Cimmerian, simîrj’n: Cimmerian darkness = uiterste duisternis.

Cinchona, sinkounə, kinaboom.

Cincinnati, sinsinâti, sinsinati.

Cincture, sinktjə, gordel, band; Cincture verb. omgorden.

Cinder, sində, sintel, slak: Yours to a cinder = tot mijn laatsten

snik; Cinder-pail = doofpot; Cinder-woman (Cinder-wench) =

kolenraapster; Cindery = slakvormig.

Cinderella, sindərelə, Asschepoetster (ook fig.): Cinderella’s glass

slipper.

Cinematograph, s(a)inəmatəgraf, kinematograaf.

Cineraria, sinirêriə, cineraria.

Cinerary, sinərəri, subst. urn; adj. asch...: Cinerary-vase

(Cinerary-urn).

Cingalese, siŋgəlîz, siŋgəlîs, Cingaleesch; subst. Cingalees.

Cinnabar, sinəbâ, cinnaber.

Cinnamon, sinəm’n, kaneel; Cinnamon-stick = pijpkaneel; Cinnamon-stone

= kaneelsteen.

Cinque, siŋk, vijf: Cinquefoil = vijfvingerkruid; Cinque-ports = vijf

havenplaatsen: Dover, Sandwich, Hastings, Romney en Hythe, waarbij

later nog kwamen Winchelsea, Rye (en Seaford), onder bevel van den Lord

Warden of the Cinque-ports, ter verdediging van de kust; het ambt is

thans een sinecure.

Cipher, saifə, subst. de 0, cijfer, naamletter, cijferschrift; Cipher

verb. berekenen, cijferen, ontcijferen, meeklinken: To be (stand for) a

mere cipher = een nul in ’t cijfer zijn; What’s the cipher? = wat kost

het? Cipher-key = sleutel; Ciphering-book = rekenboek.

Circassia, sɐ̂kašə, Circassië: Circassian = Circassiër; Circassisch.

Circe, sɐ̂sî, Circe; Circean, betooverend.

Circensian, sɐ̂senš’n, circus...

Circle, sɐ̂k’l, subst. cirkel, kring, omtrek, cirkelgang, rang, diadeem;

Circle verb. zich in het rond bewegen, zwenken (v. cavalerie),

omringen: To go round in a circle = in een kringetje ronddraaien (ook

fig.); Circle-trains = ceintuurbanen; Circled in on all sides = rondom

ingesloten; Circlet = cirkeltje, ringetje.

Circuit, sɐ̂kit, omloop, omtrek, geregeld bezoek of rondgang,

(rechts)gebied, omweg: Circuit verb. zich in een kring bewegen; Ten

miles in circuit = in omtrek; To make a circuit = omweg; To go the

circuit = zijne tournée maken; To put in circuit, out of circuit =

aansluiten (van telefoon, b.v.), in- uitschakelen; Circuitor =

rondreizend inspecteur; Circuitous, sɐ̂kjûitəs, met een omweg; Circuity,

sɐ̂kjûiti, kringloop, cirkelgang, omweg.

Circular, sɐ̂kjulə, subst. circulaire; adj. cirkelvormig, rond,

rondgaand; Circular announcement (Circular letter) = circulaire;

Circular letter of credit (Circular note) = kredietbrief:

Circular-sailing = het zeilen langs den boog van een grooten cirkel;

Circular ticket = rondreisbiljet; Circularity = rondheid; Circularize =

circulaires zenden; Circulate = (laten) circuleeren, rondgaan,

verkeeren; Circulating: Circulating decimal = repeteerende breuk;

Circulating library = leenbibliotheek; Circulating medium = ruilmiddel;

Circulation, circulatie, omloop: Circulation of the blood; Bank of

circulation = girobank; Circulation of matter = stofwisseling; To be

(To put) in circulation; Circulative = circuleerend; Circulator =

repetent: Circulator of scandal = lastertong; Circulatory =

circuleerend, rondtrekkend.

Circumambient, sɐ̂k’mambj’nt, omgevend; Circumambulate = rondwandelen;

polsen; Circumambulation = rondgang, etc.; Circumbendibus = omweg.

Circumcise, sɐ̂k’msaiz, besnijden; Circumcision = besnijdenis.

Circumference, sɐ̂kɐmfər’ns, omtrek; adj. Circumferential.

Circumflex, sɐ̂k’mfleks, circonflex; rondbuigen, van een circonflex

voorzien.

Circumfluent, sɐ̂kɐmfluent, omstròòmend.

Circumfuse, sɐ̂k’mfjûz, omgieten; Circumfusion = verbreiding (fig.).

Circumgyrate, sɐ̂k’mdžaireit, ronddraaien; Circumgyration =

ronddraaiing.

Circumjacent, sɐ̂k’mdžeis’nt, omliggend, omgevend.

Circumlocution, sɐ̂k’mləkjûš’n, omschrijving; noodelooze omslag;

Circumlocutory, sɐ̂k’mlokjutəri, omschrijvend.

Circumnavigable, sɐ̂k’mnavigəb’l, omvaarbaar; Circumnavigate = omvaren;

Circumnavigation = òmvaring; Circumnavigator.

Circumpolar, sɐ̂k’mpoulə, om de pool.

Circumscribe, sɐ̂k’mskraib, omschrijven, beperken; Circumscription =

begrenzing, beperking.

Circumspect, sɐ̂k’mspekt, omzichtig; Circumspection = omzichtigheid.

Circumstance, sɐ̂k’mst’ns, subst. omstandigheid, voorval, gebeurtenis,

toestand; Circumstance verb.: To be circumstanced = in een bepaalden

toestand zijn; Not a circumstance to = niets in vergelijking met

(Amer.); Circumstantial, omstandig, toevallig: Circumstantial evidence

= derivatief bewijs, bewijs door reductie; tegenover Direct evidence =

blijk; Extenuating circumstances = verzachtende omstandigheden;

Circumstantiate = omstandig meedeelen, verifieeren.

Circumvallation, sɐ̂k’mvəleiš’n, circumvallatie.

Circumvent, sɐ̂k’mvent, misleiden, bedriegen; Circumvention = bedrog;

Circumventive = bedriegelijk.

Circumvolute, sɐ̂kɐmvəl(j)ût, omwikkelen. Circumvolution = omwikkeling.

Circus, sɐ̂kəs, circus: Circus-rider = paardrijder.

Cirencester, sisəstə.

Cirrose, sirous, Cirrous, sirəs, met ranken (vederwolken); Cirrus,

sirəs (Mv. Cirri, sirai), hechtrank; vederwolk.

Cisalpine, sisalp(a)in, Cisalpijnsch.

Cisatlantic, sisətlantik; aan deze zijde van den Atlantischen oceaan.

Cispadane, siseid’n, sispədein, ten Z. van de Po.

Cis(sy), sis(i), verkorting van Cecily, sisili.

Cist, sist, kist; Keltisch graf.

Cistercian, sistɐ̂š’n, subst. Cistenciencer monnik; leerling van de

Charterhouse School; adj. van een Cistercian.

Cistern, sistən, (vergaar)bak, put.

Cit, sit, burger, philister.

Citadel, sitədel, citadel.

Citation, saiteiš’n, dagvaarding; aanhaling; Letter Citatory =

dagvaarding; Cite, sait, dagvaarden; aanhalen, aanvoeren; Citer =

deurwaarder.

Cithara, sithərə, Cither(n), sithə(n), cither.

Citizen, sitiz’n, subst. burger; adj. burger—: The Citizen King;

Citizen-soldier = burgermilitair; Citizenship = burgerrecht.

Citrin(e), sitrin, subst. citrin; adj. citroengeelkleurig.

Citron, citr’n, citroen(boom).

Citrus, sitrəs, lemoen.

City, siti, subst. groote stad (oorspronkelijk: bisschopsstad);

handelswijk van Londen; in Amer. elke stad; de burgers; adj. stads—:

Mr. A. of this city = de Heer A. alhier; City-article = beursbericht;

City-bag = soort reistasch; City-fathers = de raad; City-hall =

stadhuis; City-man = koopman; Cityfied = versteedscht.

Civet-cat, sivətkat, civetkat.

Civic, sivik, burger—: Civic crown = burgerkroon; Civic guard =

burgerwacht; Civics = leer van de rechten en plichten eens burgers.

Civil, sivil, burger—, civiel, beschaafd, beleefd: Doing the civil to =

beleefd zijn tegen; Civil death = verlies der burgerschapsrechten,

afsterven van de wereld; Civil-engineer = civiel-ingenieur; Civil law =

burgerl. recht; Civil list = civiele lijst; Civil servant = burgerlijk

ambtenaar; Civil service = civiele dienst, burgerlijke ambtenaren;

Civil-spoken = beleefd; Civilian, sivilj’n = professor in (beoefenaar

van) ’t civiele recht; Civility, siviliti, beleefdheid, beschaafdheid;

Civilities = attenties; Civiližation, beschaving; Civilize = beschaven,

civiliseeren.

Clabber, klabə: Bonny clabber, subst. dikke, zure melk; Clabber verb.

klonteren (Amer.).

Clack, klak, subst. geklepper, klepper, geratel (fig.), klik, klep,

babbelaar: Clack verb. klappen, snappen, kakelen, klappeien: He clacked

his whip; Clack-box = ventiel; Clack-dish = doos of bord met beweegbaar

deksel van de vroegere bedelaars.

Clad, klad, gekleed; bevredigd.

Claim, kleim, subst. aanspraak, eisch, concessie aanvraag, stuk land,

dat een kolonist productief maakt om het zoo mogelijk te koopen; Claim

verb. aanspraak maken op, eischen: He claims kindred with us = zegt dat

hij familie van ons is; To enter (To make, put in) a claim = eisch

instellen; To give up (renounce, waive) a claim = laten varen; To lay

claim to = aanspraak maken op; Claim-jumper = iemand die een stuk land

in bezit neemt, waarop een ander een vroeger recht heeft; Claimant,

eischer, pretendent.

Clair, klêə: The telegram was sent en clair = open besteld.

Clam, klam, subst. naam van allerlei soorten mossels (mantelschelpen,

stroommossels, zoetwatermossels) mond, domkop (Amer.); nijptang,

schroef; sabel van Harlekijn: He shut up like a clam (Amer.) = zweeg

als een mof; Clam-bake = clams (gapers en venusschelpen) gebakken op

heete steenen met laagjes aardappelen, visch en maïs; picnic waarbij

dit het hoofdgerecht is (Amer.); If it isn’t true, I am a clam-shell =

ben ik “ik weet niet wat”; Shut your clam-shell = houd je mond.

Clam, klam, klamheid; honger; adj. klam, Clam verb. besmeren,

verstoppen; kleven; hongerlijden.

Clamber, klambə, klouteren.

Clamorous, klamərɐs, luidruchtig, tierend, schreeuwend; Clamour, klamə,

subst. getier, luidruchtigheid; weeklacht; Clamour verb. luid

schreeuwen, tieren, dringend eischen, klagen.

Clamp, klamp, subst. klamp; zware voetstap, hoop (steenen); Clamp verb.

klampen, lasschen, zwaar stappen; Clamp-nails = klampnagels.

Clan, klan, stam, geslacht, kliek, secte: They clanned together = zij

staken de hoofden bij elkaar; Clannish = aanhankelijk; Clannishness =

aanhankelijkheid; Clanship = clan-schap; Clansman = lid van een clan.

Clandestine, klandestin, heimelijk, ongeoorloofd.

Clang, klaŋ, harde klank, gekletter, geraas; interj. kling! Clang verb.

klinken, (laten) kletteren: A clanking noise = een kletterend,

rammelend geraas.

Clap, klap, subst. slag, klap, flap, donderslag, handgeklap; Clap verb.

klappen, knallen, tikken, kloppen, slaan (met iets plats), plotseling

bijeendrijven, haastig dichtslaan, met kracht neerzetten, met

handgeklap begroeten: He took a clap at me with his stick = sloeg naar

mij; To clap eyes on a person = zien, ontmoeten; To clap hands = in de

handen klappen; The chancellor of the Exchequer has clapped five

shillings on champagne = gooide; He was clapped into a strait-waistcoat

= hij kreeg een dwangbuis aan; He was clapped into prison, under lock

and key = in de gevangenis gestopt; To clap on a dress = aanschieten;

I’ll sell my boots, I believe and clap everything on = alles zetten op

(wedden); He was clapped out of the room = gesloten; To clap spurs to a

horse = de sporen geven; They clapped him up = in de gevangenis; The

bargain was clapped up = plotseling gesloten; Clapboard = subst. kleine

eikenh. duig; dakspaan (Amer.); Clapboard verb. met dakspanen bedekken

(Amer.); Clap-bread = harde, dunne havermeelkoeken; Clap-dish, Zie

Clack-dish; Clap-net = slagnet; Clap-trap = subst. kletspraat; bombast;

adj. bedriegelijk; schoonklinkend; Clap display = knaleffect; Clapper =

klepel, claqueur.

Clapper-claw, klapərklô, uitschelden, toetakelen, krabben.

Clara, klêrə, Clare, klêə, Clara, non (orde v. St. Clare).

Clarence, klar’ns, rijtuigje = coupé clarence.

Clarendon, klar’nd’n.

Clare-obscure, klêrobskjuə, clair-obscuur.

Claret, klarət, subst. Bordeauxwijn; adj. wijnkleurig; Claret-cup =

bowl van rooden wijn, citroen en brandewijn met ijs.

Clarification, klarifikeiš’n, klaring; Clarifier = klaarmiddel,

klaarpan; Clarify = klaren, reinigen; opklaren.

Clari(o)net, klari(ə)net, klarinet.

Clarion, klariən, klaroen.

Clarity, klariti, klaarheid, glans.

Clarty, klâti, nat, vuil, glibberig (Dial.).

Clary, klêri, scharlei, muskadel-salie.

Clash, klaš, subst. gekletter, knal, botsen, tegenspraak, tegenstrijd;

Clash verb. rammelen, rinkelen, kletteren, strijden, in strijd zijn

met: The clash of cymbals; That clashes with my interests = strijdt

met...

Clasp, klâsp, kram, haak, gesp, knip, omhelzing; Clasp verb. vasthaken,

sluiten, grijpen, omklemmen, omhelzen, vouwen: A medal with six clasps

= met zes gespen; Clasp-knife = knipmes; Clasp-pin = veiligheidsspeld.

Class, klâs, subst. klasse, lesuur, cursus; Class verb. classificeeren,

ordenen: When (the) class is over = het lesuur om is; To be sent out of

class; Class-feeling = standen-(kasten)geest; Class-fellow (Class-mate)

= klassegenoot; Classman = een “met lof” geslaagde (tegenover Passman),

bij Academ. examens; Class periodicals = vaktijdschriften; Class

schools = standenscholen.

Classic(al), klasik(’l), subst. en adj. klassiek (schrijver of boek);

Classics = de kl. studiën: The Classics = de kl. schrijvers; The

Prussian classical schools = gymnasia; Classicality = het klassieke;

Classicism = classicisme, klassieke vorm of stijl; Classicist =

klassiek geleerde.

Classification, klasifikeiš’n, classificatie; Classifier; Classify =

classificeeren.

Clatter, klatə, subst. geklater, gerammel, geratel; Clatter verb.

klateren, ratelen, rammelen; Clatterer.

Claudia, klôdjə. Claudius, klôdjəs.

Clause, klôz, zindeel, clausule.

Claustral, klôstr’l, kloosterachtig, klooster...

Clavate(d), kleivit(id), knotsvormig.

Clavecin, kleivsin, spinet, clavecimbaal.

Claver, kleivə, klavə, wauwelen; gewauwel.

Claverhouse, klavərɐs.

Clavichord, klaviköd, clavecordium.

Clavicle, klavik’l, sleutelbeen; Clavicular, kləvikjulə, sleutelbeen...

Clavicorn, klavikön, knotssprietigen (insect.).

Clavier, kləvîə; klavjə, claviatuur, klavier.

Claviger, klavidžə, claviger, custos.

Clavis, kleivis, sleutel, vertaling.

Claw, klô, subst. klauw, nagel, schaar, poot; Claw verb. krabben,

(ver)scheuren, grijpen, krauwen, kittelen, flikflooien, knijpen

(zeeterm): Claw off = door te knijpen uit lager wal komen; Claw-back =

vleier, lekkerbek; Claw-back verb. vleien; Claw-hammer = klauwhamer;

zwarte rok; adj. gekleed, deftig: There was quite a claw-hammer crowd

at the governor’s palace = een troep heeren met zwarte rokken;

Claw-sickness = klauwzeer.

Clay, klei, subst. klei, leem, aarde, stof, aarden pijp; adj. van klei

gemaakt; Clay verb. met klei bedekken (mengen); zemelen, kleien;

Clay-cold = ijskoud; Clay-marl = kleimergel; Clayey = kleiig, leemig =

Clayish.

Claymore, kleimö, vroeger slagzwaard der Schotsche Hooglanders.

Clean, klîn, adj. zuiver, rein, blank, kuisch, onschuldig, welgevormd,

slim, totaal; Clean verb. reinigen, schoonmaken, zuiveren: As clean as

a new penny = zoo blank als zilver; He went out of office with his

hands clean = hij legde zijne portefeuille neer zonder smet of blaam; A

clean bill (= Bill of Health); He made a clean job of it = hij deed het

uitstekend, keurig; To clean a person out = iemand “blut” maken, geheel

uitschudden; Clean-limbed (Clean-shaped) = goed geproportioneerd;

Clean-shaven = gladgeschoren; Cleaner = stijfster: Vacuum cleaner =

stofzuiger; Cleaning = schoonmaak; Cleanliness, klenlinəs,

zindelijkheid: Cleanliness is next to godliness; Cleanly, klenli, adj.

zindelijk; Cleanly, klînli, adv. rein; Cleanliness = reinheid; Cleanse,

klenz, zuiveren.

Clear, klîə, adj. klaar, zuiver, helder, doorzichtig, doorschijnend,

duidelijk, onbetwistbaar, vlekkeloos, netto, volle, onbelast,

onbezwaard, ongehinderd, vrij; Clear verb. helder maken,

verduidelijken, zuiveren, ophelderen, wegnemen, vrijmaken, vrijspreken,

zuivere winst maken, betalen, klareeren, overspringen, afruimen,

opruimen: The coast is clear = de kust is vrij, het veld is schoon; He

carried it clear = won het royaal; I will try to set you clear = u uit

de verlegenheid te helpen; We steered clear of the rock = liepen de

rots vrij; A clear hour = vol uur; To clear accounts = vereffenen; To

clear a character = van blaam zuiveren; The grounds will be cleared at

ten = het park zal ontruimd worden; Clear-the-ground skirt = grondvrije

rok; To clear a hedge = springen over; To clear the land = in volle zee

blijven; He cleared more than 200 pounds = winst maken; The table was

cleared = de tafel werd afgenomen; He cleared his throat = schraapte de

keel; He cleared the way = baande den weg; The ship was cleared at the

custom-house = uit-, ingeklaard; To clear away the tea = opruimen; The

ship was cleared for action = voor het gevecht gereed gemaakt; To clear

off = vertrekken; uit den weg ruimen; afbetalen; He cleared out = hij

kneep uit; I am cleared out = platzak; Clear-cut = fijn besneden,

scherp omlijnd; Clear-headed = helder; Clear-sighted = helderziend;

Clear-starch = stijven; Clear-starcher = stijfster; Clearance =

opklaren, opruimen, (bewijs van) in- of uitklaren, dunnen van boomen,

uitverkoop (= Clearance sale); Clearing = dunnen van boomen; ontgonnen

land in bosschen (Amer.); verrekening van saldo’s tusschen bankiers,

bij spoorwegmaatschappijen, etc. (dit wordt gedaan in het

Clearing-house); Clearness = helderheid, duidelijkheid, etc.

Cleat, klît, subst. klamp, stang, ijzeren zoolplaatje; Cleat verb.

bevestigen.

Cleavable, klîvəb’l, kloofbaar; Cleavage = kloven, kloofbaarheid;

Cleave = kloven, splijten, banen; kleven, aanhangen, trouw blijven: He

cleaves to his right = staat op; My tongue cleaves to my mouth = kleeft

vast aan mijn gehemelte; Cleaver = (slagers)hakmes, houthakkersbijl:

Marrow-bones and cleavers = mergpijpen en hakmessen (met deze werd

eertijds bij een huwelijk uit de lagere standen muziek gemaakt);

Cleavers = kleefkruid.

Cleek, klîk, kolf met ijzeren voet (bij het Golfspel) voor ’t “drijven”

gebruikt.

Clef, klef, (muziek)sleutel.

Cleft, kleft, kloof, reet, barst, scheur; P.P. gespleten; Cleft-footed

= met gespleten hoef; The cleft infinitive (Zie Split).

Cleg, kleg, paardenhorzel.

Clematis, klemətis, heggeboschdruif.

Clemency, klem’nsi, zachtheid, genade.

Clement, klem’nt, subst. Clementius; adj. zacht, vergevend,

medelijdend.

Clementina, klem’ntînə, Clementine.

Clemmed, klemd, uitgehongerd.

Clench, klenš. Zie Clinch.

Cleomenes, kliominîz; Cleon, klîən; Cleopatra, klîəpeitrə, klîəpatrə,

klîopətrə.

Clergy, klɐ̂dži, geestelijkheid, clerus; Clergyman = geestelijke;

Clergywoman = vrouw van den clergyman (iron.).

Cleric, klerik, klerk, geestelijke, clericaal; Cleric(al) = geestelijk

- -; schrijf - -: Clerical coat (hat); Clerical and typographical

errors = schrijf- en drukfouten; Clericalism = clericalisme.

Clerk, klâk, subst. geestelijke, cantor, koster (= Parish clerk),

geleerde, schrijver, klerk; winkelbediende (Am.); Clerk verb. het

boekhouder- of klerkschap uitoefenen (Amer.): Articled clerk = klerk

van een Solicitor, die na eenige jaren bij hem gewerkt te hebben het

solicitorsexamen kan afleggen voor de Incorporated Law Society; Clerk

of the House = de 1ste griffier van het Lagerhuis; I don’t like figures

well enough to clerk = genoeg van cijfers om klerk of boekhouder te

worden; Clerkship = betrekking van klerk of schrijver.

Clever, klevə, handig, bekwaam, vlug, gevat, gezond, knap, lief

(Amer.): A clever leading-article = knap hoofdartikel; Clever at sums =

knap in ’t rekenen; Cleverly, volkomen (Amer.); Cleverness, handigheid,

etc.

Cleves, klîvz, Kleef.

Clevis, klevis, Clevy, klevi, U-vormig ijzer aan een ploeg of dissel.

Clew, klû, subst. kluwen, bal, draad (fig.), wenk, schoothoorn; Clew

verb. (met up) = oprollen, geien.

Click, klik, subst. tik, knip, knap, klink, pal; Click verb. tikken,

knappen, knippen; wegnemen, gappen; klinken: To click glasses =

klinken; Watches click; Clicker = winkelknecht om klanten te lokken;

vormopmaker (zetterij); schoenmaker, die het leer snijdt.

Client, klaiənt, client, beschermeling, creatuur; Clientage,

klaiəntidž, clientèle = Clientele, klaiəntîl, klaiəntîl, klaiəntel.

Cliff, klif, steile rots; Cliffy = rotsachtig, steil.

Climacteric, klaimakterik, klaimaktərik, kritiek; subst. kritieke

leeftijd (jaar): Grand climacteric = het 63ste levensjaar.

Climate, klaimit, klimaat, luchtstreek, gewest; Climatic(al) =

klimaat..; Climatize = acclimatiseeren; Climatology = klimatologie.

Climax, klaimaks, climax, toppunt.

Climb, klaim, verb. klimmen, klauteren, beklimmen, stijgen; subst.

klim: It is a good climb = heele klim; We began the upward climb; To

climb down = afklimmen; inbinden (fig.); Climbable = beklimbaar;

Climber = klimmer, clematis; Climbers = klimvogels: Hasty climbers have

sudden falls, High climbers fall low = wie hoog klimt, valt laag.

Climene, klaimîn, Climeen.

Clinch, klinš, klinknagel, ankersteek; Clinch verb. klinken,

bevestigen, vasthouden: That clinches the matter = dat is afdoende; I

can’t clinch her name = komen op; Clinch-nails = klinknagels; Clincher

= klamp, houvast: That’s a clincher = daarmee slaat gij den spijker op

den kop, dat is afdoende; Clincher-built = Clinker-built.

Cling, kliŋ, vastzetten, kleven (hangen) aan, zich vastklemmen,

verdorren: She clung hold of his coat = hield stevig vast.

Clinic, klinik, een bedlegerige; kliniek: Clinic(al) = klinisch:

Clinical baptism = doop aan zieke of stervende; Clinical convert = de

aldus gedoopte; Clinical lecture = kliniek. Clinique, klinîk, kliniek.

Clink, kliŋk,—verb. klinken, doen klinken, laten rijmen; subst. het

klinken: At the clink of gold; To clink glasses (together) =

aanstooten; Clinking = buitengewoon.

Clinker, kliŋkə, klinkersteen, hamerslag, metaalschuim, best paard;

klikker (Schotl.): Clinker-built = met over elkaar liggende planken,

overboeid (scheepst.).

Clinquant, kliŋk’nt, subst. klatergoud; adj. glinsterend, in klatergoud

gekleed.

Clio, klaiou, Clio; walvischaas.

Clip, klip, subst. de scheerwol van één seizoen; slag, uitknipsel,

voorpunt aan hoefijzer, klemhoutje, knijper; Clip verb. afknippen,

snoeien, verkleinen, verkorten, afsnijden, radbraken, slaan,

voortrennen (Amer.): He slurred and clipped his words = sprak slordig -

- uit en slikte in; His wings were clipped = hij werd gekortwiekt

(fig.); Clipper = besnoeier; klipper; pracht van een kerel (meid);

Clippers = tondeuse; Clipping = snelzeilend (vliegend), uitstekend,

omarmend; Clippings = lappen, uitknipsels.

Clique, klîk, kliek; Cliquism = kliekwezen; Cliquy = kliekerig.

Clish-clash, klišklaš, geratel: To go clish-clash = rammelen, ratelen

(fig.).

Clitter-clatter, klitəklatə, gewauwel: Her shoes go clitter-clatter =

klip-klap.

Clivers, klaivəz = Cleavers.

Clo, klou = Clothes.

Cloak, klouk, subst. mantel, dekmantel (fig.); Cloak verb. bemantelen,

verbergen; Cloak-bag = mantelzak, valies; Cloak-room = vestiaire,

(dames)toilet, retirade; bagagelokaal.

Clobber, klobə, smeersel om bij het oplappen van oude schoenen de

scheuren te stoppen.

Clock, klok, subst. klok, kever, versierde klink (aan de zijde van eene

kous); Clock verb. klokken, broeden, beieren: What o’clock is it? What

is (it) o’clock? = Hoe laat is het? They set all clocks by Greenwich

time = scheren alles over één kam; Clock-dial = Clock-face =

wijzerplaat; Clock-hand = wijzer; Clockmaker; As regular as clock-work

= zoo precies als een uurwerk; Clock-work animal = stuk speelgoed met

mechaniek.

Clod, klod, subst. aardkluit, stof, lomperd, domoor; Clod verb.

kluiten, klonteren, met kluiten gooien; Clod-crusher = wals;

Clod-hopper = boerenkinkel; Clod-pate, Clod-poll = ezelskop; Cloddish =

Cloddy = klonterig, plomp.

Clog, klog, subst. blok, stomp, belemmering, rem, holsblok, trip; Clog

verb. te zwaar belasten, overladen, belemmeren, verhinderen,

tegenhouden, stokken, klonteren, verstoppen; Cloggy, klonterig,

kleverig, etc.

Cloister, klôistə, subst. klooster, kruisgang, veranda, piazza;

Cloister verb. in een klooster opsluiten, afzonderen.

Clomb, kloum, oud imperf. van To Climb.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 21 / 152 段