =

bijeenplaatsing, regeling.

Collodion, kəloudj’n, collodium.

Colloid, kolôid, gelatineachtig, amorph; subst. gelatineachtige stof.

Collogue, kəloug, samenspannen (with).

Collop, koləp, stukje vleesch, lapje.

Colloquial, kəloukwiəl, tot de omgangstaal behoorende, alledaagsch,

gemeenzaam: A colloquial command of the language = vertrouwdheid met de

omgangstaal; Colloquial powers = onderhoudendheid; Colloquialism =

alledaagsche uitdrukking; Colloquy, koləkwi, gesprek.

Collude, kəl(j)ûd, onder één hoedje spelen, samenspannen; Colluder;

Collusion = geheime samenspanning.

Colluvies, kəl(j)ûviîz, etterhaard, vuil.

Collyrium, kəliriəm, oogzalf (-water).

Colman, koulm’n; Colnebrook, konbruk.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 22 / 152 段